Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5768
2026-09-28
Strafrecht
08.052479.26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank veroordeelt verdachte wegens verduistering in dienstbetrekking van een bedrag van 3.864.795,00 euro tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Ook heeft de rechtbank een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2017:653 Hoge Raad 11-04-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.765 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.052479.26 (P)
Datum vonnis: 28 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 september 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. A.C. Huisman, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [bedrijf 1] B.V. door mr. D.H. van Bommel, waarnemend voor mr. P.M. Breukink, is aangevoerd.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
primair: in of omstreeks de periode van 1 januari 2023 tot en met 26 april 2025 uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking een geldbedrag van € 3.864.795,00 heeft verduisterd;
subsidiair: in of omstreeks de periode van 1 januari 2023 tot en met 26 april 2025 feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 2] B.V. verduisteren van een geldbedrag van € 3.864.795,00.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2023 tot en met 26 april 2025 te Lemelerveld, gemeente Dalfsen en/of Hardenberg, althans in Nederland, opzettelijk een geldbedrag van 3.864.795 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 3] BV en/of [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als zelfstandig financieel adviseur en/of in loondienst als financieel directeur, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[bedrijf 2] BV op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2023 tot en met 26 april 2025 te Lemelerveld, gemeente Dalfsen en/of Hardenberg, althans in Nederland, opzettelijk een geldbedrag van 3.864.795 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 3] BV en/of [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen, en welk goed [bedrijf 2] BV, uit hoofde van het zijn van leverancier van de zelfstandig financieel adviseur, te weten [verdachte] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, tot welk bovenomschreven feit(en) hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.
3De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – behoudens enkele opmerkingen over het toe-eigenen van de gelden ten aanzien van het primaire feit en het ontbreken van een uitvoeringshandeling ten aanzien van het subsidiaire feit – geen inhoudelijk verweer gevoerd.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Het proces-verbaal van de zitting van 14 september 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 21 juli 2025, pagina’s 257-268;
Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] van 30 april 2025, pagina’s 33-37.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat verdachte zich het bewezenverklaarde geldbedrag wederrechtelijk heeft toegeëigend. Hij heeft immers als heer en meester over dit geld beschikt. Het feit dat de gelden door de verdachte zijn aangewend voor de betaling van crediteuren en niet voor persoonlijk gewin, doet hieraan niets af.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij:
in de periode 1 januari 2023 tot en met 26 april 2025 in Nederland, opzettelijk een geldbedrag van 3.864.795 euro, dat toebehoorde aan [bedrijf 1] BV, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als zelfstandig financieel adviseur en in loondienst als financieel directeur, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.
5De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte het recht wordt ontzegd tot uitoefening van een beroep in de financiële dienstverlening, alsmede het beroep leidinggevende van een financiële onderneming, voor de duur van vijf jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte reeds veel nadeel heeft geleden als gevolg van het tenlastegelegde, waaronder reputatieschade als gevolg van publiciteit, het verlies van zijn woning en de beëindiging van zijn relatie. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt door de verdediging, gelet op het voorgaande, dan ook onwenselijk geacht. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden in combinatie met een taakstraf op te leggen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking door zich in een periode van circa twee jaren in totaal een bedrag van € 3.864.795,00 van [bedrijf 1] B.V., toe te eigenen. Door misbruik te maken van zijn functie als zelfstandig financieel adviseur en financieel directeur en het in hem gestelde vertrouwen, heeft verdachte op slinkse en doelbewuste wijze stelselmatig geldbedragen overgemaakt naar bankrekeningen waarover hij de beschikking had. Verdachte heeft elke keer opnieuw – in totaal ongeveer 70 keer – de beslissing genomen om zich grote bedragen wederrechtelijk toe te eigenen en heeft het bedrijf daarmee grote financiële schade toegebracht. Bovendien heeft verdachte door diens handelen het vertrouwen van aangever [aangever] ernstig geschaad, terwijl hij met die [aangever] een vriendschappelijke relatie onderhield. Verdachte heeft zich hierdoor niet laten afremmen en heeft kennelijk slechts oog gehad voor het ‘overeind’ houden van zijn eigen onderneming(en). De rechtbank rekent het verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 10 juli 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.
Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de door de verdediging overgelegde rapportage van Forensisch Maatwerk van 10 juni 2026. Hieruit volgt dat werk voor verdachte een belangrijk identiteitsbepalend leefgebied vormt, maar ook een risico. Momenteel geeft verdachte financieel advies, maar beschikt hij niet meer over financiële bevoegdheden. Ten tijde van het tenlastegelegde kampte verdachte met een ernstige stoornis in het alcoholgebruik. Hiervoor heeft hij hulp ontvangen van Tactus Verslavingszorg. Sinds april 2025 is verdachte abstinent van het gebruik van alcohol. De rapporteur acht blijvende monitoring en terugvalpreventie ten aanzien van de verslavingsproblematiek wenselijk.
Het recidiverisico wordt ingeschat als laag tot matig indien alcoholabstinentie wordt gemonitord, de psychologische behandeling wordt voortgezet en er toezicht en openheid plaatsvindt binnen de financiële werkcontext van verdachte.
Gelet op het voorgaande geeft de rapporteur de rechtbank in overweging om een geheel dan wel grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een taakstraf. Aan het voorwaardelijk strafdeel zouden in de visie van de rapporteur de volgende bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden:
een meldplicht bij reclassering;
ambulante behandeling;
een alcoholverbod;
inzicht in de financiën van verdachte.
Tot slot heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van GGZ Tactus Zwolle van 9 september 2026. De financiën, het psychosociaal functioneren en het alcoholgebruik van verdachte worden in dit advies als delictgerelateerde factoren beschreven. De reclassering acht het van belang dat de psycho-educatie en behandeling van verdachte worden voortgezet. De risico’s op recidive, letsel en onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als laag, nu verdachte zich heeft ingezet om zijn risicofactoren aan te pakken, in het bijzonder de alcoholproblematiek en het psychosociaal functioneren. Verdachte is bereid om aan eventuele voorwaarden mee te werken en wil een gedragsverandering bewerkstelligen. In dat verband wordt benoemd dat hij zelf in een vrijwillig kader de benodigde hulpverleningstrajecten is aangegaan. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Interventies en/of toezicht worden door de reclassering niet nodig geacht.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank de volgende omstandigheden betrokken:
het zeer hoge bedrag dat verdachte in een groot aantal (ongeveer 70) overboekingen heeft verduisterd, terwijl hij uit hoofde van zijn functies juist veel verantwoordelijkheid droeg voor de financiële situatie van [bedrijf 1] B.V.;
verdachte heeft nadat bekend was dat hij gelden had verduisterd de verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en heeft uit eigen beweging hulp gezocht voor zijn problematiek.
Vanwege de ernst van de feiten en met het oog op generale preventie is de rechtbank van oordeel dat in dit geval een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende straf is. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen van 24 maanden, waarvan 12 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank acht het, met de reclassering, niet noodzakelijk om aan het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden, nu verdachte reeds op eigen initiatief behandeling ondergaat die gericht is op het verminderen van risicofactoren.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om aan verdachte een beroepsverbod op te leggen. Gelet op het door de reclassering als laag ingeschatte recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat het substantiële voorwaardelijke strafdeel (van 12 maanden) op zichzelf reeds voldoende is om eventuele risico’s op herhaling voldoende te beheersen.
7De schade van benadeelde
7.1
De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] B.V.
[bedrijf 1] B.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.861.844,51 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- € 3.815.599,51 ter zake van wederrechtelijk toegeëigend geld;
- € 46.285,00 ter zake van advocaatkosten in de civiele procedure en strafprocedure.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding integraal dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, aangezien – kort gezegd – de toelichting op de vordering tekortschiet, delen daarvan verzonnen zouden zijn en het door de benadeelde partij gevorderde geldbedrag, inclusief proceskosten, reeds bij vonnis in een civiele procedure is toegewezen.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot schadevergoeding beoordelen op basis van de door de verdediging bij e-mail van 10 september 2026 overgelegde (aanvullende) stukken, waaronder het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 2 juli 2025.
Uit dit vonnis volgt dat [bedrijf 4] c.s. (waaronder ook verdachte als gedaagde) door de civiele rechter hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling aan [bedrijf 1] B.V. van een schadevergoeding van € 3.850.000,00, zijnde het door verdachte wederrechtelijk toegeëigende geldbedrag, alsmede tot betaling van bedragen van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten en € 10.574,00 aan beslagkosten, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts is [bedrijf 4] c.s. veroordeeld in de proceskosten van € 10.819,91.
Met dit uitvoerbaar bij voorraad verklaarde en onherroepelijke vonnis van de civiele rechter beschikt de benadeelde reeds over een executoriale titel ter verkrijging van vergoeding van zijn schade. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat [bedrijf 1] B.V. in zoverre geen belang heeft bij een beoordeling van de vordering door de strafrechter.
De proceskosten worden gecompenseerd tussen partijen, in die zin dat beide partijen elk de eigen proceskosten dragen.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank stelt voorop dat de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr een strafrechtelijke sanctie is die los van de beslissing in de voegingsprocedure (ambtshalve) kan worden opgelegd indien een verdachte jegens een slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is veroorzaakt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het de rechtbank voldoende gebleken dat [bedrijf 1] B.V. als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Bij e-mail van 10 september 2026 heeft de advocaat van de benadeelde partij te kennen gegeven dat reeds een betaling heeft plaatsgevonden uit de verkoop van de woning van verdachte ter hoogte van € 49.235,59, welk bedrag in mindering moet worden gebracht op het bewezenverklaarde wederrechtelijk toegeëigende geldbedrag van € 3.864.795,00. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de geleden schade in dit geval nog € 3.815.559,41 bedraagt.
De door de benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand kunnen niet worden aangemerkt als schade in de zin van artikel 51f Sv, zodat deze kosten niet in aanmerking worden genomen bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen ter hoogte van een bedrag van € 3.815.559,41 aan materiële schade, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als verdachte niet volledig betaalt, kan deze verplichting worden aangevuld met 365 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
9De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 36f Sr.
10De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf 1] B.V. in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.815.559,41, (zegge: drie miljoen achthonderdvijftien duizend vijfhonderdnegenenvijftig euro en eenenveertig cent), en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 365 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
Dit vonnis is gewezen door mr. V. Wolting, voorzitter, mr. M. van Bruggen en mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Burgmeijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer AD01 LONGYEARBYEN. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653.
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.052479.26 (P)
Datum vonnis: 28 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 september 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. A.C. Huisman, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [bedrijf 1] B.V. door mr. D.H. van Bommel, waarnemend voor mr. P.M. Breukink, is aangevoerd.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
primair: in of omstreeks de periode van 1 januari 2023 tot en met 26 april 2025 uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking een geldbedrag van € 3.864.795,00 heeft verduisterd;
subsidiair: in of omstreeks de periode van 1 januari 2023 tot en met 26 april 2025 feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 2] B.V. verduisteren van een geldbedrag van € 3.864.795,00.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2023 tot en met 26 april 2025 te Lemelerveld, gemeente Dalfsen en/of Hardenberg, althans in Nederland, opzettelijk een geldbedrag van 3.864.795 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 3] BV en/of [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als zelfstandig financieel adviseur en/of in loondienst als financieel directeur, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[bedrijf 2] BV op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2023 tot en met 26 april 2025 te Lemelerveld, gemeente Dalfsen en/of Hardenberg, althans in Nederland, opzettelijk een geldbedrag van 3.864.795 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 3] BV en/of [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen, en welk goed [bedrijf 2] BV, uit hoofde van het zijn van leverancier van de zelfstandig financieel adviseur, te weten [verdachte] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, tot welk bovenomschreven feit(en) hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.
3De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – behoudens enkele opmerkingen over het toe-eigenen van de gelden ten aanzien van het primaire feit en het ontbreken van een uitvoeringshandeling ten aanzien van het subsidiaire feit – geen inhoudelijk verweer gevoerd.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Het proces-verbaal van de zitting van 14 september 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 21 juli 2025, pagina’s 257-268;
Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] van 30 april 2025, pagina’s 33-37.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat verdachte zich het bewezenverklaarde geldbedrag wederrechtelijk heeft toegeëigend. Hij heeft immers als heer en meester over dit geld beschikt. Het feit dat de gelden door de verdachte zijn aangewend voor de betaling van crediteuren en niet voor persoonlijk gewin, doet hieraan niets af.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij:
in de periode 1 januari 2023 tot en met 26 april 2025 in Nederland, opzettelijk een geldbedrag van 3.864.795 euro, dat toebehoorde aan [bedrijf 1] BV, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als zelfstandig financieel adviseur en in loondienst als financieel directeur, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.
5De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte het recht wordt ontzegd tot uitoefening van een beroep in de financiële dienstverlening, alsmede het beroep leidinggevende van een financiële onderneming, voor de duur van vijf jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte reeds veel nadeel heeft geleden als gevolg van het tenlastegelegde, waaronder reputatieschade als gevolg van publiciteit, het verlies van zijn woning en de beëindiging van zijn relatie. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt door de verdediging, gelet op het voorgaande, dan ook onwenselijk geacht. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden in combinatie met een taakstraf op te leggen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking door zich in een periode van circa twee jaren in totaal een bedrag van € 3.864.795,00 van [bedrijf 1] B.V., toe te eigenen. Door misbruik te maken van zijn functie als zelfstandig financieel adviseur en financieel directeur en het in hem gestelde vertrouwen, heeft verdachte op slinkse en doelbewuste wijze stelselmatig geldbedragen overgemaakt naar bankrekeningen waarover hij de beschikking had. Verdachte heeft elke keer opnieuw – in totaal ongeveer 70 keer – de beslissing genomen om zich grote bedragen wederrechtelijk toe te eigenen en heeft het bedrijf daarmee grote financiële schade toegebracht. Bovendien heeft verdachte door diens handelen het vertrouwen van aangever [aangever] ernstig geschaad, terwijl hij met die [aangever] een vriendschappelijke relatie onderhield. Verdachte heeft zich hierdoor niet laten afremmen en heeft kennelijk slechts oog gehad voor het ‘overeind’ houden van zijn eigen onderneming(en). De rechtbank rekent het verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 10 juli 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.
Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de door de verdediging overgelegde rapportage van Forensisch Maatwerk van 10 juni 2026. Hieruit volgt dat werk voor verdachte een belangrijk identiteitsbepalend leefgebied vormt, maar ook een risico. Momenteel geeft verdachte financieel advies, maar beschikt hij niet meer over financiële bevoegdheden. Ten tijde van het tenlastegelegde kampte verdachte met een ernstige stoornis in het alcoholgebruik. Hiervoor heeft hij hulp ontvangen van Tactus Verslavingszorg. Sinds april 2025 is verdachte abstinent van het gebruik van alcohol. De rapporteur acht blijvende monitoring en terugvalpreventie ten aanzien van de verslavingsproblematiek wenselijk.
Het recidiverisico wordt ingeschat als laag tot matig indien alcoholabstinentie wordt gemonitord, de psychologische behandeling wordt voortgezet en er toezicht en openheid plaatsvindt binnen de financiële werkcontext van verdachte.
Gelet op het voorgaande geeft de rapporteur de rechtbank in overweging om een geheel dan wel grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een taakstraf. Aan het voorwaardelijk strafdeel zouden in de visie van de rapporteur de volgende bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden:
een meldplicht bij reclassering;
ambulante behandeling;
een alcoholverbod;
inzicht in de financiën van verdachte.
Tot slot heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van GGZ Tactus Zwolle van 9 september 2026. De financiën, het psychosociaal functioneren en het alcoholgebruik van verdachte worden in dit advies als delictgerelateerde factoren beschreven. De reclassering acht het van belang dat de psycho-educatie en behandeling van verdachte worden voortgezet. De risico’s op recidive, letsel en onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als laag, nu verdachte zich heeft ingezet om zijn risicofactoren aan te pakken, in het bijzonder de alcoholproblematiek en het psychosociaal functioneren. Verdachte is bereid om aan eventuele voorwaarden mee te werken en wil een gedragsverandering bewerkstelligen. In dat verband wordt benoemd dat hij zelf in een vrijwillig kader de benodigde hulpverleningstrajecten is aangegaan. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Interventies en/of toezicht worden door de reclassering niet nodig geacht.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank de volgende omstandigheden betrokken:
het zeer hoge bedrag dat verdachte in een groot aantal (ongeveer 70) overboekingen heeft verduisterd, terwijl hij uit hoofde van zijn functies juist veel verantwoordelijkheid droeg voor de financiële situatie van [bedrijf 1] B.V.;
verdachte heeft nadat bekend was dat hij gelden had verduisterd de verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en heeft uit eigen beweging hulp gezocht voor zijn problematiek.
Vanwege de ernst van de feiten en met het oog op generale preventie is de rechtbank van oordeel dat in dit geval een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende straf is. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen van 24 maanden, waarvan 12 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank acht het, met de reclassering, niet noodzakelijk om aan het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden, nu verdachte reeds op eigen initiatief behandeling ondergaat die gericht is op het verminderen van risicofactoren.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om aan verdachte een beroepsverbod op te leggen. Gelet op het door de reclassering als laag ingeschatte recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat het substantiële voorwaardelijke strafdeel (van 12 maanden) op zichzelf reeds voldoende is om eventuele risico’s op herhaling voldoende te beheersen.
7De schade van benadeelde
7.1
De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] B.V.
[bedrijf 1] B.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.861.844,51 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- € 3.815.599,51 ter zake van wederrechtelijk toegeëigend geld;
- € 46.285,00 ter zake van advocaatkosten in de civiele procedure en strafprocedure.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding integraal dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, aangezien – kort gezegd – de toelichting op de vordering tekortschiet, delen daarvan verzonnen zouden zijn en het door de benadeelde partij gevorderde geldbedrag, inclusief proceskosten, reeds bij vonnis in een civiele procedure is toegewezen.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot schadevergoeding beoordelen op basis van de door de verdediging bij e-mail van 10 september 2026 overgelegde (aanvullende) stukken, waaronder het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 2 juli 2025.
Uit dit vonnis volgt dat [bedrijf 4] c.s. (waaronder ook verdachte als gedaagde) door de civiele rechter hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling aan [bedrijf 1] B.V. van een schadevergoeding van € 3.850.000,00, zijnde het door verdachte wederrechtelijk toegeëigende geldbedrag, alsmede tot betaling van bedragen van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten en € 10.574,00 aan beslagkosten, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts is [bedrijf 4] c.s. veroordeeld in de proceskosten van € 10.819,91.
Met dit uitvoerbaar bij voorraad verklaarde en onherroepelijke vonnis van de civiele rechter beschikt de benadeelde reeds over een executoriale titel ter verkrijging van vergoeding van zijn schade. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat [bedrijf 1] B.V. in zoverre geen belang heeft bij een beoordeling van de vordering door de strafrechter.
De proceskosten worden gecompenseerd tussen partijen, in die zin dat beide partijen elk de eigen proceskosten dragen.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank stelt voorop dat de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr een strafrechtelijke sanctie is die los van de beslissing in de voegingsprocedure (ambtshalve) kan worden opgelegd indien een verdachte jegens een slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is veroorzaakt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het de rechtbank voldoende gebleken dat [bedrijf 1] B.V. als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Bij e-mail van 10 september 2026 heeft de advocaat van de benadeelde partij te kennen gegeven dat reeds een betaling heeft plaatsgevonden uit de verkoop van de woning van verdachte ter hoogte van € 49.235,59, welk bedrag in mindering moet worden gebracht op het bewezenverklaarde wederrechtelijk toegeëigende geldbedrag van € 3.864.795,00. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de geleden schade in dit geval nog € 3.815.559,41 bedraagt.
De door de benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand kunnen niet worden aangemerkt als schade in de zin van artikel 51f Sv, zodat deze kosten niet in aanmerking worden genomen bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen ter hoogte van een bedrag van € 3.815.559,41 aan materiële schade, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als verdachte niet volledig betaalt, kan deze verplichting worden aangevuld met 365 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
9De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 36f Sr.
10De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf 1] B.V. in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.815.559,41, (zegge: drie miljoen achthonderdvijftien duizend vijfhonderdnegenenvijftig euro en eenenveertig cent), en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 365 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
Dit vonnis is gewezen door mr. V. Wolting, voorzitter, mr. M. van Bruggen en mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Burgmeijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer AD01 LONGYEARBYEN. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653.