Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5492
Inhoudsindicatie
Partijen hebben een overeenkomst gesloten voor het verrichten van bestratingswerkzaamheden. Partijen zijn het erover eens dat gedaagde deze werkzaamheden niet goed en deugdelijk heeft uitgevoerd. Eiser vordert een schadevergoeding, zodat eiser de herstelwerkzaamheden door een derde kan laten uitvoeren. Gedaagde verweert zich met de stelling dat hij niet de kans heeft gekregen om de herstelwerkzaamheden uit te voeren. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde ruimschoots de gelegenheid is geboden om de gebreken te herstellen binnen een redelijke termijn. Eiser kan de gebreken voor eigen rekening laten herstellen en de kosten daarvan als schade op gedaagde verhalen. De kantonrechter begroot de kosten voor het herstel op € 5.324,00.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2019:1581 Hoge Raad 11-10-2019
- ECLI:NL:HR:2019:1581 Hoge Raad 11-10-2019
- ECLI:NL:HR:2024:328 Hoge Raad 08-03-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.212 tekens)
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12137599 \ CV EXPL 26-363
Vonnis van 1 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. M.H.J. Booijink,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf 1],
wonend te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
1.1
[eiser] en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten voor het verrichten van bestratingswerkzaamheden. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] deze werkzaamheden niet goed en deugdelijk heeft uitgevoerd. [eiser] vordert een schadevergoeding, zodat [eiser] de herstelwerkzaamheden door een derde kan laten uitvoeren. [gedaagde] verweert zich met de stelling dat hij niet de kans heeft gekregen om de herstelwerkzaamheden uit te voeren.
1.2
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] ruimschoots de gelegenheid is geboden om de gebreken te herstellen binnen een redelijke termijn. [eiser] kan de gebreken voor eigen rekening laten herstellen en de kosten daarvan als schade op [gedaagde] verhalen. De kantonrechter begroot de kosten voor het herstel op € 5.324,00.
2De procedure
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 maart 2026 met producties 1 – 12;
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de nader ingediende productie 13 aan de zijde van [eiser] van 22 juni 2026;
- de mondelinge behandeling van 24 juni 2026, waarbij [eiser] is verschenen en is bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde] was niet bij de mondelinge behandeling aanwezig. [eiser] heeft zijn standpunten toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling.
2.2
[eiser] heeft twee dagen voor de mondelinge behandeling productie 13 in de procedure gebracht. Op grond van artikel 5.7 van het procesreglement dient een partij ervoor zorg te dragen dat eventuele (nadere) bewijsstukken uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling door de kantonrechter en de wederpartij zijn ontvangen. [eiser] heeft deze termijn niet in acht genomen. Ook is niet gesteld of gebleken dat eerdere toezending van deze aanvullende productie onmogelijk was. Nu deze productie te laat is ingediend en [gedaagde] niet bij de mondelinge behandeling is verschenen, laat de kantonrechter productie 13 buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.
2.3
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1
[eiser] heeft in mei 2024 met [gedaagde] contact opgenomen voor het bestraten van het terras en de inrit. Partijen zijn vervolgens overeengekomen dat [gedaagde] het straatwerk in de achtertuin, de aanleg van de borders, de plaatsing van de lijngoot en het bestraten van de inrit zou uitvoeren voor een bedrag van € 2.900,00 exclusief btw. Het aanleggen van het riool kon worden gedaan voor € 40,00 per persoon per uur en exclusief btw. Per kubieke meter zand zou € 25,00 in rekening worden gebracht.
3.2
[gedaagde] is vervolgens begonnen met het uitvoeren van de werkzaamheden. De werkzaamheden zijn begin juni 2024 afgerond. [gedaagde] heeft voor deze werkzaamheden een factuur ter hoogte van € 4.089,80 inclusief btw gestuurd die [eiser] op 6 juni 2024 heeft voldaan.
3.3
Kort daarna is gebleken dat de werkzaamheden niet goed en deugdelijk zijn uitgevoerd.
3.4
[eiser] heeft [gedaagde] op 7 juni 2024 geïnformeerd over de gebreken. [gedaagde] heeft diezelfde dag gereageerd. In zijn reactie staat, samengevat, dat hij inderdaad zat met de vaste hoogtes en het afschot en dat er straks medewerkers zouden langskomen om ernaar te kijken. De medewerkers zijn niet langsgekomen, omdat ze autopech hadden. Partijen hebben vervolgens afgesproken dat [gedaagde] op 10 juni 2024 zou langskomen om te kijken naar de herstelwerkzaamheden die uitgevoerd moeten worden.
3.5
[gedaagde] is op 10 juni 2024 niet verschenen.
3.6
[eiser] heeft op 12 juli 2024 en 16 september 2024 aan [gedaagde] een WhatsApp-bericht gestuurd met de vraag of [gedaagde] de situatie wil oplossen en op 23 september 2024 een spraakoproep gedaan. [gedaagde] heeft daarop niet gereageerd.
3.7
[eiser] heeft op 12 juli 2025 aan [gedaagde] laten weten dat zijn geduld op is en dat hij zonder reactie van [gedaagde] nadere maatregelen zou treffen. Diezelfde dag reageert [gedaagde]. [gedaagde] is op 25 juli 2025 bij [eiser] langsgekomen. Partijen zijn niet tot een definitieve oplossing gekomen. [gedaagde] is toen vertrokken en heeft niets meer van zich laten horen.
3.8
[eiser] heeft vervolgens een derde, [bedrijf 2] (verder: [bedrijf 2]), ingeschakeld om de kwaliteit van de door [gedaagde] verrichte werkzaamheden te beoordelen. [bedrijf 2] heeft het volgende geconstateerd:
‘[…] De achtertuin is te laag aangelegd, er had onder de poort een goot geplaatst moeten worden om het overtollige regenwater af te voeren.
Verder is mij opgevallen dat de oprit afloopt richting de achtertuin. Hierdoor ligt het straatwerk bij de voordeur en de garagedeur te laag. De schutting poort kan met gemak nog 10 cm omhoog, watergoot plaatsten en het straatwerk op de goede hoogte erin maken.
De tegels zijn onjuist ingevoegd, overal kom ik 5 mm afstandhouders tegen die nog tussen de tegels liggen. Daardoor is er maar een voegdiepte van 2 à 3 mm. Dit is te weinig.
Dat de voegen loslaten in het midden van het terras, komt zeker niet door mieren. Mieren komen inderdaad in elke tuin voor, maar vaak langs de randen van het terras. Ook komen veel naden tussen de tegels niet overeen. De tegels zijn niet haaks gelegd, waardoor de naden niet overeenkomen.
Ook de aangelegde bloembakken zijn verzakt. Dit had voorkomen kunnen worden door er opsluitbandjes onder te leggen. Vervolgens lijm je daar de stapelblokken op. […]’
[bedrijf 2] heeft daarbij voor de totale kosten voor herstel een bedrag van € 5.324,00 inclusief btw geoffreerd, bestaande uit (bedragen exclusief btw):
- Leeghalen achtertuin
€
760,00
- Herbestraten tegels achtertuin
€
1.520,00
- Leggen van fundering en stapelblokken, invoegen tegels
€
760,00
- Ophogen poort, plaatsen goot en oprit verhogen
€
760,00
- Zaagwerk, voegmiddel, kleinmateriaal (cement onder de tegels)
€
600,00
3.9
[eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 28 augustus 2025 geconfronteerd met de bevindingen van [bedrijf 2]. [eiser] heeft [gedaagde] nog eenmaal in de gelegenheid gesteld om de gebreken weg te nemen, waarbij hij [gedaagde] heeft verzocht binnen drie werkdagen te bevestigen dat hij de gebreken gaat herstellen en een planning te geven wanneer hij de herstelwerkzaamheden gaat uitvoeren. [eiser] heeft [gedaagde] tot slot een termijn van zes dagen gegeven waarbinnen de herstelwerkzaamheden dienen te zijn uitgevoerd en zich het recht voorbehouden om de kosten voor het inschakelen van een derde voor het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden op [gedaagde] te verhalen.
3.10
[gedaagde] heeft [eiser] op 3 september 2025 een e-mail gestuurd voor het maken van een afspraak om het werk te bekijken, de planning te maken en het werk op te lossen. [gedaagde] is op 6 september 2025 bij [eiser] geweest en heeft toegezegd in week 41 (6 tot en met 12 oktober 2025) de herstelwerkzaamheden uit te voeren zoals in de offerte van [bedrijf 2] staat vermeld.
3.11
Op 9 oktober 2025 heeft [gedaagde] twee mannen gestuurd om de herstelwerkzaamheden uit te voeren. [gedaagde] was daar niet bij aanwezig. De twee mannen zijn die dag begonnen met het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden aan de oprit. Kort nadat zij aanvang hadden genomen met het uitvoeren van deze werkzaamheden, zijn zij naar de winkel gegaan en is de bus kapotgegaan. De twee mannen zijn die dag niet teruggekomen.
3.12
[gedaagde] is op 10 oktober 2025 bij [eiser] teruggekomen en vond toen een briefje, waarop stond dat de oprit nog openligt, dat [gedaagde] deze mag dichtmaken en dat het dan klaar is.
3.13
[eiser] heeft op 10 oktober 2025 aan [gedaagde] een e-mail gestuurd, waarin [eiser] niet langer herstel van de uitgevoerde werkzaamheden meer verlangt, maar hij vergoeding van de kosten voor herstel door een derde ter hoogte van € 5.324,00 inclusief btw vordert. [eiser] maakt daarbij aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 775,85, indien [gedaagde] het bedrag van € 5.324,00 inclusief btw niet binnen vijftien dagen betaalt.
3.14
[gedaagde] heeft geen werkzaamheden meer verricht. Ook heeft hij het bedrag van € 5.324,00 inclusief btw niet aan [eiser] betaald.
4Het geschil
4.1
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (i) voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de door [gedaagde] gebrekkig uitgevoerde werkzaamheden, en (ii) [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de geleden maar nog niet vastgestelde en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) vanaf 26 oktober 2025 tot aan de dag van volledige voldoening. [eiser] vordert bij wege van voorschot op de door hem geleden en nog te lijden schade betaling door [gedaagde] van € 5.324,00. Verder vordert [eiser] dat [gedaagde] de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 775,85 aan hem vergoedt. Tot slot vordert [eiser] dat [gedaagde] de kosten van deze procedure betaalt (inclusief de nakosten).
4.2
[gedaagde] voert verweer.
5De beoordeling
[gedaagde] is voldoende gelegenheid voor herstel geboden
5.1
[eiser] stelt dat partijen een overeenkomst hebben gesloten voor het bestraten van het terras en de oprit en voor werkzaamheden in de tuin. [gedaagde] heeft deze werkzaamheden uitgevoerd, maar niet goed en deugdelijk. Volgens [eiser] blijken de tegels in de tuin lager te liggen dan de oprit, waardoor er bij regen een waterbad ontstaat bij de poort die de oprit scheidt van de achtertuin. Ook zijn onder meer de tegels niet haaks gelegd, waardoor de naden niet overeenkomen en zijn de bloembakken verzakt, omdat er geen opsluitbandjes onder liggen. [eiser] stelt dat hij [gedaagde] diverse keren in de gelegenheid heeft gesteld de gebreken te herstellen, zonder resultaat.
5.2
[gedaagde] voert als verweer aan dat hij met [eiser] herstelwerkzaamheden is overeengekomen, namelijk het aanpassen van de oprit waar nodig en de achtertuin in zijn geheel. [gedaagde] voert aan dat zijn medewerkers zijn begonnen met de oprit. In de pauze zijn zij naar de winkel gegaan en is de bus kapotgegaan. [gedaagde] voert aan daarover contact te hebben gehad met [eiser] en dat hij tegen [eiser] heeft gezegd dat hij de volgende dag terug zou komen. Toen [gedaagde] de volgende dag terugkwam, lag er volgens [gedaagde] een briefje dat hij niet meer terug hoefde te komen. [gedaagde] voert aan dat hij bereid is om het op te lossen, maar dat hij daar niet de kans voor heeft gehad.
5.3
Partijen zijn het erover eens dat zij een overeenkomst hebben gesloten voor het verrichten van bestratingswerkzaamheden. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een overeenkomst van aanneming van werk, zodat de artikelen 7:750 BW e.v. daarop van toepassing zijn.
Werkzaamheden verricht en opgeleverd
5.4
Niet in geschil is dat de werkzaamheden begin juni 2024 zijn opgeleverd en dat de werkzaamheden gebrekkig zijn uitgevoerd. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] daarmee erkent dat hij aansprakelijk is voor de gebrekkige werkzaamheden, als bedoeld in artikel 7:759 BW. Partijen twisten over de vraag of [gedaagde] gelegenheid tot herstel is geboden.
5.5
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat twee medewerkers van [gedaagde] bij [eiser] zijn geweest voor het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden. Deze medewerkers zijn kort daarna naar de winkel gegaan, omdat ze de benodigde materialen niet hadden. Na ongeveer een uur waren ze weer terug en toen de halve ochtend voorbij was, zijn ze weer weggegaan. [eiser] werd vervolgens door [gedaagde] gebeld dat de bus kapot was gegaan, dat deze naar de garage ging en dat de medewerkers hopelijk de volgende dag terugkwamen. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat het vertrouwen in een goede afloop compleet weg was en dat hij daaropvolgend een briefje voor [gedaagde] heeft neergelegd, waarop stond dat de oprit nog openligt, dat [gedaagde] deze dicht mag maken en dat het daarna klaar is.
5.6
De kantonrechter overweegt als volgt. [gedaagde] was niet bij de mondelinge behandeling aanwezig en heeft de toelichting door [eiser] niet weersproken, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] voldoende gelegenheid tot herstel is geboden door [eiser]. [eiser] heeft [gedaagde] over een periode van meer dan een jaar meerdere keren in de gelegenheid gesteld de gebreken te herstellen. In de brief van 28 augustus 2025 heeft [eiser] een concrete termijn gesteld om de gebreken te herstellen. Tot herstel van de gebreken binnen de gegeven termijn is het niet gekomen. Nadat [gedaagde] uiteindelijk in oktober 2025 een aanvang heeft genomen met de herstelwerkzaamheden, heeft hij deze vroegtijdig gestaakt vanwege problemen met de bus met daarbij de boodschap aan [eiser] dat hij ‘hopelijk’ morgen terugkomt. Dat geeft wederom onzekerheid voor [eiser]. Gelet op deze omstandigheden en de reeds verstreken termijn sinds [eiser] [gedaagde] heeft verzocht om herstel van de gebreken (ruim anderhalf jaar), is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] ruimschoots de gelegenheid is geboden om de gebreken weg te nemen binnen een redelijke termijn. [gedaagde] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Dit betekent dat [eiser] voor eigen rekening de gebreken kan laten herstellen en de kosten daarvan als schade op [gedaagde] kan verhalen. Deze schadevergoeding wordt ook door [eiser] in deze procedure gevorderd.
[eiser] kan de schade verhalen op [gedaagde]
is in verzuim komen te verkeren
5.7
Voor toewijzing van een vordering tot betaling van vervangende schadevergoeding is naast een toerekenbare tekortkoming ook vereist dat [gedaagde] in verzuim is geraakt. Dat volgt uit artikel 6:87 BW en artikel 6:81 BW.
Volgens artikel 6:81 BW is een schuldenaar (hier: [gedaagde]) in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van de artikelen 6:82 en 6:83 BW is voldaan. Het verzuim van [gedaagde] treedt – omdat voor de nakoming van de opdracht geen termijn was bepaald – in beginsel in wanneer hem door [eiser] bij schriftelijke aanmaning een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming binnen die termijn uitblijft (artikel 6:82 lid 1 BW). De lengte van de termijn voor nakoming die aan de schuldenaar moet worden gegeven, hangt van de omstandigheden af. Een relevante omstandigheid is de tijd die de schuldenaar voor de aanmaning heeft gehad om zich voor te bereiden. Daarbij geldt dat het de schuldenaar in de meeste gevallen niet vrijstaat om te wachten met de voorbereidende handelingen tot hij aangemaand wordt. Dit betekent dat termijnen die eerder zijn gesteld en het eerder door de schuldeiser (hier: [eiser]) sommeren van de schuldenaar, van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de redelijkheid van de in een aanmaning gestelde termijn. Dat de schuldeiser voorafgaand aan de aanmaning termijnen heeft gesteld of de schuldenaar heeft gesommeerd, kan meebrengen dat de in de aanmaning gestelde termijn korter mag zijn dan wanneer de schuldenaar niet al eerder een termijn was gesteld of gesommeerd. Ook door de schuldenaar zelf gewekte verwachtingen ten aanzien van de termijn van nakoming wegen daarbij mee.
5.8
[eiser] heeft bij brief van 10 oktober 2025 [gedaagde] bericht dat hij de herstelwerkzaamheden niet binnen de overeengekomen termijn heeft uitgevoerd en dat [eiser] een derde zal inschakelen om de werkzaamheden alsnog uit te voeren. [eiser] heeft [gedaagde] er daarbij – zoals al aangekondigd in de brief van 28 augustus 2025 – op gewezen dat de kosten van deze derde worden verhaald op [gedaagde]. [eiser] heeft [gedaagde] vervolgens verzocht om binnen vijftien dagen het bedrag van € 5.324,00 te voldoen. Aan dit verzoek heeft [gedaagde] niet voldaan, waardoor [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter in verzuim is komen te verkeren.
De (omvang van de) schade
5.9
De schade bestaat volgens [eiser] uit de kosten voor het inschakelen van een derde, [bedrijf 2], voor de herstelwerkzaamheden. [eiser] voert aan dat de kosten voor herstel nog niet definitief zijn vastgesteld, omdat [bedrijf 2] vrijblijvend heeft geoffreerd en het niet zeker is of het bedrijf op dit moment, gezien de huidige prijzen in de bouw, daadwerkelijk voor € 5.324,00 de (herstel)werkzaamheden kan uitvoeren. Nu de schade voor het uitvoeren van de (herstel)werkzaamheden zich nog niet volledig laat begroten, verzoekt [eiser] voor de begroting van deze schade te verwijzen naar de schadestaatprocedure alsmede bij wege van voorschot op de door [eiser] geleden schade en nog te lijden schade [gedaagde] een bedrag van € 5.324,00 voldoet.
5.10
[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde schadevergoeding.
5.11
De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 6:87 BW strekt tot vergoeding van de werkelijke schade die de schuldeiser lijdt doordat niet de schuldenaar maar een derde de oorspronkelijke prestatie van de schuldenaar uitvoert. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure moet de mogelijkheid dat er schade is of zal worden geleden aannemelijk zijn. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding is gelijk aan de kosten van herstel van de gebreken. Naar het oordeel van de kantonrechter is de offerte van [bedrijf 2] voldoende gespecificeerd en verwijst deze naar de (herstel)werkzaamheden. De kantonrechter acht zich daarom voldoende voorgelicht om de (omvang van de) schade te kunnen begroten, zodat een verwijzing naar de schadestaatprocedure achterwege kan blijven. De kantonrechter zal voor de omvang van de schadevergoeding aansluiten bij de offerte van [bedrijf 2]. Dit betekent dat de kantonrechter de door [gedaagde] te vergoeden schade van [eiser] begroot op € 5.324,00. Het door [eiser] gevorderde voorschot zal de kantonrechter afwijzen.
[gedaagde] is de wettelijke rente verschuldigd
5.12
[eiser] stelt dat [gedaagde] de wettelijke rente verschuldigd is over het bedrag dat hij aan schade dient te vergoeden vanaf 26 oktober 2025 tot aan de dag van volledige betaling. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen dit deel van de vordering. De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment dat hij in verzuim is met het betalen van het bedrag aan vervangende schadevergoeding. In de brief van 10 oktober 2025 is een termijn van vijftien dagen geboden om tot betaling over te gaan, waardoor [gedaagde] vanaf 26 oktober 2025 is verschuldigd. De kantonrechter zal de wettelijke rente daarom vanaf 26 oktober 2025 toewijzen.
De buitengerechtelijke incassokosten
5.13
[eiser] vordert betaling door [gedaagde] van € 775,85 aan buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen dit deel van de vordering. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] voldoende gemotiveerd heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De kantonrechter zal dit deel van de vordering daarom toewijzen.
De verklaring voor recht
5.14
De kantonrechter wijst de gevorderde verklaring voor recht af. De vordering tot vervangende schadevergoeding wegens toerekenbaar tekortschieten is (grotendeels) toegewezen, zodat op dat punt geen belang meer bestaat bij een verklaring voor recht.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
5.15
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
156,74
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.285,74
6De beslissing
De kantonrechter
6.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.324,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 26 oktober 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
6.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 775,85 aan buitengerechtelijke incassokosten;
6.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.285,74, te betalen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Egberink en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.
De kantonrechter constateert dat in de dagvaarding mei 2025 staat, maar zij begrijpt dat dit mei 2024 moet zijn.
Vgl. HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581.
HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581.
HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:328, rov. 3.2.