Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5621

2026-07-28 Civiel recht C/08/334068 / FA RK 25-1484
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/08/334068 / FA RK 25-1484
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek adoptie in het buitenland geboren meerderjarige door Nederlands echtpaar; verzoekers niet-ontvankelijk in verzoek voornaamswijziging, alsmede in hun verzoek om geboortegegevens meerderjarig kind vast te stellen / de inschrijving van zijn buitenlandse geboorteakte te gelasten.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (33.500 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Familierecht en Jeugdrecht


Zittingsplaats Zwolle



zaaknummer: C/08/334068 / FA RK 25-1484




beschikking van de meervoudige kamer van 28 juli 2026







1
[verzoeker],
verder te noemen: verzoeker;


en





2
[verzoekster],

verder te noemen: verzoekster;
verder gezamenlijk te noemen: verzoekers,
beiden wonende te [woonplaats 1],
advocaat: mr. A. Acar.




Als belanghebbenden zijn aangemerkt:





1
[belanghebbende],

verder te noemen: [belanghebbende],
wonende te [woonplaats 2],



en





2
[de vader],

verder te noemen: de vader,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in en buiten Nederland,



en





3
[de moeder],

verder te noemen: de moeder,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in en buiten Nederland.




Tevens is ten aanzien van de geboortegegevens van [belanghebbende] als belanghebbende aangemerkt:




de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage,

zetelend te Den Haag,
hierna te noemen: de ambtenaar van de burgerlijke stand,
belanghebbende.





1Het procesverloop


1.1.
De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:
- het verzoek van verzoekers van 28 mei 2025, binnengekomen op 5 juni 2025 met bijlagen:
- een F9 formulier van mr. Acar van 3 juli 2025, binnengekomen op 4 juli 2025;
- een F9 formulier van mr. Acar van 5 augustus 2025, binnengekomen op 5 augustus 2025;
- een brief van mr. Acar van 18 augustus 2025, binnengekomen op 18 augustus 2025 met bijlagen;
- een F9 formulier van mr. Acar van 26 augustus 2025, binnengekomen op 26 augustus 2025 met bijlagen;
- een op 10 oktober 2025 binnengekomen brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van 3 oktober 2025;
- een op 21 november 2025 binnengekomen brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van 21 november 2025;
- een op 17 december 2025 binnengekomen brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van 10 december 2025;
- een F9 formulier van mr. Acar van 31 december 2025, binnengekomen op 31 december 2025 met bijlage;
- een F9 formulier van mr. Acar van 19 januari 2026, binnengekomen op 19 januari 2026;
- een op 16 april 2026 gedateerd e-mailbericht van de griffier aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.



1.2.
De zaak is verwezen naar de meervoudige kamer.



1.3.
Op 21 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen:


verzoekers, bijgestaan door mr. Acar en mr. J. Vaneerdewegh;



[belanghebbende], bijgestaan door de tolk A.E. Abdelrahman.





1.4.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen via de Staatscourant van 22 januari 2026, nr. 1945, niet in persoon verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen.



1.5.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen via de Staatscourant van 22 januari 2026, nr. 1950, niet in persoon verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen.



1.6.
De rechtbank heeft bijzondere toegang tot de mondelinge behandeling verleend aan J. Koelewijn.



1.7.
Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van de rechtbank binnengekomen:
- een op 28 april 2026 binnengekomen brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van 24 april 2026;
- een F9 formulier van mr. Acar van 8 mei 2026, binnengekomen op 8 mei 2026 met bijlagen;
- een op 21 mei 2026 gedateerde brief van de griffier aan de ambtenaar van de burgerlijke stand met bijlage;
- een op 5 juni 2026 binnengekomen brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van 2 juni 2026;
- een brief van mr. Acar, binnengekomen op 16 juni 2026 met bijlagen.





2De feiten


2.1.
Verzoeker is geboren op [geboortedatum 1] 1971 in de gemeente [geboorteplaats 1] en verzoekster is geboren op [geboortedatum 2] 1977 in de gemeente [geboorteplaats 2].



2.2.
Verzoekers zijn op 7 april 2017 met elkaar gehuwd in de gemeente Ommen en wonen, blijkens de geraadpleegde Basisregistratie Personen (BRP) sinds 20 april 2017 samen aan hun huidige woonadres aan de [adres 1].



2.3.
Verzoekers hebben samen geen kinderen.



2.4.

[belanghebbende] is geboren op [geboortedatum 3] 1998 te [geboorteplaats 3], Syrië. Hijstaat sinds 20 september 2023 geregistreerd in Nederland in de BRP. [belanghebbende] woont sinds 21 september 2023 in de gemeente [plaats]. Sinds 20 juni 2024 woont hij aan het adres [adres 2]. [belanghebbende] heeft op 4 december 2023 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met ingang van 18 september 2022 tot 18 september 2027 gekregen.



2.5.
In het door verzoekers overgelegde, niet gelegaliseerde, afschrift van de geboorteakte, op 21 december 2025 afgegeven door het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Syrië (documentnummer: [nummer]) staat vermeld dat [belanghebbende] is geboren op [geboortedatum 3] 1998 te [geboorteplaats 3] Syrië als kind van, [de vader], vader en [de moeder], moeder.



2.6.
Blijkens het door verzoekers overgelegde afschrift van de huwelijksakte van de ouders van [belanghebbende], op 21 december 2025 afgegeven door de Islamitische rechtbank te Hama, Syrië, zijn de vader van [belanghebbende] [de vader] (in de vertaling van die akte aangeduid als [de vader]) en de moeder [de moeder] (in de vertaling van die akte aangeduid als [de moeder]) op 7 juli 1992 te Hama, Syrië, met elkaar gehuwd.



2.7.
Verzoekers hebben nimmer [belanghebbende] als minderjarig kind verzorgd en opgevoed.



2.8.
Verzoekers hebben de Nederlandse nationaliteit. [belanghebbende] heeft de Syrische nationaliteit.



2.9.
De vader en de moeder zijn geboren en wonen in Syrië.





3Het verzoek


3.1.
Verzoekers verzoeken de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat het verzoek tot stiefouderadoptie wordt toegewezen;
- te bepalen dat het verzoek tot geslachtsnaamswijziging wordt toegewezen;
- te bepalen dat het verzoek tot voornaamswijziging wordt toegewezen.


3.2.
Verzoekers hebben tevens aanvullend verzocht om in het geval de rechtbank het adoptieverzoek mocht toewijzen dan wel afwijzen, de geboortegegevens van [belanghebbende] vast te stellen en de inschrijving daarvan te gelasten bij de ambtenaar van de burgerlijke stand in Den Haag.



3.3.
Hoewel niet is voldaan aan het vereiste dat [belanghebbende] op de dag van het verzoek tot adoptie minderjarig is, doen verzoekers een beroep op artikel 8 EVRM. Zij zijn van mening dat sprake is van bijzondere omstandigheden, die toewijzing van het verzoek tot adoptie van [belanghebbende] door verzoekers rechtvaardigen.



3.4.
Verzoekers voeren ter onderbouwing van hun verzoek onder meer het volgende aan:



3.5.

Verzoekers hebben een hechte band opgebouwd met [belanghebbende]. Deze relatie is sinds april
2023 steeds verder uitgegroeid tot een feitelijke ouder-kindrelatie. Sinds november
2024 zijn verzoekers al actief bezig met de voorbereiding van onderhavig adoptieverzoek. [belanghebbende] verblijft dagelijks in de woning van verzoekers. Hij eet met hen mee, ontspant in hun gezelschap en neemt actief deel aan gezamenlijke activiteiten zoals familiebezoeken, vakanties en kerkgang. [belanghebbende] beschikt in het huis van verzoekers over een eigen plek waar hij zich kan terugtrekken, ontspannen of kan gamen. [belanghebbende] is in 2022 naar Nederland gekomen. Sinds april 2023 overnacht hij regelmatig, zowel doordeweeks als in het weekend, bij verzoekers. [belanghebbende] maakt dan ook volledig onderdeel uit van hun gezinsleven. [belanghebbende] ziet verzoekers als zijn ouders en heeft verzoekers zelf gevraagd om hem te adopteren.




3.6.

De biologische ouders van [belanghebbende] verblijven in Syrië en onderhouden telefonisch contact met hem. Zijn moeder heeft verzoekers verzocht om voor [belanghebbende] te zorgen, waarmee zij impliciet instemming heeft gegeven voor hun verzorgende rol. Uit de bijgevoegde verklaringen blijkt dat de (biologische) ouders van [belanghebbende] instemmen met het adoptieverzoek. De biologische ouders zijn in het verzoekschrift niet als belanghebbenden genoemd, omdat zij al geruime tijd geen daadwerkelijke rol meer vervullen in [belanghebbende] leven. Ook voordat [belanghebbende] Syrië verliet, werd hij grotendeels opgevoed door zijn grootouders in plaats van door zijn biologische ouders. Daarbij komt dat
bekendmaking in zijn land van herkomst van [belanghebbende] bekering tot het christendom ernstige repercussies voor hem zou kunnen hebben.




3.7.

Gelet op de duurzame verzorgings- en gezinsrelatie sinds april 2023, de bewezen
integratie van [belanghebbende] in het gezin van verzoekers, en de zorgvuldigheid waarmee
het verzoek is voorbereid, is volgens verzoekers sprake van zwaarwegende gronden die de toewijzing van het adoptieverzoek rechtvaardigen, ondanks dat dit tijdens de meerderjarigheid van [belanghebbende] is ingediend.






4De mening van [belanghebbende]


4.1.
stemt in met de verzoeken van verzoekers. Hij ziet verzoekers als zijn ouders en heeft zelf aan verzoekers aangegeven dat het zijn wens is om door hen te worden geadopteerd. Hij is geïntegreerd in het gezin, de familie en het netwerk van verzoekers, waaronder de kerkelijke gemeenschap. Volgens [belanghebbende] heeft hij af en toe nog contact met zijn ouders. Hij heeft verklaard dat hij weet dat door het uitspreken van de adoptie de juridische banden met zijn ouders worden verbroken. Zijn ouders zijn hiervan ook op de hoogte.





5De mening van de vader en de moeder van [belanghebbende]


5.1.
De vader en de moeder zijn niet verschenen in deze procedure. Uit in het geding gebrachte verklaringen blijkt dat zij in december 2024 te kennen hebben gegeven dat zij kunnen instemmen met de door verzoekers verzochte adoptie van [belanghebbende].







6Het verweer van de ambtenaar van de burgerlijke stand


6.1.
De ambtenaar van de burgerlijke stand is geen belanghebbende ten aanzien van de adoptie naar Nederlands recht. Hij maakt wel enige opmerkingen. De ambtenaar van de burgerlijke stand betwijfelt of er in de onderhavige zaak sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor de door de wet voor adoptie gestelde eisen en voorwaarden buiten toepassing kunnen worden gelaten.



6.2.

De ambtenaar van de burgerlijke stand is evenmin belanghebbende ten aanzien van de wijziging van de geslachtsnaam en voornaam van [belanghebbende]. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft aangevoerd dat, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er in onderhavige zaak sprake is van bijzondere omstandigheden en het verzoek om adoptie om die reden wordt toegewezen, hij geen bezwaar heeft tegen de vaststelling van de geboortegegevens van [belanghebbende] als volgt:
Geslachtsnaam : [belanghebbende]
Voornamen : [belanghebbende]
Dag van geboorte : [geboortedatum 3]-1998
Plaats van geboorte : [geboorteplaats 3], Syrië
Geslacht : mannelijk




6.3.
Ditzelfde geldt voor de situatie dat de rechtbank de wijziging van de voornaam van [belanghebbende] gelast.





7De beoordeling



De kwalificatie van het verzoek




7.1.
De rechtbank leest het verzoek als een verzoek van verzoekers om de adoptie uit te spreken van de meerderjarige [belanghebbende], geboren op [geboortedatum 3] 1998 te [geboorteplaats 3], Syrië.



7.2.
De rechtbank overweegt dat in dit geval geen sprake is van een stiefouderadoptie, zoals is verzocht in het verzoekschrift, omdat zowel de man als de vrouw niet biologisch verwant zijn aan [belanghebbende].



De adoptie naar Nederlands recht





Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht





7.4.
Dit verzoek heeft een internationaal karakter. [belanghebbende] is in Syrië geboren en bezit de Syrische nationaliteit. Zijn gewone verblijfplaats ligt in Nederland. Gelet op de internationale aspecten in deze zaak zal de rechtbank moeten beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en zo ja, welk recht op het verzoek van toepassing is.



7.5.
De rechtbank zal eerst beoordelen of aan de Nederlandse rechter bevoegdheid toekomt van het verzoek kennis te nemen. Nu zowel verzoekers als [belanghebbende] hun woonplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd.



7.6.
Er is geen verdrag van toepassing dat verwijzingsregels voor het toepasselijk recht geeft. Ook de verwijzingsregels uit titel 6 van boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn niet aan de orde, omdat een meerderjarigenadoptie niet onder het toepassingsbereik van deze titel valt. Dit volgt uit artikel 10:104 BW, waarin staat dat het moet gaan om een minderjarig kind. [belanghebbende] is echter meerderjarig. De rechtbank is daarom van oordeel dat voor het toepasselijk recht moet worden teruggevallen op het niet gecodificeerde recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Wet Conflictenrecht Adoptie. Volgens dit recht is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek, behoudens ten aanzien van de instemming dan wel de raadpleging of de voorlichting van de ouders van het kind. Ten aanzien van die aspecten is toepasselijk het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit.



7.7.
De nationaliteit van [belanghebbende] is Syrisch. Nu [belanghebbende], blijkens de toegezonden kopie van zijn verblijfsvergunning, tot 18 september 2027 asiel voor bepaalde tijd ex artikel 8 sub c jo. artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 heeft, is de rechtbank van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 10:17 BW Nederlands recht van toepassing is op de toestemming dan wel raadpleging of voorlichting van de ouders van het kind, omdat de woonplaats van [belanghebbende] in Nederland ligt.



Inhoudelijke beoordeling





7.8.
De adoptie geschiedt door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één persoon alleen. Het verzoek kan slechts worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang is van het kind en op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BW, wordt voldaan.



7.9.
Voormelde voorwaarden zijn:


dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaar of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken;


het kind niet een kleinkind van een adoptant is;


dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;


at geen der ouders het verzoek tegenspreekt;


dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt;


dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed;


dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben.





7.10.
De rechtbank stelt op basis van de stukken en de mondelinge behandeling vast dat niet is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 1:228 lid 1 BW, met name niet de voorwaarde genoemd onder a. Vast staat dat [belanghebbende] ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift 27 jaar oud en dus meerderjarig was. Hierdoor is niet voldaan aan de wettelijke voorwaarde en ligt het verzoek in principe voor afwijzing gereed.



7.11.
De rechtbank ziet zich echter voor de vraag gesteld of, ondanks dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat het kind op de dag van het verzoek minderjarig is, de adoptie toch kan worden uitgesproken.



7.12.
Verzoekers doen een beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en op jurisprudentie waarbij een verzoek tot meerderjarigenadoptie werd toegewezen. In de kern dient daarbij volgens verzoekers voldaan te zijn aan de volgende voorwaarden:


Er is sprake van verschoonbare termijnoverschrijding;


Er is sprake van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan wordt gerechtvaardigd dat de voorwaarde uit art. 1:228 lid 1 sub a BW wordt gepasseerd.





7.13.
Volgens verzoekers voldoen zij aan deze voorwaarden. Ten aanzien van de eerste voorwaarde geven verzoekers aan dat het adoptieverzoek van [belanghebbende] niet tijdens zijn minderjarigheid is ingediend, aangezien verzoekers hem toen nog niet kenden. [belanghebbende] verbleef destijds in Syrië, Istanbul en Turkije. Pas na zijn meerderjarigheid, bij zijn plaatsing in de Crisis Noodopvang te Ommen in april 2023, kwam hij in contact met verzoekers.



7.14.
Het verzoek tot adoptie is volgens verzoekers niet eerder ingediend, omdat zij bewust hebben gewacht tot [belanghebbende] in het bezit was van een verblijfsvergunning om elke schijn te vermijden dat het adoptieverzoek zou zijn ingegeven door verblijfsrechtelijke motieven. Bovendien waren verzoekers er voordien niet van op de hoogte dat adoptie van een jongvolwassene juridisch tot de mogelijkheden behoorde.



7.15.
Ten aanzien van de tweede voorwaarde, de zeer bijzondere omstandigheden, geven verzoekers aan dat verzoekers en [belanghebbende] de maatregel van adoptie welbewust in overweging hebben genomen om in familierechtelijke betrekking tot elkaar te komen. De adoptie moet worden gezien als een juridische bevestiging van de emotionele band die hij met verzoekers heeft opgebouwd. [belanghebbende] heeft zelf aan verzoekers gevraagd om door verzoekers te worden geadopteerd. Volgens verzoekers is afwijzen van het verzoek tot adoptie in strijd met artikel 8 van het EVRM, het recht op family life. [belanghebbende] heeft het mensenrecht om hier te lande een leven op te bouwen en verzoekers vinden het essentieel voor zijn functioneren dat hij op familie kan terugvallen.



7.16.
Ter zitting hebben verzoekers nog aangevuld dat hun huidige gezinsleven met de onderlinge gezinsrollen nog als bijzondere omstandigheid heeft te gelden. [belanghebbende] is – kort gezegd – volledig vertrouwd geraakt met de Nederlandse cultuur, is ingebed in het gezin en de kerkelijke gemeenschap waarvan verzoekers en [belanghebbende] deel van uitmaken en [belanghebbende] is volledig als zoon van verzoekers opgenomen in hun gezin. Een volgende bijzondere omstandigheid is volgens verzoekers dat [belanghebbende] nauwelijks is opgevoed door zijn ouders in Syrië, maar door zijn opa en oma en daardoor niet eerder een familieleven heeft gekend. [belanghebbende] heeft nog wel een enkele keer telefonisch of digitaal contact met zijn ouders.



7.17.

[belanghebbende] heeft volgens verzoekers een zwaarwegend belang bij het uitspreken van de adoptie, want hij zal uit veiligheidsoverwegingen nooit meer terug kunnen keren naar Syrië, gezien zijn keuze voor het christelijke geloof.



7.18.

De rechtbank begrijpt verzoekers stellingen aldus dat zij het vasthouden aan de meerderjarigheidsgrens bij adoptie als een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op “family life” van [belanghebbende] beschouwen en dat zij vinden dat deze meerderjarigheidsgrens opzij gezet dient te worden.
De rechtbank dient dan ook te beoordelen of de nationaalrechtelijke bepaling die adoptie van een meerderjarige onmogelijk maakt, buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met het internationale recht, meer in het bijzonder met artikel 8 EVRM.




7.19.
De rechtbank stelt hierbij voorop dat het recht op adoptie als zodanig niet door artikel 8 EVRM wordt gegarandeerd. Artikel 8 EVRM beschermt slechts een al bestaand gezinsleven. Uit de jurisprudentie volgt dat er soms sprake kan zijn van (zeer) bijzondere omstandigheden die terzijdestelling van het dwingendrechtelijke minderjarigheidsvereiste van artikel 1:228 lid 1 onder a BW kunnen rechtvaardigen. Het gaat dan om (zeer) uitzonderlijke gevallen, waarin de weigering van een adoptie wegens de enkele meerderjarigheid bij de indiening van het adoptieverzoek een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRM beschermde gezins- en familieleven met zich zou brengen.



7.20.
Uit de ingediende stukken en de verklaringen ter zitting is gebleken dat tussen [belanghebbende] en verzoekers een hechte en warme band is ontstaan en dat zij zich familie van elkaar voelen. De rechtbank begrijpt dat vanuit [belanghebbende] de wens is gekomen om door verzoekers te worden geadopteerd, zodat hij volledig deel zal uitmaken van hun gezin. De rechtbank overweegt dat daarmee echter nog geen sprake is van een zeer bijzondere omstandigheid op grond waarvan het minderjarigheidsvereiste van artikel 1:228 lid 1 onder a BW buiten toepassing dient te blijven.



7.21.
De rechtbank stelt vast dat [belanghebbende] toen hij al geruime tijd meerderjarig was, naar Nederland is gekomen. Uit de BRP blijkt niet dat [belanghebbende] bij verzoekers heeft gewoond. Het gestelde opgebouwde “family life” ziet niet op een periode tijdens de minderjarigheid van [belanghebbende]. Uit de jurisprudentie waarbij bijzondere omstandigheden zijn aangenomen om het dwingendrechtelijke minderjarigheidsvereiste opzij te zetten, blijkt dat in die gevallen in ieder geval sprake is van een jarenlang “family life” tijdens de minderjarigheid van het kind.



7.22.
Het feit dat [belanghebbende] volledig vertrouwd is geraakt met Nederland, dat hij waarde hecht aan zijn huidige – van Syrië afwijkende – gezinsleven en dat verzoekers veel hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van [belanghebbende] in Nederland zijn naar het oordeel van de rechtbank ook geen zeer bijzondere omstandigheden die leiden tot de conclusie dat het minderjarigheidsvereiste van artikel 1:228 lid 1 onder a BW terzijde dient te worden gesteld.



7.23.
De overige door verzoekers aangevoerde omstandigheden, dat de band tussen [belanghebbende] en zijn ouders niet hecht is, dat adoptie in Syrië geen betekenis heeft en dat naar het recht van Syrië geen redelijke gronden aanwezig zijn om de adoptie te onthouden, vormen evenmin zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan het minderjarigheidsvereiste opzij dient te worden gezet.



7.24.
De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat van hiervoor bedoelde zeer bijzondere omstandigheden in de onderhavige zaak niet is gebleken. Of de termijnoverschrijding verschoonbaar is, hoeft dan ook niet (meer) door de rechtbank te worden beoordeeld.



7.25.
Daarbij komt dat naar het oordeel van de rechtbank ook niet aan alle overige voorwaarden van artikel 1:227 en 1:228 BW is voldaan.



7.26.
Nu [belanghebbende] nimmer ingeschreven heeft gestaan op het adres van verzoekers, voldoet het verzoek evenmin aan de voorwaarde gesteld in artikel 1:228 lid 1 onder f BW, namelijk dat dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed.



7.27.
Een andere voorwaarde voor adoptie is volgens artikel 1:227 lid 3 BW dat een verzoek tot adoptie alleen kan worden toegewezen indien op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft.



7.28.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat [belanghebbende] niets meer van zijn ouders als ouder heeft te verwachten. [belanghebbende] heeft nog steeds telefonisch / digitaal contact met zijn ouders. Het feit dat [belanghebbende] ervan uitgaat dat hij niet meer naar Syrië teruggaat, brengt niet mee dat hij van zijn ouders in hoedanigheid van ouder niets meer te verwachten heeft. De stelling dat zijn ouders instemmen met zijn adoptie, doet hieraan niet af.



7.29.
Het verzoek tot adoptie zal dan ook worden afgewezen.



7.30.
De rechtbank begrijpt heel goed dat de beslissing teleurstellend voor [belanghebbende] en verzoekers zal zijn. De rechtbank ziet echter dat er veel liefde en wederzijds respect tussen [belanghebbende] en verzoekers is. De negatieve beslissing van de rechtbank zal zeker geen verandering brengen in de innige band tussen [belanghebbende] en verzoekers, zoals ook door hen tijdens de mondelinge behandeling al is aangegeven.



Wijziging geslachtsnaam





7.31.
Nu het verzoek tot adoptie wordt afgewezen, komt de rechtbank niet meer toe aan beoordeling van het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van [belanghebbende]. Immers, de rechtbank kan slechts een geslachtsnaam wijzigen in samenhang met een toewijzende adoptie-uitspraak.



7.32.
Ter informatie van [belanghebbende] merkt de rechtbank nog het volgende op. Er bestaat een speciale procedure voor het wijzigen van een geslachtsnaam waarbij het niet de rechtbank is die beslist. Als [belanghebbende] dat wil dan kan hij (te zijner tijd) een verzoek tot wijziging van hun geslachtsnaam indienen bij de Koning op grond van artikel 1:7 BW. Die procedure verloopt via Justis (https://www.justis.nl) en daar zijn doorgaans kosten aan verbonden.



Wijziging voornaam





7.33.
De rechtbank verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek, om de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de voornaam van [belanghebbende] te wijzigen in “[naam]”. [belanghebbende] is meerderjarig en kan op grond van de wet (artikel 1:4 BW) zelfstandig een daartoe strekkend verzoek indienen als hij dat wenst. Indien zijn huidige woonplaats gehandhaafd blijft, is deze rechtbank relatief bevoegd.







Inschrijving buitenlandse akte van geboorte / vaststellen geboortegegevens





Rechtsmacht en toepasselijk recht





7.34.
Nu verzoekers in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om op grond van artikel 3 aanhef en onder a Rv van het verzoek kennis te nemen.



7.35.
Nu het gaat om het vaststellen van de noodzakelijke gegevens voor het opmaken van de geboorteakte van [belanghebbende] en opname daarvan in de Nederlandse registers, acht de rechtbank Nederlands recht van toepassing op het verzoek.



Ontvankelijkheid





7.36.

[belanghebbende] is in het buitenland geboren. Zijn akte van geboorte is niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage.



7.37.
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak geen juridische grondslag aanwezig is om op grond van artikel 1:25c, derde lid, BW de inschrijving van de akte van geboorte van [belanghebbende] te gelasten dan wel de geboortegegevens van [belanghebbende] vast te stellen en de inschrijving daarvan te gelasten, nu het verzoek tot adoptie van [belanghebbende] door verzoekers wordt afgewezen.



7.38.
De rechtbank overweegt in dit verband dat de ambtenaar van de burgerlijke stand in zijn laatste brief van 2 juni 2026 heeft aangegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen vaststelling van de geboortegegevens van alleen [belanghebbende] (en niet van de ouders van [belanghebbende]), indien de rechtbank van oordeel mocht zijn dat het verzoek tot adoptie voor toewijzing vatbaar is, hetgeen niet het geval is.



7.39.
Nu verzoekers niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek, om de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de voornaam van [belanghebbende] te wijzigen in “[naam]”, is evenmin in verband met dat verzoek een juridische grondslag aanwezig om op grond van artikel 1:4, lid 4, derde volzin BW de inschrijving van de akte van geboorte van [belanghebbende] te gelasten dan wel de geboortegegevens van [belanghebbende] vast te stellen en de inschrijving daarvan te gelasten.



Overig





7.40.
Ter informatie merkt de rechtbank nog het volgende op.



7.41.

[belanghebbende] zou zelf een verzoek tot vaststelling van zijn geboortegegevens kunnen doen, maar hij dient dit dan in te dienen bij de rechtbank Den Haag, die dan relatief bevoegd is.



7.42.
Ook zou [belanghebbende] bij een verzoek tot wijziging van zijn voornaam zoals hiervoor onder 7.33. bedoeld, de daartoe bevoegde rechtbank bij toewijzing van dat verzoek kunnen vragen de inschrijving van de akte van geboorte van [belanghebbende] te gelasten, dan wel vaststelling van de geboortegegevens van [belanghebbende] en de inschrijving daarvan.







8De beslissing


De rechtbank:



8.1.
wijst het verzoek van verzoekers om [belanghebbende] te adopteren af;


8.2.
verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek om de ambtenaar van de burgerlijke stand de wijziging van de voornaam van [belanghebbende] te gelasten;



8.3.
verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoeken om de inschrijving van de geboorteakte van [belanghebbende] te gelasten, dan wel zijn geboortegegevens vast te stellen;



8.4.
wijst af het meer of anders verzochte.










Deze beschikking is gegeven door M. van der Hoeven, H.M. Jongebreur en M.T. Bos, in tegenwoordigheid van C. van Leeuwen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.




























Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:


door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (door de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.







artikel 3, aanhef en onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)


zie Kamerstukken II 2001/2002, 28 457, nr. 3, p. 9 en 10 en de uitspraak van de Hoge Raad van 11 april 1980, NJ 1980, 364 / ECLI:NL:HR:1980: AC1936)


artikel 1:227 eerste lid BW


artikel 1:227 derde lid BW


artikel 1:5 derde lid BW


artikel 1:25c, eerste en tweede lid, BW


artikel 1:4, vierde lid, derde volzin BW