Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5540
2026-09-15
Civiel recht
12180763 \ CV EXPL 26-540
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Partijen hebben een geschil over de vraag of gedaagde met het plaatsen van een (derde) foto van eiser op haar website een boete uit een eerder door haar verstrekte onthoudingsverklaring, aan eiser verschuldigd is. De kantonrechter oordeelt dat het plaatsen van die foto niet in strijd is met de onthoudingsverklaring. De door eiser gevorderde boete, rente en kosten worden daarom afgewezen, met veroordeling van eiser in de proceskosten.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2017:315 Hoge Raad 24-02-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.866 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12180763 \ CV EXPL 26-540
Vonnis van 15 september 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. J.M. Hesselink,
tegen
[gedaagde] B.V., handelend onder de naam [gedaagde],
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. R. Hemstra.
De zaak in het kort
Partijen hebben een geschil over de vraag of [gedaagde] met het plaatsen van een (derde) foto van [eiser] op haar website een boete uit een eerder door haar verstrekte onthoudingsverklaring, aan [eiser] verschuldigd is. De kantonrechter oordeelt dat het plaatsen van die foto niet in strijd is met de onthoudingsverklaring. De door [eiser] gevorderde boete, rente en kosten worden daarom afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. De motivering van deze beslissing volgt hierna.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2026, waarbij de zaak is verwezen naar de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, - de mondelinge behandeling van 17 augustus 2026, - de spreekaantekeningen van [eiser],
- de spreekaantekeningen van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn beide actief in de branche voor elektrotechnische infrastructuur. Zij houden zich bezig met de handel in straatkasten en aanverwante verdeelsystemen. Partijen bieden deze producten te koop aan via hun websites. In die zin zijn zij directe concurrenten van elkaar.
2.2.
De advocaat van [eiser] schrijft in een brief van 27 januari 2026 aan [gedaagde] dat gebleken is dat [gedaagde] zonder toestemming twee foto’s van producten die zijn gemaakt door [eiser], op haar website heeft geplaatst, wat volgens hem inbreuk maakt op het auteurs- en persoonlijkheidsrecht van [eiser]. Hij verzoekt [gedaagde] om de foto’s te verwijderen en om [eiser] een voorschot van € 5.000,00 ter vergoeding van schade en kosten te betalen.
2.3.
In reactie hierop heeft de advocaat van [gedaagde] bij brief van 7 februari 2025 onder meer het volgende geschreven:
“(…)
Cliënte hecht eraan te benadrukken dat zij de foto's reeds heeft verwijderd en in toekomst niet opnieuw zal plaatsen. Bijgaand treft u een door cliënte getekende onthoudingsverklaring aan. Cliënte verbindt zich daarin (op straffe van een substantieel boetebeding) om de inbreuk te staken en gestaakt te houden. Daarmee staat voor uw cliënte vast dat in de toekomst geen inbreuk (meer) op haar rechten zal worden gemaakt.
(…)”
2.4.
In de onthoudingsverklaring van [gedaagde] staat onder meer het volgende:
“1. In het kader van het geschil zoals beschreven en besproken in de correspondentie tussen mr. J.M. Hesselink en mr. Hemstra d.d. 27 januari, 31 januari, 4 februari en 6 februari 2025
, verklaar ik hierbij dat ik:
erken dat [eiser] B.V. rechthebbende is op de foto's (“de Foto's") zoals weergegeven in voornoemde correspondentie en;
erken inbreuk te hebben gemaakt op het auteursrecht van [eiser] B.V. op de Foto's en onrechtmatig tegenover haar heb gehandeld;
onmiddellijk zal staken en gestaakt zal houden ieder gebruik van de Foto's;
bij overtreding van de verplichting onder c) een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zal zijn van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) per dag of een deel daarvan, zulks met een algeheel maximum van € 10.000, - (zegge: tienduizend euro); en
en lumpsumbedrag van € 1.200,- zal overmaken ter vergoeding van de door [eiser] B.V. geleden schade en vergoeding van de door haar gemaakte juridische kosten (…)”
2.5.
Partijen hebben daarna nog verder over de kwestie gediscussieerd. Naar aanleiding daarvan heeft de advocaat van [gedaagde] op 11 februari 2025 onder meer het volgende aan de advocaat van [eiser] gemaild:
“(…)
Cliënte betreurt het dat partijen niet tot een schikking hebben kunnen komen. Cliënte heeft toegegeven een fout te hebben gemaakt en zij heeft inmiddels een fors bedrag aan schadevergoeding betaald alsmede een onthoudingsverklaring verstrekt waarmee uw cliënte de zekerheid heeft dat ook in de toekomst geen inbreuken meer plaats zullen vinden. (…)”
2.6.
Op maandag 27 oktober 2025 heeft de advocaat van [eiser] aan de advocaat van [gedaagde] gemaild dat [gedaagde] sinds 7 mei 2025 wederom een foto van [eiser] op haar website heeft staan, reden waarom [gedaagde] volgens hem de maximale boete van
€ 10.000,00 uit de onthoudingsverklaring moet betalen.
2.7.
Bij e-mail van 3 november 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] gereageerd dat zij het betreurt dat de foto op haar website is verschenen, maar dat het boetebeding uit de onthoudingsverklaring niet op deze nieuwe foto ziet. Ter vergoeding van schade heeft [gedaagde] een bedrag van € 471,00 aan [eiser] betaald. Daarnaast heeft de advocaat van [gedaagde] een nieuwe onthoudingsverklaring gestuurd met een ruimer bereik.
2.8.
Partijen hebben daarna verder gediscussieerd over of [gedaagde] de boete van
€ 10.000,00 uit de eerste onthoudingsverklaring moet betalen. Dat heeft tot niets geleid.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de boete van in totaal € 10.000,00, vermeerderd met wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. Volgens haar moeten de vorderingen van [eiser] worden afgewezen, althans de gevorderde boetebedragen moeten worden gematigd tot nihil, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] met het plaatsen van de derde foto op haar website de maximale boete van € 10.000,00 uit de eerste onthoudingsverklaring verschuldigd is. [eiser] stelt dat [gedaagde] de boete moet betalen, omdat de onthoudingsverklaring volgens haar de toezegging inhield dat [gedaagde] geen foto’s meer van [eiser] zal gebruiken, en [gedaagde] dat toch heeft gedaan. Dit wordt door [gedaagde] betwist. De onthoudingsverklaring met de boetebepaling ziet volgens haar alleen op het daarin gedefinieerde begrip “de Foto’s”. En dit doelt volgens de onthoudingsverklaring op de foto’s “zoals weergeven in voornoemde correspondentie”. Met de “voornoemde correspondentie” wordt volgens de onthoudingsverklaring de correspondentie bedoeld van 27 januari, 31 januari, 4 februari en 6 februari 2025. Daarin gaat het alleen over de eerste twee foto’s en niet over andere foto’s van [eiser]. Het plaatsen van de derde foto was dus geen overtreding van de onthoudingsverklaring en daardoor is geen boete verbeurd, aldus [gedaagde].
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat de onthoudingsverklaring kwalificeert als een eenzijdige rechtshandeling. De vraag hoe de inhoud van de onthoudingsverklaring moet worden uitgelegd, moet daarom volgens de jurisprudentie worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer, zoals neergelegd in de artikelen 3:33 en 3:35 van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en komt geen beslissend gewicht toe aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de in de onthoudingsverklaring gebruikte bewoordingen, ook niet als uitgangspunt.
4.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter is voor de uitleg van de onthoudingsverklaring met daarin de boetebepaling het volgende van belang. De advocaat van [eiser] wijst in zijn eerste brief van 27 januari 2025 de advocaat van [gedaagde] op het feit dat [gedaagde] met het plaatsen van twee foto’s op haar website inbreuk maakt op het auteurs- en persoonlijkheidsrecht van [eiser]. Dat is vervolgens voor de advocaat van [gedaagde] de aanleiding geweest om op 7 februari 2025 (onder andere) de onthoudingsverklaring te sturen, waarin allereerst wordt verwezen naar eerdere correspondentie tussen partijen. In die eerdere correspondentie hebben de advocaten het alleen over de twee foto’s die [gedaagde] op haar website heeft geplaatst. Dit wijst erop dat met “De Foto’s” in de onthoudingsverklaring onder sub a alleen de eerste twee door [gedaagde] geplaatste foto’s zijn bedoeld. Vervolgens staat in de onthoudingsverklaring onder c dat [gedaagde] ieder gebruik van ‘de Foto’s’ onmiddellijk zal worden gestaakt en gestaakt zal houden. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit het voorgaande, dus zowel uit de correspondentie als uit de onthoudingsverklaring, dat ook onder sub c uitsluitend gesproken wordt over de eerste twee foto’s. En dit heeft tot gevolg dat de boetebepaling onder sub d van de verklaring, waarin wordt verwezen naar sub c, ook uitsluitend ziet op de eerst twee foto’s.
Wel heeft de advocaat van [gedaagde] in zijn brief van 7 februari 2025 en nogmaals in een e-mail 11 februari 2025 geschreven dat in de toekomst geen inbreuken (meer) plaats zullen vinden (zie rechtsoverweging 2.2 en 2.5). Het is naar het oordeel van de kantonrechter denkbaar dat dit bij [eiser] het vertrouwen heeft gewekt dat een vergelijkbare situatie zich in de toekomst niet meer voor zou doen. Dat brengt alleen nog niet mee dat [eiser] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ook de boetebepaling, die zoals hiervoor werd overwogen heel expliciet verwees naar de eerste twee foto’s, ook van toepassing was op toekomstige overtredingen. Daar mocht [eiser] gezien al het voorgaande niet gerechtvaardigd op vertrouwen. Partijen hebben het daar ook niet over gehad. Het feit dat [gedaagde] later een ruimere onthoudingsverklaring heeft opgesteld de wel expliciet ziet op toekomstige foto’s/overtredingen, maakt dit niet anders. Integendeel zelfs.
4.4.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het plaatsen van de derde foto niet in strijd is met de onthoudingsverklaring van 7 februari 2025 en [gedaagde] dus geen boetes heeft verbeurd. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.
Proceskosten
4.5.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.008,00
4.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.W. van Tol en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
Hier is per abuis 6 februari 2025 genoteerd in plaats van 7 februari 2025. Dit is niet tussen partijen in geschil.
Vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315, r.o. 3.3.2.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12180763 \ CV EXPL 26-540
Vonnis van 15 september 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. J.M. Hesselink,
tegen
[gedaagde] B.V., handelend onder de naam [gedaagde],
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. R. Hemstra.
De zaak in het kort
Partijen hebben een geschil over de vraag of [gedaagde] met het plaatsen van een (derde) foto van [eiser] op haar website een boete uit een eerder door haar verstrekte onthoudingsverklaring, aan [eiser] verschuldigd is. De kantonrechter oordeelt dat het plaatsen van die foto niet in strijd is met de onthoudingsverklaring. De door [eiser] gevorderde boete, rente en kosten worden daarom afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. De motivering van deze beslissing volgt hierna.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2026, waarbij de zaak is verwezen naar de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, - de mondelinge behandeling van 17 augustus 2026, - de spreekaantekeningen van [eiser],
- de spreekaantekeningen van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn beide actief in de branche voor elektrotechnische infrastructuur. Zij houden zich bezig met de handel in straatkasten en aanverwante verdeelsystemen. Partijen bieden deze producten te koop aan via hun websites. In die zin zijn zij directe concurrenten van elkaar.
2.2.
De advocaat van [eiser] schrijft in een brief van 27 januari 2026 aan [gedaagde] dat gebleken is dat [gedaagde] zonder toestemming twee foto’s van producten die zijn gemaakt door [eiser], op haar website heeft geplaatst, wat volgens hem inbreuk maakt op het auteurs- en persoonlijkheidsrecht van [eiser]. Hij verzoekt [gedaagde] om de foto’s te verwijderen en om [eiser] een voorschot van € 5.000,00 ter vergoeding van schade en kosten te betalen.
2.3.
In reactie hierop heeft de advocaat van [gedaagde] bij brief van 7 februari 2025 onder meer het volgende geschreven:
“(…)
Cliënte hecht eraan te benadrukken dat zij de foto's reeds heeft verwijderd en in toekomst niet opnieuw zal plaatsen. Bijgaand treft u een door cliënte getekende onthoudingsverklaring aan. Cliënte verbindt zich daarin (op straffe van een substantieel boetebeding) om de inbreuk te staken en gestaakt te houden. Daarmee staat voor uw cliënte vast dat in de toekomst geen inbreuk (meer) op haar rechten zal worden gemaakt.
(…)”
2.4.
In de onthoudingsverklaring van [gedaagde] staat onder meer het volgende:
“1. In het kader van het geschil zoals beschreven en besproken in de correspondentie tussen mr. J.M. Hesselink en mr. Hemstra d.d. 27 januari, 31 januari, 4 februari en 6 februari 2025
, verklaar ik hierbij dat ik:
erken dat [eiser] B.V. rechthebbende is op de foto's (“de Foto's") zoals weergegeven in voornoemde correspondentie en;
erken inbreuk te hebben gemaakt op het auteursrecht van [eiser] B.V. op de Foto's en onrechtmatig tegenover haar heb gehandeld;
onmiddellijk zal staken en gestaakt zal houden ieder gebruik van de Foto's;
bij overtreding van de verplichting onder c) een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zal zijn van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) per dag of een deel daarvan, zulks met een algeheel maximum van € 10.000, - (zegge: tienduizend euro); en
en lumpsumbedrag van € 1.200,- zal overmaken ter vergoeding van de door [eiser] B.V. geleden schade en vergoeding van de door haar gemaakte juridische kosten (…)”
2.5.
Partijen hebben daarna nog verder over de kwestie gediscussieerd. Naar aanleiding daarvan heeft de advocaat van [gedaagde] op 11 februari 2025 onder meer het volgende aan de advocaat van [eiser] gemaild:
“(…)
Cliënte betreurt het dat partijen niet tot een schikking hebben kunnen komen. Cliënte heeft toegegeven een fout te hebben gemaakt en zij heeft inmiddels een fors bedrag aan schadevergoeding betaald alsmede een onthoudingsverklaring verstrekt waarmee uw cliënte de zekerheid heeft dat ook in de toekomst geen inbreuken meer plaats zullen vinden. (…)”
2.6.
Op maandag 27 oktober 2025 heeft de advocaat van [eiser] aan de advocaat van [gedaagde] gemaild dat [gedaagde] sinds 7 mei 2025 wederom een foto van [eiser] op haar website heeft staan, reden waarom [gedaagde] volgens hem de maximale boete van
€ 10.000,00 uit de onthoudingsverklaring moet betalen.
2.7.
Bij e-mail van 3 november 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] gereageerd dat zij het betreurt dat de foto op haar website is verschenen, maar dat het boetebeding uit de onthoudingsverklaring niet op deze nieuwe foto ziet. Ter vergoeding van schade heeft [gedaagde] een bedrag van € 471,00 aan [eiser] betaald. Daarnaast heeft de advocaat van [gedaagde] een nieuwe onthoudingsverklaring gestuurd met een ruimer bereik.
2.8.
Partijen hebben daarna verder gediscussieerd over of [gedaagde] de boete van
€ 10.000,00 uit de eerste onthoudingsverklaring moet betalen. Dat heeft tot niets geleid.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de boete van in totaal € 10.000,00, vermeerderd met wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. Volgens haar moeten de vorderingen van [eiser] worden afgewezen, althans de gevorderde boetebedragen moeten worden gematigd tot nihil, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] met het plaatsen van de derde foto op haar website de maximale boete van € 10.000,00 uit de eerste onthoudingsverklaring verschuldigd is. [eiser] stelt dat [gedaagde] de boete moet betalen, omdat de onthoudingsverklaring volgens haar de toezegging inhield dat [gedaagde] geen foto’s meer van [eiser] zal gebruiken, en [gedaagde] dat toch heeft gedaan. Dit wordt door [gedaagde] betwist. De onthoudingsverklaring met de boetebepaling ziet volgens haar alleen op het daarin gedefinieerde begrip “de Foto’s”. En dit doelt volgens de onthoudingsverklaring op de foto’s “zoals weergeven in voornoemde correspondentie”. Met de “voornoemde correspondentie” wordt volgens de onthoudingsverklaring de correspondentie bedoeld van 27 januari, 31 januari, 4 februari en 6 februari 2025. Daarin gaat het alleen over de eerste twee foto’s en niet over andere foto’s van [eiser]. Het plaatsen van de derde foto was dus geen overtreding van de onthoudingsverklaring en daardoor is geen boete verbeurd, aldus [gedaagde].
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat de onthoudingsverklaring kwalificeert als een eenzijdige rechtshandeling. De vraag hoe de inhoud van de onthoudingsverklaring moet worden uitgelegd, moet daarom volgens de jurisprudentie worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer, zoals neergelegd in de artikelen 3:33 en 3:35 van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en komt geen beslissend gewicht toe aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de in de onthoudingsverklaring gebruikte bewoordingen, ook niet als uitgangspunt.
4.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter is voor de uitleg van de onthoudingsverklaring met daarin de boetebepaling het volgende van belang. De advocaat van [eiser] wijst in zijn eerste brief van 27 januari 2025 de advocaat van [gedaagde] op het feit dat [gedaagde] met het plaatsen van twee foto’s op haar website inbreuk maakt op het auteurs- en persoonlijkheidsrecht van [eiser]. Dat is vervolgens voor de advocaat van [gedaagde] de aanleiding geweest om op 7 februari 2025 (onder andere) de onthoudingsverklaring te sturen, waarin allereerst wordt verwezen naar eerdere correspondentie tussen partijen. In die eerdere correspondentie hebben de advocaten het alleen over de twee foto’s die [gedaagde] op haar website heeft geplaatst. Dit wijst erop dat met “De Foto’s” in de onthoudingsverklaring onder sub a alleen de eerste twee door [gedaagde] geplaatste foto’s zijn bedoeld. Vervolgens staat in de onthoudingsverklaring onder c dat [gedaagde] ieder gebruik van ‘de Foto’s’ onmiddellijk zal worden gestaakt en gestaakt zal houden. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit het voorgaande, dus zowel uit de correspondentie als uit de onthoudingsverklaring, dat ook onder sub c uitsluitend gesproken wordt over de eerste twee foto’s. En dit heeft tot gevolg dat de boetebepaling onder sub d van de verklaring, waarin wordt verwezen naar sub c, ook uitsluitend ziet op de eerst twee foto’s.
Wel heeft de advocaat van [gedaagde] in zijn brief van 7 februari 2025 en nogmaals in een e-mail 11 februari 2025 geschreven dat in de toekomst geen inbreuken (meer) plaats zullen vinden (zie rechtsoverweging 2.2 en 2.5). Het is naar het oordeel van de kantonrechter denkbaar dat dit bij [eiser] het vertrouwen heeft gewekt dat een vergelijkbare situatie zich in de toekomst niet meer voor zou doen. Dat brengt alleen nog niet mee dat [eiser] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ook de boetebepaling, die zoals hiervoor werd overwogen heel expliciet verwees naar de eerste twee foto’s, ook van toepassing was op toekomstige overtredingen. Daar mocht [eiser] gezien al het voorgaande niet gerechtvaardigd op vertrouwen. Partijen hebben het daar ook niet over gehad. Het feit dat [gedaagde] later een ruimere onthoudingsverklaring heeft opgesteld de wel expliciet ziet op toekomstige foto’s/overtredingen, maakt dit niet anders. Integendeel zelfs.
4.4.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het plaatsen van de derde foto niet in strijd is met de onthoudingsverklaring van 7 februari 2025 en [gedaagde] dus geen boetes heeft verbeurd. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.
Proceskosten
4.5.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.008,00
4.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.W. van Tol en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
Hier is per abuis 6 februari 2025 genoteerd in plaats van 7 februari 2025. Dit is niet tussen partijen in geschil.
Vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315, r.o. 3.3.2.