Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5498

2026-08-18 Civiel recht 12175648 \ CV EXPL 26-1160
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-09-12
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12175648 \ CV EXPL 26-1160
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van premies en zorgkostennota's toegwezen. Niet gebleken is dat gedaagde (al) bevrijdend heeft betaald.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.998 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Zwolle



Zaaknummer: 12175648 \ CV EXPL 26-1160




Vonnis van 18 augustus 2026




in de zaak van




VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: Inkassier,



tegen





[eiseres] ,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [eiseres],
procederend in persoon.






1De procedure


1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek.




1.2

[eiseres] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen conclusie van dupliek genomen.



1.3
Ten slotte is vonnis bepaald.





2Waar deze zaak over gaat


2.1
Tussen partijen bestaat een zorgverzekeringsovereenkomst. Vanaf april 2025 is bij [eiseres] een betalingsachterstand ontstaan ten aanzien van de verschuldigde premies en zorgkostennota’s.



2.2
Volgens VGZ heeft [eiseres] een bedrag van € 1.171,50 niet tijdig voldaan. Als gevolg daarvan is [eiseres] wettelijke rente verschuldigd. VGZ heeft [eiseres] tot betaling aangemaand. Omdat betaling ook daarna is uitgebleven, is [eiseres] buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd, aldus VGZ. De tot en met 17 maart 2026 door VGZ berekende wettelijke rente bedraagt € 21,90 en de buitengerechtelijke incassokosten bedragen € 133,56. In de periode van augustus tot en met november 2025 zijn deelbetalingen verricht. Na verwerking daarvan resteert volgens VGZ een bedrag van € 669,31. VGZ vordert betaling van dit bedrag, vermeerderd met (verdere) rente en met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.



2.3

[eiseres] voert verweer. Hij voert – kort samengevat – aan dat hij de vordering heeft doorgestuurd naar Budgetbeheer van de gemeente Zwolle en dat hem desgevraagd is meegedeeld dat alle premies zijn betaald. Budgetbeheer weet niet waar de fout zit, aldus [eiseres].



2.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





3Het oordeel van de kantonrechter



Ambtshalve toetsing van toepasselijke algemene voorwaarden




3.1
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de gevorderde vergoeding van rente en buitengerechtelijke incassokosten, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.



De premies en zorgkostennota’s





3.2

[eiseres] betwist niet dat de door VGZ in rekening gebrachte premies en zorgkostennota’s op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst verschuldigd zijn. Hij voert echter aan dat hij alle verschuldigde bedragen al heeft betaald.



3.3
Het verweer van [eiseres] slaagt niet. Het beroep op betaling is een bevrijdend verweer. Het is daarom aan [eiseres] om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit die betaling blijkt en deze, bij voldoende betwisting, te bewijzen. [eiseres] heeft echter geen betalingsbewijzen of andere stukken overgelegd waaruit blijkt dat en wanneer alle premies en zorgkostennota’s zouden zijn voldaan. Zijn enkele verwijzing naar de mededeling van Budgetbeheer dat alles betaald zou zijn, is onvoldoende, temeer nu VGZ bij repliek onweersproken heeft aangevoerd dat Budgetbeheer pas na aanvang van deze procedure bij de zaak betrokken is geraakt. Dat [eiseres] het beheer van zijn financiën aan Budgetbeheer heeft overgelaten, ontslaat hem bovendien niet van zijn betalingsverplichting tegenover VGZ. Het betalingsverweer wordt dan ook verworpen.



De wettelijke rente





3.4
Omdat [eiseres] de verschuldigde bedragen niet tijdig heeft betaald, is hij daarover wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd. VGZ heeft deze rente tot en met 17 maart 2026 berekend op € 21,90. [eiseres] heeft de verschuldigdheid en de hoogte van het bedrag niet afzonderlijk betwist. De kantonrechter zal deze vordering dan ook toewijzen en gaat er daarbij van uit dat VGZ bij haar berekening rekening heeft gehouden met de door [eiseres] verrichte deelbetalingen.



De buitengerechtelijke kosten





3.5
VGZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Die vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] een consument is. Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat dit het geval is. VGZ heeft aan [eiseres] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 133,56 worden toegewezen.



De deelbetalingen





3.6

[eiseres] heeft na het ontstaan van de betalingsachterstand deelbetalingen van in totaal € 657,65 verricht. Op grond van artikel 6:44 BW strekken deze betalingen telkens eerst in mindering op de op dat moment verschuldigde kosten, vervolgens op de verschenen rente en ten slotte op de hoofdsom en de lopende rente.



Conclusie





3.7
VGZ stelt dat, gelet op de oorspronkelijke hoofdsom plus kosten en rekening houdend met de verrichte betalingen, per 17 maart 2026 nog een door [eiseres] te betalen bedrag van € 669,31 resteert. [eiseres] heeft de berekening van dit resterende bedrag niet gemotiveerd weersproken. De kantonrechter ziet ook geen aanleiding om hiervan af te wijken. Het bedrag van € 669,31 zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 maart 2026.



Proceskosten





3.8

[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor zover [eiseres] zich op het standpunt heeft willen stellen dat VGZ redelijkerwijs niet tot dagvaarding had mogen overgaan omdat [eiseres] Budgetbeheer had ingeschakeld en volgens Budgetbeheer alle verschuldigde bedragen waren betaald, volgt de kantonrechter hem daarin niet. VGZ heeft onweersproken aangevoerd dat zij voorafgaand aan deze procedure geen reactie van [eiseres] of Budgetbeheer heeft ontvangen en dat de procedure al aanhangig was toen alsnog een reactie volgde. Dat [eiseres] zijn financiën door Budgetbeheer laat beheren en dat kennelijk onduidelijkheid bestaat over de verrichte betalingen, kan ook niet aan VGZ worden tegengeworpen. VGZ kon onder deze omstandigheden een procedure aanhangig maken. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de proceskosten geheel of gedeeltelijk voor rekening van VGZ te laten.



3.9
De proceskosten van VGZ worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


153,77







- griffierecht


€


350,00







- salaris gemachtigde


€


288,00


(2 punten × € 144,00)




- nakosten


€


72,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


863,77













4De beslissing


De kantonrechter



4.1
veroordeelt [eiseres] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 669,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover, met ingang van 17 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,



4.2
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 863,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.