Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5702
2026-09-25
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ZWO 26/1059
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ziektewet; het UWV heeft geweigerd terug te komen van het besluit tot toekenning van een ZW-uitkering aan een ex-werknemer; geen nova; beroep ongegrond; motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd.
Citeert (6)
- ECLI:NL:CRVB:2016:4872 Centrale Raad van Beroep 20-12-2016
- ECLI:NL:CRVB:2025:1765 Centrale Raad van Beroep 03-12-2025
- ECLI:NL:CRVB:2016:4225 Centrale Raad van Beroep 04-11-2016
- ECLI:NL:CRVB:2025:606 Centrale Raad van Beroep 16-04-2025
- ECLI:NL:CRVB:2019:2785 Centrale Raad van Beroep 21-08-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:2866 Centrale Raad van Beroep 21-08-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.967 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1059
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Jomo B.V., gevestigd in Enschede, eiseres, hierna: Jomo
(gemachtigde: mr. P. Weijmans)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder, hierna: het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
1. Met een besluit van 10 mei 2023 heeft het UWV aan de heer Maters (ex-werknemer) een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW) per 1 mei 2023.
1.1.
Met een besluit van 18 september 2025, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft het UWV geweigerd om terug te komen van het besluit van 10 mei 2023. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden en er is geen sprake van een zeer uitzonderlijk geval.
1.2.
Jomo heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens Jomo deelgenomen: de gemachtigde, [naam 1] (managing director) en [naam 2] (jurist arbeidsongeschiktheidszaken). Namens het UWV was de gemachtigde aanwezig.
1.4.
Omdat ex-werknemer geen toestemming heeft gegeven om zijn medische gegevens aan Jomo te verstrekken, heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat kennisneming van medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van Jomo. De rechtbank zal terughoudend zijn met het opnemen van gedetailleerde inhoudelijk medische overwegingen in deze uitspraak om te voorkomen dat Jomo alsnog kennisneemt van de medische situatie van ex-werknemer.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
2. Ex-werknemer was van 1 november 2019 tot 31 juli 2020 in dienst van Westfalen Medical B.V. als teamleider voor 40 uur per week.
2.1.
Vanaf 3 augustus 2020 heeft ex-werknemer een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen.
2.2.
Per 22 augustus 2020 heeft ex-werknemer zich ziekgemeld. Vanaf 3 november 2020 heeft hij een ZW-uitkering ontvangen.
2.3.
Ex-werknemer is per 3 mei 2022 in dienst gekomen bij Jomo als productmanager.
2.4.
Het UWV heeft bij brief van 13 april 2022 aan ex-werknemer bevestigd dat hij vanaf 1 juni 2022 weer arbeidsgeschikt is. Ter zitting is gebleken dat de ZW-uitkering door een administratieve fout niet is beëindigd per 1 juni 2022, maar is blijven doorlopen.
2.5.
Bij besluit van 30 september 2022 heeft het UWV ex-werknemer laten weten dat de ZW-uitkering tot en met 19 oktober 2022 wordt betaald. Het recht op ZW-uitkering eindigt na 104 weken ziekteverzuim.
2.6.
Ex-werknemer heeft zich op 30 november 2022 deels ziekgemeld bij Jomo. Per 15 december 2022 heeft hij zich volledig ziekgemeld. Het dienstverband tussen ex-werknemer en Jomo is geëindigd op 30 april 2023.
2.7.
Bij besluit van 10 mei 2023 heeft het UWV ex-werknemer met ingang van 1 mei 2023 in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering.
2.8.
Bij besluit van 1 maart 2024 is, na het uitvoeren van een eerstejaars-ZW- beoordeling, bepaald dat ex-werknemer zijn ZW-uitkering houdt.
2.9.
Op 13 augustus 2024 heeft ex-werknemer een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk in inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 3 december 2024 heeft het UWV beslist dat ex-werknemer geen WIA-uitkering krijgt. Ex-werknemer heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 3 december 2024 heeft het UWV het voornemen uitgebracht om ex-werknemer wel een WIA-uitkering toe te kennen.
2.10.
Bij brieven van 18 juni 2025 en 3 juli 2025 heeft Jomo bij het UWV stukken opgevraagd die betrekking hebben op de ZW-uitkering die ex-werknemer heeft ontvangen in de periode van 3 november 2020 tot en met 19 oktober 2022 en vanaf 1 mei 2023. Het UWV heeft de correspondentie van Jomo opgevat als een verzoek om terug te komen van zijn besluit van 10 mei 2023 tot toekenning van een ZW-uitkering aan ex-werknemer.
2.11.
Daarop is het UWV overgegaan tot de besluitvorming, zoals beschreven onder Procesverloop.
Standpunten van partijen
3. Volgens het UWV zijn er geen nieuwe feiten en omstandigheden die maken dat ten onrechte per 10 mei 2023 een ZW-uitkering aan ex-werknemer is toegekend. Het UWV heeft hierbij in aanmerking genomen dat tegen het besluit van 10 mei 2023, waarbij de ZW-uitkering aan ex-werknemer is toegekend, geen bezwaar is gemaakt. Dat besluit staat dan vast, tenzij sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Volgens het UWV is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden. Volgens het UWV was Jomo bekend, of kon Jomo bekend zijn, met het medische verleden van ex-werknemer. Verder is het volgens het UWV niet zo overduidelijk onredelijk om het besluit van 10 mei 2023 zo te laten. Hierbij is van belang dat ziekte per functie wordt beoordeeld en dat iemand met dezelfde klachten en beperkingen voor de ene functie ziek kan zijn en voor de andere functie niet. Volgens het UWV worden geen buitengewoon bijzondere omstandigheden beschreven.
4. Jomo heeft zich op het standpunt gesteld dat zij pas met de ontvangst van het WIA-besluit zag dat ex-werknemer een ZW-uitkering genoot tijdens zijn dienstverband bij Jomo. Jomo wist dit niet ten tijde van de toekenning van de ZW-uitkering door het UWV bij besluit van 10 mei 2023 en kon dit ook niet weten. Volgens Jomo zijn er dan ook nieuwe feiten en omstandigheden. Ex-werknemer bleek al voor zijn indiensttreding dezelfde klachten c.q. beperkingen te hebben, waardoor hij ook bij Jomo is uitgevallen. Volgens Jomo staat daarom vast dat ex-werknemer ziek was toen hij in dienst trad van Jomo en was dit bij het UWV bekend. De eerste ziektedag van ex-werknemer lag dus vóórdat hij bij Jomo in dienst trad. Er had daarom niet per 10 mei 2023 een ZW-uitkering aan ex-werknemer mogen worden toegekend. Naar de mening van Jomo is sprake van een evidente fout bij de toekenning van de ZW-uitkering aan ex-werknemer. Jomo is door deze toekenning benadeeld, omdat de Belastingdienst de uitkering aan Jomo toerekent. Voor Jomo is het achteraf bezien onbegrijpelijk dat het UWV aan ex-werknemer (opnieuw) een ZW-uitkering heeft toegekend, terwijl ex-werknemer feitelijk onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.
Overwegingen
5. Het verzoek van Jomo strekt ertoe dat het UWV terugkomt van zijn besluit van 10 mei 2023. Het UWV heeft hierop beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
6. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. In deze procedure gaat het om het eerdere besluit van 10 mei 2023.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat Jomo ten tijde van het besluit van 10 mei 2023 niet op de hoogte was van het medische en ZW-verleden van ex-werknemer en kon Jomo daarmee ook niet bekend zijn. Dit kon daarom niet al ten tijde van het besluit van 10 mei 2023 door Jomo worden aangevoerd. Uit de probleemanalyse van 13 januari 2023 volgt weliswaar dat er een medische beperking is die eerder is beoordeeld door een verzekeringsarts van het UWV, maar ook is daarbij opgemerkt dat deze toen niet als beperkend is vastgesteld. Hieruit volgt niet dat sprake is van een medisch verleden op grond waarvan ex-werknemer een ZW-uitkering ontving zowel voorafgaand aan, als tijdens het dienstverband met Jomo. Aangezien de motivering van het ontbreken van nova in het bestreden besluit tot deze overweging is beperkt, is het besteden besluit niet goed gemotiveerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat Jomo door dit gebrek niet is benadeeld. Ook zonder dit gebrek zou namelijk een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Daarbij is het volgende van belang.
7.1.
Volgens vaste rechtspraak worden feiten of omstandigheden waarvan (zonder meer) duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het oorspronkelijke besluit, niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb beschouwd.
7.2.
Tot en met december 2010 gold, op grond van artikel 44 van de ZW dat het UWV de ZW-uitkering kon weigeren indien de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam, of als die binnen een half jaar was te verwachten. Dit artikel is per 1 januari 2011 vervallen omdat de regering de nadruk wilde leggen op iemands mogelijkheden en niet op iemands onmogelijkheden. Daarmee is niet te verenigen dat iemand van de verzekering wordt uitgesloten omdat hij medisch ongeschikt zou zijn voor die arbeid. Een eventueel bij aanvang van het dienstverband reeds bestaande ongeschiktheid voor die arbeid staat er daarom niet aan in de weg dat de werknemer verzekerd is voor de arbeid die hij verricht in dat dienstverband. Het laatstelijk voor uitval verrichte - ongeschikte - werk wordt dan als maatstaf arbeid in de zin van de ZW aangemerkt.
7.3.
Gelet hierop kunnen de omstandigheid dat ex-werknemer bij aanvang van het dienstverband bij Jomo nog een ZW-uitkering ontving en de stelling dat hij ziek in dienst trad van Jomo, geen rol spelen bij een beoordeling van de juistheid van het besluit van 10 mei 2023 tot toekenning per 1 mei 2023 van een ZW-uitkering gebaseerd op het dienstverband bij Jomo. Het UWV heeft dus op onjuiste gronden, maar wel terecht, het standpunt ingenomen dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.
8. In wat Jomo heeft aangevoerd wordt ook geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Het besluit van 10 mei 2023 is niet onmiskenbaar onjuist. Het UWV heeft er terecht op gewezen dat de vraag of iemand recht heeft op een ZW-uitkering per functie wordt beoordeeld.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten van Jomo in beroep. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. De vergoeding voor verleende rechtsbijstand bedraagt dan in totaal € 1.868,- (in totaal twee punten, waarde per punt € 934,-). Ook moet het UWV aan Jomo het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 397,- vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van Jomo tot een bedrag van in totaal € 1.868,-;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan Jomo vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 3 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1765.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4225 en van 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:606.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 21 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2785 en ECLI:NL:CRVB:2019:2866
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1059
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Jomo B.V., gevestigd in Enschede, eiseres, hierna: Jomo
(gemachtigde: mr. P. Weijmans)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder, hierna: het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
1. Met een besluit van 10 mei 2023 heeft het UWV aan de heer Maters (ex-werknemer) een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW) per 1 mei 2023.
1.1.
Met een besluit van 18 september 2025, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft het UWV geweigerd om terug te komen van het besluit van 10 mei 2023. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden en er is geen sprake van een zeer uitzonderlijk geval.
1.2.
Jomo heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens Jomo deelgenomen: de gemachtigde, [naam 1] (managing director) en [naam 2] (jurist arbeidsongeschiktheidszaken). Namens het UWV was de gemachtigde aanwezig.
1.4.
Omdat ex-werknemer geen toestemming heeft gegeven om zijn medische gegevens aan Jomo te verstrekken, heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat kennisneming van medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van Jomo. De rechtbank zal terughoudend zijn met het opnemen van gedetailleerde inhoudelijk medische overwegingen in deze uitspraak om te voorkomen dat Jomo alsnog kennisneemt van de medische situatie van ex-werknemer.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
2. Ex-werknemer was van 1 november 2019 tot 31 juli 2020 in dienst van Westfalen Medical B.V. als teamleider voor 40 uur per week.
2.1.
Vanaf 3 augustus 2020 heeft ex-werknemer een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen.
2.2.
Per 22 augustus 2020 heeft ex-werknemer zich ziekgemeld. Vanaf 3 november 2020 heeft hij een ZW-uitkering ontvangen.
2.3.
Ex-werknemer is per 3 mei 2022 in dienst gekomen bij Jomo als productmanager.
2.4.
Het UWV heeft bij brief van 13 april 2022 aan ex-werknemer bevestigd dat hij vanaf 1 juni 2022 weer arbeidsgeschikt is. Ter zitting is gebleken dat de ZW-uitkering door een administratieve fout niet is beëindigd per 1 juni 2022, maar is blijven doorlopen.
2.5.
Bij besluit van 30 september 2022 heeft het UWV ex-werknemer laten weten dat de ZW-uitkering tot en met 19 oktober 2022 wordt betaald. Het recht op ZW-uitkering eindigt na 104 weken ziekteverzuim.
2.6.
Ex-werknemer heeft zich op 30 november 2022 deels ziekgemeld bij Jomo. Per 15 december 2022 heeft hij zich volledig ziekgemeld. Het dienstverband tussen ex-werknemer en Jomo is geëindigd op 30 april 2023.
2.7.
Bij besluit van 10 mei 2023 heeft het UWV ex-werknemer met ingang van 1 mei 2023 in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering.
2.8.
Bij besluit van 1 maart 2024 is, na het uitvoeren van een eerstejaars-ZW- beoordeling, bepaald dat ex-werknemer zijn ZW-uitkering houdt.
2.9.
Op 13 augustus 2024 heeft ex-werknemer een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk in inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 3 december 2024 heeft het UWV beslist dat ex-werknemer geen WIA-uitkering krijgt. Ex-werknemer heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 3 december 2024 heeft het UWV het voornemen uitgebracht om ex-werknemer wel een WIA-uitkering toe te kennen.
2.10.
Bij brieven van 18 juni 2025 en 3 juli 2025 heeft Jomo bij het UWV stukken opgevraagd die betrekking hebben op de ZW-uitkering die ex-werknemer heeft ontvangen in de periode van 3 november 2020 tot en met 19 oktober 2022 en vanaf 1 mei 2023. Het UWV heeft de correspondentie van Jomo opgevat als een verzoek om terug te komen van zijn besluit van 10 mei 2023 tot toekenning van een ZW-uitkering aan ex-werknemer.
2.11.
Daarop is het UWV overgegaan tot de besluitvorming, zoals beschreven onder Procesverloop.
Standpunten van partijen
3. Volgens het UWV zijn er geen nieuwe feiten en omstandigheden die maken dat ten onrechte per 10 mei 2023 een ZW-uitkering aan ex-werknemer is toegekend. Het UWV heeft hierbij in aanmerking genomen dat tegen het besluit van 10 mei 2023, waarbij de ZW-uitkering aan ex-werknemer is toegekend, geen bezwaar is gemaakt. Dat besluit staat dan vast, tenzij sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Volgens het UWV is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden. Volgens het UWV was Jomo bekend, of kon Jomo bekend zijn, met het medische verleden van ex-werknemer. Verder is het volgens het UWV niet zo overduidelijk onredelijk om het besluit van 10 mei 2023 zo te laten. Hierbij is van belang dat ziekte per functie wordt beoordeeld en dat iemand met dezelfde klachten en beperkingen voor de ene functie ziek kan zijn en voor de andere functie niet. Volgens het UWV worden geen buitengewoon bijzondere omstandigheden beschreven.
4. Jomo heeft zich op het standpunt gesteld dat zij pas met de ontvangst van het WIA-besluit zag dat ex-werknemer een ZW-uitkering genoot tijdens zijn dienstverband bij Jomo. Jomo wist dit niet ten tijde van de toekenning van de ZW-uitkering door het UWV bij besluit van 10 mei 2023 en kon dit ook niet weten. Volgens Jomo zijn er dan ook nieuwe feiten en omstandigheden. Ex-werknemer bleek al voor zijn indiensttreding dezelfde klachten c.q. beperkingen te hebben, waardoor hij ook bij Jomo is uitgevallen. Volgens Jomo staat daarom vast dat ex-werknemer ziek was toen hij in dienst trad van Jomo en was dit bij het UWV bekend. De eerste ziektedag van ex-werknemer lag dus vóórdat hij bij Jomo in dienst trad. Er had daarom niet per 10 mei 2023 een ZW-uitkering aan ex-werknemer mogen worden toegekend. Naar de mening van Jomo is sprake van een evidente fout bij de toekenning van de ZW-uitkering aan ex-werknemer. Jomo is door deze toekenning benadeeld, omdat de Belastingdienst de uitkering aan Jomo toerekent. Voor Jomo is het achteraf bezien onbegrijpelijk dat het UWV aan ex-werknemer (opnieuw) een ZW-uitkering heeft toegekend, terwijl ex-werknemer feitelijk onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.
Overwegingen
5. Het verzoek van Jomo strekt ertoe dat het UWV terugkomt van zijn besluit van 10 mei 2023. Het UWV heeft hierop beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
6. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. In deze procedure gaat het om het eerdere besluit van 10 mei 2023.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat Jomo ten tijde van het besluit van 10 mei 2023 niet op de hoogte was van het medische en ZW-verleden van ex-werknemer en kon Jomo daarmee ook niet bekend zijn. Dit kon daarom niet al ten tijde van het besluit van 10 mei 2023 door Jomo worden aangevoerd. Uit de probleemanalyse van 13 januari 2023 volgt weliswaar dat er een medische beperking is die eerder is beoordeeld door een verzekeringsarts van het UWV, maar ook is daarbij opgemerkt dat deze toen niet als beperkend is vastgesteld. Hieruit volgt niet dat sprake is van een medisch verleden op grond waarvan ex-werknemer een ZW-uitkering ontving zowel voorafgaand aan, als tijdens het dienstverband met Jomo. Aangezien de motivering van het ontbreken van nova in het bestreden besluit tot deze overweging is beperkt, is het besteden besluit niet goed gemotiveerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat Jomo door dit gebrek niet is benadeeld. Ook zonder dit gebrek zou namelijk een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Daarbij is het volgende van belang.
7.1.
Volgens vaste rechtspraak worden feiten of omstandigheden waarvan (zonder meer) duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het oorspronkelijke besluit, niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb beschouwd.
7.2.
Tot en met december 2010 gold, op grond van artikel 44 van de ZW dat het UWV de ZW-uitkering kon weigeren indien de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam, of als die binnen een half jaar was te verwachten. Dit artikel is per 1 januari 2011 vervallen omdat de regering de nadruk wilde leggen op iemands mogelijkheden en niet op iemands onmogelijkheden. Daarmee is niet te verenigen dat iemand van de verzekering wordt uitgesloten omdat hij medisch ongeschikt zou zijn voor die arbeid. Een eventueel bij aanvang van het dienstverband reeds bestaande ongeschiktheid voor die arbeid staat er daarom niet aan in de weg dat de werknemer verzekerd is voor de arbeid die hij verricht in dat dienstverband. Het laatstelijk voor uitval verrichte - ongeschikte - werk wordt dan als maatstaf arbeid in de zin van de ZW aangemerkt.
7.3.
Gelet hierop kunnen de omstandigheid dat ex-werknemer bij aanvang van het dienstverband bij Jomo nog een ZW-uitkering ontving en de stelling dat hij ziek in dienst trad van Jomo, geen rol spelen bij een beoordeling van de juistheid van het besluit van 10 mei 2023 tot toekenning per 1 mei 2023 van een ZW-uitkering gebaseerd op het dienstverband bij Jomo. Het UWV heeft dus op onjuiste gronden, maar wel terecht, het standpunt ingenomen dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.
8. In wat Jomo heeft aangevoerd wordt ook geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Het besluit van 10 mei 2023 is niet onmiskenbaar onjuist. Het UWV heeft er terecht op gewezen dat de vraag of iemand recht heeft op een ZW-uitkering per functie wordt beoordeeld.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten van Jomo in beroep. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. De vergoeding voor verleende rechtsbijstand bedraagt dan in totaal € 1.868,- (in totaal twee punten, waarde per punt € 934,-). Ook moet het UWV aan Jomo het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 397,- vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van Jomo tot een bedrag van in totaal € 1.868,-;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan Jomo vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 3 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1765.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4225 en van 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:606.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 21 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2785 en ECLI:NL:CRVB:2019:2866