Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5638
2026-09-22
Civiel recht
12193499 \ CV EXPL 26-599
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Incidenten niet-ontvankelijkheid en vrijwaring.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.754 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12193499 \ CV EXPL 26-599
Vonnis in incident van 22 september 2026
in de zaak van
VERENIGING VAN EIGENAARS KIJK DUIN TE ALMERE POORT,
gevestigd te Almere,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: mr. S. Rida,
tegen
[partij A] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. C.C. Rooseboom.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de incidentele conclusie tot niet ontvankelijkheid en oproeping in vrijwaring
- de conclusie van antwoord in de incidenten.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.
2Het geschil in de hoofdzaak
2.1.
In de hoofdzaak is, samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende aan de hand.
2.2.
Tussen partijen is op 10 oktober 2018 een aannemingsovereenkomst gesloten (hierna te noemen: de overeenkomst) ten aanzien van het gebouw aan de [adres 1] (hierna: het gebouw). Daarop zijn de algemene voorwaarden voor de aannemingsovereenkomst voor appartementsrechten 2016 (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. Voor zover van belang is daarin in artikel 15 het volgende opgenomen:
Onverminderd zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 14 lid 1 van deze Algemene Voorwaarden garandeert de Ondernemer rechtstreeks ingevolge deze Algemene Voorwaarden het gebouw casu quo de privé-gedeelten gedurende zes (6) maanden na de datum van oplevering tegen daarin aan de dag getreden tekortkomingen. (…)
Na de in het eerste lid van dit artikel genoemde periode is de Ondernemer niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen aan het gebouw c.q. de privé-gedeelten, (…)
b. tenzij het gebouw casu quo het privé-gedeelte of enig onderdeel daarvan een ernstig gebrek heeft;(…)
c. tenzij het gebouw casu quo het privé-gedeelte op enig onderdeel daarvan een verborgen gebrek bevat en aan de Ondernemer van zodanig verborgen gebrek binnen ene redelijke periode na de ontdekking mededeling is gedaan; (…)
3. Een gebrek is slechts als ernstig gebrek als bedoeld in lid 2 van dit artikel onder b. aan te merken, indien het de hechtheid van de constructie of een wezenlijk onderdeel daarvan aantast of in gevaar brengt, hetzij het gebouw casu quo het privé-gedeelte ongeschikt maakt voor haar bestemming. (…)
5. De rechtsvordering uit hoofde van een ernstig gebrek is niet ontvankelijk, indien zij wordt ingesteld na verloop van twintig (20) jaren na de in het eerste lid van dit artikel genoemde periode.
6. De rechtsvordering uit hoofde van een verborgen gebrek is niet ontvankelijk, indien zij wordt ingesteld na verloop van vijf (5) jaren na de in het eerste lid van dit artikel genoemde periode, onverminderd het bepaalde in lid 5 van dit artikel.
2.3.
De VvE vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op straffe van dwangsommen [partij A] te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst in de vorm van herstel van:
1. de verkleurde gevelpanelen aan de balkons van het gebouw conform de eisen van goed en deugdelijk werk, door vervanging van alle verkleurde panelen,
2. het dakveiligheidssysteem van het gebouw door het aanbrengen van een aanhaakpunt voor valbeveiliging binnen handbereik van het dakluik, conform het advies van TOP Expertise in haar rapport,
met veroordeling van [partij A] in de kosten van het geding.
3Het geschil in de incidenten
Incident I: niet ontvankelijkheid
3.1.
[partij A] vordert uitvoerbaar bij voorraad:
de VvE niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen wegens het indienen van de dagvaarding na het verstrijken van de vervaltermijn als bedoeld in artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden,
voor zover de kantonrechter ten aanzien van het dakveiligheidssysteem nadere beoordeling noodzakelijk acht, in ieder geval te oordelen dat de vordering betreffende de gevelbekleding (sub a) niet ontvankelijk is wegens verval van recht ex artikel 15 lid 6 algemene voorwaarden,
met veroordeling van de VvE in de kosten van dit incident.
3.2.
[partij A] legt aan haar vordering ten grondslag dat de vorderingen niet ontvankelijk zijn op grond van artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden omdat deze is ingesteld na verloop van 5,5 jaar na oplevering. Het gebouw is opgeleverd op 10 juni 2020 en de dagvaarding dateert van 10 april 2026 zodat het recht om een vordering in te stellen is vervallen.
3.3.
De VvE voert verweer en concludeert tot afwijzing van deze incidentele vordering van [partij A]. De VvE legt hieraan het volgende ten grondslag.
De balkons van het gebouw zijn tijdens de bouw voorzien van gelijmde steenstrips als gevelbekleding. Vanwege lijmfalen zijn op 6 juni 2022 steenstrips van de balkons losgeraakt en naar beneden gevallen. Ter herstel van het oorspronkelijke gebrek zijn alles steenstrips op alle balkons vervangen door volledig nieuwe Inpakt-gevelpanelen met een Allshield coating. Het herstelwerk is op 20 oktober 2023 afgerond.
Ten aanzien van de verkleurde gevelpanelen is sprake van een nieuw en zelfstandig gebrek dat geen verband houdt met het oorspronkelijke gebrek (loslatende steenstrips).
De verkleuring is een materiaalgebrek in de vervangende panelen die zijn gebruikt bij de uitvoering van het herstelwerk veroorzaakt door een gebrekkige coating of ontbrekende impregnering. Ten aanzien van dit herstelwerk is bij de voltooiing ervan op 20 oktober 2023 een nieuwe vervaltermijn gaan lopen en daarom is de vordering tijdig ingediend.
Ten aanzien van de verkleuring van de gevelpanelen en het dakveiligheidssysteem stelt de VvE zich (tevens) op het standpunt dat sprake is van een ernstig gebrek als bedoeld in artikel 15 lid 2 en 3 van de algemene voorwaarden waarvoor volgens lid 5 van voormeld artikel een vervaltermijn van twintig jaar geldt, zodat ook daarom de vordering tijdig is ingediend. Meer subsidiair stelt de VvE dat als uitgegaan dient te worden van de oorspronkelijke opleveringsdatum van 10 juni 2020 de vervaltermijn is opgeschort op grond van artikel 15 lid 7 van de algemene voorwaarden.
Incident II: oproeping in vrijwaring
3.4.
[partij A] vordert dat de kantonrechter haar toestaat om in vrijwaring op te roepen:
[bedrijf] B.V., gevestigd te [adres 2] (voorheen [bedrijf], hierna: [bedrijf]),
AllShield Coatings B.V., gevestigd te 3047 AH Rotterdam aan de Innsbruckweg 150 (hierna: AllShield),
met compensatie van de kosten van dit incident, althans met aanhouding van de beslissing omtrent de kosten tot het eindvonnis in de hoofdzaak.
3.5.
[partij A] legt daaraan samengevat het volgende ten grondslag.
[bedrijf] heeft in opdracht en voor rekening van [partij A] als onderaannemer de herstelwerkzaamheden aan de gevelbekleding uitgevoerd bestaande uit de vervanging van de losgeraakte steenstrips door nieuwe INpakt-gevelpanelen. Indien en voorzover [partij A] in de hoofdzaak aansprakelijk wordt gehouden voor deze verkleuring vloeit uit artikel 7:751 BW en de toepasselijke onderaannemingsovereenkomst voort dat [bedrijf] jegens [partij A] aansprakelijk is voor tekortkomingen in de uitvoering van het door haar aangenomen werk, waaronder begrepen tekortkomingen van door haar ingeschakelde derden.
Allshield heeft de coating aangebracht op de vervangende INpakt-gevelpanelen. Zij heeft daarvoor een garantieverklaring afgegeven inhoudende een fabrieksgarantie van tien jaar op de kleurechtheid van de panelen, alsmede 100% productgarantie voor de duur van vijf jaar gerekend vanaf het moment van installatie. Allshield heeft volgens [partij A] in haar mail van 9 juli 2024 erkend dat op één van de panelen een duidelijke kleurafwijking zichtbaar was met een gelige ondertoon en zij heeft volgens haar aangegeven dat dit mogelijk het gevolg is van een onjuiste coating of een ontbrekende impregnering. Daarmee heeft Allshield de mogelijke gebrekkige uitvoering van haar eigen werkzaamheden volgens [partij A] ook erkend. Indien en voorzover [partij A] in de hoofdzaak aansprakelijk wordt gehouden voor de verkleuring van de gevelpanelen heeft zij verhaal op Allshield wegens schending van de door haar afgegeven garantie, wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming als leverancier, uitvoerder van de coating en als onderaannemer, althans uit onrechtmatige daad danwel op grond van derdenwerking van de garantie, aldus [partij A].
3.6.
De VvE heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. Zij heeft geen bezwaar tegen oproeping van deze partijen in vrijwaring.
3.7.
De beoordeling in de incidenten
Incident I: niet ontvankelijkheid
3.8.
Als meest verstrekkende verweer voert de VvE aan dat dit incident zich niet leent voor voorafgaande beslissing, omdat de vragen die de kantonrechter moet beantwoorden geen zuiver formele vragen zijn maar een inhoudelijke beoordeling vergen. Dit verweer slaagt. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
3.9.
Volgens [partij A] heeft de VvE gesteld dat het gebouw is opgeleverd op 10 juni 2020. De vervaltermijn van 15 lid 6 van de algemene voorwaarden is volgens [partij A] 5,5 jaar te rekenen vanaf de datum van de oplevering van het gebouw en de dagvaarding dateert van 10 april 2026. [partij A] voert aan dat uit de door de VvE zelf gestelde data volgt dat de vordering op grond van artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden te laat is ingesteld. Volgens [partij A] heeft de VvE noch voor haar standpunt dat de verkleuring een nieuw zelfstandig gebrek is met een nieuwe aanvangsdatum van 20 oktober 2023 noch dat de verkleuring en het dakveiligheidssysteem als een ernstig gebrek kwalificeren de benodigde feiten gesteld. [partij A] stelt dat de VvE niet voldaan heeft aan haar stelplicht. Bovendien kan volgens haar zonder inhoudelijke beoordeling worden vastgesteld dat sprake is van evident onjuiste standpunten.
3.10.
In dit standpunt wordt [partij A] niet gevolgd. Een incidentele vordering kan slechts worden ingesteld indien de vordering een processuele aangelegenheid aan de orde stelt die kan worden beoordeeld zonder dat de rechter daarbij aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil toekomt. Daarvan is geen sprake. De VvE heeft onderbouwd en onder verwijzing naar jurisprudentie gesteld dat ten aanzien van het herstelwerk een nieuwe vervaltermijn is gaan lopen. Ten aanzien van de twintigjarige termijn van 15 lid 3 van de algemene voorwaarden heeft de VvE onderbouwd en onder meer onder verwijzing naar een rapport van TOP Expertise gesteld dat sprake is van een gebrek in de zin van dit artikel. De door [partij A] gevorderde niet ontvankelijkheid vergt daarom een inhoudelijke beoordeling waarvoor dit incident zich niet leent. Deze beoordeling zal dienen plaats te vinden in de hoofdzaak. De kantonrechter zal daarom de incidentele vordering in I afwijzen.
3.11.
[partij A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van dit incident betalen. De proceskosten van VvE worden begroot op € 432,00 (€ 288,00 aan salaris gemachtigde (1 punt × € 288,00) en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
3.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Incident II: oproeping in vrijwaring
3.13.
De incidentele conclusie tot vrijwaring is tijdig genomen en de VvE heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. Voldoende is dat gedaagde genoegzaam stelt dat tussen hem en een derde een rechtsverhouding bestaat krachtens welke een derde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk te dragen. De kantonrechter is van oordeel dat de aangevoerde en niet weersproken gronden de gevorderde oproeping in vrijwaring kunnen dragen. Deze incidentele vordering wordt daarom toegewezen.
3.14.
Nu geen van partijen in dit incident als de in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd zal de kantonrechter de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4Verdere verloop van de procedure in de hoofdzaak
4.1.
De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rol van 20 oktober 2026 voor conclusie van antwoord.
4.2.
De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.
5De beslissing
De kantonrechter
in de incidenten
Incident I: niet ontvankelijkheid
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
Incident II: oproeping in vrijwaring
5.5.
staat toe dat [bedrijf] B.V., gevestigd te [adres 2] en AllShield Coatings B.V., gevestigd te 3047 AH Rotterdam aan de Innsbruckweg 150 door [partij A] worden gedagvaard tegen de rolzitting van 20 oktober 2026,
5.6.
compenseert de kosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
5.7.
verwijst de zaak naar de rol van 20 oktober 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [partij A],
5.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12193499 \ CV EXPL 26-599
Vonnis in incident van 22 september 2026
in de zaak van
VERENIGING VAN EIGENAARS KIJK DUIN TE ALMERE POORT,
gevestigd te Almere,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: mr. S. Rida,
tegen
[partij A] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. C.C. Rooseboom.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de incidentele conclusie tot niet ontvankelijkheid en oproeping in vrijwaring
- de conclusie van antwoord in de incidenten.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.
2Het geschil in de hoofdzaak
2.1.
In de hoofdzaak is, samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende aan de hand.
2.2.
Tussen partijen is op 10 oktober 2018 een aannemingsovereenkomst gesloten (hierna te noemen: de overeenkomst) ten aanzien van het gebouw aan de [adres 1] (hierna: het gebouw). Daarop zijn de algemene voorwaarden voor de aannemingsovereenkomst voor appartementsrechten 2016 (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. Voor zover van belang is daarin in artikel 15 het volgende opgenomen:
Onverminderd zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 14 lid 1 van deze Algemene Voorwaarden garandeert de Ondernemer rechtstreeks ingevolge deze Algemene Voorwaarden het gebouw casu quo de privé-gedeelten gedurende zes (6) maanden na de datum van oplevering tegen daarin aan de dag getreden tekortkomingen. (…)
Na de in het eerste lid van dit artikel genoemde periode is de Ondernemer niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen aan het gebouw c.q. de privé-gedeelten, (…)
b. tenzij het gebouw casu quo het privé-gedeelte of enig onderdeel daarvan een ernstig gebrek heeft;(…)
c. tenzij het gebouw casu quo het privé-gedeelte op enig onderdeel daarvan een verborgen gebrek bevat en aan de Ondernemer van zodanig verborgen gebrek binnen ene redelijke periode na de ontdekking mededeling is gedaan; (…)
3. Een gebrek is slechts als ernstig gebrek als bedoeld in lid 2 van dit artikel onder b. aan te merken, indien het de hechtheid van de constructie of een wezenlijk onderdeel daarvan aantast of in gevaar brengt, hetzij het gebouw casu quo het privé-gedeelte ongeschikt maakt voor haar bestemming. (…)
5. De rechtsvordering uit hoofde van een ernstig gebrek is niet ontvankelijk, indien zij wordt ingesteld na verloop van twintig (20) jaren na de in het eerste lid van dit artikel genoemde periode.
6. De rechtsvordering uit hoofde van een verborgen gebrek is niet ontvankelijk, indien zij wordt ingesteld na verloop van vijf (5) jaren na de in het eerste lid van dit artikel genoemde periode, onverminderd het bepaalde in lid 5 van dit artikel.
2.3.
De VvE vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op straffe van dwangsommen [partij A] te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst in de vorm van herstel van:
1. de verkleurde gevelpanelen aan de balkons van het gebouw conform de eisen van goed en deugdelijk werk, door vervanging van alle verkleurde panelen,
2. het dakveiligheidssysteem van het gebouw door het aanbrengen van een aanhaakpunt voor valbeveiliging binnen handbereik van het dakluik, conform het advies van TOP Expertise in haar rapport,
met veroordeling van [partij A] in de kosten van het geding.
3Het geschil in de incidenten
Incident I: niet ontvankelijkheid
3.1.
[partij A] vordert uitvoerbaar bij voorraad:
de VvE niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen wegens het indienen van de dagvaarding na het verstrijken van de vervaltermijn als bedoeld in artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden,
voor zover de kantonrechter ten aanzien van het dakveiligheidssysteem nadere beoordeling noodzakelijk acht, in ieder geval te oordelen dat de vordering betreffende de gevelbekleding (sub a) niet ontvankelijk is wegens verval van recht ex artikel 15 lid 6 algemene voorwaarden,
met veroordeling van de VvE in de kosten van dit incident.
3.2.
[partij A] legt aan haar vordering ten grondslag dat de vorderingen niet ontvankelijk zijn op grond van artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden omdat deze is ingesteld na verloop van 5,5 jaar na oplevering. Het gebouw is opgeleverd op 10 juni 2020 en de dagvaarding dateert van 10 april 2026 zodat het recht om een vordering in te stellen is vervallen.
3.3.
De VvE voert verweer en concludeert tot afwijzing van deze incidentele vordering van [partij A]. De VvE legt hieraan het volgende ten grondslag.
De balkons van het gebouw zijn tijdens de bouw voorzien van gelijmde steenstrips als gevelbekleding. Vanwege lijmfalen zijn op 6 juni 2022 steenstrips van de balkons losgeraakt en naar beneden gevallen. Ter herstel van het oorspronkelijke gebrek zijn alles steenstrips op alle balkons vervangen door volledig nieuwe Inpakt-gevelpanelen met een Allshield coating. Het herstelwerk is op 20 oktober 2023 afgerond.
Ten aanzien van de verkleurde gevelpanelen is sprake van een nieuw en zelfstandig gebrek dat geen verband houdt met het oorspronkelijke gebrek (loslatende steenstrips).
De verkleuring is een materiaalgebrek in de vervangende panelen die zijn gebruikt bij de uitvoering van het herstelwerk veroorzaakt door een gebrekkige coating of ontbrekende impregnering. Ten aanzien van dit herstelwerk is bij de voltooiing ervan op 20 oktober 2023 een nieuwe vervaltermijn gaan lopen en daarom is de vordering tijdig ingediend.
Ten aanzien van de verkleuring van de gevelpanelen en het dakveiligheidssysteem stelt de VvE zich (tevens) op het standpunt dat sprake is van een ernstig gebrek als bedoeld in artikel 15 lid 2 en 3 van de algemene voorwaarden waarvoor volgens lid 5 van voormeld artikel een vervaltermijn van twintig jaar geldt, zodat ook daarom de vordering tijdig is ingediend. Meer subsidiair stelt de VvE dat als uitgegaan dient te worden van de oorspronkelijke opleveringsdatum van 10 juni 2020 de vervaltermijn is opgeschort op grond van artikel 15 lid 7 van de algemene voorwaarden.
Incident II: oproeping in vrijwaring
3.4.
[partij A] vordert dat de kantonrechter haar toestaat om in vrijwaring op te roepen:
[bedrijf] B.V., gevestigd te [adres 2] (voorheen [bedrijf], hierna: [bedrijf]),
AllShield Coatings B.V., gevestigd te 3047 AH Rotterdam aan de Innsbruckweg 150 (hierna: AllShield),
met compensatie van de kosten van dit incident, althans met aanhouding van de beslissing omtrent de kosten tot het eindvonnis in de hoofdzaak.
3.5.
[partij A] legt daaraan samengevat het volgende ten grondslag.
[bedrijf] heeft in opdracht en voor rekening van [partij A] als onderaannemer de herstelwerkzaamheden aan de gevelbekleding uitgevoerd bestaande uit de vervanging van de losgeraakte steenstrips door nieuwe INpakt-gevelpanelen. Indien en voorzover [partij A] in de hoofdzaak aansprakelijk wordt gehouden voor deze verkleuring vloeit uit artikel 7:751 BW en de toepasselijke onderaannemingsovereenkomst voort dat [bedrijf] jegens [partij A] aansprakelijk is voor tekortkomingen in de uitvoering van het door haar aangenomen werk, waaronder begrepen tekortkomingen van door haar ingeschakelde derden.
Allshield heeft de coating aangebracht op de vervangende INpakt-gevelpanelen. Zij heeft daarvoor een garantieverklaring afgegeven inhoudende een fabrieksgarantie van tien jaar op de kleurechtheid van de panelen, alsmede 100% productgarantie voor de duur van vijf jaar gerekend vanaf het moment van installatie. Allshield heeft volgens [partij A] in haar mail van 9 juli 2024 erkend dat op één van de panelen een duidelijke kleurafwijking zichtbaar was met een gelige ondertoon en zij heeft volgens haar aangegeven dat dit mogelijk het gevolg is van een onjuiste coating of een ontbrekende impregnering. Daarmee heeft Allshield de mogelijke gebrekkige uitvoering van haar eigen werkzaamheden volgens [partij A] ook erkend. Indien en voorzover [partij A] in de hoofdzaak aansprakelijk wordt gehouden voor de verkleuring van de gevelpanelen heeft zij verhaal op Allshield wegens schending van de door haar afgegeven garantie, wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming als leverancier, uitvoerder van de coating en als onderaannemer, althans uit onrechtmatige daad danwel op grond van derdenwerking van de garantie, aldus [partij A].
3.6.
De VvE heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. Zij heeft geen bezwaar tegen oproeping van deze partijen in vrijwaring.
3.7.
De beoordeling in de incidenten
Incident I: niet ontvankelijkheid
3.8.
Als meest verstrekkende verweer voert de VvE aan dat dit incident zich niet leent voor voorafgaande beslissing, omdat de vragen die de kantonrechter moet beantwoorden geen zuiver formele vragen zijn maar een inhoudelijke beoordeling vergen. Dit verweer slaagt. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
3.9.
Volgens [partij A] heeft de VvE gesteld dat het gebouw is opgeleverd op 10 juni 2020. De vervaltermijn van 15 lid 6 van de algemene voorwaarden is volgens [partij A] 5,5 jaar te rekenen vanaf de datum van de oplevering van het gebouw en de dagvaarding dateert van 10 april 2026. [partij A] voert aan dat uit de door de VvE zelf gestelde data volgt dat de vordering op grond van artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden te laat is ingesteld. Volgens [partij A] heeft de VvE noch voor haar standpunt dat de verkleuring een nieuw zelfstandig gebrek is met een nieuwe aanvangsdatum van 20 oktober 2023 noch dat de verkleuring en het dakveiligheidssysteem als een ernstig gebrek kwalificeren de benodigde feiten gesteld. [partij A] stelt dat de VvE niet voldaan heeft aan haar stelplicht. Bovendien kan volgens haar zonder inhoudelijke beoordeling worden vastgesteld dat sprake is van evident onjuiste standpunten.
3.10.
In dit standpunt wordt [partij A] niet gevolgd. Een incidentele vordering kan slechts worden ingesteld indien de vordering een processuele aangelegenheid aan de orde stelt die kan worden beoordeeld zonder dat de rechter daarbij aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil toekomt. Daarvan is geen sprake. De VvE heeft onderbouwd en onder verwijzing naar jurisprudentie gesteld dat ten aanzien van het herstelwerk een nieuwe vervaltermijn is gaan lopen. Ten aanzien van de twintigjarige termijn van 15 lid 3 van de algemene voorwaarden heeft de VvE onderbouwd en onder meer onder verwijzing naar een rapport van TOP Expertise gesteld dat sprake is van een gebrek in de zin van dit artikel. De door [partij A] gevorderde niet ontvankelijkheid vergt daarom een inhoudelijke beoordeling waarvoor dit incident zich niet leent. Deze beoordeling zal dienen plaats te vinden in de hoofdzaak. De kantonrechter zal daarom de incidentele vordering in I afwijzen.
3.11.
[partij A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van dit incident betalen. De proceskosten van VvE worden begroot op € 432,00 (€ 288,00 aan salaris gemachtigde (1 punt × € 288,00) en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
3.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Incident II: oproeping in vrijwaring
3.13.
De incidentele conclusie tot vrijwaring is tijdig genomen en de VvE heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. Voldoende is dat gedaagde genoegzaam stelt dat tussen hem en een derde een rechtsverhouding bestaat krachtens welke een derde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk te dragen. De kantonrechter is van oordeel dat de aangevoerde en niet weersproken gronden de gevorderde oproeping in vrijwaring kunnen dragen. Deze incidentele vordering wordt daarom toegewezen.
3.14.
Nu geen van partijen in dit incident als de in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd zal de kantonrechter de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4Verdere verloop van de procedure in de hoofdzaak
4.1.
De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rol van 20 oktober 2026 voor conclusie van antwoord.
4.2.
De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.
5De beslissing
De kantonrechter
in de incidenten
Incident I: niet ontvankelijkheid
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
Incident II: oproeping in vrijwaring
5.5.
staat toe dat [bedrijf] B.V., gevestigd te [adres 2] en AllShield Coatings B.V., gevestigd te 3047 AH Rotterdam aan de Innsbruckweg 150 door [partij A] worden gedagvaard tegen de rolzitting van 20 oktober 2026,
5.6.
compenseert de kosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
5.7.
verwijst de zaak naar de rol van 20 oktober 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [partij A],
5.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.