Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5647

2026-09-09 Civiel recht C/08/351203 / JE RK 26-1449
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-24
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/08/351203 / JE RK 26-1449
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige OTS. Moeder en kind in Moeder-Kind-Centrum.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.750 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Familie- en Jeugdrecht



Zaaknummer: C/08/351203 / JE RK 26-1449
Datum uitspraak: 9 september 2026




Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling




in de zaak van




Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen de raad,
gevestigd te Zwolle,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
bijgestaan door haar advocaat mr. V.K.S. Deetman,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2].





1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 september 2026.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 september 2026. Daarbij waren aanwezig:


moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. V.K.S. Deetman (via een online verbinding);


vader;



[naam 1] en [naam 2] vanuit de raad,



[naam 3] en [naam 4] van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: WSS).







2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].



2.2.

[minderjarige] woont bij zijn moeder. Sinds 27 juli 2026 verblijven moeder en [minderjarige] in het Moeder- en Kindcentrum (MKC) te [plaats].





3Het verzoek


3.1.
De raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. De raad heeft dit verzoek in eerste instantie mondeling gedaan op 3 september 2026, waarna het verzoek door de rechtbank voor versnelde behandeling op de zitting van 9 september 2026 gepland is.





4De standpunten


4.1.
De raad licht toe dat in het vrijwillig kader afspraken zijn gemaakt met moeder die eigenlijk niet passend zijn voor het vrijwillig kader. Er is een verplicht kader nodig om verdere regie te kunnen voeren en de raad sluit niet uit dat een machtiging tot uithuisplaatsing nodig zal zijn. De raad geeft moeder nu het voordeel van de twijfel omdat de raad ziet dat de band tussen [minderjarige] en moeder goed is en er geen directe zorgen zijn over de hechting tussen hen. De ondertoezichtstelling is nodig om de veiligheid van [minderjarige] te kunnen waarborgen, omdat moeder zich niet aan afspraken heeft gehouden en daardoor [minderjarige] in onveilige situaties heeft gebracht. Ook is een onderzoek nodig naar de opvoedvaardigheden van moeder. Het MKC en het CJG vinden, met de WSS, een machtiging uithuisplaatsing nodig. De raad vindt dat nu nog te vroeg.



4.2.
Moeder vindt de vele zorgmeldingen niet op zijn plaats. Ze heeft niet veel hulp nodig om met [minderjarige] goed de dag door te komen en ze neemt alle adviezen ter harte. Moeder wil zich aan de afspraken houden bij het MKC en anders terug naar haar moeder om daar te wonen met [minderjarige]. Uiteindelijk wil moeder dat [minderjarige] bij haar opgroeit en dat zij een eigen plekje krijgt om te wonen. Het vrijwillig kader is voldoende wat moeder betreft; er is namelijk geen sprake van een ontwikkelingsdreiging of een ernstig vermoeden daarvan.



4.3.
Vader zegt bereid te zijn om afstand te nemen van moeder en [minderjarige] als dat nodig is, maar ook haar (financieel) te willen helpen. Hij vindt dat moeder het heel knap doet, zo ver van huis en van haar moeder en vriendinnen. Moeder zorgt goed voor [minderjarige] en kan daar misschien wat begeleiding bij gebruiken.



4.4.
De WSS vindt dat de veiligheid van [minderjarige] niet voldoende gewaarborgd met enkel de voorlopige ondertoezichtstelling. Een machtiging uithuisplaatsing is volgens de WSS ook noodzakelijk in het belang van [minderjarige].





5De beoordeling


5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.2.
De ouders hebben diverse (fysieke) conflicten met elkaar en anderen gehad in het bijzijn van [minderjarige]. Ook op deze jonge leeftijd kunnen kinderen veel last hebben van ruzies en spanningen om hen heen. Dit kan van negatieve invloed zijn op de ontwikkeling van een kind. Moeder heeft [minderjarige] bovendien diverse keren in onveilige situaties gebracht, bijvoorbeeld door bij vader in de auto te stappen tegen de veiligheidsafspraken met het MKC in. Vader heeft drie positieve drugstesten laten zien en toch bleef moeder hem opzoeken. Ook hebben de ouders [minderjarige] achtergelaten bij een niet betrouwbaar netwerk, zoals bij een vriendin van vader die bekend staat als harddrugsgebruiker. Moeder heeft bij het MKC veel ondersteuning bij de verzorging van [minderjarige] nodig Er zijn zorgen over de leerbaarheid van moeder en of zij voldoende in staat is om zelfstandig te zorgen voor [minderjarige]. Moeder is ver van huis en er komt veel op haar af. Haar verblijf bij het MKC komt wegens het feit dat moeder zich niet gehouden heeft aan de veiligheidsafspraken binnenkort tot een einde. Bij de GI komt nu de regie te liggen om te kijken wat nodig is en waar moeder met [minderjarige] naar toe kan. Het is voor moeder echt nodig dat zij zich aan de afspraken met de GI houdt want er staat veel op het spel.



5.3.
Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden.


5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 9 september 2026 tot 9 december 2026.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026 door mr. D.E. Schaap, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Dorresteijn als griffier, en op schrift gesteld op 23 september 2026.

























Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.




Artikel 1:257 BW.


Artikel 2 Besluit gezagsregisters.


Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).