Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5544
2026-09-16
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ZWO 25/3211
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag om vergoeding van de kosten voor de aanschaf en de opleiding van een hond tot hulphond terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
Citeert (10)
- ECLI:NL:CRVB:2026:618 Centrale Raad van Beroep 20-05-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:620 Centrale Raad van Beroep 20-05-2026
- ECLI:NL:CRVB:2024:376 Centrale Raad van Beroep 22-02-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:1467 Centrale Raad van Beroep 19-07-2024
- ECLI:NL:CRVB:2026:618 Centrale Raad van Beroep 20-05-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:620 Centrale Raad van Beroep 20-05-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:620 Centrale Raad van Beroep 20-05-2026
- ECLI:NL:CRVB:2017:3538 Centrale Raad van Beroep 11-10-2017
- ECLI:NL:CRVB:2018:1113 Centrale Raad van Beroep 11-04-2018
- ECLI:NL:CRVB:2015:3266 Centrale Raad van Beroep 16-09-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.497 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3211
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna te noemen: [eiser]),
gemachtigde: mr. D. Uygul,
en
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo, het college,
gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2].
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. [eiser] heeft gevraagd om vergoeding van de kosten van de aanschaf en opleiding van een hond tot hulphond. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. [eiser] is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag om vergoeding van de kosten voor de aanschaf en de opleiding van een hond tot hulphond terecht heeft afgewezen. [eiser] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. [eiser] heeft op 8 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 bestaande uit vergoeding voor de aanschaf en opleiding van een hulphond in de vorm van een pgb. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 29 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 september 2025 op het bezwaar van [eiser] is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Naar aanleiding van een drietal uitspraken van 20 mei 2026 van de CRvB over, kort gezegd, de vergoeding van de kosten van een hulphond op grond van de Wmo 2015, heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld op deze uitspraken te reageren. Het college heeft bij brief van 9 juli 2026 gereageerd. [eiser] heeft op 24 juli 2026 gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college. Ook is verschenen [naam], begeleidster van [eiser], werkzaam bij Vital Focus.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. [eiser] is gediagnosticeerd met ADHD. Ook is genderdysforie vastgesteld. Als gevolg van traumatische ervaringen, heeft hij PTSS ontwikkeld. Ook heeft hij nachtmerries. Daarnaast is [eiser] bekend met een FNS. Hij wordt begeleid door Vital Focus. [eiser] loopt vast in het dagelijks functioneren en ervaart onder meer spanningen, stress en vermoeidheid.
3.1.
[eiser] heeft zich op 8 mei 2024 bij het college gemeld met een verzoek om een vergoeding voor de kosten (van de opleiding) van een hulphond. Daarop heeft de Wmo-consulent op 24 juni 2024 telefonisch gesproken met de begeleider van [eiser] en een onderzoeksverslag opgesteld. Het college wijst erop dat voor de problematiek van [eiser] geen maatwerkvoorziening kan worden ingezet. De vergoeding van een hulphond valt niet onder de Wmo 2015, maar onder de Zvw.
3.2.
[eiser] heeft op 8 augustus 2024 een Wmo-aanvraag ingediend.
3.3.
Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag voor een vergoeding van de opleidingskosten van een hulphond afgewezen. Volgens het college is gedragsregulatie het doel van een hulphond. Een hulphond kan via de Zvw ingezet worden voor een therapeutisch doel en niet voor participatie. De Wmo is er niet om therapeutische doelen te realiseren en daarom wordt de hulphond niet vanuit de Wmo vergoed, aldus het college.
3.4.
[eiser] heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft aangevoerd dat het doel van de hulphond is om zijn participatie te vergroten. Hij wordt belemmerd en geïsoleerd vanwege zijn PTSS en FNS. [eiser] wijst erop dat een hulphond hem juist vertrouwen, steun en afleiding geeft. Tot dusver hebben diverse behandelingen, therapieën en begeleiding niet geholpen.
3.5.
Het college heeft in wat [eiser] in bezwaar heeft aangevoerd aanleiding gezien hem te laten onderzoeken door een medisch adviseur. [eiser] is op 29 januari 2025 onderzocht, in het bijzijn van zijn begeleider. Op 17 april 2025 heeft de medisch adviseur een rapport uitgebracht. Op 18 september 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
Standpunt van het college
4. Volgens het college komt [eiser] niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor de vergoeding voor de kosten van de opleiding van een hulphond. Het college verwijst naar het onderzoeksverslag en het rapport van de medisch adviseur waaruit volgt dat de omvang van de ondersteuningsbehoefte van [eiser] wisselt. In stabiele periodes functioneert [eiser] grotendeels zelfstandig, maar in periodes van verhoogde spanning, is sprake van een verhoogde behoefte aan signalering, geruststelling en structuur. Deze behoefte is er niet continu, maar wel onvoorspelbaar en kan meerdere keren per dag optreden, ook in de nacht. [eiser] heeft een maatwerkvoorziening individuele begeleiding voor gemiddeld 2 uur per week. Volgens het college is deze omvang adequaat. Daarbij betrekt het college dat uit het dossier en het medisch rapport volgt dat [eiser] ondanks zijn psychische problematiek op een hoog niveau gebruik maakt van zijn eigen kracht en zijn sociale netwerk. Verder wijst het college erop dat [eiser] zelf georganiseerd heeft dat hij een hond in huis heeft. [eiser] heeft verklaard dat de aanwezigheid van deze hond al rust geeft en bijdraagt aan een betere nachtrust en minder slaapverlammingen. Het college wijst erop dat een wens voor een concrete voorziening, een hulphond, niet hetzelfde is als een ondersteuningsbehoefte in de zin van de Wmo 2015. Het college concludeert op basis van de feitelijke situatie dat [eiser] reeds en op duurzame wijze zelfredzaam is en participeert in de samenleving. Verder wijst het college op uitspraken van de CRvB waarin is geoordeeld dat gemeenten niet zijn gehouden kosten van de (opleiding van de) PTSS-hulphond of psychosociale hulphond te vergoeden. Dit omdat, kort gezegd, in de Zvw bewust is gekozen die kosten niet te vergoeden, aldus het college. Volgens het college bestaat voorts geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen, nu blijkt dat [eiser] in staat is te participeren in de samenleving en zelfredzaam te zijn.
4.1.
Het college ziet in de uitspraken van 20 mei 2026 van de CRvB geen aanleiding om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Het college is enkel gehouden om de vergoeding van de opleiding voor een psychosociale hulphond te verstrekken, indien er sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie. Van deze genoemde uitzonderlijke situatie is volgens het college geen sprake bij [eiser]. Uit het medisch advies van 17 april 2025 blijkt dat er voor [eiser] op dat moment gelet op zijn actuele beperkingen en problematiek geen passende behandelopties waren. Dit maakt echter niet dat er geen adequate compenserende ondersteuning mogelijk is. Uit het latere onderzoeksrapport van 14 januari 2026 blijkt dat voor [eiser] passende en noodzakelijke ondersteuning voorhanden is in de vorm van individuele begeleiding. Het college stelt verder dat uit de beschikbare informatie volgt dat [eiser] ondanks zijn beperkingen in staat is tot concrete en structurele vormen van participatie, zoals het onderhouden van sociale contacten en het leveren van een actieve bijdrage als ervaringsdeskundige. Het college wijst er voorts op dat aan [eiser] passende voorzieningen beschikbaar zijn en toegekend, maar dat die door hem nog niet volledig worden benut.
Standpunt van [eiser]
5. [eiser] stelt zich op het standpunt dat, samengevat weergegeven, het college ten onrechte heeft aangenomen dat hij op een hoog niveau gebruik maakt van zijn eigen kracht en zijn sociale netwerk. Er is sprake van veel instabiliteit. Het is vooral dankzij de werkgever van [eiser] dat nog sprake is van hulpverlening en het behouden van werk. Volgens [eiser] blijkt volgt uit het rapport van de medisch adviseur dat er een ondersteuningsbehoefte is in de zin van de Wmo 2015. Uit dat rapport volgt verder dat de hulphond de enige juiste en adequate voorziening is. [eiser] wijst erop dat zijn werkgever vanwege de ernst van de problematiek en de grote ondersteuningsbehoefte de kosten voor de hulphond en voor de behandeling heeft voorgeschoten. Verder stelt [eiser] dat de inzet van een hulphond wel degelijk is gericht op participatie en niet enkel op behandeling.
5.1.
Naar aanleiding van de uitspraken van 20 mei 2026 van de CRvB stelt [eiser] dat het college heeft nagelaten te onderzoeken of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden en of er alternatieven zijn waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie. Verder volgt uit de uitspraak van 20 mei 2026 dat als niet meer kan worden vastgesteld of een hulphond het enige alternatief was, dit ertoe kan leiden dat de maatwerkvoorziening alsnog (door de rechter) toegekend kan/moet worden. De aanvrager van de maatwerkvoorziening mag niet de dupe worden van fouten van het college, aldus [eiser]. Uit het rapport van de medisch adviseur van 17 april 2025 volgt volgens [eiser] voldoende dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, met zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Ook wordt letterlijk aangegeven dat er op dat moment geen alternatieven zijn. Eerdere behandelingen hebben het beeld ook niet verbeterd, maar hebben de klachten zelfs verergerd. Hieruit volgt volgens [eiser] voldoende dat er redelijkerwijs geen andere opties waren, op grond waarvan het college gehouden was de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken.
[eiser] stelt verder dat niet is onderzocht welke andere ondersteuning een passende bijdragen zouden kunnen leveren. Verder gaat het college er volgens [eiser] ten onrechte vanuit dat hij duurzaam participeert. Juist door de inzet van de hulphond, die [eiser] met hulp van zijn werkgever heeft aangeschaft, is deze participatie en zelfredzaamheid ontstaan.
Ook wijst [eiser] erop dat de advisering door JPH en de latere beoordeling in januari 2026 die leidde tot uitbreiding van het aantal uren vergoede persoonlijke begeleiding, plaats vonden in de situatie dat hij al de beschikking had over een hulphond en dat er geen goed onderzoek is gedaan naar de situatie voordat de hond er was. Onder verwijzing naar een recente CRvB uitspraak stelt [eiser] dat die situatie nu moet leiden tot vergoeding van de kosten van zijn hulphond.
Beoordeling door de rechtbank
6. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] beperkingen ervaart in zijn zelfredzaamheid en participatie. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van [eiser] om een maatwerkvoorziening in de vorm van een vergoeding voor de opleiding van een hulphond terecht heeft afgewezen.
6.1.
Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo voortvloeit dat het college voldoende kennis moet vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 3). Vervolgens moet het onderzoek er op gericht zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zorgvuldig naar de hulpvraag, de problematiek bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en de aard en omvang van de door [eiser] benodigde ondersteuning gekeken. Uit het onderzoeksverslag van 24 juni 2024 volgt, kort gezegd, dat de hulpvraag in kaart is gebracht en wat de achterliggende oorzaak dan wel diagnose is. Acht is geslagen op de belemmeringen die [eiser] op diverse leefgebieden ervaart. In het onderzoeksverslag is onder meer opgenomen dat [eiser] in voorkomende gevallen kan terugvallen op zijn sociale netwerk. Ook is [eiser] in staat (op rustige momenten) boodschappen te doen en is hij in staat om naar zijn werk te reizen. De situatie die in het onderzoeksverslag in kaart is gebracht, is de situatie toen [eiser] nog niet in bezit was van een hulphond. Het betoog van [eiser] dat zijn situatie en ondersteuningsbehoefte zónder hulphond niet meer is te beoordelen, slaagt hierom niet.
6.3.
Het college heeft voorts medisch onderzoek laten verrichten naar de situatie van [eiser], wat heeft geresulteerd in een medisch advies van JPH Consult van 17 april 2025.
Uit vaste jurisprudentie van de CRvB volgt dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Vervolgens ligt het op de weg van de aanvrager om medische stukken te overleggen die aan het medisch advies kunnen doen twijfelen.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college op het medisch advies mocht afgaan.
De medisch adviseur heeft dossierstudie verricht en heeft [eiser], in bijzijn van zijn ambulant begeleider, gesproken op het spreekuur. De medisch adviseur heeft acht geslagen op de ziektegeschiedenis van [eiser], de behandeling en zijn functioneren. Daarnaast werd het bewegingspatroon geobserveerd en werd gelet op tekenen van een verminderde energetische belastbaarheid, tekenen van psychomentale problematiek en tekenen van zintuiglijke problematiek. Verder heeft de medisch adviseur het gedrag en (voor zover mogelijk) de sociale interacties geobserveerd. Ook is medische informatie van de GGZ-behandelaar van [eiser] opgevraagd en verkregen. Daarnaast heeft de medisch adviseur acht geslagen op de ambulante begeleiding die [eiser] heeft. De begeleider biedt [eiser] de mogelijkheid om te ventileren. Ook helpt zij hem bij het aanbrengen van overzicht en gaat zij mee naar gesprekken. [eiser] kan de begeleidster ook bellen of appen wanneer er iets is en zo nodig doet hij dit. De medisch adviseur concludeert, samengevat weergegeven, dat [eiser] vanwege zijn problematiek dagelijks, vaak meerdere keren per dag, op onplanbare momenten die zich zowel ’s nachts als overdag voordoen, behoefte heeft aan ondersteuning. [eiser] kan op de genoemde momenten lang niet altijd ondersteuning vragen, omdat hij bijvoorbeeld bij een slaapverlamming niet kan bewegen. Daarnaast maken de frequentie en de tijdstippen waarop [eiser] behoefte heeft aan ondersteuning dat dit praktisch gezien niet door iemand van buiten een gezin geboden kan worden, waarbij van betekenis is dat [eiser] geen gezinsleden heeft die hem zouden kunnen ondersteunen. De aard van de problematiek maakt bovendien dat [eiser] degene die de ondersteuning biedt moet vertrouwen. [eiser] benoemt onder meer behandeldoelen, gericht op het verminderen van stoornissen en klachten. Het bereiken van deze doelen kan een positief effect hebben op het participeren. Het bereiken van de participatiedoelen die [eiser] benoemt, is afhankelijk van het bereiken van de behandeldoelen, aldus de medisch adviseur. [eiser] heeft ervaren dat een hulphond (in training) hem kan helpen een aantal van de (behandel)doelen te bereiken en dat hij daarmee ook beter functioneert in het dagelijks leven. In welke mate de participatiedoelen bereikt kunnen worden, is volgens de medisch adviseur niet goed te voorspellen. Er zijn aanwijzingen dat mensen met een hulphond een positief effect kunnen ervaren op hun klachten en hun functioneren. Dit heeft [eiser] ook ervaren. Uit onderzoek is gebleken dat bij een specifieke doelgroep is vastgesteld dat een hulphond een positief effect heeft op de participatie, maar dit onderzoek is niet zonder meer te generaliseren naar andere doelgroep, waartoe [eiser] behoort. De effectiviteit is wetenschappelijk onvoldoende aangetoond. Gezien de eerste effecten wordt er wel een reële kans gezien op een positief effect, aldus de medisch adviseur. De rechtbank stelt vast dat [eiser] geen medische stukken heeft overlegd die aanleiding geven om aan de juistheid van het medisch advies te twijfelen.
6.5.
Uit eerdergenoemde uitspraken van de CRvB van 20 mei 2026 volgt voorts dat het college in beginsel niet is gehouden om een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulphond te verstrekken. Alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie, is het college gehouden om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken. Vaststaat dat [eiser] baat heeft bij een hulphond, maar van een situatie als bedoeld in de uitspraken van CRvB en waarmee hij dus voldoet aan de strikt geformuleerde maatstaf van de CRvB, is de rechtbank niet gebleken. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het college mede naar aanleiding van het advies van de bezwaarschiftencommissie het aantal uren op grond van de Wmo gefinancierde persoonlijke begeleiding van [eiser] heeft uitgebreid van twee naar vier uur per week en daaraan nog twee uur begeleiding door een professionele expert heeft toegevoegd.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de aanvraag van [eiser] voor vergoeding van de kosten van de opleiding van een hulphond terecht heeft afgewezen. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Persoonsgebonden budget.
ECLI:NL:CRVB:2026:618, ECLI:NL:CRVB:2026:620 en ECLI:NL:CRVB:621
Functionele neurologische stoornis.
Zorgverzekeringswet.
De uitspraken van de CRvB van 22 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:376 en 19 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1467.
ECLI:NL:CRVB:2026:618, ECLI:NL:CRVB:2026:620 en ECLI:NL:CRVB:621
ECLI:NL:CRVB:2026:620.
zie de uitspraak van de CRvB van 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3538 en de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1113.
zie de uitspraak van de CRvB van 16 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3266
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3211
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna te noemen: [eiser]),
gemachtigde: mr. D. Uygul,
en
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo, het college,
gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2].
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. [eiser] heeft gevraagd om vergoeding van de kosten van de aanschaf en opleiding van een hond tot hulphond. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. [eiser] is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag om vergoeding van de kosten voor de aanschaf en de opleiding van een hond tot hulphond terecht heeft afgewezen. [eiser] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. [eiser] heeft op 8 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 bestaande uit vergoeding voor de aanschaf en opleiding van een hulphond in de vorm van een pgb. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 29 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 september 2025 op het bezwaar van [eiser] is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Naar aanleiding van een drietal uitspraken van 20 mei 2026 van de CRvB over, kort gezegd, de vergoeding van de kosten van een hulphond op grond van de Wmo 2015, heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld op deze uitspraken te reageren. Het college heeft bij brief van 9 juli 2026 gereageerd. [eiser] heeft op 24 juli 2026 gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college. Ook is verschenen [naam], begeleidster van [eiser], werkzaam bij Vital Focus.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. [eiser] is gediagnosticeerd met ADHD. Ook is genderdysforie vastgesteld. Als gevolg van traumatische ervaringen, heeft hij PTSS ontwikkeld. Ook heeft hij nachtmerries. Daarnaast is [eiser] bekend met een FNS. Hij wordt begeleid door Vital Focus. [eiser] loopt vast in het dagelijks functioneren en ervaart onder meer spanningen, stress en vermoeidheid.
3.1.
[eiser] heeft zich op 8 mei 2024 bij het college gemeld met een verzoek om een vergoeding voor de kosten (van de opleiding) van een hulphond. Daarop heeft de Wmo-consulent op 24 juni 2024 telefonisch gesproken met de begeleider van [eiser] en een onderzoeksverslag opgesteld. Het college wijst erop dat voor de problematiek van [eiser] geen maatwerkvoorziening kan worden ingezet. De vergoeding van een hulphond valt niet onder de Wmo 2015, maar onder de Zvw.
3.2.
[eiser] heeft op 8 augustus 2024 een Wmo-aanvraag ingediend.
3.3.
Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag voor een vergoeding van de opleidingskosten van een hulphond afgewezen. Volgens het college is gedragsregulatie het doel van een hulphond. Een hulphond kan via de Zvw ingezet worden voor een therapeutisch doel en niet voor participatie. De Wmo is er niet om therapeutische doelen te realiseren en daarom wordt de hulphond niet vanuit de Wmo vergoed, aldus het college.
3.4.
[eiser] heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft aangevoerd dat het doel van de hulphond is om zijn participatie te vergroten. Hij wordt belemmerd en geïsoleerd vanwege zijn PTSS en FNS. [eiser] wijst erop dat een hulphond hem juist vertrouwen, steun en afleiding geeft. Tot dusver hebben diverse behandelingen, therapieën en begeleiding niet geholpen.
3.5.
Het college heeft in wat [eiser] in bezwaar heeft aangevoerd aanleiding gezien hem te laten onderzoeken door een medisch adviseur. [eiser] is op 29 januari 2025 onderzocht, in het bijzijn van zijn begeleider. Op 17 april 2025 heeft de medisch adviseur een rapport uitgebracht. Op 18 september 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
Standpunt van het college
4. Volgens het college komt [eiser] niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor de vergoeding voor de kosten van de opleiding van een hulphond. Het college verwijst naar het onderzoeksverslag en het rapport van de medisch adviseur waaruit volgt dat de omvang van de ondersteuningsbehoefte van [eiser] wisselt. In stabiele periodes functioneert [eiser] grotendeels zelfstandig, maar in periodes van verhoogde spanning, is sprake van een verhoogde behoefte aan signalering, geruststelling en structuur. Deze behoefte is er niet continu, maar wel onvoorspelbaar en kan meerdere keren per dag optreden, ook in de nacht. [eiser] heeft een maatwerkvoorziening individuele begeleiding voor gemiddeld 2 uur per week. Volgens het college is deze omvang adequaat. Daarbij betrekt het college dat uit het dossier en het medisch rapport volgt dat [eiser] ondanks zijn psychische problematiek op een hoog niveau gebruik maakt van zijn eigen kracht en zijn sociale netwerk. Verder wijst het college erop dat [eiser] zelf georganiseerd heeft dat hij een hond in huis heeft. [eiser] heeft verklaard dat de aanwezigheid van deze hond al rust geeft en bijdraagt aan een betere nachtrust en minder slaapverlammingen. Het college wijst erop dat een wens voor een concrete voorziening, een hulphond, niet hetzelfde is als een ondersteuningsbehoefte in de zin van de Wmo 2015. Het college concludeert op basis van de feitelijke situatie dat [eiser] reeds en op duurzame wijze zelfredzaam is en participeert in de samenleving. Verder wijst het college op uitspraken van de CRvB waarin is geoordeeld dat gemeenten niet zijn gehouden kosten van de (opleiding van de) PTSS-hulphond of psychosociale hulphond te vergoeden. Dit omdat, kort gezegd, in de Zvw bewust is gekozen die kosten niet te vergoeden, aldus het college. Volgens het college bestaat voorts geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen, nu blijkt dat [eiser] in staat is te participeren in de samenleving en zelfredzaam te zijn.
4.1.
Het college ziet in de uitspraken van 20 mei 2026 van de CRvB geen aanleiding om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Het college is enkel gehouden om de vergoeding van de opleiding voor een psychosociale hulphond te verstrekken, indien er sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie. Van deze genoemde uitzonderlijke situatie is volgens het college geen sprake bij [eiser]. Uit het medisch advies van 17 april 2025 blijkt dat er voor [eiser] op dat moment gelet op zijn actuele beperkingen en problematiek geen passende behandelopties waren. Dit maakt echter niet dat er geen adequate compenserende ondersteuning mogelijk is. Uit het latere onderzoeksrapport van 14 januari 2026 blijkt dat voor [eiser] passende en noodzakelijke ondersteuning voorhanden is in de vorm van individuele begeleiding. Het college stelt verder dat uit de beschikbare informatie volgt dat [eiser] ondanks zijn beperkingen in staat is tot concrete en structurele vormen van participatie, zoals het onderhouden van sociale contacten en het leveren van een actieve bijdrage als ervaringsdeskundige. Het college wijst er voorts op dat aan [eiser] passende voorzieningen beschikbaar zijn en toegekend, maar dat die door hem nog niet volledig worden benut.
Standpunt van [eiser]
5. [eiser] stelt zich op het standpunt dat, samengevat weergegeven, het college ten onrechte heeft aangenomen dat hij op een hoog niveau gebruik maakt van zijn eigen kracht en zijn sociale netwerk. Er is sprake van veel instabiliteit. Het is vooral dankzij de werkgever van [eiser] dat nog sprake is van hulpverlening en het behouden van werk. Volgens [eiser] blijkt volgt uit het rapport van de medisch adviseur dat er een ondersteuningsbehoefte is in de zin van de Wmo 2015. Uit dat rapport volgt verder dat de hulphond de enige juiste en adequate voorziening is. [eiser] wijst erop dat zijn werkgever vanwege de ernst van de problematiek en de grote ondersteuningsbehoefte de kosten voor de hulphond en voor de behandeling heeft voorgeschoten. Verder stelt [eiser] dat de inzet van een hulphond wel degelijk is gericht op participatie en niet enkel op behandeling.
5.1.
Naar aanleiding van de uitspraken van 20 mei 2026 van de CRvB stelt [eiser] dat het college heeft nagelaten te onderzoeken of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden en of er alternatieven zijn waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie. Verder volgt uit de uitspraak van 20 mei 2026 dat als niet meer kan worden vastgesteld of een hulphond het enige alternatief was, dit ertoe kan leiden dat de maatwerkvoorziening alsnog (door de rechter) toegekend kan/moet worden. De aanvrager van de maatwerkvoorziening mag niet de dupe worden van fouten van het college, aldus [eiser]. Uit het rapport van de medisch adviseur van 17 april 2025 volgt volgens [eiser] voldoende dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, met zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Ook wordt letterlijk aangegeven dat er op dat moment geen alternatieven zijn. Eerdere behandelingen hebben het beeld ook niet verbeterd, maar hebben de klachten zelfs verergerd. Hieruit volgt volgens [eiser] voldoende dat er redelijkerwijs geen andere opties waren, op grond waarvan het college gehouden was de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken.
[eiser] stelt verder dat niet is onderzocht welke andere ondersteuning een passende bijdragen zouden kunnen leveren. Verder gaat het college er volgens [eiser] ten onrechte vanuit dat hij duurzaam participeert. Juist door de inzet van de hulphond, die [eiser] met hulp van zijn werkgever heeft aangeschaft, is deze participatie en zelfredzaamheid ontstaan.
Ook wijst [eiser] erop dat de advisering door JPH en de latere beoordeling in januari 2026 die leidde tot uitbreiding van het aantal uren vergoede persoonlijke begeleiding, plaats vonden in de situatie dat hij al de beschikking had over een hulphond en dat er geen goed onderzoek is gedaan naar de situatie voordat de hond er was. Onder verwijzing naar een recente CRvB uitspraak stelt [eiser] dat die situatie nu moet leiden tot vergoeding van de kosten van zijn hulphond.
Beoordeling door de rechtbank
6. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] beperkingen ervaart in zijn zelfredzaamheid en participatie. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van [eiser] om een maatwerkvoorziening in de vorm van een vergoeding voor de opleiding van een hulphond terecht heeft afgewezen.
6.1.
Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo voortvloeit dat het college voldoende kennis moet vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 3). Vervolgens moet het onderzoek er op gericht zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zorgvuldig naar de hulpvraag, de problematiek bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en de aard en omvang van de door [eiser] benodigde ondersteuning gekeken. Uit het onderzoeksverslag van 24 juni 2024 volgt, kort gezegd, dat de hulpvraag in kaart is gebracht en wat de achterliggende oorzaak dan wel diagnose is. Acht is geslagen op de belemmeringen die [eiser] op diverse leefgebieden ervaart. In het onderzoeksverslag is onder meer opgenomen dat [eiser] in voorkomende gevallen kan terugvallen op zijn sociale netwerk. Ook is [eiser] in staat (op rustige momenten) boodschappen te doen en is hij in staat om naar zijn werk te reizen. De situatie die in het onderzoeksverslag in kaart is gebracht, is de situatie toen [eiser] nog niet in bezit was van een hulphond. Het betoog van [eiser] dat zijn situatie en ondersteuningsbehoefte zónder hulphond niet meer is te beoordelen, slaagt hierom niet.
6.3.
Het college heeft voorts medisch onderzoek laten verrichten naar de situatie van [eiser], wat heeft geresulteerd in een medisch advies van JPH Consult van 17 april 2025.
Uit vaste jurisprudentie van de CRvB volgt dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Vervolgens ligt het op de weg van de aanvrager om medische stukken te overleggen die aan het medisch advies kunnen doen twijfelen.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college op het medisch advies mocht afgaan.
De medisch adviseur heeft dossierstudie verricht en heeft [eiser], in bijzijn van zijn ambulant begeleider, gesproken op het spreekuur. De medisch adviseur heeft acht geslagen op de ziektegeschiedenis van [eiser], de behandeling en zijn functioneren. Daarnaast werd het bewegingspatroon geobserveerd en werd gelet op tekenen van een verminderde energetische belastbaarheid, tekenen van psychomentale problematiek en tekenen van zintuiglijke problematiek. Verder heeft de medisch adviseur het gedrag en (voor zover mogelijk) de sociale interacties geobserveerd. Ook is medische informatie van de GGZ-behandelaar van [eiser] opgevraagd en verkregen. Daarnaast heeft de medisch adviseur acht geslagen op de ambulante begeleiding die [eiser] heeft. De begeleider biedt [eiser] de mogelijkheid om te ventileren. Ook helpt zij hem bij het aanbrengen van overzicht en gaat zij mee naar gesprekken. [eiser] kan de begeleidster ook bellen of appen wanneer er iets is en zo nodig doet hij dit. De medisch adviseur concludeert, samengevat weergegeven, dat [eiser] vanwege zijn problematiek dagelijks, vaak meerdere keren per dag, op onplanbare momenten die zich zowel ’s nachts als overdag voordoen, behoefte heeft aan ondersteuning. [eiser] kan op de genoemde momenten lang niet altijd ondersteuning vragen, omdat hij bijvoorbeeld bij een slaapverlamming niet kan bewegen. Daarnaast maken de frequentie en de tijdstippen waarop [eiser] behoefte heeft aan ondersteuning dat dit praktisch gezien niet door iemand van buiten een gezin geboden kan worden, waarbij van betekenis is dat [eiser] geen gezinsleden heeft die hem zouden kunnen ondersteunen. De aard van de problematiek maakt bovendien dat [eiser] degene die de ondersteuning biedt moet vertrouwen. [eiser] benoemt onder meer behandeldoelen, gericht op het verminderen van stoornissen en klachten. Het bereiken van deze doelen kan een positief effect hebben op het participeren. Het bereiken van de participatiedoelen die [eiser] benoemt, is afhankelijk van het bereiken van de behandeldoelen, aldus de medisch adviseur. [eiser] heeft ervaren dat een hulphond (in training) hem kan helpen een aantal van de (behandel)doelen te bereiken en dat hij daarmee ook beter functioneert in het dagelijks leven. In welke mate de participatiedoelen bereikt kunnen worden, is volgens de medisch adviseur niet goed te voorspellen. Er zijn aanwijzingen dat mensen met een hulphond een positief effect kunnen ervaren op hun klachten en hun functioneren. Dit heeft [eiser] ook ervaren. Uit onderzoek is gebleken dat bij een specifieke doelgroep is vastgesteld dat een hulphond een positief effect heeft op de participatie, maar dit onderzoek is niet zonder meer te generaliseren naar andere doelgroep, waartoe [eiser] behoort. De effectiviteit is wetenschappelijk onvoldoende aangetoond. Gezien de eerste effecten wordt er wel een reële kans gezien op een positief effect, aldus de medisch adviseur. De rechtbank stelt vast dat [eiser] geen medische stukken heeft overlegd die aanleiding geven om aan de juistheid van het medisch advies te twijfelen.
6.5.
Uit eerdergenoemde uitspraken van de CRvB van 20 mei 2026 volgt voorts dat het college in beginsel niet is gehouden om een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulphond te verstrekken. Alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie, is het college gehouden om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken. Vaststaat dat [eiser] baat heeft bij een hulphond, maar van een situatie als bedoeld in de uitspraken van CRvB en waarmee hij dus voldoet aan de strikt geformuleerde maatstaf van de CRvB, is de rechtbank niet gebleken. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het college mede naar aanleiding van het advies van de bezwaarschiftencommissie het aantal uren op grond van de Wmo gefinancierde persoonlijke begeleiding van [eiser] heeft uitgebreid van twee naar vier uur per week en daaraan nog twee uur begeleiding door een professionele expert heeft toegevoegd.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de aanvraag van [eiser] voor vergoeding van de kosten van de opleiding van een hulphond terecht heeft afgewezen. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Persoonsgebonden budget.
ECLI:NL:CRVB:2026:618, ECLI:NL:CRVB:2026:620 en ECLI:NL:CRVB:621
Functionele neurologische stoornis.
Zorgverzekeringswet.
De uitspraken van de CRvB van 22 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:376 en 19 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1467.
ECLI:NL:CRVB:2026:618, ECLI:NL:CRVB:2026:620 en ECLI:NL:CRVB:621
ECLI:NL:CRVB:2026:620.
zie de uitspraak van de CRvB van 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3538 en de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1113.
zie de uitspraak van de CRvB van 16 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3266