Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5717
2026-09-15
Civiel recht
12209132 \ CV EXPL 26-667
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geschil over opeisbaarheid aanneemsom
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.411 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12209132 \ CV EXPL 26-667
Vonnis van 25 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
, handelend onder de naam [bedrijf],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: L. Veld (Deurwaarderskantoor Wigger Van het Laar),
tegen
1
[gedaagde 1],
te [woonplaats 2],2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 3],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Partijen hebben een geschil over of [gedaagden] (op dit moment) een factuur van [eiser] voor door hem verrichtte werkzaamheden moeten betalen. De kantonrechter oordeelt van niet, omdat de werkzaamheden niet zijn opgeleverd en het te betalen bedrag daardoor nog niet opeisbaar is. De vordering van [eiser] wordt daarom afgewezen. De motivering van deze beslissing volgt hierna.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 4 augustus 2026
- nagezonden stukken van [eiser] van 5 augustus 2026
- nagezonden stukken van [gedaagden] van 7 augustus 2026.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
[eiser] is eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf]. Hij voert met zijn eenmanszaak diverse installatiewerkzaamheden uit.
2.2
[gedaagden] hebben [eiser] de opdracht gegeven om werkzaamheden te verrichten bij hun pand aan de [adres] (hierna: het pand). [eiser] heeft [gedaagden] daarover op 14 november 2025 het volgende WhatsAppbericht gestuurd:
“(…)
Ik heb een prijs opgesteld voor het vervangen van het riool en de overstort van de ketel, aangezien deze lekkage vertoonde.
De werkzaamheden omvatten:
Het compleet vervangen van het riool van voor naar achter.
Het opnieuw aansluiten van de bestaande aftakkingen door middel van brandmoffen.
Het volgens voorschriften beugelen van het riool.
Het vervangen van de overstort van de ketel.
Voor deze werkzaamheden kom ik uit op een totaalbedrag van €1.950,-
(…)”
2.3
[eiser] is begin 2026 gestart met de werkzaamheden in het pand. Hij heeft vervolgens op 6 december 2026 [gedaagden] een factuur gestuurd voor een bedrag van
€ 2.359,50 (inclusief btw).
2.4
Partijen hebben daarna een geschil gekregen over welke werkzaamheden [eiser] zou verrichten en over of hij die volledig heeft uitgevoerd.
2.5
[gedaagden] zijn niet tot betaling van de factuur overgegaan.
3Het geschil
3.1
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 2.743,42, vermeerderd met rente en kosten.
3.2
Volgens [gedaagden] moet de vordering van [eiser] worden afgewezen.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Overeenkomst van aanneming
4.1
Partijen hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten (artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Tenzij anders is overeengekomen, ontstaat de betalingsverplichting van de opdrachtgever op het moment dat het werk naar de bepalingen van de overeenkomst tot stand is gebracht en opgeleverd.
Inhoud van de overeenkomst
4.2
[eiser] stelt dat hij met [gedaagden] is overeengekomen dat hij voor een vaste prijs van € 1.950,00 (te vermeerderen met btw) de werkzaamheden zou verrichten die hij heeft opgesomd in zijn WhatsAppbericht van 14 november 2025 (zie 2.2). Volgens [eiser] zijn die werkzaamheden begin december 2025 afgerond en is het werk daarmee opgeleverd. [gedaagden] moeten daarom volgens [eiser] de factuur betalen. [gedaagden] betwisten dat. Volgens hen zijn partijen (mondeling) aanvullende werkzaamheden overeengekomen, bestaande uit herstel van de kruipruimte (gaten dichten en schoon/droog opleveren), reparatie van de ketel en het aanleveren van een inspectie- en bevindingenrapport met videobeelden. Die aanvullende werkzaamheden zijn volgens [gedaagden] niet (volledig) verricht, waardoor zij de factuur nog niet hoeven te betalen.
4.3
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij met [gedaagden] heeft afgesproken dat hij de door hen genoemde werkzaamheden zou verrichten. Die werkzaamheden, waarvoor hij niets extra’s krijgt, zijn volgens hem geen onderdeel van de in het geding zijnde overeenkomst.
4.4
Dit standpunt van [eiser] gaat niet op. Naar het oordeel van de kantonrechter is de overeenkomst van aanneming uitgebreid met aanvullende werkzaamheden. Dat [eiser] ervoor heeft gekozen om de aanneemsom niet te verhogen, staat daaraan niet in de weg.
Dwaling
4.5
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] is dat zij gedwaald hebben bij het aangaan van de overeenkomst (artikel 6:228 BW), waarbij zij, zo begrijpt de kantonrechter, de overeenkomst gedeeltelijk willen vernietigen (in die zin dat zij voor de werkzaamheden een lager bedrag verschuldigd zijn).
4.6
Volgens [gedaagden] wilden zij € 1.200,00 betalen voor de werkzaamheden, maar vond [eiser] dit te weinig. Op basis van zijn inschatting van de duur van de werkzaamheden (vier à vijf dagen met twee man, aldus [gedaagden]) zijn zij akkoord gegaan met de door [eiser] voorgestelde aanneemsom. Volgens [gedaagden] heeft [eiser] uiteindelijk maar twee avonden besteed aan de werkzaamheden. Als [gedaagden] hadden geweten dat de werkzaamheden maar zo weinig tijd in beslag zouden nemen, hadden zij de overeenkomst niet onder dezelfde voorwaarden gesloten.
4.7
Vooropgesteld wordt dat is gesteld noch gebleken dat [eiser] méér heeft gedaan dan het geven van een ruwe inschatting van de aan de onder 2.2 vermelde werkzaamheden te besteden tijd. [gedaagden] hadden zich er dan ook van bewust moeten zijn dat het zou kunnen dat [eiser] minder (of meer) tijd nodig zou hebben (waarbij zij uiteraard ook een overeenkomst op regiebasis hadden kunnen sluiten). Daarbij komt dat [eiser] het, zo is ter zitting gebleken, heeft gehad over vier à vijf avonden werk en niet, zoals [gedaagden] aanvankelijk hebben aangevoerd, over vier à vijf dagen werk, dat hij zonder verhoging van de aanneemsom akkoord is gegaan met het verrichten van aanvullende werkzaamheden en dat aan de (volgens [gedaagden] nog niet volledig verrichte) werkzaamheden tot dusver meer tijd is besteed dan de door [gedaagden] gestelde twee avonden. Het beroep op dwaling slaagt dan ook niet.
Uitvoering werkzaamheden en oplevering
4.8
Niet in geschil is dat [eiser] niet alle overeengekomen werkzaamheden heeft verricht (hij heeft in ieder geval de gaten in de kruipruimte niet dichtgemaakt). Volgens [eiser] komt dat omdat [gedaagden] de daarvoor benodigde Trespa platen niet ter beschikking hebben gesteld. [gedaagden] hebben daarop aangevoerd dat [eiser] geen navraag heeft gedaan naar de platen (die er volgens hen overigens wel degelijk waren).
4.9
Als zou kunnen worden aangenomen dat [gedaagden] de benodigde platen niet ter beschikking hebben gesteld, leidt dat weliswaar tot schuldeisersverzuim aan hun zijde (artikel 6:58 BW), waarbij, zolang zij in verzuim zijn, [eiser] zelf niet in verzuim kan raken (artikel 6:61 lid 2 BW), maar niet tot de conclusie dat is opgeleverd (waarmee de afgesproken aanneemsom opeisbaar zou zijn geworden). De pas ter zitting naar voren gebrachte stelling van [eiser] dat een afwijkende betalingsafspraak is gemaakt, is, als door [gedaagden] gemotiveerd betwist en door [eiser] in het geheel niet onderbouwd, niet komen vast te staan.
Conclusie
4.10
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal afwijzen.
Proceskosten
4.11
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen.
[gedaagden] procederen in persoon en zijn tweemaal (voor de rolzitting en de mondelinge behandeling) naar de rechtbank gekomen om zich te verweren. De kantonrechter zal daarom per zitting een forfaitair bedrag van € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten toekennen, in totaal dus € 100,00. Als [eiser] dat niet tijdig betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij ook de kosten van betekening betalen.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 100,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op
25 augustus 2026.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12209132 \ CV EXPL 26-667
Vonnis van 25 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
, handelend onder de naam [bedrijf],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: L. Veld (Deurwaarderskantoor Wigger Van het Laar),
tegen
1
[gedaagde 1],
te [woonplaats 2],2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 3],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Partijen hebben een geschil over of [gedaagden] (op dit moment) een factuur van [eiser] voor door hem verrichtte werkzaamheden moeten betalen. De kantonrechter oordeelt van niet, omdat de werkzaamheden niet zijn opgeleverd en het te betalen bedrag daardoor nog niet opeisbaar is. De vordering van [eiser] wordt daarom afgewezen. De motivering van deze beslissing volgt hierna.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 4 augustus 2026
- nagezonden stukken van [eiser] van 5 augustus 2026
- nagezonden stukken van [gedaagden] van 7 augustus 2026.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
[eiser] is eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf]. Hij voert met zijn eenmanszaak diverse installatiewerkzaamheden uit.
2.2
[gedaagden] hebben [eiser] de opdracht gegeven om werkzaamheden te verrichten bij hun pand aan de [adres] (hierna: het pand). [eiser] heeft [gedaagden] daarover op 14 november 2025 het volgende WhatsAppbericht gestuurd:
“(…)
Ik heb een prijs opgesteld voor het vervangen van het riool en de overstort van de ketel, aangezien deze lekkage vertoonde.
De werkzaamheden omvatten:
Het compleet vervangen van het riool van voor naar achter.
Het opnieuw aansluiten van de bestaande aftakkingen door middel van brandmoffen.
Het volgens voorschriften beugelen van het riool.
Het vervangen van de overstort van de ketel.
Voor deze werkzaamheden kom ik uit op een totaalbedrag van €1.950,-
(…)”
2.3
[eiser] is begin 2026 gestart met de werkzaamheden in het pand. Hij heeft vervolgens op 6 december 2026 [gedaagden] een factuur gestuurd voor een bedrag van
€ 2.359,50 (inclusief btw).
2.4
Partijen hebben daarna een geschil gekregen over welke werkzaamheden [eiser] zou verrichten en over of hij die volledig heeft uitgevoerd.
2.5
[gedaagden] zijn niet tot betaling van de factuur overgegaan.
3Het geschil
3.1
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 2.743,42, vermeerderd met rente en kosten.
3.2
Volgens [gedaagden] moet de vordering van [eiser] worden afgewezen.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Overeenkomst van aanneming
4.1
Partijen hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten (artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Tenzij anders is overeengekomen, ontstaat de betalingsverplichting van de opdrachtgever op het moment dat het werk naar de bepalingen van de overeenkomst tot stand is gebracht en opgeleverd.
Inhoud van de overeenkomst
4.2
[eiser] stelt dat hij met [gedaagden] is overeengekomen dat hij voor een vaste prijs van € 1.950,00 (te vermeerderen met btw) de werkzaamheden zou verrichten die hij heeft opgesomd in zijn WhatsAppbericht van 14 november 2025 (zie 2.2). Volgens [eiser] zijn die werkzaamheden begin december 2025 afgerond en is het werk daarmee opgeleverd. [gedaagden] moeten daarom volgens [eiser] de factuur betalen. [gedaagden] betwisten dat. Volgens hen zijn partijen (mondeling) aanvullende werkzaamheden overeengekomen, bestaande uit herstel van de kruipruimte (gaten dichten en schoon/droog opleveren), reparatie van de ketel en het aanleveren van een inspectie- en bevindingenrapport met videobeelden. Die aanvullende werkzaamheden zijn volgens [gedaagden] niet (volledig) verricht, waardoor zij de factuur nog niet hoeven te betalen.
4.3
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij met [gedaagden] heeft afgesproken dat hij de door hen genoemde werkzaamheden zou verrichten. Die werkzaamheden, waarvoor hij niets extra’s krijgt, zijn volgens hem geen onderdeel van de in het geding zijnde overeenkomst.
4.4
Dit standpunt van [eiser] gaat niet op. Naar het oordeel van de kantonrechter is de overeenkomst van aanneming uitgebreid met aanvullende werkzaamheden. Dat [eiser] ervoor heeft gekozen om de aanneemsom niet te verhogen, staat daaraan niet in de weg.
Dwaling
4.5
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] is dat zij gedwaald hebben bij het aangaan van de overeenkomst (artikel 6:228 BW), waarbij zij, zo begrijpt de kantonrechter, de overeenkomst gedeeltelijk willen vernietigen (in die zin dat zij voor de werkzaamheden een lager bedrag verschuldigd zijn).
4.6
Volgens [gedaagden] wilden zij € 1.200,00 betalen voor de werkzaamheden, maar vond [eiser] dit te weinig. Op basis van zijn inschatting van de duur van de werkzaamheden (vier à vijf dagen met twee man, aldus [gedaagden]) zijn zij akkoord gegaan met de door [eiser] voorgestelde aanneemsom. Volgens [gedaagden] heeft [eiser] uiteindelijk maar twee avonden besteed aan de werkzaamheden. Als [gedaagden] hadden geweten dat de werkzaamheden maar zo weinig tijd in beslag zouden nemen, hadden zij de overeenkomst niet onder dezelfde voorwaarden gesloten.
4.7
Vooropgesteld wordt dat is gesteld noch gebleken dat [eiser] méér heeft gedaan dan het geven van een ruwe inschatting van de aan de onder 2.2 vermelde werkzaamheden te besteden tijd. [gedaagden] hadden zich er dan ook van bewust moeten zijn dat het zou kunnen dat [eiser] minder (of meer) tijd nodig zou hebben (waarbij zij uiteraard ook een overeenkomst op regiebasis hadden kunnen sluiten). Daarbij komt dat [eiser] het, zo is ter zitting gebleken, heeft gehad over vier à vijf avonden werk en niet, zoals [gedaagden] aanvankelijk hebben aangevoerd, over vier à vijf dagen werk, dat hij zonder verhoging van de aanneemsom akkoord is gegaan met het verrichten van aanvullende werkzaamheden en dat aan de (volgens [gedaagden] nog niet volledig verrichte) werkzaamheden tot dusver meer tijd is besteed dan de door [gedaagden] gestelde twee avonden. Het beroep op dwaling slaagt dan ook niet.
Uitvoering werkzaamheden en oplevering
4.8
Niet in geschil is dat [eiser] niet alle overeengekomen werkzaamheden heeft verricht (hij heeft in ieder geval de gaten in de kruipruimte niet dichtgemaakt). Volgens [eiser] komt dat omdat [gedaagden] de daarvoor benodigde Trespa platen niet ter beschikking hebben gesteld. [gedaagden] hebben daarop aangevoerd dat [eiser] geen navraag heeft gedaan naar de platen (die er volgens hen overigens wel degelijk waren).
4.9
Als zou kunnen worden aangenomen dat [gedaagden] de benodigde platen niet ter beschikking hebben gesteld, leidt dat weliswaar tot schuldeisersverzuim aan hun zijde (artikel 6:58 BW), waarbij, zolang zij in verzuim zijn, [eiser] zelf niet in verzuim kan raken (artikel 6:61 lid 2 BW), maar niet tot de conclusie dat is opgeleverd (waarmee de afgesproken aanneemsom opeisbaar zou zijn geworden). De pas ter zitting naar voren gebrachte stelling van [eiser] dat een afwijkende betalingsafspraak is gemaakt, is, als door [gedaagden] gemotiveerd betwist en door [eiser] in het geheel niet onderbouwd, niet komen vast te staan.
Conclusie
4.10
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal afwijzen.
Proceskosten
4.11
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen.
[gedaagden] procederen in persoon en zijn tweemaal (voor de rolzitting en de mondelinge behandeling) naar de rechtbank gekomen om zich te verweren. De kantonrechter zal daarom per zitting een forfaitair bedrag van € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten toekennen, in totaal dus € 100,00. Als [eiser] dat niet tijdig betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij ook de kosten van betekening betalen.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 100,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op
25 augustus 2026.