Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5774
2026-09-11
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ZWO 25/1296
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen tijdens de beroepsprocedure gewijzigde beslissing op bezwaar ongegrond. De rechtbank heeft een deskundige benoemd. Naar aanleiding van het rapport van de deskundige heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres per 26 september 2022 gewijzigd van 42,41% naar 80 tot 100%. De rechtbank concludeert dat het UWV terecht eiseres per
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBOBR:2025:7451 Rechtbank Oost-Brabant 05-11-2025
- ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896 Centrale Raad van Beroep 04-02-2009
- ECLI:NL:CRVB:2026:561 Centrale Raad van Beroep 06-05-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.695 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1296
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna: [eiseres])
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: het UWV)
(gemachtigde: [gemachtigde 2]).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de uitkering van [eiseres] op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). [eiseres] is het er niet mee eens dat het UWV aan haar vanaf 26 september 2022 een WIA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 42,41% had toegekend. Tijdens de beroepsprocedure heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] vanaf
26 september 2022 aangepast naar 80 tot 100%, maar aan haar vanaf die datum geen uitkering inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
(IVA-uitkering) toegekend. Met dat laatste is [eiseres] het niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden komt de rechtbank tot het oordeel dat het UWV aan [eiseres] per 26 september 2022 terecht geen IVA-uitkering heeft toegekend. [eiseres] krijgt dus in zoverre geen gelijk en het beroep is dus op dat punt ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1.1.
Met het besluit van 13 februari 2024 heeft het UWV geweigerd om aan [eiseres] vanaf 26 september 2022 een WIA-uitkering toe te kennen. [eiseres] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met een brief van 20 januari 2025 heeft het UWV [eiseres] gemeld voornemens te zijn om aan haar per 26 september 2022 een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 42,41% toe te kennen. [eiseres] heeft op dit voornemen gereageerd. Met het besluit van 17 maart 2025 op het bezwaar van [eiseres] (bestreden besluit 1) is het UWV bij het voornemen gebleven.
1.2.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres], de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het UWV. De partner van [eiseres] was ook aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
1.4.
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend en een verzekeringsarts benoemd voor een nader onderzoek.
1.5.
Op 12 januari 2026 heeft bedrijfs- en verzekeringsarts H.J. Hullen (hierna: Hullen) een rapport uitgebracht.
1.6.
[eiseres] heeft met een brief van 27 januari 2026 op het rapport gereageerd. Het UWV heeft naar aanleiding van het rapport het bestreden besluit 1 gewijzigd met een besluit op bezwaar van 13 maart 2026 (bestreden besluit 2). Met het bestreden besluit 2 heeft het UWV aan [eiseres] vanaf 26 september 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100% toegekend.
1.7.
De rechtbank heeft [eiseres] gevraagd om een reactie op het bestreden besluit 2. Daarop heeft zij met een brief van 16 april 2026 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank [eiseres] gevraagd haar standpunt met medische informatie te onderbouwen. [eiseres] heeft gereageerd met een brief van 1 mei 2026. Vervolgens heeft het UWV een brief van
27 mei 2026 en een rapport van 22 mei 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de rechtbank gestuurd. [eiseres] heeft daarop een reactie van 18 juni 2026 ingebracht.
1.8.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een extra zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. [eiseres] en het UWV hebben daarop niet gereageerd. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
2.1.
[eiseres] werkte vanaf 13 juni 2017 als pedagogisch medewerker bij Stichting Ludens Kind en Co voor gemiddeld 25,77 uur per week. Vanaf 28 oktober 2015 tot en met
31 augustus 2020 werkte [eiseres] daarnaast wisselende uren als service en hostess medewerker bij The Event Support Company B.V. Zij heeft zich op 28 september 2020 ziek gemeld.
2.2.
[eiseres] heeft op 3 juli 2022 een WIA-uitkering aangevraagd. Met een besluit van
19 september 2022 heeft het UWV aan [eiseres] vanaf 26 september 2022 een voorschot op een WIA-uitkering toegekend. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Omvang geschil
3.1.
Met het bestreden besluit 1 heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] per 26 september 2022 vastgesteld op 42,41% en aan haar vanaf die datum een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Met het bestreden besluit 2 heeft het UWV [eiseres] vanaf 26 september 2022 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Het bestreden besluit 2, waarmee het bestreden besluit 1 is herzien, is een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit 2 in de procedure betrekt.
3.2.
[eiseres] heeft niet gesteld dat zij nog een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit 1. Dit is ook niet gebleken. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Wel bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
3.3.
Over het bestreden besluit 2 is alleen in geschil of de volledige arbeidsongeschiktheid van [eiseres] per 26 september 2022 ook duurzaam is, wat relevant is voor de vraag of [eiseres] aanspraak kan maken op een IVA-uitkering. De rechtbank zal dan ook alleen dit aspect van het bestreden besluit 2 beoordelen.
Standpunten van partijen
Standpunt UWV
4.1.
Met het bestreden besluit 2 heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] vanaf 26 september 2022 vastgesteld op 80 tot 100%. Hieraan liggen een rapport van 10 februari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van
2 maart 2026 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het rapport van
12 januari 2026 van Hullen een gewijzigde functionele mogelijkhedenlijst (FML) van
10 februari 2026 vastgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat op basis van deze FML door de forse urenbeperking geen valide schatting met behulp van theoretische functies mogelijk is. Hij heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] vanaf 26 september 2022 vastgesteld op 80 tot 100%.
4.2.
Het UWV stelt zich op het standpunt dat de volledige arbeidsongeschiktheid van [eiseres] vanaf 26 september 2022 niet duurzaam is. Het UWV heeft dit gebaseerd op het rapport van 12 januari 2026 van Hullen en de rapporten van 10 februari 2026 en
22 mei 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Standpunt [eiseres]
5. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat haar beperkingen duurzaam zijn. Volgens haar zijn er ruimschoots aanknopingspunten om de vastgestelde arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% als duurzaam aan te merken. Zij vindt dat het UWV specifiek in haar situatie moet motiveren hoe en wanneer herstel van de functionele mogelijkheden zal plaatsvinden.
5.1.
[eiseres] wijst erop dat zij te maken heeft met post covid en niet-aangeboren hersenletsel (NAH). Zij stelt dat de beperkingen die het gevolg zijn van deze aandoeningen blijvend zijn. [eiseres] wijst op het rapport van Hullen, waarin staat dat tot dan toe, ondanks behandeling, geen feitelijke verbetering in het functioneren is bereikt. Bij [eiseres] kan behandeling niet leiden tot verbetering van de functionele mogelijkheden. Alle behandelingen die zij heeft gehad hadden geen succes. Zij is nog steeds onder behandeling en ze wordt begeleid. Sinds het begin van haar uitvallen is zij continue bezig met het managen en doseren van haar energie. Bij de diverse behandelaren zijn alle (pacing)-stappen doorlopen. Werken is te belastend gebleken. Niets wijst erop dat met (wederom) pacing verbetering gerealiseerd kan worden.
5.2.
[eiseres] verwijst naar een uitspraak van een rechtbank, waarin is vermeld dat post covid een ziekte is zonder behandelmogelijkheden. Ook noemt zij dat het UWV in een beslissing op bezwaar van maart 2026 heeft geschreven dat op basis van de huidige stand van de wetenschap met een reguliere behandelvorm bij deze aandoening geen relevante verbetering van de belastbaarheid te verwachten is.
5.3.
Verder voert [eiseres] aan dat haar behandeling bij Hersenz niet gericht is op herstel van NAH, maar op het leren omgaan met haar beperkingen. Ook stelt [eiseres] dat volgens de richtlijn NAH en arbeidsparticipatie van de NVVG 2 jaar na het ontstaan van NAH geen significant herstel meer te verwachten valt. Bij [eiseres] is sprake van NAH vanaf haar 5e levensjaar. Gelet op de ernst en duur van de aandoening is herstel dan ook niet of nauwelijks te verwachten.
Overwegingen van de rechtbank
Toetsingskader
6.1.
Artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA bepaalt dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA bepaalt dat in het eerste lid onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.
Artikel 4, derde lid, van de WIA bepaalt dat onder duurzaam mede verstaan wordt een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
Duurzaamheid arbeidsongeschiktheid [eiseres]
7.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het rapport van Hullen de urenbeperking ten opzichte van de eerdere FML gewijzigd. Volgens de gewijzigde FML van 10 februari 2026 is het maximum aantal uren dat [eiseres] kan werken aangepast van 4 uur naar 3 uur per dag en van 20 uur naar 15 uur per week. Verder is toegevoegd dat [eiseres] na elk uur werken is aangewezen op een rustmoment van minimaal 20 minuten.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat met het rapport van Hullen van 12 januari 2026 en de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 februari 2026 en 22 mei 2026 voldoende is onderbouwd dat de volledige arbeidsongeschiktheid per 26 september 2022 niet duurzaam is. Hullen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben hun inschatting van de kans op herstel in het eerste jaar na 26 september 2022 en in de periode daarna gebaseerd op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de medische situatie van [eiseres]. In het rapport van Hullen staat dat [eiseres] is uitgevallen met klachten van kortademigheid, vergeetachtigheid, energietekort, vermoeidheid, krachtvermindering en soms angst- en paniekaanvallen. Ook is sprake van depressieve en sombere klachten en overprikkeling. [eiseres] heeft moeite haar leven te managen, voor zichzelf op te komen en grenzen te bewaken. [eiseres] heeft een gebrek aan zelfvertrouwen. Bij [eiseres] zijn chronische posttraumatische stressstoornis-klachten en een depressie ontstaan. Volgens Hullen maken de bevindingen van voor 2020 en het verloop van de levens- en arbeidsgeschiedenis van [eiseres] aannemelijk dat niet zozeer covid als verklaring voor de klachten moet worden gekozen, maar eerder chronische overbelasting en overschrijding van haar grenzen. Ook kan volgens Hullen worden uitgegaan van de diagnose NAH, waarbij door een chronisch zichzelf overvragen en daarmee ervaren van teleurstellingen op den duur klachten zijn ontstaan, zoals [eiseres] die presenteert. Zij is behandeld met medicatie en heeft psychotherapie, cognitieve gedragstherapie, schematherapie, regressietherapie, acceptance and commitment therapy, mindfulness en eye movement desensitization and reprocessing gehad. Desondanks kwamen gezondheidsklachten en depressieve episodes steeds weer terug. Hullen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben toegelicht dat herstel van de aandoeningen van [eiseres] wellicht niet mogelijk is, maar dat behandeling nog wel kan leiden tot verbetering van haar functionele mogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst erop dat op 26 september 2022 nog onderzoek gaande was naar de aard/oorzaak van de klachten van [eiseres] en dat de diagnose NAH toen nog niet was gesteld. Hullen schrijft dat op de datum in geding nog geen sprake was van behandeling. Behandeling van deze aandoening is in januari 2025 gestart met het Hersenz behandelprogramma. Uit medische informatie van 27 november 2024 blijkt dat dit een behandelprogramma is voor mensen met NAH in de chronische fase. Hierin leren cliënten beter met hun beperkingen omgaan om zodoende hun kwaliteit van leven te verbeteren. Het gaat niet om herstel van de klachten, maar het anders leren omgaan met de beperkingen. Volgens Hullen zal deze behandeling mogelijk in de toekomst aanleiding geven tot een verbetering van het niveau van functioneren van [eiseres]. De verzekeringsarts bezwaar en beroep schrijft dat het toekomstige beloop van deze behandeling moeilijk voorspeld kan worden, maar dat de toegevoegde beperking met betrekking tot de recuperatieduur bij gunstig verloop nog wel kan afnemen of verdwijnen. Hiermee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht welk resultaat het Hersenz behandelprogramma kan hebben voor de belastbaarheid van [eiseres]. Tot het moment van onderzoek in januari 2026 lijkt volgens Hullen nog geen sprake te zijn van verbetering van het niveau van functioneren van [eiseres]. Uit de medische informatie van 27 november 2024 blijkt dat het Hersenz behandeltraject 1,5 tot 2 jaar duurt. De behandeling, die in januari 2025 is gestart, is dus op de datum van het bestreden besluit 2, 13 maart 2026, nog niet afgerond. Hiermee is voldoende gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] per 26 september 2022 niet duurzaam is.
7.3.
Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het UWV terecht [eiseres] per
26 september 2022 niet in aanmerking heeft gebracht voor een IVA-uitkering.
Conclusie en gevolgen
8.1.
Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk.
8.2.
Het UWV moet het griffierecht aan [eiseres] vergoeden. [eiseres] krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2335,- (€ 934,- omdat de gemachtigde van [eiseres] een beroepschrift heeft ingediend, € 934,- omdat de gemachtigde van [eiseres] aan de zitting heeft deelgenomen en € 467,- omdat de gemachtigde van [eiseres] een zienswijze heeft gegeven op het rapport van Hullen). Het UWV heeft tijdens de bezwaarprocedure al een proceskostenvergoeding aan [eiseres] toegekend. Verder is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
8.3.
Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] vanaf 26 september 2022 geen IVA-uitkering krijgt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan [eiseres] moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 2335,- aan proceskosten aan [eiseres].
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie Rechtbank Oost-Brabant 5 november 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7451.
Zie onder meer Centrale Raad van Beroep (CRvB) 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896 en CRvB 6 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:561.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1296
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna: [eiseres])
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: het UWV)
(gemachtigde: [gemachtigde 2]).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de uitkering van [eiseres] op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). [eiseres] is het er niet mee eens dat het UWV aan haar vanaf 26 september 2022 een WIA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 42,41% had toegekend. Tijdens de beroepsprocedure heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] vanaf
26 september 2022 aangepast naar 80 tot 100%, maar aan haar vanaf die datum geen uitkering inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
(IVA-uitkering) toegekend. Met dat laatste is [eiseres] het niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden komt de rechtbank tot het oordeel dat het UWV aan [eiseres] per 26 september 2022 terecht geen IVA-uitkering heeft toegekend. [eiseres] krijgt dus in zoverre geen gelijk en het beroep is dus op dat punt ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1.1.
Met het besluit van 13 februari 2024 heeft het UWV geweigerd om aan [eiseres] vanaf 26 september 2022 een WIA-uitkering toe te kennen. [eiseres] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met een brief van 20 januari 2025 heeft het UWV [eiseres] gemeld voornemens te zijn om aan haar per 26 september 2022 een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 42,41% toe te kennen. [eiseres] heeft op dit voornemen gereageerd. Met het besluit van 17 maart 2025 op het bezwaar van [eiseres] (bestreden besluit 1) is het UWV bij het voornemen gebleven.
1.2.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres], de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het UWV. De partner van [eiseres] was ook aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
1.4.
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend en een verzekeringsarts benoemd voor een nader onderzoek.
1.5.
Op 12 januari 2026 heeft bedrijfs- en verzekeringsarts H.J. Hullen (hierna: Hullen) een rapport uitgebracht.
1.6.
[eiseres] heeft met een brief van 27 januari 2026 op het rapport gereageerd. Het UWV heeft naar aanleiding van het rapport het bestreden besluit 1 gewijzigd met een besluit op bezwaar van 13 maart 2026 (bestreden besluit 2). Met het bestreden besluit 2 heeft het UWV aan [eiseres] vanaf 26 september 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100% toegekend.
1.7.
De rechtbank heeft [eiseres] gevraagd om een reactie op het bestreden besluit 2. Daarop heeft zij met een brief van 16 april 2026 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank [eiseres] gevraagd haar standpunt met medische informatie te onderbouwen. [eiseres] heeft gereageerd met een brief van 1 mei 2026. Vervolgens heeft het UWV een brief van
27 mei 2026 en een rapport van 22 mei 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de rechtbank gestuurd. [eiseres] heeft daarop een reactie van 18 juni 2026 ingebracht.
1.8.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een extra zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. [eiseres] en het UWV hebben daarop niet gereageerd. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
2.1.
[eiseres] werkte vanaf 13 juni 2017 als pedagogisch medewerker bij Stichting Ludens Kind en Co voor gemiddeld 25,77 uur per week. Vanaf 28 oktober 2015 tot en met
31 augustus 2020 werkte [eiseres] daarnaast wisselende uren als service en hostess medewerker bij The Event Support Company B.V. Zij heeft zich op 28 september 2020 ziek gemeld.
2.2.
[eiseres] heeft op 3 juli 2022 een WIA-uitkering aangevraagd. Met een besluit van
19 september 2022 heeft het UWV aan [eiseres] vanaf 26 september 2022 een voorschot op een WIA-uitkering toegekend. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Omvang geschil
3.1.
Met het bestreden besluit 1 heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] per 26 september 2022 vastgesteld op 42,41% en aan haar vanaf die datum een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Met het bestreden besluit 2 heeft het UWV [eiseres] vanaf 26 september 2022 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Het bestreden besluit 2, waarmee het bestreden besluit 1 is herzien, is een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit 2 in de procedure betrekt.
3.2.
[eiseres] heeft niet gesteld dat zij nog een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit 1. Dit is ook niet gebleken. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Wel bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
3.3.
Over het bestreden besluit 2 is alleen in geschil of de volledige arbeidsongeschiktheid van [eiseres] per 26 september 2022 ook duurzaam is, wat relevant is voor de vraag of [eiseres] aanspraak kan maken op een IVA-uitkering. De rechtbank zal dan ook alleen dit aspect van het bestreden besluit 2 beoordelen.
Standpunten van partijen
Standpunt UWV
4.1.
Met het bestreden besluit 2 heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] vanaf 26 september 2022 vastgesteld op 80 tot 100%. Hieraan liggen een rapport van 10 februari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van
2 maart 2026 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het rapport van
12 januari 2026 van Hullen een gewijzigde functionele mogelijkhedenlijst (FML) van
10 februari 2026 vastgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat op basis van deze FML door de forse urenbeperking geen valide schatting met behulp van theoretische functies mogelijk is. Hij heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] vanaf 26 september 2022 vastgesteld op 80 tot 100%.
4.2.
Het UWV stelt zich op het standpunt dat de volledige arbeidsongeschiktheid van [eiseres] vanaf 26 september 2022 niet duurzaam is. Het UWV heeft dit gebaseerd op het rapport van 12 januari 2026 van Hullen en de rapporten van 10 februari 2026 en
22 mei 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Standpunt [eiseres]
5. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat haar beperkingen duurzaam zijn. Volgens haar zijn er ruimschoots aanknopingspunten om de vastgestelde arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% als duurzaam aan te merken. Zij vindt dat het UWV specifiek in haar situatie moet motiveren hoe en wanneer herstel van de functionele mogelijkheden zal plaatsvinden.
5.1.
[eiseres] wijst erop dat zij te maken heeft met post covid en niet-aangeboren hersenletsel (NAH). Zij stelt dat de beperkingen die het gevolg zijn van deze aandoeningen blijvend zijn. [eiseres] wijst op het rapport van Hullen, waarin staat dat tot dan toe, ondanks behandeling, geen feitelijke verbetering in het functioneren is bereikt. Bij [eiseres] kan behandeling niet leiden tot verbetering van de functionele mogelijkheden. Alle behandelingen die zij heeft gehad hadden geen succes. Zij is nog steeds onder behandeling en ze wordt begeleid. Sinds het begin van haar uitvallen is zij continue bezig met het managen en doseren van haar energie. Bij de diverse behandelaren zijn alle (pacing)-stappen doorlopen. Werken is te belastend gebleken. Niets wijst erop dat met (wederom) pacing verbetering gerealiseerd kan worden.
5.2.
[eiseres] verwijst naar een uitspraak van een rechtbank, waarin is vermeld dat post covid een ziekte is zonder behandelmogelijkheden. Ook noemt zij dat het UWV in een beslissing op bezwaar van maart 2026 heeft geschreven dat op basis van de huidige stand van de wetenschap met een reguliere behandelvorm bij deze aandoening geen relevante verbetering van de belastbaarheid te verwachten is.
5.3.
Verder voert [eiseres] aan dat haar behandeling bij Hersenz niet gericht is op herstel van NAH, maar op het leren omgaan met haar beperkingen. Ook stelt [eiseres] dat volgens de richtlijn NAH en arbeidsparticipatie van de NVVG 2 jaar na het ontstaan van NAH geen significant herstel meer te verwachten valt. Bij [eiseres] is sprake van NAH vanaf haar 5e levensjaar. Gelet op de ernst en duur van de aandoening is herstel dan ook niet of nauwelijks te verwachten.
Overwegingen van de rechtbank
Toetsingskader
6.1.
Artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA bepaalt dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA bepaalt dat in het eerste lid onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.
Artikel 4, derde lid, van de WIA bepaalt dat onder duurzaam mede verstaan wordt een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
Duurzaamheid arbeidsongeschiktheid [eiseres]
7.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het rapport van Hullen de urenbeperking ten opzichte van de eerdere FML gewijzigd. Volgens de gewijzigde FML van 10 februari 2026 is het maximum aantal uren dat [eiseres] kan werken aangepast van 4 uur naar 3 uur per dag en van 20 uur naar 15 uur per week. Verder is toegevoegd dat [eiseres] na elk uur werken is aangewezen op een rustmoment van minimaal 20 minuten.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat met het rapport van Hullen van 12 januari 2026 en de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 februari 2026 en 22 mei 2026 voldoende is onderbouwd dat de volledige arbeidsongeschiktheid per 26 september 2022 niet duurzaam is. Hullen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben hun inschatting van de kans op herstel in het eerste jaar na 26 september 2022 en in de periode daarna gebaseerd op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de medische situatie van [eiseres]. In het rapport van Hullen staat dat [eiseres] is uitgevallen met klachten van kortademigheid, vergeetachtigheid, energietekort, vermoeidheid, krachtvermindering en soms angst- en paniekaanvallen. Ook is sprake van depressieve en sombere klachten en overprikkeling. [eiseres] heeft moeite haar leven te managen, voor zichzelf op te komen en grenzen te bewaken. [eiseres] heeft een gebrek aan zelfvertrouwen. Bij [eiseres] zijn chronische posttraumatische stressstoornis-klachten en een depressie ontstaan. Volgens Hullen maken de bevindingen van voor 2020 en het verloop van de levens- en arbeidsgeschiedenis van [eiseres] aannemelijk dat niet zozeer covid als verklaring voor de klachten moet worden gekozen, maar eerder chronische overbelasting en overschrijding van haar grenzen. Ook kan volgens Hullen worden uitgegaan van de diagnose NAH, waarbij door een chronisch zichzelf overvragen en daarmee ervaren van teleurstellingen op den duur klachten zijn ontstaan, zoals [eiseres] die presenteert. Zij is behandeld met medicatie en heeft psychotherapie, cognitieve gedragstherapie, schematherapie, regressietherapie, acceptance and commitment therapy, mindfulness en eye movement desensitization and reprocessing gehad. Desondanks kwamen gezondheidsklachten en depressieve episodes steeds weer terug. Hullen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben toegelicht dat herstel van de aandoeningen van [eiseres] wellicht niet mogelijk is, maar dat behandeling nog wel kan leiden tot verbetering van haar functionele mogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst erop dat op 26 september 2022 nog onderzoek gaande was naar de aard/oorzaak van de klachten van [eiseres] en dat de diagnose NAH toen nog niet was gesteld. Hullen schrijft dat op de datum in geding nog geen sprake was van behandeling. Behandeling van deze aandoening is in januari 2025 gestart met het Hersenz behandelprogramma. Uit medische informatie van 27 november 2024 blijkt dat dit een behandelprogramma is voor mensen met NAH in de chronische fase. Hierin leren cliënten beter met hun beperkingen omgaan om zodoende hun kwaliteit van leven te verbeteren. Het gaat niet om herstel van de klachten, maar het anders leren omgaan met de beperkingen. Volgens Hullen zal deze behandeling mogelijk in de toekomst aanleiding geven tot een verbetering van het niveau van functioneren van [eiseres]. De verzekeringsarts bezwaar en beroep schrijft dat het toekomstige beloop van deze behandeling moeilijk voorspeld kan worden, maar dat de toegevoegde beperking met betrekking tot de recuperatieduur bij gunstig verloop nog wel kan afnemen of verdwijnen. Hiermee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht welk resultaat het Hersenz behandelprogramma kan hebben voor de belastbaarheid van [eiseres]. Tot het moment van onderzoek in januari 2026 lijkt volgens Hullen nog geen sprake te zijn van verbetering van het niveau van functioneren van [eiseres]. Uit de medische informatie van 27 november 2024 blijkt dat het Hersenz behandeltraject 1,5 tot 2 jaar duurt. De behandeling, die in januari 2025 is gestart, is dus op de datum van het bestreden besluit 2, 13 maart 2026, nog niet afgerond. Hiermee is voldoende gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] per 26 september 2022 niet duurzaam is.
7.3.
Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het UWV terecht [eiseres] per
26 september 2022 niet in aanmerking heeft gebracht voor een IVA-uitkering.
Conclusie en gevolgen
8.1.
Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk.
8.2.
Het UWV moet het griffierecht aan [eiseres] vergoeden. [eiseres] krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2335,- (€ 934,- omdat de gemachtigde van [eiseres] een beroepschrift heeft ingediend, € 934,- omdat de gemachtigde van [eiseres] aan de zitting heeft deelgenomen en € 467,- omdat de gemachtigde van [eiseres] een zienswijze heeft gegeven op het rapport van Hullen). Het UWV heeft tijdens de bezwaarprocedure al een proceskostenvergoeding aan [eiseres] toegekend. Verder is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
8.3.
Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] vanaf 26 september 2022 geen IVA-uitkering krijgt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan [eiseres] moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 2335,- aan proceskosten aan [eiseres].
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie Rechtbank Oost-Brabant 5 november 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7451.
Zie onder meer Centrale Raad van Beroep (CRvB) 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896 en CRvB 6 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:561.