Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5545
2026-09-16
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ZWO 25/3527
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV eiseres terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor een WIA-uitkering. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBOVE:2025:3376 Rechtbank Overijssel 26-05-2025
- ECLI:NL:CRVB:2024:53 Centrale Raad van Beroep 10-01-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.922 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3527
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna te noemen: [eiseres]),
gemachtigde: mr. K. Aslan,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV
gemachtigde: mr. Y.A. van Veelen.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiseres] om een uitkering op grond van de Wet WIA. [eiseres] is het er niet mee eens dat het UWV aan haar vanaf 9 oktober 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend. Zij voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank of het besluit van het UWV terecht is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV [eiseres] terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor een WIA-uitkering. [eiseres] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. In eerste instantie had het UWV [eiseres] in het besluit van 13 maart 2024 laten weten dat zij met ingang van 9 oktober 2023 geen WIA-uitkering krijgt. Het bezwaar dat [eiseres] tegen dit besluit heeft gemaakt, heeft het UWV in het besluit van
23 september 2024 ongegrond verklaard. [eiseres] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. In de uitspraak van 26 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep van [eiseres] gegrond verklaard, het besluit van 23 september 2024 vernietigd en bepaald dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van de uitspraak.
2.1.
In het besluit van 27 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van [eiseres] opnieuw ongegrond verklaard.
2.2.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres], haar gemachtigde en de gemachtigde van het UWV. Ook is verschenen [naam], ex-partner van [eiseres].
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Voor de voorgeschiedenis en voor de feiten en omstandigheden die voor deze zaak van belang zijn, verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 26 mei 2025. Daaraan voegt zij toe dat zij dat beroep gegrond heeft verklaard, omdat – kort gezegd – het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Zo is niet gebleken dat de verzekeringsarts bij het onderzoek naar de belastbaarheid van [eiseres], bekend was met alle onderliggende medische informatie. De rechtbank heeft geoordeeld dat het ziektebeeld van [eiseres] op de datum in geding onvoldoende in kaart is gebracht en dat de informatie van de psychotherapeut, waaruit onder meer een fluctuerend beeld blijkt, (nog) onvoldoende in de motivering is betrokken. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende zijn gemotiveerd, omdat de omstandigheden waaronder [eiseres] haar huidige werkzaamheden uitvoert, niet zijn betrokken in de beoordeling.
3.1.
Op 23 september 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een rapport uitgebracht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op 24 oktober 2025 gerapporteerd. Vervolgens heeft het UWV het besluit van 27 oktober 2025 genomen.
Standpunt van het UWV
4. Het UWV stelt zich op het standpunt dat [eiseres] met ingang van 9 oktober 2023 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] minder is dan 35% (15,78%). Het UWV heeft dit gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.
Standpunt van [eiseres]
5. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het UWV haar klachten en beperkingen heeft onderschat. Ook de aanvullende beperkingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van de medische informatie van Dimence van 29 augustus 2023 heeft toegekend, komen niet tegemoet aan de klachten en beperkingen die [eiseres] ervaart. [eiseres] stelt verder dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte meent dat de diagnose die in de informatie van GGZ-instelling Evenzicht (Evenzicht) van september 2025 wordt vermeld, een geheel nieuwe diagnose is die na de datum in geding is gesteld. In de informatie van Evenzicht wordt naast de paniekstoornis als diagnose depersonalisatie-/derealisatiestoornis vermeld. De depersonalisatie-/derealisatiestoornis zou volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuwe diagnose zijn. Uit medische informatie van Dimence van 29 augustus 2023 volgt echter dat de psychotherapeut al meldt dat [eiseres] gedurende de behandeling ook last kreeg van gevoelens van derealisatie en depersonalisatie. Dit maakt volgens [eiseres] duidelijk dat Dimence in 2023 symptomen van derealisatie en depersonalisatie heeft kunnen waarnemen en er hiervoor zelfs een gerichte behandeling is toegepast. Volgens [eiseres] is de kans aanwezig dat de diagnose die Evenzicht in 2025 heeft gesteld, ook al in 2023 aanwezig was. In ieder geval is aan te nemen dat er klachten van derealisatie en depersonalisatie speelden. Ten onrechte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit niet betrokken bij zijn beoordeling, aldus [eiseres].
voert verder aan dat als ervan uitgegaan moet worden dat de depersonalisatie-/derealisatiestoornis een geheel nieuwe diagnose is, gesteld kan worden dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer beperkingen had moeten toekennen. In de informatie van Dimence van 29 augustus 2023 wordt expliciet vermeld dat in vergelijking met het begin van de behandeling de angstklachten zijn toegenomen. Er is slechts een verbetering te merken in het feit dat [eiseres] zich minder afhankelijk van anderen probeert op te stellen, aldus de psychotherapeut. Volgens de psychotherapeut blijft de problematiek waar [eiseres] mee te kampen heeft hardnekkig. Er is bij [eiseres] sprake van aanhoudende paniekklachten en zij ervaart moeilijkheden in het adequaat reguleren van haar emoties. [eiseres] heeft angst om alleen te zijn, omdat zij dan snel overspoeld wordt door paniek. Deze problematiek komt niet voldoende tot uiting in de FML. Volgens [eiseres] had de verzekeringsarts bezwaar en beroep een beperking moeten toekennen ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen (item 2.6) en het uiten van de eigen gevoelens (item 2.7). [eiseres] is door de combinatie van stoornissen ernstig beperkt in haar functioneren en er bestaat voldoende reden om een verdergaande urenbeperking aan te nemen.
stelt zich verder op het standpunt dat zij niet in staat is de functie van medewerker postbezorging uit te oefenen. Zij is beperkt op item 1.8.1 wat inhoudt dat geen sprake mag zijn van een lawaaierige werkomgeving. In deze functie is sprake van lawaai van snijmachines. In de toelichting bij item 3.6 wordt vermeld dat men gedurende een half uur per dag in de snijkamer werkzaam is. Aldaar heeft men te maken met het lawaai van 4 snijmachines. Ten onrechte heeft de arbeidskundige bezwaar en beroep dan ook aangenomen dat sprake is van een relatief rustige werkomgeving.
Reactie van het UWV
6. In reactie op wat [eiseres] in beroep heeft aangevoerd, heeft het UWV een rapport van 18 maart 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van
19 maart 2026 van de arbeidskundige bezwaar en beroep ingediend en geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
Beoordeling door de rechtbank
7. In geschil is of het UWV [eiseres] op de datum in geding, 9 oktober 2023, terecht minder dan 35% arbeidsongeschikt heeft geacht, zodat zij niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
De verzekeringsgeneeskundige beoordeling
7.1
De belastbaarheid van [eiseres] op de datum in geding is naar het oordeel van de rechtbank op navolgbaar gemotiveerde wijze weergegeven in de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
7.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft acht geslagen op de behandeling die [eiseres] heeft ondergaan. Zij onderging cognitieve gedragstherapie van januari 2023 tot november 2023. Er was volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep sprake van een verbeterende trend in de psychische klachten in deze periode. Daaruit volgt dat de psychische toestand van [eiseres] op de datum in geding iets beter was dan in augustus 2023. De verzekeringsarts bezwaar en beroep gaat bij haar beoordeling uit van de medische aandoeningen die vermeld staan in de brief van Dimence van 29 augustus 2023; een andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis, een paniekstoornis, deels in remissie en een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. De obsessieve compulsieve stoornis was op dat moment al in remissie, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit voornoemde brief van Dimence blijkt voorts dat [eiseres] de neiging heeft zich afhankelijk van anderen op te stellen, vermijdingsgedrag toont en moeilijkheden ervaart in het adequaat reguleren van haar emoties. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht [eiseres] daarom verdergaand beperkt voor het omgaan met conflicten. Ook kan zij intensieve en/of langdurige klantcontacten niet aan. Verder is [eiseres] aangewezen op werk waarin doorgaans weinig of geen direct contact met patiënten en hulpbehoevenden vereist is. Zij is daarnaast aangewezen op werk waarin zo nodig teruggevallen kan worden op directe collega’s of leidinggevenden. Met deze beperkingen en de eerder aangenomen beperkingen wordt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in voldoende mate rekening gehouden met de medische problemen zoals beschreven in de brief van Dimence van 29 augustus 2023. De informatie van Evenzicht laat een significante verslechtering zien van de psychische toestand. Er wordt melding gemaakt van een depersonalisatie-/derealisatiestoornis en een paniekstoornis. Deze verslechtering is evident na de datum in geding opgetreden. In de overgelegde medische informatie van Evenzicht van september 2025 ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarom geen aanleiding om meer of verdergaande beperkingen per datum in geding aan te nemen. De verzekeringsarts heeft in de FML beperkingen aangenomen voor de onderdelen ‘persoonlijk functioneren’, ‘sociaal functioneren’ en ‘werktijden’.
7.3.
In haar rapport van 18 maart 2026 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingegaan op het feit dat in de brief van Dimence van 29 augustus 2023 al wordt gesproken over gevoelens van derealisatie en depersonalisatie waarvoor psycho-educatie is geboden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep betekent het ervaren van gevoelens van derealisatie en depersonalisatie niet dat er ook sprake is van depersonalisatie-/derealisatiestoornis. Een persoon moet aan meerdere criteria voldoen voordat deze diagnose kan worden gesteld. Er zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen objectieve aanwijzingen dat deze stoornis al op de datum in geding speelde. De diagnose wordt in de brieven van Dimence van augustus en december 2023 niet gemeld. Ook gaf [eiseres] bij het medisch spreekuur aan dat de klachten na de datum in geding beduidend toegenomen zijn. Uit de brief van Evenzicht van september 2025 blijkt voorts dat deze klachten nu ook meer op de voorgrond staan dan eerder. De gevoelens van depersonalisatie en derealisatie moeten volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep gezien worden als een symptoom bij de diagnose ‘andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis’. Met die diagnose is al rekening gehouden in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep meent dat met de reeds aangenomen beperkingen in voldoende mate tegemoet wordt gekomen aan de psychische problematiek van [eiseres]. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst er verder op dat de brief van Dimence van 29 augustus 2023 een voorzichtige verbetering meldt. Zo probeert [eiseres] zich minder afhankelijk van anderen probeert op te stellen. Daarnaast lukt het [eiseres] steeds beter om minder te vermijden bij gevoelens van angst door bijvoorbeeld wel naar haar werk te gaan of andere activiteiten te ondernemen. Ook heeft zij meer inzicht gekregen in haar eigen emoties en kan ze de emoties van anderen eerder opmerken. Voor wat betreft de paniekklachten wordt aangegeven dat de paniekstoornis op dat moment al deels in remissie is. Met de reeds aangenomen beperkingen in persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en werktijden wordt voldoende rekeningen gehouden met de op datum in geding bestaande psychische problemen, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
7.4.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Zij heeft afdoende gemotiveerd dat op de datum in geding niet meer en verdergaande beperkingen nodig zijn, in het bijzonder ten aanzien van de gevoelens van depersonalisatie en derealisatie. Ook de gestelde omstandigheid dat inmiddels de diagnose depersonalisatie-/derealisatiestoornis is gesteld, is op zichzelf geen aanleiding om meer beperkingen vast te stellen. Uit de medische informatie die in het dossier zit, blijkt de rechtbank niet van aanwijzingen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld had van de medische situatie van [eiseres] of een verkeerde inschatting hebben gemaakt van haar belastbaarheid op de datum in geding. Het is bovendien vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat niet een diagnose, maar de medisch objectiveerbare beperkingen van belang zijn voor een juiste beoordeling van de belastbaarheid. Of en in welke mate een bepaalde diagnose voor iemand beperkingen met zich meebrengt, kan uit de enkele diagnose niet worden afgeleid maar vergt een op de persoon toegesneden individuele beoordeling. Dit alles betekent dat de rechtbank vindt dat het UWV mocht uitgaan van de juistheid van de medische rapporten en de daarbij behorende FML.
De arbeidskundige beoordeling
7.5.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voor [eiseres] de functies assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041), medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140) en medewerker binderij, drukkerij (SBC-code 268030) geselecteerd. Uitgaande van de FML is het aannemelijk dat [eiseres] in staat is om deze aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. In de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 oktober 2025 en 19 maart 2026 is naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom deze functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van [eiseres] op de datum in geding. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in het bijzonder ingegaan op het feit dat [eiseres] aangewezen is op werk waarbij zij niet of nauwelijks wordt afgeleid door activiteiten door anderen in relatie tot het werken in een lawaaiige omgeving (medewerker postverzorging (intern)). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft er in dit verband op gewezen dat het aspect ‘afleiding door anderen’ ziet op werksituaties waarin anderen bij de uitvoering van hun taken of anderszins een potentiële bron van afleiding van de aandacht zijn voor [eiseres], waardoor de continuïteit van de werkzaamheden in het geding komt. Lawaai door snijmachines valt daar niet onder. Bovendien is het lawaai in voornoemde functie niet substantieel aanwezig en is er gehoorbescherming aanwezig die het geluid reduceert, aldus de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Deze toelichting kan worden gevolgd en hiermee staat voldoende vast dat de functie medewerker postverzorging (intern) ook in dit opzicht passend is voor [eiseres].
7.6.
Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] per 9 oktober 2023 terecht heeft vastgesteld op 15,78% en dus minder dan 35%. Dit betekent dat het UWV terecht aan [eiseres] geen WIA-uitkering heeft toegekend.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
ECLI:NL:RBOVE:2025:3376.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:53.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3527
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna te noemen: [eiseres]),
gemachtigde: mr. K. Aslan,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV
gemachtigde: mr. Y.A. van Veelen.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiseres] om een uitkering op grond van de Wet WIA. [eiseres] is het er niet mee eens dat het UWV aan haar vanaf 9 oktober 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend. Zij voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank of het besluit van het UWV terecht is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV [eiseres] terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor een WIA-uitkering. [eiseres] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. In eerste instantie had het UWV [eiseres] in het besluit van 13 maart 2024 laten weten dat zij met ingang van 9 oktober 2023 geen WIA-uitkering krijgt. Het bezwaar dat [eiseres] tegen dit besluit heeft gemaakt, heeft het UWV in het besluit van
23 september 2024 ongegrond verklaard. [eiseres] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. In de uitspraak van 26 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep van [eiseres] gegrond verklaard, het besluit van 23 september 2024 vernietigd en bepaald dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van de uitspraak.
2.1.
In het besluit van 27 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van [eiseres] opnieuw ongegrond verklaard.
2.2.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres], haar gemachtigde en de gemachtigde van het UWV. Ook is verschenen [naam], ex-partner van [eiseres].
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Voor de voorgeschiedenis en voor de feiten en omstandigheden die voor deze zaak van belang zijn, verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 26 mei 2025. Daaraan voegt zij toe dat zij dat beroep gegrond heeft verklaard, omdat – kort gezegd – het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Zo is niet gebleken dat de verzekeringsarts bij het onderzoek naar de belastbaarheid van [eiseres], bekend was met alle onderliggende medische informatie. De rechtbank heeft geoordeeld dat het ziektebeeld van [eiseres] op de datum in geding onvoldoende in kaart is gebracht en dat de informatie van de psychotherapeut, waaruit onder meer een fluctuerend beeld blijkt, (nog) onvoldoende in de motivering is betrokken. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende zijn gemotiveerd, omdat de omstandigheden waaronder [eiseres] haar huidige werkzaamheden uitvoert, niet zijn betrokken in de beoordeling.
3.1.
Op 23 september 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een rapport uitgebracht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op 24 oktober 2025 gerapporteerd. Vervolgens heeft het UWV het besluit van 27 oktober 2025 genomen.
Standpunt van het UWV
4. Het UWV stelt zich op het standpunt dat [eiseres] met ingang van 9 oktober 2023 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] minder is dan 35% (15,78%). Het UWV heeft dit gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.
Standpunt van [eiseres]
5. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het UWV haar klachten en beperkingen heeft onderschat. Ook de aanvullende beperkingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van de medische informatie van Dimence van 29 augustus 2023 heeft toegekend, komen niet tegemoet aan de klachten en beperkingen die [eiseres] ervaart. [eiseres] stelt verder dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte meent dat de diagnose die in de informatie van GGZ-instelling Evenzicht (Evenzicht) van september 2025 wordt vermeld, een geheel nieuwe diagnose is die na de datum in geding is gesteld. In de informatie van Evenzicht wordt naast de paniekstoornis als diagnose depersonalisatie-/derealisatiestoornis vermeld. De depersonalisatie-/derealisatiestoornis zou volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuwe diagnose zijn. Uit medische informatie van Dimence van 29 augustus 2023 volgt echter dat de psychotherapeut al meldt dat [eiseres] gedurende de behandeling ook last kreeg van gevoelens van derealisatie en depersonalisatie. Dit maakt volgens [eiseres] duidelijk dat Dimence in 2023 symptomen van derealisatie en depersonalisatie heeft kunnen waarnemen en er hiervoor zelfs een gerichte behandeling is toegepast. Volgens [eiseres] is de kans aanwezig dat de diagnose die Evenzicht in 2025 heeft gesteld, ook al in 2023 aanwezig was. In ieder geval is aan te nemen dat er klachten van derealisatie en depersonalisatie speelden. Ten onrechte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit niet betrokken bij zijn beoordeling, aldus [eiseres].
voert verder aan dat als ervan uitgegaan moet worden dat de depersonalisatie-/derealisatiestoornis een geheel nieuwe diagnose is, gesteld kan worden dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer beperkingen had moeten toekennen. In de informatie van Dimence van 29 augustus 2023 wordt expliciet vermeld dat in vergelijking met het begin van de behandeling de angstklachten zijn toegenomen. Er is slechts een verbetering te merken in het feit dat [eiseres] zich minder afhankelijk van anderen probeert op te stellen, aldus de psychotherapeut. Volgens de psychotherapeut blijft de problematiek waar [eiseres] mee te kampen heeft hardnekkig. Er is bij [eiseres] sprake van aanhoudende paniekklachten en zij ervaart moeilijkheden in het adequaat reguleren van haar emoties. [eiseres] heeft angst om alleen te zijn, omdat zij dan snel overspoeld wordt door paniek. Deze problematiek komt niet voldoende tot uiting in de FML. Volgens [eiseres] had de verzekeringsarts bezwaar en beroep een beperking moeten toekennen ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen (item 2.6) en het uiten van de eigen gevoelens (item 2.7). [eiseres] is door de combinatie van stoornissen ernstig beperkt in haar functioneren en er bestaat voldoende reden om een verdergaande urenbeperking aan te nemen.
stelt zich verder op het standpunt dat zij niet in staat is de functie van medewerker postbezorging uit te oefenen. Zij is beperkt op item 1.8.1 wat inhoudt dat geen sprake mag zijn van een lawaaierige werkomgeving. In deze functie is sprake van lawaai van snijmachines. In de toelichting bij item 3.6 wordt vermeld dat men gedurende een half uur per dag in de snijkamer werkzaam is. Aldaar heeft men te maken met het lawaai van 4 snijmachines. Ten onrechte heeft de arbeidskundige bezwaar en beroep dan ook aangenomen dat sprake is van een relatief rustige werkomgeving.
Reactie van het UWV
6. In reactie op wat [eiseres] in beroep heeft aangevoerd, heeft het UWV een rapport van 18 maart 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van
19 maart 2026 van de arbeidskundige bezwaar en beroep ingediend en geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
Beoordeling door de rechtbank
7. In geschil is of het UWV [eiseres] op de datum in geding, 9 oktober 2023, terecht minder dan 35% arbeidsongeschikt heeft geacht, zodat zij niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
De verzekeringsgeneeskundige beoordeling
7.1
De belastbaarheid van [eiseres] op de datum in geding is naar het oordeel van de rechtbank op navolgbaar gemotiveerde wijze weergegeven in de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
7.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft acht geslagen op de behandeling die [eiseres] heeft ondergaan. Zij onderging cognitieve gedragstherapie van januari 2023 tot november 2023. Er was volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep sprake van een verbeterende trend in de psychische klachten in deze periode. Daaruit volgt dat de psychische toestand van [eiseres] op de datum in geding iets beter was dan in augustus 2023. De verzekeringsarts bezwaar en beroep gaat bij haar beoordeling uit van de medische aandoeningen die vermeld staan in de brief van Dimence van 29 augustus 2023; een andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis, een paniekstoornis, deels in remissie en een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. De obsessieve compulsieve stoornis was op dat moment al in remissie, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit voornoemde brief van Dimence blijkt voorts dat [eiseres] de neiging heeft zich afhankelijk van anderen op te stellen, vermijdingsgedrag toont en moeilijkheden ervaart in het adequaat reguleren van haar emoties. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht [eiseres] daarom verdergaand beperkt voor het omgaan met conflicten. Ook kan zij intensieve en/of langdurige klantcontacten niet aan. Verder is [eiseres] aangewezen op werk waarin doorgaans weinig of geen direct contact met patiënten en hulpbehoevenden vereist is. Zij is daarnaast aangewezen op werk waarin zo nodig teruggevallen kan worden op directe collega’s of leidinggevenden. Met deze beperkingen en de eerder aangenomen beperkingen wordt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in voldoende mate rekening gehouden met de medische problemen zoals beschreven in de brief van Dimence van 29 augustus 2023. De informatie van Evenzicht laat een significante verslechtering zien van de psychische toestand. Er wordt melding gemaakt van een depersonalisatie-/derealisatiestoornis en een paniekstoornis. Deze verslechtering is evident na de datum in geding opgetreden. In de overgelegde medische informatie van Evenzicht van september 2025 ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarom geen aanleiding om meer of verdergaande beperkingen per datum in geding aan te nemen. De verzekeringsarts heeft in de FML beperkingen aangenomen voor de onderdelen ‘persoonlijk functioneren’, ‘sociaal functioneren’ en ‘werktijden’.
7.3.
In haar rapport van 18 maart 2026 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingegaan op het feit dat in de brief van Dimence van 29 augustus 2023 al wordt gesproken over gevoelens van derealisatie en depersonalisatie waarvoor psycho-educatie is geboden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep betekent het ervaren van gevoelens van derealisatie en depersonalisatie niet dat er ook sprake is van depersonalisatie-/derealisatiestoornis. Een persoon moet aan meerdere criteria voldoen voordat deze diagnose kan worden gesteld. Er zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen objectieve aanwijzingen dat deze stoornis al op de datum in geding speelde. De diagnose wordt in de brieven van Dimence van augustus en december 2023 niet gemeld. Ook gaf [eiseres] bij het medisch spreekuur aan dat de klachten na de datum in geding beduidend toegenomen zijn. Uit de brief van Evenzicht van september 2025 blijkt voorts dat deze klachten nu ook meer op de voorgrond staan dan eerder. De gevoelens van depersonalisatie en derealisatie moeten volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep gezien worden als een symptoom bij de diagnose ‘andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis’. Met die diagnose is al rekening gehouden in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep meent dat met de reeds aangenomen beperkingen in voldoende mate tegemoet wordt gekomen aan de psychische problematiek van [eiseres]. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst er verder op dat de brief van Dimence van 29 augustus 2023 een voorzichtige verbetering meldt. Zo probeert [eiseres] zich minder afhankelijk van anderen probeert op te stellen. Daarnaast lukt het [eiseres] steeds beter om minder te vermijden bij gevoelens van angst door bijvoorbeeld wel naar haar werk te gaan of andere activiteiten te ondernemen. Ook heeft zij meer inzicht gekregen in haar eigen emoties en kan ze de emoties van anderen eerder opmerken. Voor wat betreft de paniekklachten wordt aangegeven dat de paniekstoornis op dat moment al deels in remissie is. Met de reeds aangenomen beperkingen in persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en werktijden wordt voldoende rekeningen gehouden met de op datum in geding bestaande psychische problemen, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
7.4.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Zij heeft afdoende gemotiveerd dat op de datum in geding niet meer en verdergaande beperkingen nodig zijn, in het bijzonder ten aanzien van de gevoelens van depersonalisatie en derealisatie. Ook de gestelde omstandigheid dat inmiddels de diagnose depersonalisatie-/derealisatiestoornis is gesteld, is op zichzelf geen aanleiding om meer beperkingen vast te stellen. Uit de medische informatie die in het dossier zit, blijkt de rechtbank niet van aanwijzingen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld had van de medische situatie van [eiseres] of een verkeerde inschatting hebben gemaakt van haar belastbaarheid op de datum in geding. Het is bovendien vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat niet een diagnose, maar de medisch objectiveerbare beperkingen van belang zijn voor een juiste beoordeling van de belastbaarheid. Of en in welke mate een bepaalde diagnose voor iemand beperkingen met zich meebrengt, kan uit de enkele diagnose niet worden afgeleid maar vergt een op de persoon toegesneden individuele beoordeling. Dit alles betekent dat de rechtbank vindt dat het UWV mocht uitgaan van de juistheid van de medische rapporten en de daarbij behorende FML.
De arbeidskundige beoordeling
7.5.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voor [eiseres] de functies assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041), medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140) en medewerker binderij, drukkerij (SBC-code 268030) geselecteerd. Uitgaande van de FML is het aannemelijk dat [eiseres] in staat is om deze aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. In de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 oktober 2025 en 19 maart 2026 is naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom deze functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van [eiseres] op de datum in geding. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in het bijzonder ingegaan op het feit dat [eiseres] aangewezen is op werk waarbij zij niet of nauwelijks wordt afgeleid door activiteiten door anderen in relatie tot het werken in een lawaaiige omgeving (medewerker postverzorging (intern)). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft er in dit verband op gewezen dat het aspect ‘afleiding door anderen’ ziet op werksituaties waarin anderen bij de uitvoering van hun taken of anderszins een potentiële bron van afleiding van de aandacht zijn voor [eiseres], waardoor de continuïteit van de werkzaamheden in het geding komt. Lawaai door snijmachines valt daar niet onder. Bovendien is het lawaai in voornoemde functie niet substantieel aanwezig en is er gehoorbescherming aanwezig die het geluid reduceert, aldus de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Deze toelichting kan worden gevolgd en hiermee staat voldoende vast dat de functie medewerker postverzorging (intern) ook in dit opzicht passend is voor [eiseres].
7.6.
Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] per 9 oktober 2023 terecht heeft vastgesteld op 15,78% en dus minder dan 35%. Dit betekent dat het UWV terecht aan [eiseres] geen WIA-uitkering heeft toegekend.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
ECLI:NL:RBOVE:2025:3376.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:53.