Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5705

2026-09-25 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ZWO 26/817
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-09-25
Publicatiedatum
2026-09-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ZWO 26/817
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WIA-uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gemotiveerd dat op de datum in geding nog verbetering van de benutbare mogelijkheden te verwachten is en dat er daarom geen reden is om uit te gaan van de duurzaamheid van de beperkingen. Beroep gegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.528 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummer: ZWO 26/817


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Stichting Zinder, uit Deventer, eiseres (hierna: Zinder),
gemachtigde: [gemachtigde 1],


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: het UWV),
gemachtigde: [gemachtigde 2]



Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [woonplaats] (hierna: [derde belanghebbende]).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over toekenning van een WIA-uitkering aan [derde belanghebbende]. [derde belanghebbende] is daarbij volledig arbeidsongeschikt geacht, maar niet duurzaam. Zinder is het hier niet mee eens met en zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze zaak.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV niet goed heeft gemotiveerd dat [derde belanghebbende] niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Zinder krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Vanaf 4 volgen de standpunten van partijen en de reacties over en weer. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 8. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.




Procesverloop


2. In het besluit van 30 september 2025 heeft het UWV aan [derde belanghebbende] met ingang van
5 mei 2025 op grond van de WIA een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid van [derde belanghebbende] is vastgesteld op 100%.



2.1.

Zinder heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van
4 februari 2026 op het bezwaar van Zinder is het UWV bij dat besluit gebleven.



2.2.
Zinder heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van Zinder, de gemachtigde van het UWV, [derde belanghebbende] en [naam], partner van [derde belanghebbende].




Totstandkoming van het bestreden besluit


3. [derde belanghebbende] was werkzaam als leerkracht basisonderwijs bij Zinder voor 32 uur per week. Op 8 mei 2023 heeft zij zich ziekgemeld. [derde belanghebbende] heeft op 13 mei 2025 een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Vervolgens is de besluitvorming gevolgd, zoals hiervoor onder ‘Procesverloop’ is weergegeven.




Standpunt van het UWV


4. Volgens het UWV is [derde belanghebbende] per 5 mei 2025 volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt. Zij komt daarom met ingang van deze datum niet in aanmerking voor een IVA-uitkering.




Standpunt van Zinder


5. Zinder stelt dat het UWV het beoordelingskader ‘Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen’ op onjuiste wijze heeft toegepast, zodat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Zinder stelt dat [derde belanghebbende] aanspraak maakt op een IVA-uitkering, omdat haar beperkingen duurzaam zijn. Zinder wijst er in dit verband op dat [derde belanghebbende] een revalidatieprogramma heeft gevolgd en afgerond. Dit heeft niet geleid tot een significante verbetering van haar belastbaarheid. Zij zit in een chronische fase van NAH en behandelingen zijn niet meer gericht op het verbeteren van de functionele mogelijkheden, maar gericht op acceptatie van en omgang met de blijvende gevolgen van NAH. Niet kan worden gesteld dat er een verwachting is tot verbetering van de situatie binnen een jaar. Evenmin zijn er duidelijke aanwijzingen dat verbetering van de functionele mogelijkheden zal optreden naar aanleiding van de huidige behandeling die wordt gevolgd, aldus Zinder. Ten onrechte stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen sprake is van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Zinder verwijst naar informatie van InteraktContour, waaruit volgt dat [derde belanghebbende] sinds juni 2024 het Hersenz behandelprogramma volgt. Dat is een programma voor mensen met NAH in een chronische fase. Er wordt dus bevestigd dat sprake is van een chronisch, stabiel ziektebeeld. Verder volgt uit de informatie van InteraktContour dat de behandeling is gericht op stabilisatie. De voortgang die wordt benoemd, is vooruitgang op het kunnen omgaan met en accepteren van de gevolgen van NAH. Ook uit de informatie van bedrijfsarts Wesselius van 11 februari 2025 volgt dat de behandeling die [derde belanghebbende] volgt, gericht zijn op stabilisatie en niet op herstel. Volgens Zinder is niet te volgen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigt dat er veel onzekerheid is en dat er op dit moment geen goede inschatting kan worden gemaakt over de toekomstige situatie van [derde belanghebbende], maar tegelijkertijd ook stellig volhoudt dat er een significante verbetering zal optreden. Volgens Zinder is dit tegenstrijdig. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verliest daarbij uit het oog dat de behandeling is gericht op stabilisatie en niet op verbetering van de arbeidsmogelijkheden. Zinder stelt voorts dat ten onrechte een GBM-situatie is aangenomen, omdat [derde belanghebbende] een intensief behandeltraject volgt. De behandeling is intensief, maar ook zonder die behandeling zou [derde belanghebbende] niet in staat zijn om arbeid te verrichten en is sprake van een GBM-situatie die blijvend is. Zinder wijst er voorts op dat [derde belanghebbende] op veel terreinen, zowel mentaal als fysiek, beperkingen ervaart. Een verbetering op slechts één van deze terreinen heeft volgens Zinder weinig effect op het gehele beeld van (chronische) arbeidsbeperkingen.




Reactie UWV


6. In reactie op wat Zinder in beroep heeft aangevoerd, heeft het UWV een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gedateerd 10 april 2026, ingediend en in het verweerschrift geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om het eerder ingenomen standpunt over de duurzaamheid te wijzigen.




Reactie Zinder


7. Zinder heeft gereageerd op het verweerschrift en het rapport van de verzekeringsbezwaar en beroep van 10 april 2026. Zinder stelt dat uit de medische informatie van InteraktContour van 4 december 2025 genoegzaam blijkt wat de doelstelling is van de behandeling die [derde belanghebbende] volgt, namelijk stabilisatie. Ten onrechte stelt het UWV dat uit de medische informatie niet kan worden afgeleid dat de behandeling niet kan leiden tot verbetering van de belastbaarheid van [derde belanghebbende]. Een inschatting van verbetering van arbeidsmogelijkheid heeft het UWV ten onrechte niet gemaakt.




Beoordeling door de rechtbank


8. De rechtbank stelt allereerst vast dat [derde belanghebbende] toestemming heeft gegeven om haar medische informatie met Zinder te delen.



8.1.
Om in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering moet vast komen te staan dat de betrokkene volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de WIA is iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt, wanneer diegene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Op grond van het derde lid van dit artikel wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.



8.2.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkeling van iemands arbeidsbeperkingen. De verzekeringsarts die dit beoordeelt moet hierbij volgens vaste rechtspraak gebruik maken van het door het UWV vastgestelde beoordelingskader 'Beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen'. Hierin is een stappenplan opgenomen dat uit drie stappen bestaat. In stap 1 is de vraag aan de orde of verbetering van de belastbaarheid uitgesloten is. In stap 2 gaat het om mensen waarbij verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten. De verzekeringsarts beoordeelt of er in het eerstkomende jaar een verbetering kan worden verwacht. Er moet dan gekozen worden tussen een situatie waarin er een redelijke of goede verwachting is dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden (stap 2a) en een situatie waarin verbetering in deze periode niet of nauwelijks te verwachten is (stap 2b). Als argumenten voor een keuze ontbreken moet worden uitgegaan van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden. Stap 3 is van toepassing als verbetering van de belastbaarheid in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks te verwachten is. De verzekeringsarts beoordeelt dan of en zo ja in hoeverre die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht.



8.3.
Uit vaste rechtspraak volgt dat de verzekeringsarts zich een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de WIA. Hierbij moet een inschatting worden gemaakt van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna, moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. Als die inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Verder is van belang dat bij de vraag of de bij de werknemer vastgestelde volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is, slechts verbeteringen van de belastbaarheid van de werknemer die van invloed zijn op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid relevant zijn.



8.4.

Niet in geschil is dat [derde belanghebbende] volledig arbeidsongeschikt is op de datum in geding,
5 mei 2025. De vraag die voorligt of de volledige arbeidsongeschiktheid op de datum in geding moet worden geacht duurzaam te zijn, zodat [derde belanghebbende] recht heeft op een IVA-uitkering
Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van het UWV dat dit niet het geval is onvoldoende gemotiveerd. Zij acht daarvoor het volgende van belang.




8.5.
De verzekeringsarts heeft aangenomen dat [derde belanghebbende] bekend is met klachten en beperkingen als gevolg van een herseninfarct. De verzekeringsarts heeft acht geslagen op de behandeling die [derde belanghebbende] ondergaat bij Hersenz en op de activiteiten die zij in het kader van deze therapie verricht. Op basis van de intensiteit van de therapie in combinatie met het effect daarvan in het functioneren, is sprake van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Volgens de verzekeringsarts is het mogelijk dat na het afronden van de behandeling, [derde belanghebbende] met de vrijgekomen tijd en energie benutbare mogelijkheden heeft in werk. Echter, zo besluit de verzekeringsarts, gezien de beperkingen op fysiek en cognitief vlak, is het maar de vraag of er weer benutbare mogelijkheden voor arbeid zullen ontstaan.



8.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft acht geslagen op onder meer de informatie van InteraktContour en in zijn rapport van 30 januari 2026 geconcludeerd dat geen sprake is van een situatie van duurzame (volledige) arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit verband gesteld dat geen sprake is van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Uit de informatie van InteraktContour van 4 december 2025 komt naar voren dat [derde belanghebbende] op diverse deelgebieden verbeteringen doormaakt. Verder is er een redelijke tot goede kans dat de belastbaarheid binnen een jaar kan toenemen, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De conclusie dat [derde belanghebbende] niet belastbaar is, is mede gestoeld op de intensieve behandeling die zij ondergaat, de voorbereidingstijd ervoor en de herstelbehoefte daarna. Het is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zeer aannemelijk dat als deze behandeling is afgerond, de beschikbaarheid van [derde belanghebbende] beduidend zal toenemen. Gezien het beloop van de behandeling tot op heden, is het ook aannemelijk dat er een zekere belastbaarheid voor arbeid zal ontstaan. Daarbij zullen er zeer waarschijnlijk wel restbeperkingen blijven, waarvan op dit moment nog geen goede inschatting gemaakt kan worden. Er is, uitgaande van de datum in geding, een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.



8.7.
In zijn rapport van 10 april 2026 wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop dat uit het feit dat sprake is van een chronisch ziektebeeld en dat de behandeling gericht is op de chronische fase, niet kan worden afgeleid dat deze behandeling niet kan leiden tot verbetering van de belastbaarheid. Uit de informatie van InteraktContour van 4 december 2025 blijkt dat [derde belanghebbende] op diverse vlakken profiteert van de behandeling. Daaruit blijkt dat haar belastbaarheid toeneemt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht de stelling van [derde belanghebbende] dat de verbetering van de belastbaarheid vooralsnog geen beduidende betekenis heeft voor de functionele mogelijkheden, onnavolgbaar. Voor de conclusie dat [derde belanghebbende] ook zonder de lopende behandeling op verzekeringsgeneeskundige gronden arbeidsongeschikt zou zijn, zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen argumenten te vinden.



8.8.
Naar het oordeel van de rechtbank is met het vorenstaande onvoldoende gemotiveerd dat op de datum in geding nog verbetering van de benutbare mogelijkheden te verwachten is en dat er daarom geen reden is om uit te gaan van de duurzaamheid van de beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn conclusie dat verbetering in de belastbaarheid valt te verwachten, in belangrijke mate gebaseerd op de informatie van InteraktContour van 4 december 2025. Uit de informatie van InteraktContour van 4 december 2025 volgt dat [derde belanghebbende] een multidisciplinair behandelprogramma heeft gevolgd voor mensen met NAH in de chronische fase, waarin mensen beter met hun beperkingen leren omgaan. Aangegeven is onder meer dat de onderdelen van het behandeltraject gericht zijn op het leren omgaan met veranderingen en verlieservaringen en het vergroten van het inzicht in de belastbaarheid en het eigen maken van vaardigheden om energie efficiënter over de dag te verdelen. Daarnaast is de behandeling gericht op het verkrijgen van compensatiestrategieën voor verschillende verstoorde cognitieve processen om het leven verder dan wel opnieuw in te gaan richten. Steun voor de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een redelijke tot goed kans bestaat dat de belastbaarheid van [derde belanghebbende] binnen een jaar kan toenemen, ziet de rechtbank niet terug in de informatie van InteraktContour en ook niet in de overige informatie. De behandeling die is ingezet is veeleer gericht op – kort gezegd – acceptatie. Dat dit de inzet van een te volgen behandeling is, volgt ook uit het actueel oordeel van 11 februari 2025, waarin is opgenomen dat [derde belanghebbende] bezig is met een intensief traject, aanvankelijk gericht op zoveel mogelijk herstel van mogelijkheden, maar inmiddels gericht op het leren omgaan met de blijvende beperkingen en het aanpassen van haar leven. In dit licht acht de rechtbank de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het zeer aannemelijk is dat de behandeling is afgerond, de beschikbaarheid van [derde belanghebbende] beduidend zal toenemen en het gezien het beloop van de behandeling tot op heden ook aannemelijk dat een zekere belastbaarheid voor arbeid zal ontstaan, onvoldoende onderbouwd.



8.9.
Uit het voorgaande volgt dat het standpunt van het UWV dat verbetering van de belastbaarheid van [derde belanghebbende] te verwachten is, onvoldoende is gemotiveerd.




Conclusie en gevolgen

9. Wat hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit is niet voorzien van een deugdelijke motivering, zodat dit besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat nader onderzoek en motivering door de verzekeringsarts bezwaar en beroep nodig is. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor vier weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.

10. De rechtbank draagt het UWV op om bij het nemen van het nieuwe besluit te betrekken dat, zoals ter zitting aan de orde is geweest, er inmiddels ook een verzoek om herbeoordeling ligt. De rechtbank geeft het UWV nadrukkelijk in overweging daarbij ook acht te slaan op de situatie van [derde belanghebbende] na de datum in geding die in deze beroepsprocedure aan de orde is. Op de zitting is besproken dat de behandeling bij InteraktContour is afgerond, dat [derde belanghebbende] enkel fysiotherapie volgt en dat niet is gebleken van een behandeling die gericht zou kunnen zijn op enige verbetering van de belastbaarheid in arbeid van [derde belanghebbende].

11. Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan Zinder vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van Zinder een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.





Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit van 4 februari 2026;


draagt het UWV op binnen vier weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;


bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan Zinder moet vergoeden;


veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan Zinder.





Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.


werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.


Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten.


niet-aangeboren hersenletsel.


uitspraken van de CRvB van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1869, en van 9 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1729.


Algemene wet bestuursrecht.