Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5685

2026-08-12 Civiel recht C/08/347111 / HA ZA 26-139
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-09-25
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/08/347111 / HA ZA 26-139
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Politie in Enschede ontzegt een ex-agent die nu boa is in dienst vand e gemeente Enschede de toegang tot de werkruimtes van het politiebureau. De rechtbank acht dat niet onrechtmatig.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (33.154 tekens)
RECHTBANK Overijssel


Civiel recht



Zittingsplaats Almelo



Zaaknummer: C/08/347111 / HA ZA 26-139




Vonnis van 12 augustus 2026




in de zaak van





[eiser]
,
wonende te [woonplaats],
eisende partij in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M.D. Ubbink,



tegen



de publiekrechtelijke rechtspersoon met een wettelijke taak DE POLITIE,
gevestigd te Den Haag,
gedaagde partij in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: de politie,
advocaat: mr. A.T. Bolt.






1De procedure in de hoofdzaak en het incident


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met provisionele vordering en producties
- de conclusie van antwoord met producties
- de mondelinge behandeling van 15 juli 2026 waarbij met instemming van partijen de provisionele vordering en de hoofdzaak gezamenlijk zijn behandeld en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Namens [eiser] zijn pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd.



1.2.
Vervolgens heeft de rechtbank vonnis bepaald, welk vonnis vandaag wordt uitgesproken.






2De feiten in de hoofdzaak en het incident


2.1.

[eiser] is als agent in dienst geweest bij de politie. Laatstelijk werkte hij bij het basisteam Hengelo (Overijssel). Na zijn eervol ontslag in 2023 bij de politie is [eiser] ongeveer een jaar werkzaam geweest als docent in het voortgezet onderwijs. Daarna is hij in dienst getreden bij de NS als buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA). In die hoedanigheid heeft hij briefings bijgewoond in de (werk)ruimtes van het politieteam basisteam Enschede. Vanaf 14 juli 2025 was [eiser] op basis van een tijdelijk arbeidscontract tot 14 juli 2026 in dienst bij de gemeente Enschede als senior BOA. Ook in het kader van deze functie voerde hij meermaals overleg met personeel van het politieteam basisteam Enschede, ook in de werkruimtes.



2.2.
Op 2 september 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1], afdelingshoofd Handhaven Openbare Ruimte van de gemeente Enschede, [naam 2], clustermanager O&R van de gemeente Enschede, en [eiser]. Onderwerp van dit gesprek was het voorgenomen besluit van de politie om [eiser] de toegang tot de werkvloer van het politiebureau te ontzeggen.



2.3.
Daarna heeft op 8 september 2025 een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1], [naam 3] (teamchef Basisteam Enschede bij de politie Enschede) en [eiser]. In het verslag van dit gesprek staat onder meer:




[eiser] is twee jaar geleden met eervol ontslag vertrokken bij de politie. Bij [naam 1] , afdelingshoofd Handhaven Openbare Ruimte, zijn signalen binnengekomen over [eiser] zijn werkzame periode binnen de gemeente. Om hierover meer duidelijkheid te verkrijgen heeft zij contact gezocht met de politie.


Om meer duidelijkheid te krijgen over deze signalen heeft [naam 1] op donderdag 28 augustus 2025 telefonisch contact gezocht met [naam 3] , teamleider van het Basisteam Enschede. In dit telefoongesprek deelde [naam 3] mede dat hij voornemens is om de toegang (van de werkvloer van het Basisteam Enschede) aan [eiser] te ontzeggen. De reden die hij gaf om dit te doen was om zijn medewerkers te beschermen. Dit zou betekenen dat [eiser] alleen in de publieksruimtes van het politiebureau Enschede mag komen. Dit zal direct leiden tot een onwerkbare situatie in de functie als Senior Handhaver. (…)





2.4.

[eiser] is door de gemeente Enschede vrijgesteld van werk.



2.5.
Op 15 september 2025 ontving [eiser] van [naam 3] een brief (hierna: het besluit) met de volgende inhoud:



Hierbij informeer ik u over mijn beslissing om u de toegang te ontzeggen tot de werkruimtes van het politieteam Basisteam Enschede. Concreet betekent dit dat u geen toegang meer heeft tot de briefingruimte, de koffieruimte, de vergader en gespreksruimtes van het Basisteam Enschede en de binnenplaats van het Districtsbureau aan de Hermandad 2, 7511 JN.


Wel behoudt u de toegang tot de publieksruimtes in het districtsbureau en ook tot de overige organisatieonderdelen van de Politie. Met andere woorden, indien u bijvoorbeeld bij Korpscheftaken moet zijn, is dit nog steeds mogelijk.


Deze ontzegging gaat in per vandaag, 15 september 2025 en wordt bij ongewijzigde omstandigheden steeds met 1 jaar verlengd met een maximumtijd van 10 jaren.


Als u na 1 jaar hierover geïnformeerd wilt worden, kunt mij hierover tzt een email sturen.


De reden voor deze ontzegging is gelegen in het onderstaande:


In april 2023 heeft een vrouwelijke collega bij de teamleiding van Basisteam Enschede melding gemaakt van ongewenst gedrag van u in de vorm van stalking dan wel belaging. Vervolgens is aan u buitengewoon verlof verleend. Toen de reden voor uw afwezigheid werd gecommuniceerd aan het basisteam hebben zich nog drie vrouwelijke collega’s met gelijksoortige ervaringen gemeld. Naar aanleiding van het vermoeden van plichtsverzuim is er disciplinair onderzoek gestart.


Op 28 april 2023 is u een disciplinair onderzoek aangezegd. Kort hierna heeft u zich ziekgemeld. De vrouwelijke collega’s die zich gemeld hebben zijn als getuige gehoord. Hieruit kwam het beeld naar voren dat u meerdere vrouwelijke collega’s in de jaren voor het onderzoek aanhoudend benaderd heeft met ongepaste seksueel getinte opmerkingen en voorstellen, waardoor zij zich onprettig dan wel niet veilig voelden op de werkvloer. Door uw ziekmelding heeft u zich niet kunnen verantwoorden in een gesprek met de afdeling veiligheid, integriteit en klachten (VIK). In een gesprek met uw leidinggevende heeft u aangegeven de uitkomst van het onderzoek niet af te willen wachten, maar de politieorganisatie zelf te willen verlaten. Aangezien er op dat moment niet voldoende aanleiding voor was anders te beslissen is u toentertijd eervol ontslag verleend.


Momenteel bent u werkzaam bij de Afdeling Handhaving & Veiligheid van de Gemeente Enschede en komt u (veelvuldig) in aanraking met het personeel van het politieteam Basisteam Enschede. Door deze samenwerking ontstaan bij sommige politiemensen weerstand tegen u vanwege uw verleden bij de Politie. Uw aanwezigheid in de werkruimtes van het Basisteam Enschede leidt bij enkelen zelfs tot een gevoel van onveiligheid.


Vooral dit laatste dwingt mij op basis van goed werkgeverschap de beslissing te nemen om u de toegang tot de werkruimtes van Basisteam Enschede te ontzeggen teneinde politiemensen in het Basisteam Enschede een veilige werkomgeving te bieden.


Als teamchef van het Basisteam Enschede en daarmee hoogst leidinggevende, ligt het beheer over onze werkruimtes bij mij en ben ik in die hoedanigheid gerechtigd tot deze stap.


Op 8 september 2025 heb ik u in een persoonlijk gesprek uiteengezet. U vroeg toen of er een oplossing mogelijk is, waarbij ik heb aangegeven te willen onderzoeken of er nog een bemiddelend gesprek plaats zou kunnen vinden.


Uit mijn onderzoek is gebleken dat er geen draagvlak is voor een bemiddelend gesprek.





2.6.
Bij brief van 3 oktober 2025 schrijft [naam 1] aan de raadsvrouw van [eiser]:



Op maandag 8 september heeft een vervolggesprek tussen [eiser], de politie en mij plaatsgevonden. In dat gesprek heeft de politie opnieuw het voornemen omtrent de ontzegging van de toegang tot de werkvloer uitgelegd en de wil uitgesproken om te proberen een gesprek te regelen, om vragen en problemen rondom zijn vertrek te bespreken en naar een oplossing te werken. In dat gesprek hebben [eiser] en ik afgesproken om een vervolggesprek te plannen zodra de politie een terugkoppeling heeft gedaan over de mogelijkheid van een gesprek.


De terugkoppeling van de politie heeft inmiddels plaatsgevonden middels een door de politie aan ons verstrekte brief aan [eiser] d.d. 15 september 2025. (…)





2.7.
Bij beslissing van 28 januari 2026 van de korpschef van de politie is [eiser] in zijn bezwaar tegen voormeld besluit van 15 september 2025 niet ontvankelijk verklaard, omdat sprake is van een privaatrechtelijke aangelegenheid. Tegen deze beslissing is geen beroep ingesteld.



2.8.
Naar aanleiding van een namens [eiser] bij de politie ingediende klachtbrief heeft op 6 januari 2026 een gesprek tussen hem en twee klachtbehandelaars van de politie plaatsgevonden waarbij [eiser] zijn zienswijze heeft gegeven. De politie heeft laten weten het besluit niet te willen aanpassen.



2.9.
Bij mailbericht van 23 maart 2026 schrijft [naam 1] onder meer aan de raadsvrouw van [eiser]:



De brief van de politie waarin de heer [eiser] de toegang ontzegd is voor 10 jaar tot met name genoemde werkruimtes van het politiebureau in Enschede in combinatie met het feit dat hij daar geen verklaringen over wil afleggen staat voor de gemeente Enschede als werkgever nog steeds in de weg aan het toelaten tot de werkzaamheden hier. De gemeente Enschede weet niet wat er gebeurd is bij de politie. Het feit dat in de brief gesproken wordt over een ontzegging van 10 jaar doet vermoeden dat het om een serieuze gedraging gaat. Verder is de ontzegging gerelateerd aan een (on)veilige werkomgeving voor collega-werknemers.


De gemeente Enschede hecht grote waarde aan een veilige werkomgeving voor al haar werknemers en bij het ontbreken van feitelijke kennis over hetgeen wel of niet gebeurd is laat de gemeente het belang van veiligheid voor zijn collega-werknemers voorgaan boven het belang dat de heer [eiser] heeft bij toegang tot de werkvloer. Tijdens het gesprek in oktober 2025 hebben wij aangegeven dat de gemeente pas nadat een rechtszaak tegen de politie in verband met bedoelde brief afgerond is en wij van de afloop daarvan op de hoogte zijn gesteld door de heer [eiser] zelf dan wel door u als gemachtigde een uitspraak kunnen doen over al dan niet terugkeer op de werkvloer.





2.10.
Bij brief van 20 maart 2026 laat de gemeente Enschede aan [eiser] weten de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet voort te zetten.



2.11.
Op 23 april 2026 meldt [eiser] zich ziek bij de gemeente Enschede. Zijn arbeidsovereenkomst met de gemeente is op 14 juli 2026 geëindigd.






3Het geschil in de hoofdzaak en het incident


3.1.


[eiser] vordert uitvoerbaar bij voorraad:
in de hoofdzaak

1. te verklaren voor recht dat de ontzegging van de toegang tot de (werk)ruimtes van het politieteam basisteam Enschede, aan [eiser] opgelegd door de politie per brief d.d. 15 september 2025 onrechtmatig is en een ongerechtvaardigde aantasting vormt van de eer en goede naam van [eiser];
2. de politie te gebieden om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de volledige toegang aan [eiser] ter uitoefening van zijn functie (als senior BOA of anders) te verlenen tot de (werk)ruimtes van het politieteam basisteam Enschede, zoals bedoeld in de brief van d.d. 15 september 2025, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag of dagdeel dat de politie hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 50.000;
3. de politie te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis een schrijven aan Politie Enschede, Politie Hengelo en gemeente Enschede en aan alle ambtenaren en functionarissen aan wie het toegangsverbod bekend is gemaakt of redelijkerwijs bekend kan zijn geworden te sturen – onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan [eiser] – inhoudende de volgende tekst:


“Bij vonnis van de rechtbank Overijssel te Almelo d.d. ….(datum eindvonnis invullen) is geoordeeld dat het aan de heer [eiser] opgelegde toegangsverbod tot de gemeentelijke werkruimtes onrechtmatig is. De rechtbank heeft bepaald dat dit toegangsverbod ten onrechte is opgelegd en een ongerechtvaardigde aantasting van de reputatie van de heer [eiser] heeft gevormd. Dit toegangsverbod is inmiddels ingetrokken. De heer [eiser] heeft weer zoals voordien het recht op toegang tot de betreffende werkruimtes in het kader van zijn functie (van senior BOA of anders). Wij erkennen en betreuren het dat het hem opgelegde toegangsverbod onjuist en onheus is geweest.”

Dit op straffe van een dwangsom van € 500 per dag of dagdeel dat de politie hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 50.000;

4. de politie te veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] reeds geleden en nog te lijden schade die het gevolg is van de onrechtmatige ontzegging van de toegang tot de (werk)ruimtes van het politieteam basisteam Enschede, opgelegd door de politie aan [eiser] per brief d.d. 15 september 2025, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente;

en in het incident
schorsing, althans de politie te veroordelen tot het buiten toepassing laten van de bij brief d.d. 15 september 2025 aan [eiser] opgelegde ontzegging van de toegang tot de (werk)ruimtes van het politieteam basisteam Enschede en de politie te gebieden om [eiser] onbelemmerd toe te laten tot deze (werk)ruimtes op dezelfde voorwaarden als vóór het toegangsverbod golden, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag of dagdeel dat de politie hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 50.000; alles met veroordeling van de politie in de kosten van deze procedure.




3.2.
De politie voert verweer. De politie concludeert zowel in het incident als in de hoofdzaak tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] dan wel gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen in de hoofdzaak, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.






4De beoordeling in de hoofdzaak en in het incident


4.1.

[eiser] stelt dat het besluit tot ontzegging van de toegang op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) onrechtmatig is jegens hem. Hij stelt dat de politie zonder wettelijke of contractuele grondslag een langdurige, ingrijpende maatregel heeft opgelegd op basis van enkele vooralsnog onbewezen persoonlijke verklaringen. Bij de oplegging van die maatregel is onvoldoende rekening gehouden met zijn relevante belangen en zijn minder ingrijpende alternatieven onvoldoende overwogen. In zijn functie als BOA bij de gemeente moet hij overleg (kunnen) voeren met personen die werkzaam zijn bij de politie Enschede. Door de toegangsontzegging is hij daarin belemmerd. De gemeente Enschede heeft naar aanleiding van het besluit en het daarover gevoerde vooroverleg aanleiding gezien om hem vrij te stellen van werk, wat feitelijk betekende dat hij permanent thuis kwam te zitten met aanzienlijke inkomens- en reputatieschade tot gevolg. Daarnaast is zijn arbeidsovereenkomst met de gemeente geëindigd.



4.2.

[eiser] betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan stalking, belaging en/of andere ongewenste omgangsvormen en dat zijn gedrag tot onveiligheid van de werkomgeving heeft geleid of zou kunnen leiden. [eiser] stelt dat hij geen kennis heeft van de inhoud en strekking van de vier gestelde ontvangen meldingen waarop de politie haar besluit baseert. Hij voert aan dat hij niet meer weet dan dat er bij de politie in Enschede één vrouwelijk ex-collega werkzaam is met wie hij destijds gedurende enige tijd via WhatsApp ‘flirterig’ contact had, waarna zij dit contact op enig moment verbrak en hierover een klacht tegen hem heeft ingediend. Volgens hem is het besluit gebaseerd op onbewezen en onterechte aannames. [eiser] verwijt de politie dat zij de rapporten van de verhoren met de vrouwelijke politieagenten, met een beroep op hun privacy, niet in het geding heeft gebracht.



4.3.
De politie stelt dat zij niet wist dat [eiser] na zijn vertrek bij de politie niet zoals hij van plan was in het onderwijs is blijven werken, maar BOA bij de NS en later bij de gemeente Enschede was geworden. De politie hoorde daar pas van toen er meldingen kwamen over de aanwezigheid van [eiser] op het politiebureau en duidelijk werd dat tenminste één van de meldsters zich daardoor niet veilig voelde op de werkvloer. Daarnaast gaven verschillende andere politiemedewerkers ook aan geen veilig gevoel dan wel een gevoel van onbegrip te hebben bij de aanwezigheid van [eiser]. Tijdens de mondelinge behandeling heeft teamleider [naam 3] in dit verband betoogd dat hij [eiser] niet kende, maar dat hij kort voor september 2025 te maken kreeg met een medewerkster die geheel van streek was en dat hij meerdere reacties kreeg met de strekking dat het ongepast was dat [eiser] weer op het politiebureau rondliep.



4.4.

De politie heeft haar besluit genomen tegen de achtergrond van grensoverschrijdend gedrag van [eiser] tijdens zijn eerdere dienstverband met de politie. Uit het disciplinair onderzoek door de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) blijkt volgens de politie dat [eiser] meerdere vrouwen heeft benaderd met ongepaste en ongewenste seksueel getinte opmerkingen en voorstellen, waardoor deze vrouwen zich onprettig en onveilig voelden op de werkvloer. Toen [eiser] als BOA verscheen in de werkruimtes van de politie, riep dat weerstand en gevoelens van onveiligheid op. Het belang van de politie is daarom, zo stelt zij, gelegen in de bescherming van politiemedewerkers tegen het gevoel van onveiligheid op de werkvloer en daarmee ook in de bescherming van het primaire politieproces.
Volgens de politie is tegenover haar grote belang om aan de politiemedewerkers een veilige en vertrouwde werkomgeving in het politiebureau te kunnen bieden het belang van [eiser] beperkt. Hij kan immers zijn werk als BOA ook doen zonder in de werkruimtes van het politiebureau te komen.




4.5.
De rechtbank stelt voorop dat de politie eigenaar is van het politiebureau aan de Hermandad 2 te Enschede. Uitgangspunt is dat het de politie als eigenaar op grond van artikel 5:1 lid 2 BW vrij staat met uitsluiting van eenieder van de zaak gebruik te maken, mits dit gebruik niet strijdt met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen. Daarbij mag de politie op grond van artikel 3:13 BW geen misbruik van haar bevoegdheid maken. Ook mag zij overeenkomstig artikel 3:14 BW haar bevoegdheid niet uitoefenen in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht en dient zij als overheidsorgaan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Bovendien mag de politie geen gebruik maken van haar privaatrechtelijke bevoegdheid als dat een publiekrechtelijke regeling op onaanvaardbare wijze zou doorkruisen.



4.6.

Voor de beoordeling zijn van belang het ‘Uitvoeringskader fysieke toegang politie’ van 12 oktober 2023 (hierna ook: Uitvoeringskader) en het ‘Addendum toekennen toegangsrechten en toegangspas aan BOA’s’ bij het Uitvoeringskader (hierna: Addendum), waarin de politie haar toegangsbeleid voor intern gebruik heeft vastgelegd.
In het Uitvoeringskader is voor zover van belang opgenomen:

Doel is het realiseren van een uniform landelijk proces voor toegangsverlening. Daarbij spelen twee elementen een rol:



1. Toegang moet veilig zijn. De politie beschermt in zijn gebouwen de aanwezige Te Beschermen Belangen (TBB);


2. Toegang moet flexibel werken en samenwerken faciliteren en stimuleren.



De politie ontwikkelt zich in hoog tempo naar een netwerkorganisatie, die intensief wil kunnen samenwerken met partnerorganisaties in de veiligheidsketen. Voor een effectieve en efficiënte samenwerking kan het nodig zijn deze partners zelfstandig toegang te geven tot het algemene werkgebied in de politiegebouwen of zelfs tot bijzondere zones en/of ruimtes in die gebouwen. Dit geldt bijvoorbeeld voor Bijzondere Opsporings Ambtenarens (BOA’s). (…)


Te voorkomen risico’s


Met het Uitvoeringskader Fysieke Toegang moet worden voorkomen dat in een politiegebouw aanwezige TBB worden geschaad. Bijvoorbeeld gaat het om het voorkomen dat:


• Personen of politieonderzoeken in gevaar worden gebracht;


• Het primaire proces wordt verstoord of belemmerd;


• (…)




In het Addendum staat voor zover van belang:

Welke BOA’s betreft het: BOA’s in dienst van een gemeente, geen voorwaarde aan frequentie van aanwezigheid op politielocatie


(…) Vanuit de portefeuille BOA/Korpscheftaken is laagdrempelige toegang tot de politiegebouwen en -locaties voor BOA’s een wezenlijk uitgangspunt. Een zo vrij mogelijke toegang tot de politiegebouwen en -locaties is een middel om te komen tot een goede samenwerking. De ervaring leert dat, waar het contact laagdrempelig is, er een betere samenwerking ontstaat. Bij elkaar over de vloer komen is daarbij passend. Een spontaan bezoek aan een politiebureau of -locatie tijdens een BOA surveillance, voor het drinken van een kop koffie het opwarmen van een koud lijf hoort daarbij. (…)


Het proces rond fysieke toegangsbeveiliging (…) aan BOA’s vraagt kortom om maatwerk. (…) Met maatwerk moet bereikt worden dat:


• BOA’s toegang krijgen tot politiegebouwen of -locaties, zodat zij uitvoering kunnen geven aan samenwerking met de politie en de aan hen daarin toebedeelde zaken;


• Steeds wordt gewogen of het verlenen van toegangsrechten aan de BOA valt te verenigen met de Te Beschermen Belangen van de politie. Zowel de werkgever van de BOA (de gemeente) als de verantwoordelijken namens de politie, dragen hier verantwoordelijkheid voor en zien hier op toe.


(…)


Procedure voor toekennen van de landelijke politie toegangspas en toegangsrechten aan BOA’s


(…) De gebouwbeheerder/-eigenaar van het politiegebouw of -locatie (meestal een Teamchef of Districtschef), waartoe de BOA toegang dient te verkrijgen, beslist (…) en (…) dient de veiligheidsrisico’s voor de Te Beschermen Belangen van de politie af te wegen tegen het belang van de samenwerking. (…)





4.7.
Of de politie als eigenaar van het politiebureau tot haar besluit heeft kunnen komen, moet worden beoordeeld aan de hand van een afweging van het belang van [eiser] tot toegang op het politiebureau en het belang van de politie. Uit Uitvoeringskader en Addendum is af te leiden dat de politie grote waarde hecht aan een goede samenwerking tussen de politie en BOA’s en dat laagdrempelige toegang van BOA’s tot de politiegebouwen een wezenlijk uitgangspunt is. Er zal voor de politie dus een zwaarwegend belang moeten zijn om een individuele BOA toegang tot onderdelen van het politiebureau te kunnen ontzeggen.



4.8.
Dat zwaarwegende belang is naar het oordeel van de rechtbank aanwezig. Politiemensen worden in hun werk ‘buiten’ vaak blootgesteld aan onveilige situaties. Daarom is het voor politiemensen nog meer dan voor andere werknemers van groot belang dat zij zich ‘binnen’ op de werkvloer in het politiebureau veilig en beschermd voelen. Tegen deze achtergrond moest teamleider [naam 3] in verband met zijn zorgplicht als werkgever de meldingen dat mensen onveiligheid bij en weerstand tegen de aanwezigheid van [eiser] voelden serieus nemen en ernaar handelen. De rechtbank heeft er begrip voor dat [naam 3] heeft besloten dat belang te laten prevaleren boven het belang van [eiser] om in de werkruimten aanwezig te zijn. Dat is temeer begrijpelijk omdat het besluit het [eiser] niet onmogelijk maakte zijn werk als BOA te verrichten. Immers, [eiser] kon nog steeds in het politiebureau overleg hebben met politiemensen, alleen niet meer in de werkruimten maar wel in het voor het publiek toegankelijke deel van het politiebureau en andere organisatieonderdelen van de politie.



4.9.

Weliswaar heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat briefings tot een praktisch probleem leiden, omdat hij niet meer aanwezig kan zijn in de briefingsruimtes, maar [naam 3] heeft onweersproken aangevoerd dat ook dit in de praktijk opgelost had kunnen worden.
Dat het toegangsverbod er niet aan in de weg staat om uitvoering te geven aan de werkzaamheden van [eiser] als BOA van de gemeente Enschede ziet de rechtbank bevestigd in de brief van 25 september 2025 van de raadsvrouw van [eiser] aan [naam 1]: ‘Hoewel cliënt nog steeds van mening is dat er geen gegronde reden is om hem de toegang tot het politiebureau Enschede en/of bepaalde ruimtes daarvan te ontzeggen, is hij eveneens van mening dat een eventuele ontzegging er niet aan in de weg staat om zijn werkzaamheden als Senior buitengewoon opsporingsambtenaar uit te kunnen voeren.’.




4.10.
Aan het voorgaande doet niet af dat in het verslag van 8 september 2025 is opgenomen dat het voornemen om [eiser] de toegang tot de werkvloer van het Basisteam Enschede te ontzeggen direct zal leiden tot een onwerkbare situatie in de functie als BOA. [eiser] en [naam 3] hebben tijdens de zitting verklaard dat zij dit niet hebben gezegd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [naam 1], die het verslag heeft gemaakt, verantwoordelijk is voor deze passage. Dat de gemeente Enschede kennelijk van mening is dat het besluit tot een onwerkbare situatie leidt voor [eiser] in de functie van (senior) BOA en zij daar consequenties aan heeft verbonden, kan de politie niet worden aangerekend, zoals de politie ook geen verantwoordelijkheid draagt voor de aard van deze consequenties.



4.11.
Dat aan de ontslagname van [eiser] in 2023 door de politie de kwalificatie eervol is gegeven, legt geen gewicht in de schaal, omdat de politie rechtspositioneel geen andere keuze had dan deze kwalificatie.



4.12.

De rechtbank oordeelt dus dat de politie met het besluit tot een acceptabele oplossing is gekomen, waarin [eiser] zijn werk zou kunnen blijven zonder dat haar personeel veel last zou hebben van gevoelens van weerstand en onveiligheid.
Dat de politie, zoals [eiser] stelt, het besluit heeft genomen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir, omdat het eigenlijke doel van het besluit was om hem achteraf alsnog te ‘straffen’ voor zijn vermeende grensoverschrijdend gedrag uit het verleden is niet aannemelijk gemaakt. Ook is niet gebleken dat een voor [eiser] minder ingrijpend alternatief aanwezig was.




4.13.
De rechtbank komt voorts tot het oordeel dat de politie niet heeft gehandeld in strijd met enig (ander) beginsel van behoorlijk bestuur. De in dit verband door [eiser] geponeerde stelling dat de politie al voordat [eiser] van het besluit wist en buiten [eiser] om contact heeft opgenomen met de gemeente Enschede, is door hem niet met feiten onderbouwd. Teamleider [naam 3] heeft tijdens de mondelinge behandeling juist verklaard dat [naam 1] hem heeft gebeld, omdat zij van haar eigen collega’s had gehoord dat er iets aan de hand was in de verstandhouding tussen [eiser] en de politie. Deze verklaring wordt bevestigd in het verslag van het gesprek van 8 september 2025.



4.14.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de politie aangeboden de vier schriftelijk vastgelegde verklaringen van de meldsters over te leggen. Volgens haar wordt daarin een eenduidig beeld van [eiser] geschetst en wordt zijn gedrag bevestigd door WhatsApp-berichten tussen hem en één van die vrouwelijke agenten die deel uitmaken van deze verklaringen. Daartegenover heeft [eiser] bewijs aangeboden in de vorm van geluidsopnames van zijn gesprek met zijn voormalig teamchef bij de politie de heer Lahdo. Daaruit volgt volgens hem dat geen sprake was van ernstige overlast, omdat de tweede en volgende melders minder hinder hebben ervaren dan de eerste en dat het voor één van hen ook ‘klaar was’.
De rechtbank heeft geen behoefte aan deze informatie, omdat de politie op grond van de door [naam 3] ontvangen signalen mocht ingrijpen. Nadere feitelijke inkleuring achteraf van het gedrag van [eiser] in 2023 maakt dit niet anders, nu het uiteindelijk niet gaat om dat gedrag zelf, maar om subjectieve gevoelens van weerstand en onveiligheid die het gevolg zijn van dat gedrag.




4.15.
Op één punt heeft de politie wel onrechtmatig gehandeld. Dat is de geldigheidsduur van de toegangsontzegging van maar liefst tien jaar. De rechtbank wil van de politie aannemen dat zij bedoeld heeft dat [eiser] elk jaar om evaluatie kan vragen en dat de duur afhankelijk van de uitkomst van de evaluatie al dan niet met een jaar verlengd zou worden. Maar de duur van tien jaar, met alleen heroverweging op verzoek van [eiser], is echt te lang, omdat de samenstelling van een politieteam en andere omstandigheden snel kunnen veranderen en omdat een toegangsontzegging met in de basis een duur van tien jaar niet past bij de ernst van de zaak. De rechtbank brengt de geldigheidsduur terug tot een beter passende periode van drie jaar. Deze kleine beperking van de maatregel rechtvaardigt gen toewijzing van de overige vorderingen van [eiser], zoals rectificatie en schadevergoeding.



4.16.
Nu de vorderingen in de hoofdzaak vrijwel volledig worden afgewezen heeft [eiser] geen belang meer bij de provisionele vordering in het incident omdat die slechts kan gelden voor de duur van het geding in de hoofdzaak. Deze wordt daarom ook afgewezen.



4.17.

[eiser] wordt nagenoeg volledig in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat partijen in de processtukken en op de zitting geen bijzondere aandacht aan de incidentele vordering hebben besteed, kent de rechtbank in het incident geen vergoeding van salaris advocaat toe, zodat er in het incident geen te vergoeden proceskosten zijn aan de kant van de politie. De proceskosten van de politie in de hoofdzaak worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00)
- nakosten € 189,00 (plus € 98,00 verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 2.230,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






5De beslissing


De rechtbank



in het incident


5.1.
wijst de vordering van [eiser] af,


in de hoofdzaak



5.2.
verklaart voor recht dat de ontzegging van de toegang tot de werkruimtes van de politie in Enschede, aan [eiser] opgelegd bij brief van 15 september 2025, onrechtmatig is voor zover de geldigheidsduur langer is dan drie jaar,


5.3.
wijst de overige vorderingen van [eiser] af,


5.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,


5.5.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,


5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.