Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5516

2026-09-14 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht ZWO 26/2087
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-09-14
Publicatiedatum
2026-09-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ZWO 26/2087
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening Woo bezwaar. Geschil over inhoud onderzoeksrapport geen aanleiding om besluit tot openbaarmaking te schorsen. Algemeen belang weegt zwaarder.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.559 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummer: ZWO 26/2087


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen




[eiseres] V.O.F., uit [vestigingsplaats],
hierna: [eiseres],
(gemachtigden: mr. J. van Helden en mr. J.W.P. Pluijmen),



en




het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,
hierna: het college,
(gemachtigde: mr. M.W. van Nijendaal).






1Samenvatting


1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college om het onderzoeksrapport over de rechtmatigheid van de besteding van zorggeld door [eiseres] op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Wet open overheid (hierna: Woo) openbaar te maken. [eiseres] is het niet eens met de inhoud van het onderzoeksrapport en wil met dit verzoek voorkomen dat het rapport al openbaar wordt gemaakt voordat door het college op haar bezwaarschrift is beslist.



1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het besluit van het college om het onderzoeksrapport op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Woo openbaar te maken niet schorst totdat op het bezwaarschrift is beslist. Dit heeft tot gevolg dat het college het onderzoeksrapport vanaf heden openbaar kan maken.





2Inleiding: feiten en procesverloop


2.1.
Het college heeft in het kader van het toezicht en de naleving op de Wet maatschappelijke ondersteuning bij [eiseres] onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de besteding van het zorggeld. De resultaten van dit onderzoek heeft het college vastgelegd in een conceptrapport en aan [eiseres] voorgelegd. [eiseres] heeft op het conceptrapport op 24 april 2026 een zienswijze ingediend. Deze heeft het college bij het definitieve onderzoeksrapport van 24 juni 2026 gevoegd.



2.2.
Vervolgens heeft het college het definitieve onderzoeksrapport op 24 juni 2026 aan [eiseres] toegestuurd, waarbij hij heeft vermeld dat hij voornemens is het rapport openbaar te maken. Hij heeft daarbij [eiseres] op grond van artikel 3.1, derde lid, van de Woo in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Met de e-mail van 2 juli 2026 heeft [eiseres] gereageerd. Deze reactie heeft het college ten aanzien van de openbaarmaking niet tot een andere conclusie gebracht. Met het bestreden besluit van 16 juli 2026 heeft het college bepaald dat hij het definitieve onderzoeksrapport op 31 juli 2026 zou publiceren.



2.3.

[eiseres] is het hiermee niet eens en heeft daarom bezwaar gemaakt tegen de openbaarmaking van het rapport. Omdat het onderzoeksrapport op 31 juli 2026 openbaar zou worden gemaakt, heeft zij daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.



2.4.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft het college met de brief van 29 juli 2026 aangegeven dat hij de openbaarmaking van het rapport zal uitstellen totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening.



2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres], vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2], de gemachtigden van [eiseres] en namens het college [naam 3] en de gemachtigde van het college.





3Beoordeling door de voorzieningenrechter


3.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.



Spoedeisend belang





3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van haar verzoek door de voorzieningenrechter. Het college heeft dat ook niet betwist.



(Actieve) openbaarmaking onderzoeksrapport





3.3.

[eiseres] verzet zich tegen openbaarmaking van het onderzoeksrapport, omdat de inhoud van dat rapport volgens haar onjuist is, onder andere omdat het afwijkt van een ander, wat ouder, rapport van een ander bestuursorgaan. Zij stelt zich op het standpunt dat de (eventuele) procedures over de inhoud van het rapport moeten zijn doorlopen voordat het rapport openbaar wordt gemaakt, omdat openbaarmaking verstrekkende negatieve gevolgen voor haar kan hebben. [eiseres] voert aan dat het college handelt in strijd met de volgende algemene beginselen van behoorlijk bestuur: het zorgvuldigheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel en het verbod van détournement de pouvoir. Ook doet [eiseres] een beroep op het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Daarnaast voert [eiseres] aan dat het college het uitgangspunt dat op grond van de Woo een (kenbare) belangenafweging dient plaats te vinden, te meer indien er bezwaren bestaan, heeft geschonden. Tot slot vindt [eiseres] dat er feitelijke onjuistheden in het onderzoeksrapport staan en dat om die reden niet tot openbaarmaking moet worden overgegaan. [eiseres] stelt niet dat het college ten onrechte bepaalde uitzonderingsgronden uit de Woo niet heeft toegepast.



3.4.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college het bestreden besluit niet in strijd met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel genomen en is sprake van een kenbare belangenafweging. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.



3.5.
Op grond van artikel 3.1 van de Woo rust op het college de inspanningsverplichting tot actieve openbaarmaking van bij hem berustende informatie. Daarom heeft het college in dit geval, conform zijn vaste gedragslijn, besloten het onderzoeksrapport over de rechtmatigheid van de besteding van zorggeld door [eiseres] openbaar te maken.



3.6.
Bij zijn besluitvorming dient het college te beoordelen of de artikelen 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 van de Woo aan openbaarmaking in de weg staan en of met de openbaarmaking een redelijk belang wordt gediend. Daarnaast is een nadere afweging van belangen geboden. Deze vergt een afweging van het algemene belang dat door de openbaarmaking wordt gediend tegen het belang van [eiseres] geen onevenredig nadeel te lijden als gevolg van de publicatie, waarbij aan het algemeen belang een groot gewicht moet worden toegekend.



3.7.
De voorzieningenrechter constateert dat [eiseres] zich in deze procedure richt op de belangen die zijn betrokken bij openbaarmaking van het onderzoeksrapport, maar niet op de uitzonderingsgronden die in artikel 5.1, eerste en tweede lid en 5.2 van de Woo staan. Daarom zal de voorzieningenrechter in deze uitspraak op dat laatste niet ingaan.



3.8.

[eiseres] is het niet eens met de inhoud van de rapportage. Het college heeft echter terecht in het bestreden besluit uiteengezet dat enkel een betwisting van de inhoud van het rapport in het kader van artikel 3.1, eerste lid, van de Woo niet kan worden aangemerkt als een belang op basis waarvan openbaarmaking achterwege moet worden gelaten. Immers, bij de beoordeling of een onderzoeksrapport dat niet aan een nader bestuursrechtelijk besluit ten grondslag is of wordt gelegd openbaar moet worden gemaakt op grond van de Woo speelt slechts de vraag of er gronden zijn die aan openbaarmaking in de weg staan. Daarbij dient de wijze waarop een rapport is opgesteld te worden betrokken, maar de inhoudelijke juistheid van een rapport speelt daarbij geen rol.



3.9.
In het kader van de af te wegen belangen voert [eiseres], naast haar standpunt over de onjuistheid van het rapport, aan dat het besluit tot openbaarmaking onder meer zal of kan leiden tot reputatieschade, verlies van vertrouwen bij cliënten en andere ketenpartners, alsook financiële schade. Het college heeft in het verweerschrift en op zitting toegelicht waarom hij, ondanks deze belangen van [eiseres] openbaarmaking noodzakelijk acht. Het college acht van belang dat inwoners en cliënten van zorgaanbieders geïnformeerd worden over de bevindingen van toezichthouders. Specifiek als het gaat om de rechtmatigheid van de besteding van zorggelden, waarbij het gaat om besteding van publieke middelen door het college aan aanbieders van zorg. Daarover moet verantwoording worden afgelegd aan (onder meer) de inwoners van de gemeente. Met openbaarmaking is daarmee het algemeen belang gediend.



3.10.
In wat [eiseres] heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit tot openbaarmaking van het onderzoeksrapport onevenredig is of onevenredige benadeling toebrengt in de zin van artikel 5.1, vijfde lid van de Woo of voornoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 maart 2026, waardoor van openbaarmaking moet worden afgezien. De discussie over de inhoud van het rapport en de mogelijke reputatieschade, verlies van vertrouwen bij cliënten en andere ketenpartners en financiële schade wegen niet op tegen het algemeen, zwaarwegende belang van openbaarheid van het document. De positie van [eiseres] verschilt niet met die van andere (zorg)organisaties die te maken krijgen met de publicatie van een voor hen negatief onderzoeksrapport. Evenmin biedt de omstandigheid dat [eiseres] het niet eens is met de inhoud van het onderzoeksrapport en deze nader wil laten toetsen alvorens wordt overgegaan tot publicatie grond om openbaarmaking achterwege te laten. De voorzieningenrechter wijst in dit verband terug naar wat zij hierover heeft overwogen in rechtsoverweging 3.8. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de zienswijze van [eiseres] van 24 april 2026 op het conceptrapport bij het definitieve onderzoeksrapport is gevoegd, zodat haar standpunt over de inhoud van het onderzoeksrapport kenbaar is. De verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 28 januari 2026 kan [eiseres] ook niet baten, reeds omdat het die zaak niet ging om een onderzoeksrapport, maar om de openbaarmaking van namen en adresgegevens van de betrokken bedrijven en naar hen herleidbare informatie. Daarmee verschilt die casus wezenlijk van deze zaak.



3.11.

Tot slot kan het beroep van [eiseres] op het beginsel van effectieve rechtsbescherming niet slagen, reeds omdat zij haar bezwaren in deze procedure heeft kunnen voorleggen. In wat zij heeft aangevoerd ten aanzien van het verbod van détournement de pouvoir ziet de voorzieningenrechter, mede gelet op wat hiervoor is overwogen over de betrokken belangen geen aanknopingspunt voor de conclusie dat het
college misbruik maakt van zijn bevoegdheden door tot openbaarmaking over te gaan.




3.12.
Gelet op wat de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen, komt zij tot het oordeel dat het bezwaar van [eiseres] geen redelijke kans van slagen heeft. Gelet op het voorgaande mag het college het rapport openbaar maken en ook ervoor kiezen om dat op dit moment te doen.





4Conclusie en gevolgen


4.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het besluit van het college om op grond van de Woo over te gaan tot actieve openbaarmaking van het onderzoeksrapport van 24 juni 2026 ten aanzien van [eiseres] niet schorst. Dit heeft tot gevolg dat het college dit rapport vanaf heden openbaar kan maken.



4.2.
Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing




De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:































Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.





Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1532


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2201, r.o. 4.2.3.