Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5543
2026-09-22
Civiel recht
12306548 \ CV EXPL 26-1257
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
O&O afgewezen. Alleen huurachterstand toegewezen. BIK en rente af ivm oneerlijke bedingen
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:1810 Hoge Raad 28-09-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.732 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12306548 \ CV EXPL 26-1257
Vonnis van 22 september 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: de verhuurder,
gemachtigde: Groothuis Ligtermoet & Nijhuis,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de huurder,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 juli 2026; - de (mondelinge) conclusie van antwoord van 14 juli 2026;
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2026. Op de mondelinge behandeling zijn namens de verhuurder verschenen mevrouw [naam 1] (eigenaar), vergezeld van [naam 2], werkzaam bij Groothuis Ligtermoet & Nijhuis gerechtsdeurwaarders & incasso. De huurder is eveneens verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
De huurder huurt van de verhuurder de woning gelegen aan [adres] tegen een huurprijs van op dit moment € 800,00 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.
2.2.
Vast staat dat er een achterstand bestaat in de huurbetalingen.
3. Het geschil
3.1.
De verhuurder vordert kort gezegd ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van het gehuurde, alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
Aan deze vordering legt de verhuurder ten grondslag dat de huurder zijn betalingsverplichting voortvloeiend uit de tussen partijen bestaande huurovereenkomst niet is nagekomen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens de verhuurder de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
De huurder erkent dat er sprake is van een betalingsachterstand maar is het niet eens met de gevorderde ontbinding en ontruiming. Bij zijn conclusie van antwoord heeft de huurder naar voren gebracht dat hij inmiddels twee betalingen heeft verricht, waardoor volgens hem alleen de maand juli nog openstaat. Verder heeft de huurder aangevoerd dat hij de huur altijd, na ontvangst van zijn salaris, aan het einde van de maand betaalt. Tot slot maakt de huurder ook bezwaar tegen betaling van de incassokosten.
4De beoordeling
Ambtshalve toetsing van toepasselijke algemene voorwaarden
4.1.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
4.2.
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde overgelegde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de hoofdsom, gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval voor de gevorderde hoofdsom maar wel voor de gevorderde vergoeding van rente en de buitengerechtelijke incassokosten. Verwezen wordt naar overweging 4.4. tot en met 4.7.
De huurachterstand
4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de verhuurder naar voren gebracht dat het klopt dat er twee betalingen van in totaal € 1.600,00 (2 x € 800,00) zijn geweest. Daarnaast is er nog eenmalig een betaling van € 150,00 geweest in verband met een getroffen betalingsregeling. Echter is de huur voor de maand augustus 2026 niet door de huurder betaald. Dat betekent dat er nog aan huurachterstand tot en met augustus 2026 openstaat een bedrag van € 1.450,00 (€ 2.400,00 huurachterstand bij dagvaarding – € 1.750,00 (totaal aan betalingen) + € 800,00 (huur augustus 2026)). De huurder heeft niet betwist dat hij de huurachterstand moet betalen. Dat betekent dat de kantonrechter aan huurachterstand tot en met augustus 2026 zal toewijzen een bedrag van € 1.450,00. De kantonrechter merkt daarbij op dat mochten er inmiddels nog meer betalingen hebben plaatsgevonden, dat hij er vanuit gaat dat de verhuurder deze betalingen in mindering zal brengen op dit bedrag.
Wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten
4.4.
De eisende partij maakt aanspraak op vergoeding van rente en buitengerechtelijke incassokosten. In artikel 20.2, 20.3, 20.4 en 20.6 van de algemene voorwaarden zijn daarover de volgende bedingen opgenomen:
“20.2 Voor elk geval dat huurder in verzuim is met de tijdige en volledige betaling van een geldsom, is hij 1% rente per maand verschuldigd over de verschuldigde hoofdsom vanaf de vervaldatum tot aan de dag van algehele voldoening van de hoofdsom. (…)”
20.3
Indien een van partijen toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van enige verplichting welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op haar rust en de andere partij daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moet nemen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij.
20.4
Ingeval het tekortschieten bestaat uit de niet tijdige betaling van een geldsom en in verband met de incassering daarvan buitengerechtelijke kosten moeten worden gemaakt, worden deze hierbij bepaald op tenminste 15% van het verschuldigde bedrag met een minimum van € 125,-. Ingeval de buitengerechtelijke incasso door een gemachtigde c.q. raadsman/raadsvrouw geschiedt, worden deze bedragen vermeerderd met de door verhuurder aan zijn gemachtigde c.q. raadsman/raadsvrouw over de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigde omzetbelasting.
20.6 Huurder is aan verhuurder een direct opeisbare boete van € 25,- per kalenderdag verschuldigd voor elke verplichting uit deze overeenkomst met de bijbehorende algemene bepalingen die hij niet nakomt of overtreedt, onverminderd zijn verplichting om alsnog aan die verplichting te voldoen en onverminderd verhuurders overige rechten op schadevergoeding of anderszins. Genoemd bedrag is gebaseerd op het prijspeil 1 januari 2003 en wordt met ingang van 1 januari 2004 jaarlijks geïndexeerd.”
4.5.
De bedongen rente bedraagt in dit geval 1% per maand. Dat is meer dan de wettelijke handelsrente op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Het rentebeding is daarom oneerlijk.
4.6.
De kantonrechter overweegt ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten als volgt. In de artikelen 20.3 en 20.4 van de algemene voorwaarden wordt ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er wordt immers van uitgegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Ook is in dit geval de bedongen vergoeding altijd ten minste 15% van het verschuldigde bedrag, met een minimum van € 125,00 en daarmee hoger dan de wettelijke vergoeding. Daarbij komt dat de combinatie van het boetebeding in artikel 20.6 en de voornoemde incassobedingen ook oneerlijk zijn. Het boetebeding wijkt immers ten nadele van de consument aanzienlijk af van de aanvullend rechtelijke bepalingen in artikel 6:92 BW. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 20232 onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en daarmee oneerlijk in de zin van de richtlijn.
4.7.
De kantonrechter vernietigt daarom de artikelen 20.2, 20.3 en 20.4 van de algemene voorwaarden voor zover deze betrekking hebben op rente en buitengerechtelijke kosten. Dit betekent dat de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
De ontbinding en ontruiming.
4.8.
De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.
4.9.
De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Er resteert op dit moment, zoals overwogen onder rechtsoverweging 4.3., een (betalings)achterstand van € 1.450,00. Dit komt neer op minder dan twee maanden achterstand. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de hoogte van deze huurachterstand een ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen op dit moment niet rechtvaardigt De kantonrechter zal daarom de gevorderde ontbinding en ontruiming alsmede de daarmee samenhangende nevenvorderingen afwijzen.
4.10.
De kantonrechter merkt het volgende nog op. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen naar voren gebracht dat de huurder inmiddels de huurovereenkomst heeft opgezegd per 1 februari 2027, omdat de huurder gaat verhuizen. De huurder heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat hij de woning indien mogelijk eerder zal verlaten, maar uiterlijk 1 februari 2027. Eveneens heeft hij toegezegd de lopende huur te zullen betalen. Daarnaast zal de huurder de getroffen betalingsregeling nakomen om de ontstane achterstand in te lopen. De kantonrechter merkt daarbij op dat partijen onderling met elkaar moeten afspreken wanneer deze betaling zal plaatsvinden omdat is gebleken dat de overeengekomen datum niet altijd haalbaar is omdat de huurder zijn loon per vier weken ontvangt. Verder hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling gesproken over de werkzaamheden die de verhuurder wil gaan verrichten om de wooneenheden (weer) te splitsen, zodat elke eenheid een eigen meter krijgt. De huurder heeft toegezegd ook hieraan mee te werken.
De proceskosten.
4.11.
Aangezien partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, krijgt de verhuurder niet alle proceskosten vergoed. Omdat deze procedure wel nodig is geweest, moet de huurder wel een deel van de proceskosten betalen aan de verhuurder.
De kosten aan de zijde van de verhuurder worden begroot op:
- dagvaarding € 153,02
- griffierecht € 529,00
- salaris gemachtigde € 253,00 (1 punt x tarief € 253,00)
- nakosten € 126,50
Totaal € 1.061,52.
5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de huurder om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de verhuurder een bedrag van € 1.450,00 aan huurachterstand tot en met augustus 2026;
5.2.
veroordeelt de huurder in de proceskosten van € 1.061,52, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen de kosten van betekening, indien de huurder niet binnen genoemde termijn betaalt en vervolgens betekening van het vonnis plaatsvindt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026. (ak)
Artikel 6:265 BW.
HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12306548 \ CV EXPL 26-1257
Vonnis van 22 september 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: de verhuurder,
gemachtigde: Groothuis Ligtermoet & Nijhuis,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de huurder,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 juli 2026; - de (mondelinge) conclusie van antwoord van 14 juli 2026;
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2026. Op de mondelinge behandeling zijn namens de verhuurder verschenen mevrouw [naam 1] (eigenaar), vergezeld van [naam 2], werkzaam bij Groothuis Ligtermoet & Nijhuis gerechtsdeurwaarders & incasso. De huurder is eveneens verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
De huurder huurt van de verhuurder de woning gelegen aan [adres] tegen een huurprijs van op dit moment € 800,00 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.
2.2.
Vast staat dat er een achterstand bestaat in de huurbetalingen.
3. Het geschil
3.1.
De verhuurder vordert kort gezegd ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van het gehuurde, alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
Aan deze vordering legt de verhuurder ten grondslag dat de huurder zijn betalingsverplichting voortvloeiend uit de tussen partijen bestaande huurovereenkomst niet is nagekomen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens de verhuurder de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
De huurder erkent dat er sprake is van een betalingsachterstand maar is het niet eens met de gevorderde ontbinding en ontruiming. Bij zijn conclusie van antwoord heeft de huurder naar voren gebracht dat hij inmiddels twee betalingen heeft verricht, waardoor volgens hem alleen de maand juli nog openstaat. Verder heeft de huurder aangevoerd dat hij de huur altijd, na ontvangst van zijn salaris, aan het einde van de maand betaalt. Tot slot maakt de huurder ook bezwaar tegen betaling van de incassokosten.
4De beoordeling
Ambtshalve toetsing van toepasselijke algemene voorwaarden
4.1.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
4.2.
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde overgelegde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de hoofdsom, gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval voor de gevorderde hoofdsom maar wel voor de gevorderde vergoeding van rente en de buitengerechtelijke incassokosten. Verwezen wordt naar overweging 4.4. tot en met 4.7.
De huurachterstand
4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de verhuurder naar voren gebracht dat het klopt dat er twee betalingen van in totaal € 1.600,00 (2 x € 800,00) zijn geweest. Daarnaast is er nog eenmalig een betaling van € 150,00 geweest in verband met een getroffen betalingsregeling. Echter is de huur voor de maand augustus 2026 niet door de huurder betaald. Dat betekent dat er nog aan huurachterstand tot en met augustus 2026 openstaat een bedrag van € 1.450,00 (€ 2.400,00 huurachterstand bij dagvaarding – € 1.750,00 (totaal aan betalingen) + € 800,00 (huur augustus 2026)). De huurder heeft niet betwist dat hij de huurachterstand moet betalen. Dat betekent dat de kantonrechter aan huurachterstand tot en met augustus 2026 zal toewijzen een bedrag van € 1.450,00. De kantonrechter merkt daarbij op dat mochten er inmiddels nog meer betalingen hebben plaatsgevonden, dat hij er vanuit gaat dat de verhuurder deze betalingen in mindering zal brengen op dit bedrag.
Wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten
4.4.
De eisende partij maakt aanspraak op vergoeding van rente en buitengerechtelijke incassokosten. In artikel 20.2, 20.3, 20.4 en 20.6 van de algemene voorwaarden zijn daarover de volgende bedingen opgenomen:
“20.2 Voor elk geval dat huurder in verzuim is met de tijdige en volledige betaling van een geldsom, is hij 1% rente per maand verschuldigd over de verschuldigde hoofdsom vanaf de vervaldatum tot aan de dag van algehele voldoening van de hoofdsom. (…)”
20.3
Indien een van partijen toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van enige verplichting welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op haar rust en de andere partij daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moet nemen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij.
20.4
Ingeval het tekortschieten bestaat uit de niet tijdige betaling van een geldsom en in verband met de incassering daarvan buitengerechtelijke kosten moeten worden gemaakt, worden deze hierbij bepaald op tenminste 15% van het verschuldigde bedrag met een minimum van € 125,-. Ingeval de buitengerechtelijke incasso door een gemachtigde c.q. raadsman/raadsvrouw geschiedt, worden deze bedragen vermeerderd met de door verhuurder aan zijn gemachtigde c.q. raadsman/raadsvrouw over de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigde omzetbelasting.
20.6 Huurder is aan verhuurder een direct opeisbare boete van € 25,- per kalenderdag verschuldigd voor elke verplichting uit deze overeenkomst met de bijbehorende algemene bepalingen die hij niet nakomt of overtreedt, onverminderd zijn verplichting om alsnog aan die verplichting te voldoen en onverminderd verhuurders overige rechten op schadevergoeding of anderszins. Genoemd bedrag is gebaseerd op het prijspeil 1 januari 2003 en wordt met ingang van 1 januari 2004 jaarlijks geïndexeerd.”
4.5.
De bedongen rente bedraagt in dit geval 1% per maand. Dat is meer dan de wettelijke handelsrente op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Het rentebeding is daarom oneerlijk.
4.6.
De kantonrechter overweegt ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten als volgt. In de artikelen 20.3 en 20.4 van de algemene voorwaarden wordt ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er wordt immers van uitgegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Ook is in dit geval de bedongen vergoeding altijd ten minste 15% van het verschuldigde bedrag, met een minimum van € 125,00 en daarmee hoger dan de wettelijke vergoeding. Daarbij komt dat de combinatie van het boetebeding in artikel 20.6 en de voornoemde incassobedingen ook oneerlijk zijn. Het boetebeding wijkt immers ten nadele van de consument aanzienlijk af van de aanvullend rechtelijke bepalingen in artikel 6:92 BW. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 20232 onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en daarmee oneerlijk in de zin van de richtlijn.
4.7.
De kantonrechter vernietigt daarom de artikelen 20.2, 20.3 en 20.4 van de algemene voorwaarden voor zover deze betrekking hebben op rente en buitengerechtelijke kosten. Dit betekent dat de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
De ontbinding en ontruiming.
4.8.
De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.
4.9.
De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Er resteert op dit moment, zoals overwogen onder rechtsoverweging 4.3., een (betalings)achterstand van € 1.450,00. Dit komt neer op minder dan twee maanden achterstand. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de hoogte van deze huurachterstand een ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen op dit moment niet rechtvaardigt De kantonrechter zal daarom de gevorderde ontbinding en ontruiming alsmede de daarmee samenhangende nevenvorderingen afwijzen.
4.10.
De kantonrechter merkt het volgende nog op. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen naar voren gebracht dat de huurder inmiddels de huurovereenkomst heeft opgezegd per 1 februari 2027, omdat de huurder gaat verhuizen. De huurder heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat hij de woning indien mogelijk eerder zal verlaten, maar uiterlijk 1 februari 2027. Eveneens heeft hij toegezegd de lopende huur te zullen betalen. Daarnaast zal de huurder de getroffen betalingsregeling nakomen om de ontstane achterstand in te lopen. De kantonrechter merkt daarbij op dat partijen onderling met elkaar moeten afspreken wanneer deze betaling zal plaatsvinden omdat is gebleken dat de overeengekomen datum niet altijd haalbaar is omdat de huurder zijn loon per vier weken ontvangt. Verder hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling gesproken over de werkzaamheden die de verhuurder wil gaan verrichten om de wooneenheden (weer) te splitsen, zodat elke eenheid een eigen meter krijgt. De huurder heeft toegezegd ook hieraan mee te werken.
De proceskosten.
4.11.
Aangezien partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, krijgt de verhuurder niet alle proceskosten vergoed. Omdat deze procedure wel nodig is geweest, moet de huurder wel een deel van de proceskosten betalen aan de verhuurder.
De kosten aan de zijde van de verhuurder worden begroot op:
- dagvaarding € 153,02
- griffierecht € 529,00
- salaris gemachtigde € 253,00 (1 punt x tarief € 253,00)
- nakosten € 126,50
Totaal € 1.061,52.
5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de huurder om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de verhuurder een bedrag van € 1.450,00 aan huurachterstand tot en met augustus 2026;
5.2.
veroordeelt de huurder in de proceskosten van € 1.061,52, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen de kosten van betekening, indien de huurder niet binnen genoemde termijn betaalt en vervolgens betekening van het vonnis plaatsvindt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026. (ak)
Artikel 6:265 BW.
HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)