Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5628
2026-09-21
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ZWO 26/2393
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening OWNATU. Omgevingsvergunning flora- en fauna. Afgewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBOVE:2024:5278 Rechtbank Overijssel 15-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2018:2970 Raad van State 12-09-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.427 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/2393
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eisers]
, uit [woonplaats],
hierna: familie [eisers].
en
het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel,
hierna: het college,
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: gemeente Ommen,
hierna: gemeente Ommen.
(gemachtigde: [gemachtigde 3])
1Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten, die het college heeft verleend aan de gemeente Ommen. De omgevingsvergunning is verleend, omdat de gemeente Ommen aan de [adres 1] een leegstaand schoolgebouw en schuurtje wil slopen en daar op termijn een aantal nieuwe woningen wil bouwen. Daarbij bestaat het risico dat vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van verschillende beschermende diersoorten worden beschadigd of vernield en daarvoor is een omgevingsvergunning vereist. De familie [eisers] woont naast het perceel waar de activiteiten zullen plaatsvinden en is het met de vergunningverlening niet eens. Zij hebben daartegen bezwaar gemaakt. Omdat al gewerkt wordt op het perceel, hebben zij daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. In wat de familie [eisers] heeft aangevoerd en hun belangen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de omgevingsvergunning te schorsen tot de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de gemeente Ommen uitvoering mag geven aan het besluit en de noodzakelijke maatregelen kan treffen, waaronder het maaien en het verwijderen van struweel en het plaatsen van een kleinwildraster. De beslissing op bezwaar hoeft daarvoor niet te worden afgewacht.
2Inleiding: feiten en procesverloop
2.1.
Op het perceel aan de [adres 1] staat een leegstaand schoolgebouw en een schuurtje. Het perceel is in eigendom van de gemeente Ommen. De gemeente Ommen is van plan om het schoolgebouw en het schuurtje te slopen. Deze worden al geruime tijd niet meer gebruikt en er is sprake van asbest. Daarnaast wil de gemeente Ommen op den duur zeven rijwoningen en een vrijstaande woning op het perceel realiseren.
2.2.
Omdat bij de sloop en de realisatie van het bouwproject schadelijke handelingen ten aanzien van wettelijk beschermde diersoorten worden verricht, heeft de gemeente Ommen een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van de Omgevingswet aangevraagd. Er is namelijk sprake van struweel dat geschikt is als vaste rust- en voortplantingsplaats voor marterachtigen, egels en grote bosmuizen, dat deels zal worden verwijderd en het te slopen oude schuurtje is geschikt voor steenmarters en bunzings.
2.3.
Met het besluit van 11 augustus 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. De vergunning geeft toestemming voor flora- en fauna-activiteiten die samenhangen met zowel de sloop van het schoolgebouw en schuurtje als de daarop volgende realisatie van het nieuwbouwproject. De vergunning heeft betrekking op de volgende beschermde diersoorten: de wezel, hermelijn, bunzing, egel, steenmarter en grote bosmuis. De schadelijke handeling die het betreft is het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren (hierna omwille van de leesbaarheid kortweg aangeduid als het weghalen van nesten) (artikel 11.54, eerste lid, onder b van het besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal)).
2.4.
Ter zitting heeft de gemeente Ommen naar voren gebracht dat voor de realisatie van het bouwproject eerst nog een besluit tot wijziging van het omgevingsplan moet worden genomen, dat het ontwerpbesluit daarvoor op dit moment nog in voorbereiding is en dat onduidelijk is op welk moment dit ter inzage zal worden gelegd. Het is daarmee nog onbekend of, hoe en wanneer het voorgenomen bouwproject op het perceel gerealiseerd zal worden.
2.5.
De familie [eisers] woont naast het perceel waarop de sloop plaats zal vinden en het bouwproject gerealiseerd moet worden, op het adres aan de [adres 2]. De familie [eisers] is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en heeft daarom bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 augustus 2026.
2.6.
Omdat er al werkzaamheden plaatsvinden op het perceel van de gemeente Ommen, heeft de familie [eisers] de voorzieningenrechter op 31 augustus 2026 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de familie [eisers], de gemachtigden van het college en de gemachtigde van gemeente Ommen, bijgestaan door [naam], ecoloog.
3Beoordeling door de voorzieningenrechter
3.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Het beoordelingskader
3.2.
Als tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.3.
De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of sprake is van onverwijlde spoed. Daarna verricht de voorzieningenrechter aan de hand van wat door familie [eisers] is aangevoerd een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het onderliggende besluit en daarmee van de kans van slagen van het bezwaarschrift en weegt zij de belangen van de partijen bij een schorsing. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van de familie [eisers] bij een schorsing.
3.4.
De omgevingsvergunning waar het nu om gaat, geeft uitsluitend toestemming voor het weghalen van (mogelijk aanwezige) nesten, dus dat is wat in deze uitspraak voor ligt. Bij die beoordeling is met name artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van belang, waarin staat dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit alleen wordt verleend als:
a. er geen andere bevredigende oplossing bestaat;
b. de activiteit nodig is om bepaalde, in het artikel genoemde, redenen; in dit geval het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; en
c. de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Spoedeisend belang
3.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de familie [eisers] een spoedeisend belang heeft bij een beoordeling door de voorzieningenrechter van hun verzoek. De gemeente Ommen is van plan in oktober te starten met de sloop van het schoolgebouw en schuurtje. Het dient daarvoor te voldoen aan de gestelde voorschriften/maatregelen uit de omgevingsvergunning.
Voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling en belangenafweging
Realisatie nieuwbouwproject onduidelijk
3.6.
Ter zitting is door het college vermeld dat hij pas op de dag van de zitting ervan op de hoogte is geraakt dat het voorgenomen nieuwbouwproject van de gemeente Ommen nog slechts in de voorbereidingsfase zit van het ontwerpbesluit dat ziet op de daarvoor noodzakelijk geachte wijziging van het omgevingsplan. Het college was op basis van de aanvraag in de veronderstelling dat al sprake zou zijn van de (nabije) realisatie van het nieuwbouwproject. Bij de beoordeling in het bestreden besluit is daarmee ook rekening gehouden voor wat betreft de voorgestelde planning.
3.7.
De voorzieningenrechter overweegt dat het de gemeente Ommen vrij staat om de verschillende omgevingsvergunningen die nodig zijn om haar gehele plan te realiseren op verschillende momenten aan te vragen. De omstandigheid dat nog onduidelijkheid bestaat over de (daadwerkelijke) realisatie van het bouwproject staat er daarmee naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aan in de weg dat de gemeente Ommen voor het weghalen van nesten op het perceel een daartoe noodzakelijke omgevingsvergunning aanvraagt. Daarbij is ook van belang dat tussen partijen duidelijk is dat het college ook los van het mogelijke nieuwbouwproject over zal gaan tot de sloop van het schoolgebouw en schuurtje, omdat deze al langere tijd leeg staan en er sprake is van asbest. Ook daarvoor is de omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. Inmiddels ligt daartoe ook een geaccepteerde sloopmelding en heeft het college het voornemen om in oktober 2026 te starten met de sloop. In het bestreden besluit is ook deze sloop meegenomen.
Bomenkap en vleermuizen
3.8.
Voor zover de familie [eisers] gronden heeft aangevoerd ten aanzien van de (mogelijke) bomenkap overweegt de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit daarop niet ziet. Dit betreft immers een omgevingsvergunning het weghalen van nesten die zich (mogelijk) in het struweel en het schuurtje bevinden. De voorzieningenrechter zal die gronden daarom niet verder bespreken.
3.9.
Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de diersoorten waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd, bepalend zijn voor de omvang van het geschil. De vleermuis waarop door de familie [eisers] is gewezen is daarvan geen onderdeel en valt daarom buiten de hier te maken beoordeling. De daartegen aangevoerde gronden laat de voorzieningenrechter daarom eveneens buiten beschouwing.
Tabel kwetsbare perioden
3.10.
Ter zitting is besproken dat de tabel in het bestreden besluit ten aanzien van de kwetsbare periode voor de wezel, grote bosmuis en steenmarter afwijkt van deze in het activiteitenplan van [bedrijf] van 15 april 2026.
3.11.
Door het college en de ecoloog van de gemeente is op zitting een nadere toelichting gegeven ten aanzien van deze afwijking. Het college heeft daarbij - terecht - opgemerkt dat hij als bevoegd gezag degene is die de kwetsbare periodes bepaalt. Daarbij neemt hij het advies van de ecoloog mee, maar baseert hij zich onder meer ook op de kennisdocumenten van BIJ12 en de handreiking soortenbescherming van de provincie Overijssel. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit als zodanig ook volgt uit het bestreden besluit. Voorts is er door de ecoloog op gewezen dat zij landelijk werken en niet altijd op de hoogte zijn van lokale protocollen waarvan (in dit geval) het college gebruik maakt en dat daarmee het verschil tussen beide tabellen verklaard kan worden. Daarbij heeft de ecoloog ten aanzien van de wezel uitgelegd dat wat in de tabel in het activiteitenplan als lichtrood is aangeduid gelijk is aan het oranje in de tabel opgesteld door het college. De ecoloog heeft toegelicht dat de wezel langer ‘meest kwetsbaar’ kan zijn als sprake is van een muizenrijk jaar, omdat dan een tweede nest kan volgen en dat dit altijd op het moment dat de vergunde activiteiten gaan plaatsvinden moet worden beoordeeld. Met betrekking tot de steenmarter heeft het college toegelicht dat het verschil tussen de beide tabellen te maken heeft met het grote complex dat dit dier heeft. Hierbij merkt de voorzieningenrechter overigens op dat deze afwijking minder relevant is voor haar oordeel, omdat de verschillen niet zien op de maanden september/oktober en het weghalen van nesten door de gemeente Ommen juist dan zal plaatsvinden. Ook ten aanzien van de grote bosmuis heeft het college een nadere toelichting gegeven, waarbij is uitgelegd dat het verschil voortvloeit uit het moment dat dit dier groot genoeg is om een winterverblijfplaats te vinden.
3.12.
De voorzieningenrechter kan met deze toelichting ter zitting het college volgen in hetgeen hij in het bestreden besluit heeft aangegeven als (meest) kwetsbare perioden in de betreffende tabel.
Alternatieve locatie(s)
3.13.
De familie [eisers] heeft aangevoerd dat uit het bestreden besluit niet volgt dat het college een objectieve vergelijking heeft gemaakt met alternatieve locaties voor het bouwproject. De familie [eisers] verwijst ook naar een ander nabijgelegen perceel, waar volgens hen de natuurwaarden beperkter zijn. Naar de mening van de familie [eisers] heeft het college daarmee in het bestreden besluit onvoldoende onderbouwd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat.
3.14.
Deze grond kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen. Het college dient als bevoegd gezag te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. In dit geval heeft de gemeente Ommen – eigenares van het betreffende perceel – besloten dat zij op dit perceel in de Vinkenbuurt bestaande bebouwing wil slopen en nieuwbouw wil realiseren. Daarop heeft zij haar aanvraag ten aanzien van de omgevingsvergunning flora- en fauna ook gestoeld. Het college dient daarmee van dit perceel uit te gaan. Vervolgens dient het college op grond van artikel 8.74l van het Bkl onder meer te beoordelen of sprake is van een andere bevredigende oplossing dan het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren in het kader van de sloop en bouw op dit perceel. Daarbij heeft het zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen baseren op de conclusie die volgt uit het activiteitenplan van [bedrijf] van 15 april 2026. Het college heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te verrichten naar andere, alternatieve locaties – voor zowel de bouw als sloop – die mogelijk een andere bevredigende oplossing konden bieden.
Kleinwildraster
3.15.
De familie [eisers] voert verder aan dat het kleinwildraster geen afdoende mitigerende maatregel is, omdat daarin een doorgang van circa 25 meter aanwezig is ten behoeve van werkverkeer dat de bouwplaats op moet.
3.16.
Ter zitting is door het college en de ecoloog van de gemeente toegelicht dat de opening in het kleinwildraster aan de zuidzijde niet ligt in (essentieel) foerageergebied van de betreffende diersoorten en dat de dieren daar naar verwachting weinig zullen migreren. Daarom is daar ruimte om een doorgang te maken van 25 meter. De voorzieningenrechter kan het college in deze uitleg volgen.
Belangen van en gevolgen voor (het perceel van de) familie [eisers]
3.17.
De familie [eisers] vindt dat het college bij zijn besluitvorming ten onrechte hun belangen, gelegen in mogelijke waardevermindering, aantasting van het groene karakter en zichtlijnen, schade, overlast en/of effecten door migrerende, naar hun perceel uitwijkende dieren en verstoring van het bestaande woon- en leefklimaat onvoldoende heeft betrokken. Zij hebben op de zitting toegelicht dat hun zorg met name ligt bij de maatregelen die volgens het bestreden besluit moeten worden genomen en de uitwerkingen die dat heeft op hun perceel. Daarbij wijzen zij in het bijzonder op het kleinwildraster dat geplaatst zal worden en de omstandigheid dat hun perceel wordt gebruikt als uitwijkgebied. Zij vinden dat hun belangen als buren van het naastgelegen perceel bij het bestreden besluit beter hadden moeten worden onderzocht en meegewogen.
3.18.
De voorzieningenrechter overweegt dat de vergunningplicht voor flora- en fauna-activiteiten voortvloeit uit het belang van natuurbescherming. De belangen van de familie [eisers] spelen daarbij een rol, voor zover die verweven zijn met dat belang. Het belang van het college en de gemeente Ommen ligt erin dat op korte termijn en binnen de minst kwetsbare perioden uitvoering kan worden gegeven aan het bestreden besluit. De gemeente Ommen wil in september/oktober 2026 starten met het treffen van de maatregelen om vervolgens over te gaan tot de sloop. Als dit geen doorgang kan vinden, zal zij gelet op de kwetsbare perioden een jaar moeten wachten totdat daartoe weer over kan worden gaan. Dit zal een mogelijk nieuwbouwproject eveneens vertragen.
3.19.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van het college en de gemeente Ommen in dit geval zwaarder moet wegen dan de belangen van de familie [eisers], voor zover die in het kader van deze omgevingsvergunning moeten worden betrokken. De gemeente Ommen heeft namelijk belang bij de omgevingsvergunning, ook nu het nieuwbouwproject nog niet concreet vaststaat. Zij heeft immers ook een op zichzelf staand belang bij de sloop van een langdurig leegstaand gebouw dat asbest bevat, hetgeen in het belang van de volksgezondheid verwijderd dient te worden. Voorts weegt voor de voorzieningenrechter mee dat de familie [eisers] ter zitting heeft aangegeven dat zij de voorgenomen maatregelen niet willen en een andere locatie geschikter achten voor woningbouw, maar dat zij niet tegen de sloop van de school en schuur op zich zijn. Mede gelet op wat de voorzieningenrechter hiervoor over het besluit omgevingsvergunning flora-en fauna-activiteit en de maatregelen heeft overwogen, wegen de belangen van de familie [eisers] niet op tegen die van het college en de gemeente Ommen.
4Conclusie en gevolgen
4.1.
Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter op dit moment in de besluitvorming niet dusdanige gebreken ziet noch dat de belangen van de familie [eisers] dusdanig groot zijn dat de omgevingsvergunning moet worden geschorst. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de gemeente Ommen gebruik kan maken van de omgevingsvergunning en het perceel kan voorbereiden op de sloop van het schoolgebouw en het schuurtje. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 5.1, tweede lid, onder g van de Ow.
Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Vergelijk de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 15 oktober 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:5278, vanaf rechtsoverweging 7.1 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 november 2020, rechtsoverweging 5.
[bedrijf] B.V. (15 april 2026). Activiteitenplan Ommen, Vinkenbuurt.
Provincie Overijssel (2026) Soortenbescherming in Overijssel, handreiking voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2970, rechtsoverweging 2.1.
[bedrijf] B.V. (15 april 2026). Activiteitenplan Ommen, Vinkenbuurt, pagina 24.
Zie 8.74i Bkl
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/2393
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eisers]
, uit [woonplaats],
hierna: familie [eisers].
en
het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel,
hierna: het college,
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: gemeente Ommen,
hierna: gemeente Ommen.
(gemachtigde: [gemachtigde 3])
1Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten, die het college heeft verleend aan de gemeente Ommen. De omgevingsvergunning is verleend, omdat de gemeente Ommen aan de [adres 1] een leegstaand schoolgebouw en schuurtje wil slopen en daar op termijn een aantal nieuwe woningen wil bouwen. Daarbij bestaat het risico dat vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van verschillende beschermende diersoorten worden beschadigd of vernield en daarvoor is een omgevingsvergunning vereist. De familie [eisers] woont naast het perceel waar de activiteiten zullen plaatsvinden en is het met de vergunningverlening niet eens. Zij hebben daartegen bezwaar gemaakt. Omdat al gewerkt wordt op het perceel, hebben zij daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. In wat de familie [eisers] heeft aangevoerd en hun belangen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de omgevingsvergunning te schorsen tot de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de gemeente Ommen uitvoering mag geven aan het besluit en de noodzakelijke maatregelen kan treffen, waaronder het maaien en het verwijderen van struweel en het plaatsen van een kleinwildraster. De beslissing op bezwaar hoeft daarvoor niet te worden afgewacht.
2Inleiding: feiten en procesverloop
2.1.
Op het perceel aan de [adres 1] staat een leegstaand schoolgebouw en een schuurtje. Het perceel is in eigendom van de gemeente Ommen. De gemeente Ommen is van plan om het schoolgebouw en het schuurtje te slopen. Deze worden al geruime tijd niet meer gebruikt en er is sprake van asbest. Daarnaast wil de gemeente Ommen op den duur zeven rijwoningen en een vrijstaande woning op het perceel realiseren.
2.2.
Omdat bij de sloop en de realisatie van het bouwproject schadelijke handelingen ten aanzien van wettelijk beschermde diersoorten worden verricht, heeft de gemeente Ommen een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van de Omgevingswet aangevraagd. Er is namelijk sprake van struweel dat geschikt is als vaste rust- en voortplantingsplaats voor marterachtigen, egels en grote bosmuizen, dat deels zal worden verwijderd en het te slopen oude schuurtje is geschikt voor steenmarters en bunzings.
2.3.
Met het besluit van 11 augustus 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. De vergunning geeft toestemming voor flora- en fauna-activiteiten die samenhangen met zowel de sloop van het schoolgebouw en schuurtje als de daarop volgende realisatie van het nieuwbouwproject. De vergunning heeft betrekking op de volgende beschermde diersoorten: de wezel, hermelijn, bunzing, egel, steenmarter en grote bosmuis. De schadelijke handeling die het betreft is het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren (hierna omwille van de leesbaarheid kortweg aangeduid als het weghalen van nesten) (artikel 11.54, eerste lid, onder b van het besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal)).
2.4.
Ter zitting heeft de gemeente Ommen naar voren gebracht dat voor de realisatie van het bouwproject eerst nog een besluit tot wijziging van het omgevingsplan moet worden genomen, dat het ontwerpbesluit daarvoor op dit moment nog in voorbereiding is en dat onduidelijk is op welk moment dit ter inzage zal worden gelegd. Het is daarmee nog onbekend of, hoe en wanneer het voorgenomen bouwproject op het perceel gerealiseerd zal worden.
2.5.
De familie [eisers] woont naast het perceel waarop de sloop plaats zal vinden en het bouwproject gerealiseerd moet worden, op het adres aan de [adres 2]. De familie [eisers] is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en heeft daarom bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 augustus 2026.
2.6.
Omdat er al werkzaamheden plaatsvinden op het perceel van de gemeente Ommen, heeft de familie [eisers] de voorzieningenrechter op 31 augustus 2026 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de familie [eisers], de gemachtigden van het college en de gemachtigde van gemeente Ommen, bijgestaan door [naam], ecoloog.
3Beoordeling door de voorzieningenrechter
3.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Het beoordelingskader
3.2.
Als tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.3.
De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of sprake is van onverwijlde spoed. Daarna verricht de voorzieningenrechter aan de hand van wat door familie [eisers] is aangevoerd een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het onderliggende besluit en daarmee van de kans van slagen van het bezwaarschrift en weegt zij de belangen van de partijen bij een schorsing. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van de familie [eisers] bij een schorsing.
3.4.
De omgevingsvergunning waar het nu om gaat, geeft uitsluitend toestemming voor het weghalen van (mogelijk aanwezige) nesten, dus dat is wat in deze uitspraak voor ligt. Bij die beoordeling is met name artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van belang, waarin staat dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit alleen wordt verleend als:
a. er geen andere bevredigende oplossing bestaat;
b. de activiteit nodig is om bepaalde, in het artikel genoemde, redenen; in dit geval het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; en
c. de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Spoedeisend belang
3.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de familie [eisers] een spoedeisend belang heeft bij een beoordeling door de voorzieningenrechter van hun verzoek. De gemeente Ommen is van plan in oktober te starten met de sloop van het schoolgebouw en schuurtje. Het dient daarvoor te voldoen aan de gestelde voorschriften/maatregelen uit de omgevingsvergunning.
Voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling en belangenafweging
Realisatie nieuwbouwproject onduidelijk
3.6.
Ter zitting is door het college vermeld dat hij pas op de dag van de zitting ervan op de hoogte is geraakt dat het voorgenomen nieuwbouwproject van de gemeente Ommen nog slechts in de voorbereidingsfase zit van het ontwerpbesluit dat ziet op de daarvoor noodzakelijk geachte wijziging van het omgevingsplan. Het college was op basis van de aanvraag in de veronderstelling dat al sprake zou zijn van de (nabije) realisatie van het nieuwbouwproject. Bij de beoordeling in het bestreden besluit is daarmee ook rekening gehouden voor wat betreft de voorgestelde planning.
3.7.
De voorzieningenrechter overweegt dat het de gemeente Ommen vrij staat om de verschillende omgevingsvergunningen die nodig zijn om haar gehele plan te realiseren op verschillende momenten aan te vragen. De omstandigheid dat nog onduidelijkheid bestaat over de (daadwerkelijke) realisatie van het bouwproject staat er daarmee naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aan in de weg dat de gemeente Ommen voor het weghalen van nesten op het perceel een daartoe noodzakelijke omgevingsvergunning aanvraagt. Daarbij is ook van belang dat tussen partijen duidelijk is dat het college ook los van het mogelijke nieuwbouwproject over zal gaan tot de sloop van het schoolgebouw en schuurtje, omdat deze al langere tijd leeg staan en er sprake is van asbest. Ook daarvoor is de omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. Inmiddels ligt daartoe ook een geaccepteerde sloopmelding en heeft het college het voornemen om in oktober 2026 te starten met de sloop. In het bestreden besluit is ook deze sloop meegenomen.
Bomenkap en vleermuizen
3.8.
Voor zover de familie [eisers] gronden heeft aangevoerd ten aanzien van de (mogelijke) bomenkap overweegt de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit daarop niet ziet. Dit betreft immers een omgevingsvergunning het weghalen van nesten die zich (mogelijk) in het struweel en het schuurtje bevinden. De voorzieningenrechter zal die gronden daarom niet verder bespreken.
3.9.
Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de diersoorten waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd, bepalend zijn voor de omvang van het geschil. De vleermuis waarop door de familie [eisers] is gewezen is daarvan geen onderdeel en valt daarom buiten de hier te maken beoordeling. De daartegen aangevoerde gronden laat de voorzieningenrechter daarom eveneens buiten beschouwing.
Tabel kwetsbare perioden
3.10.
Ter zitting is besproken dat de tabel in het bestreden besluit ten aanzien van de kwetsbare periode voor de wezel, grote bosmuis en steenmarter afwijkt van deze in het activiteitenplan van [bedrijf] van 15 april 2026.
3.11.
Door het college en de ecoloog van de gemeente is op zitting een nadere toelichting gegeven ten aanzien van deze afwijking. Het college heeft daarbij - terecht - opgemerkt dat hij als bevoegd gezag degene is die de kwetsbare periodes bepaalt. Daarbij neemt hij het advies van de ecoloog mee, maar baseert hij zich onder meer ook op de kennisdocumenten van BIJ12 en de handreiking soortenbescherming van de provincie Overijssel. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit als zodanig ook volgt uit het bestreden besluit. Voorts is er door de ecoloog op gewezen dat zij landelijk werken en niet altijd op de hoogte zijn van lokale protocollen waarvan (in dit geval) het college gebruik maakt en dat daarmee het verschil tussen beide tabellen verklaard kan worden. Daarbij heeft de ecoloog ten aanzien van de wezel uitgelegd dat wat in de tabel in het activiteitenplan als lichtrood is aangeduid gelijk is aan het oranje in de tabel opgesteld door het college. De ecoloog heeft toegelicht dat de wezel langer ‘meest kwetsbaar’ kan zijn als sprake is van een muizenrijk jaar, omdat dan een tweede nest kan volgen en dat dit altijd op het moment dat de vergunde activiteiten gaan plaatsvinden moet worden beoordeeld. Met betrekking tot de steenmarter heeft het college toegelicht dat het verschil tussen de beide tabellen te maken heeft met het grote complex dat dit dier heeft. Hierbij merkt de voorzieningenrechter overigens op dat deze afwijking minder relevant is voor haar oordeel, omdat de verschillen niet zien op de maanden september/oktober en het weghalen van nesten door de gemeente Ommen juist dan zal plaatsvinden. Ook ten aanzien van de grote bosmuis heeft het college een nadere toelichting gegeven, waarbij is uitgelegd dat het verschil voortvloeit uit het moment dat dit dier groot genoeg is om een winterverblijfplaats te vinden.
3.12.
De voorzieningenrechter kan met deze toelichting ter zitting het college volgen in hetgeen hij in het bestreden besluit heeft aangegeven als (meest) kwetsbare perioden in de betreffende tabel.
Alternatieve locatie(s)
3.13.
De familie [eisers] heeft aangevoerd dat uit het bestreden besluit niet volgt dat het college een objectieve vergelijking heeft gemaakt met alternatieve locaties voor het bouwproject. De familie [eisers] verwijst ook naar een ander nabijgelegen perceel, waar volgens hen de natuurwaarden beperkter zijn. Naar de mening van de familie [eisers] heeft het college daarmee in het bestreden besluit onvoldoende onderbouwd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat.
3.14.
Deze grond kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen. Het college dient als bevoegd gezag te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. In dit geval heeft de gemeente Ommen – eigenares van het betreffende perceel – besloten dat zij op dit perceel in de Vinkenbuurt bestaande bebouwing wil slopen en nieuwbouw wil realiseren. Daarop heeft zij haar aanvraag ten aanzien van de omgevingsvergunning flora- en fauna ook gestoeld. Het college dient daarmee van dit perceel uit te gaan. Vervolgens dient het college op grond van artikel 8.74l van het Bkl onder meer te beoordelen of sprake is van een andere bevredigende oplossing dan het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren in het kader van de sloop en bouw op dit perceel. Daarbij heeft het zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen baseren op de conclusie die volgt uit het activiteitenplan van [bedrijf] van 15 april 2026. Het college heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te verrichten naar andere, alternatieve locaties – voor zowel de bouw als sloop – die mogelijk een andere bevredigende oplossing konden bieden.
Kleinwildraster
3.15.
De familie [eisers] voert verder aan dat het kleinwildraster geen afdoende mitigerende maatregel is, omdat daarin een doorgang van circa 25 meter aanwezig is ten behoeve van werkverkeer dat de bouwplaats op moet.
3.16.
Ter zitting is door het college en de ecoloog van de gemeente toegelicht dat de opening in het kleinwildraster aan de zuidzijde niet ligt in (essentieel) foerageergebied van de betreffende diersoorten en dat de dieren daar naar verwachting weinig zullen migreren. Daarom is daar ruimte om een doorgang te maken van 25 meter. De voorzieningenrechter kan het college in deze uitleg volgen.
Belangen van en gevolgen voor (het perceel van de) familie [eisers]
3.17.
De familie [eisers] vindt dat het college bij zijn besluitvorming ten onrechte hun belangen, gelegen in mogelijke waardevermindering, aantasting van het groene karakter en zichtlijnen, schade, overlast en/of effecten door migrerende, naar hun perceel uitwijkende dieren en verstoring van het bestaande woon- en leefklimaat onvoldoende heeft betrokken. Zij hebben op de zitting toegelicht dat hun zorg met name ligt bij de maatregelen die volgens het bestreden besluit moeten worden genomen en de uitwerkingen die dat heeft op hun perceel. Daarbij wijzen zij in het bijzonder op het kleinwildraster dat geplaatst zal worden en de omstandigheid dat hun perceel wordt gebruikt als uitwijkgebied. Zij vinden dat hun belangen als buren van het naastgelegen perceel bij het bestreden besluit beter hadden moeten worden onderzocht en meegewogen.
3.18.
De voorzieningenrechter overweegt dat de vergunningplicht voor flora- en fauna-activiteiten voortvloeit uit het belang van natuurbescherming. De belangen van de familie [eisers] spelen daarbij een rol, voor zover die verweven zijn met dat belang. Het belang van het college en de gemeente Ommen ligt erin dat op korte termijn en binnen de minst kwetsbare perioden uitvoering kan worden gegeven aan het bestreden besluit. De gemeente Ommen wil in september/oktober 2026 starten met het treffen van de maatregelen om vervolgens over te gaan tot de sloop. Als dit geen doorgang kan vinden, zal zij gelet op de kwetsbare perioden een jaar moeten wachten totdat daartoe weer over kan worden gaan. Dit zal een mogelijk nieuwbouwproject eveneens vertragen.
3.19.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van het college en de gemeente Ommen in dit geval zwaarder moet wegen dan de belangen van de familie [eisers], voor zover die in het kader van deze omgevingsvergunning moeten worden betrokken. De gemeente Ommen heeft namelijk belang bij de omgevingsvergunning, ook nu het nieuwbouwproject nog niet concreet vaststaat. Zij heeft immers ook een op zichzelf staand belang bij de sloop van een langdurig leegstaand gebouw dat asbest bevat, hetgeen in het belang van de volksgezondheid verwijderd dient te worden. Voorts weegt voor de voorzieningenrechter mee dat de familie [eisers] ter zitting heeft aangegeven dat zij de voorgenomen maatregelen niet willen en een andere locatie geschikter achten voor woningbouw, maar dat zij niet tegen de sloop van de school en schuur op zich zijn. Mede gelet op wat de voorzieningenrechter hiervoor over het besluit omgevingsvergunning flora-en fauna-activiteit en de maatregelen heeft overwogen, wegen de belangen van de familie [eisers] niet op tegen die van het college en de gemeente Ommen.
4Conclusie en gevolgen
4.1.
Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter op dit moment in de besluitvorming niet dusdanige gebreken ziet noch dat de belangen van de familie [eisers] dusdanig groot zijn dat de omgevingsvergunning moet worden geschorst. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de gemeente Ommen gebruik kan maken van de omgevingsvergunning en het perceel kan voorbereiden op de sloop van het schoolgebouw en het schuurtje. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 5.1, tweede lid, onder g van de Ow.
Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Vergelijk de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 15 oktober 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:5278, vanaf rechtsoverweging 7.1 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 november 2020, rechtsoverweging 5.
[bedrijf] B.V. (15 april 2026). Activiteitenplan Ommen, Vinkenbuurt.
Provincie Overijssel (2026) Soortenbescherming in Overijssel, handreiking voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2970, rechtsoverweging 2.1.
[bedrijf] B.V. (15 april 2026). Activiteitenplan Ommen, Vinkenbuurt, pagina 24.
Zie 8.74i Bkl