Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5551

2026-09-16 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ZWO 26/1439, ZWO 26/1440
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ZWO 26/1439, ZWO 26/1440
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over intrekking (na opschorting) van de bijstand met ingang van 20 november 2025 die eiser ontving op grond van de Participatiewet (PW) en de buiten behandelingstelling van zijn aanvraag om bijstand van 1 december 2025. Het college heeft de verzending van de brief van 11 november 2025 niet aannemelijk kunnen maken omdat zij geen verzendadministratie heeft en eiser heeft steeds gezegd dat hij deze brief niet heeft ontvangen. Dit betekent dat eiser in het opschortingsbesluit pas voor de eerste keer is verzocht om het statusformulier en de bankafschriften te verstrekken, waarvoor hij tot 28 november 2025 de tijd heeft gekregen en wat hij niet volledig heeft gedaan. Hij was dan ook pas vanaf die datum in verzuim om gegevens te verstrekken. Het college heeft eiser echter ten onrechte geen gelegenheid geboden dit verzuim te herstellen en hem dus geen tweede kans geboden de gegevens te verstrekken, maar direct de bijstand ingetrokken. Rechtbank verwijst naar de uitspraak van 25 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:803. Het college kan het gebrek niet herstellen. Als de opschorting langer dan acht weken duurt, mag het college namelijk niet meer intrekking op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW overgaan. Beroep is daarom gegrond. De uitkering wordt geacht te zijn doorgelopen. Het beroep ten aanzien van de nieuwe aanvraag is ook gegrond, omdat de rechtsgrond hieraan is komen te vervallen.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.879 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummers: ZWO 26/1439 en 26/1440


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. G. Bakker),


en


het college van burgemeester en wethouders van Raalte, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).


Samenvatting


Deze uitspraak gaat over intrekking van de bijstand met ingang van 20 november 2025 die [eiser] ontving op grond van de Participatiewet (PW) en de buiten behandelingstelling van zijn aanvraag om bijstand van 1 december 2025. [eiser] is het niet eens met de besluiten van het college. Aan de hand van zijn beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de intrekking van de uitkering per 20 november 2025 en de buiten behandelingstelling van de aanvraag om bijstand van 1 december 2025. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen slagen. [eiser] krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Feiten en procesverloop


1.1.

[eiser] ontving bijstand van het college naar de kostendelersnorm.



1.2.
In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft het college [eiser] bij brief van 11 november 2025 verzocht om een statusformulier in te vullen en bankafschriften over de periode 11 augustus 2025 tot en met 10 november 2025 aan het college te sturen. Hij kreeg daarvoor de tijd tot en met 19 november 2025. [eiser] heeft hierop niet gereageerd.



1.3.
Bij besluit van 20 november 2025 heeft het college, naar de rechtbank begrijpt met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW, het recht op bijstand opgeschort met ingang van 20 november 2025 omdat [eiser] het statusformulier en de bankafschriften niet heeft overgelegd. Het college heeft [eiser] bij dat besluit opnieuw in de gelegenheid gesteld voornoemde bankafschriften en het statusformulier te overleggen. Hij kreeg daarvoor de tijd tot 28 november 2025. [eiser] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het opschortingsbesluit.



1.4.


[eiser] heeft het statusformulier niet ingeleverd en de bankafschriften pas op
1 december 2025 overgelegd. Daarom heeft het college bij besluit van 1 december 2025, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 april 2026 (bestreden besluit I) de bijstand van [eiser] ingetrokken per 20 november 2025 omdat hij de medewerkingsverplichting heeft geschonden. Zoals de gemachtigde van het college ter zitting nader heeft toegelicht, berust dit besluit op artikel 54, vierde lid, van de PW.




1.5.


[eiser] heeft op 1 december 2025 een aanvraag gedaan om hem opnieuw bijstand toe te kennen. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 22 december 2025, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 april 2026 (bestreden besluit II) op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Daaraan ligt ten grondslag dat [eiser] niet is verschenen op de gesprekken van 16 december 2025 en
22 december 2025, waarvoor hij door het college was uitgenodigd.






Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de intrekking van de uitkering per

20 november 2025 en de buiten behandelingstelling van de aanvraag om bijstand van
1 december 2025. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiser].




Intrekking van bijstand per 20 november 2025



3. [eiser] heeft onder meer aangevoerd dat hij de brief van 11 november 2025 niet heeft ontvangen.


3.1.
Bij de intrekking na opschorting moet worden beoordeeld of de betrokkene het verzuim heeft hersteld. Van verzuim als hier bedoeld is pas sprake als het college voorafgaande aan het opschortingsbesluit duidelijk heeft gemaakt welke specifieke gegevens de betrokkene had moeten verstrekken of medewerking had moeten verlenen en deze gegevens of medewerking ten tijde van het opschortingsbesluit niet of niet volledig binnen de gestelde termijn zijn geleverd. Dit betekent ook dat als in een opschortingsbesluit voor het eerst om bepaalde gegevens, bewijsstukken of medewerking wordt gevraagd, in zoverre geen sprake is van verzuim. In die situatie is het college niet bevoegd wegens het niet verstrekken van die inlichtingen of gegevens of gebrek aan die medewerking de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW in te trekken. Dit is vaste rechtspraak.



3.2.

In dit geval was [eiser] pas vanaf 28 november 2025 in verzuim. Het college heeft de verzending van de brief van 11 november 2025 niet aannemelijk kunnen maken omdat zij geen verzendadministratie heeft en [eiser] heeft steeds gezegd dat hij deze brief niet heeft ontvangen. Dit betekent dat [eiser] in het opschortingsbesluit pas voor de eerste keer is verzocht om het statusformulier en de bankafschriften te verstrekken, waarvoor hij tot
28 november 2025 de tijd heeft gekregen en wat hij niet volledig heeft gedaan. Hij was dan ook pas vanaf die datum in verzuim om gegevens te verstrekken. Het college heeft [eiser] echter ten onrechte geen gelegenheid geboden dit verzuim te herstellen en hem dus geen tweede kans geboden de gegevens te verstrekken, maar direct de bijstand ingetrokken.




3.3.
Het college had, gelet op de eerder genoemde rechtspraak, [eiser] alsnog in de gelegenheid moeten stellen om het verzuim te herstellen. In geval bepaalde gegevens pas in een opschortingsbesluit worden gevraagd en daarmee feitelijk maar één kans wordt gegeven om gevraagde gegevens of bewijsstukken te verstrekken, is een college namelijk niet bevoegd de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW in te trekken.



3.4.
De rechtbank volgt het college niet in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat de onder 3.2 bedoelde rechtspraak in dit geval toepassing mist, omdat de betrokkene in die zaak niet bekend was met het opschortingsbesluit, terwijl [eiser] door het opschortingsbesluit wel op de hoogte was van wat van hem werd verwacht. Zowel in de bedoelde uitspraak als in de onderhavige zaak was de betrokkene niet bekend met het eerste verzoek om gegevens, maar wel met het opschortingsbesluit. De essentie van deze rechtspraak is dat aan de ontvanger van bijstand een herstelkans moet worden geboden voordat het recht op bijstand wordt ingetrokken.



3.5.
Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het college niet bevoegd was om de bijstand van [eiser] met ingang van 20 november 2025 in te trekken. Omdat het college niet bevoegd was om de bijstand van [eiser] in te trekken zal de rechtbank bestreden besluit I vernietigen en het besluit van 1 december 2025 herroepen. De rechtbank ziet geen aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen om [eiser] alsnog een herstelkans te geven. Als de opschorting langer dan acht weken duurt, mag het college namelijk niet meer intrekking op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW overgaan. Inmiddels zijn er (veel) meer dan acht weken verstreken sinds 20 november 2025, zodat het alsnog bieden van een herstelkans zinloos zou zijn.



Buiten behandelingstelling van de aanvraag om bijstand van 1 december 2025




4. Wat is overwogen in 3.5 brengt met zich mee dat de rechtsgrond aan de buiten behandelingstelling van de aanvraag van 1 december 2025 is vervallen. Achteraf moet namelijk worden vastgesteld dat [eiser] geen nieuwe aanvraag om bijstand had hoeven doen, nu het recht op bijstand vanaf 20 november 2025 is blijven doorlopen. De besluitvorming op die aanvraag kan daarom niet in stand blijven. De rechtbank zal daarom ook bestreden besluit 2 vernietigen en het besluit van 22 december 2025 herroepen.






Conclusie en gevolgen


5.1.
De beroepen zijn, gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen en de primaire besluiten herroepen. Dat betekent dat het recht op bijstand vanaf 20 november 2025 is blijven doorlopen en dat een nieuwe aanvraag niet nodig was. De gronden die [eiser] verder heeft aangevoerd behoeven daarom geen bespreking meer.



5.2.
De rechtbank zal het college veroordelen in de proceskosten van [eiser] in bezwaar en in beroep. De gemachtigde heeft in beide zaken een bezwaarschrift en een beroepschrift ingediend. De vergoeding voor verleende rechtsbijstand bedraagt dan op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in bezwaar € 1.332,-, en in beroep € 1.868,-, dus in totaal € 3.200,-. Ook moet het college aan [eiser] de door hem betaalde griffierechten van in totaal € 108,- vergoeden.






Beslissing


De rechtbank:


- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten van 7 april 2026;
- herroept de besluiten van 1 en 22 december 2025;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde besluiten van 7 april 2026;
- veroordeelt het college tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan [eiser];
- bepaalt dat het college de griffierechten van € 108,- aan [eiser] moet vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier. Uitgesproken in het openbaar op














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Artikel 54 Participatiewet


1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. (…)

4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.


Zie de uitspraak van 25 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:803


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 20 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:864 en van 25 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:803.


Vergelijk de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 6 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:258, en van 27 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:124