Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5470
2026-09-08
Civiel recht
C/08/350843 KG RK 26-378
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wrakingskamer. De zaak houdt verband met de behandeling van een verzoek voor de gedeeltelijke gezagsuitoefening voor een medische behandeling van een kind. De beslissing van de rechter om de ouders afzonderlijk te horen is een procesbeslissing. De door de rechter gegeven motivering geeft geen blijk van vooringenomenheid. Het wrakingsverzoek is ongegrond. De wrakingskamer legt daarnaast een wrakingsverbod op in deze zaak wegens misbruik van het middel tot wraking”.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:1413 Hoge Raad 25-09-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.180 tekens)
beslissing
RECHTBANK
Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: C/08/350843 KG RK 26-378
Beslissing van 8 september 2026
in de zaak van
[verzoeker]
wonende te [woonplaats],
verzoeker tot wraking,
1De procedure
1.1.
Bij e-mail van 20 augustus 2026 heeft verzoeker het verzoek tot wraking gedaan van mr. A.M. Koene, rechter in deze rechtbank en in de hoedanigheid van kinderrechter belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder C/09/346839 / JE RK 26/566. De zaak houdt verband met een verzoek voor de gedeeltelijke gezagsuitoefening voor een medische behandeling van een kind (het verzoek). Verzoeker tot wraking is de vader van het kind.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2026. Van die behandeling is een proces-verbaal opgesteld. Na afloop van de behandeling heeft verzoeker per e-mail een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend bij de rechtbank.
1.3.
Mr. Koene heeft niet berust in de wraking en heeft op 25 augustus 2026 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek.
1.4.
Het wrakingsverzoek van verzoeker is op 3 september 2026 met gesloten deuren behandeld. Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. Mr. Koene is niet verschenen.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoeker heeft, samengevat en voor zover relevant, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
2.2.
Verzoeker stelt dat mr. Koene vooringenomen handelt omdat de mondelinge behandeling van het verzoek in twee delen heeft plaatsgevonden en hij afzonderlijk van de tegenpartij (moeder) is gehoord. Mr. Koene heeft geen antwoord gegeven op de vraag waarom de zitting in twee delen plaatsvond. Hierdoor geeft zij geen openheid van zaken en schaadt zij de rechtsgang doordat er geen hoor en wederhoor plaatsvindt. Ook kon de gemachtigde van de gecertificeerde instelling (GI) geen machtiging overleggen en heeft mr. Koene nagelaten hierop in te grijpen.
3Het standpunt van mr. Koene
3.1.
Mr. Koene stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat zij vooringenomen zou zijn, of dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft inderdaad aan het begin van de zitting gevraagd naar de reden achter de procesbeslissing om de ouders afzonderlijk te horen. Mr. Koene heeft echter de vraag beantwoord door te zeggen dat de enkele reden dat dit gebeurd is omdat het bij de eerdere behandeling van het verzoek door een andere rechter ook zo is gegaan. Deze procesbeslissing is dus al eerder genomen en zij zag geen reden om daar anders over te beslissen. Daarnaast is het niet gebruikelijk en niet nodig dat jeugdbeschermers ter zitting een machtiging als bewijs van hun bevoegdheid om namens de GI te spreken te overleggen.
4De beoordeling
4.1.
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of de rechter partijdig is of dat zij die indruk bij verzoeker heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoeker, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege haar aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat hij vooringenomen is.
4.2.
De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit de partijdigheid of vooringenomenheid van mr. Koene of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kunnen worden afgeleid. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.3.
De wrakingskamer stelt vast dat de inhoud van het proces-verbaal van de zitting niet ter discussie staat. Verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 augustus 2026 een correcte weergave is van hetgeen is besproken met betrekking tot zijn vraag aan mr. Koene waarom er gescheiden wordt gehoord en de daarop door mr. Koene gegeven reactie. De wrakingskamer gaat daarom uit van de juistheid van het proces-verbaal op dit punt.
4.4.
Uit het proces-verbaal blijkt dat verzoeker bij aanvang van de mondelinge behandeling aan mr. Koene heeft gevraagd waar de andere partij (moeder) was, waarop mr. Koene heeft geantwoord dat zij op een ander moment zal worden gehoord. Op de vraag van verzoeker waarom daarvoor gekozen is, heeft mr. Koene geantwoord dat daarvoor gekozen is omdat het bij de vorige mondelinge behandeling van het verzoek ook zo is gegaan. Dat verzoeker ontevreden is met dit antwoord van mr. Koene betekent niet dat zij – zoals door hem wordt gesteld – weigert antwoord te geven op zijn vraag. Mr. Koene heeft de reden voor het gescheiden horen aan verzoeker gegeven bij de mondelinge behandeling en heeft daarbij benadrukt dat er geen andere reden voor is dan dat er bij de vorige mondelinge behandeling van het verzoek ook was gekozen voor het gescheiden horen van belanghebbenden. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft mr. Koene dus wel degelijk antwoord gegeven op de vraag van verzoeker waarom de zitting in twee delen plaatsvond
Ten aanzien van het bezwaar van verzoeker dat geen hoor en wederhoor zou hebben plaatsgevonden, overweegt de wrakingskamer het volgende. In de betreffende procedure zijn de vader en de moeder als belanghebbenden aangemerkt. Anders dan verzoeker stelt, is het geen recht van belanghebbenden om in elkaars aanwezigheid te worden gehoord, zodat door deze keuze geen elementair recht is geschonden.
De wrakingskamer overweegt verder dat het niet gebruikelijk of noodzakelijk is om bij de mondelinge behandeling van het verzoek een machtiging van de vertegenwoordiger van de GI te vragen. Evenmin is het nodig dat de bij verzoeker bekende jeugdbeschermer een collega-jeugdbeschermer machtigt om namens haar of de GI het woord te mogen voeren bij de mondelinge behandeling van het verzoek. Het is aan de GI om te bepalen wie als zittingsvertegenwoordiger het woord voert namens de GI. Dat kan een vast aanspreekpunt voor de ouders en de minderjarige zijn maar dat hoeft niet.
4.5.
De wrakingskamer overweegt verder dat de beslissing van mr. Koene om de vader en moeder afzonderlijk te horen een procesbeslissing is en dat een rechterlijke (proces)beslissing in beginsel geen grond voor wraking oplevert. Dit kan anders zijn als de motivering van de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Gelet op hetgeen hiervoor is overwegen, is de wrakingskamer van oordeel dat van die situatie in dit geval geen sprake is. De wrakingskamer concludeert daarom dat niet is gebleken van (een schijn van) vooringenomenheid of (een schijn van) partijdigheid. Het verzoek tot wraking zal daarom ongegrond worden verklaard.
4.6.
Verzoeker heeft in de afgelopen maanden reeds verschillende wrakingsverzoeken in twee procedures gedaan. In geen van zijn wrakingsverzoeken heeft de wrakingskamer grond gezien waaruit in redelijkheid zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van partijdigheid of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De wrakingskamer komt daarom tot de conclusie dat verzoeker het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven, namelijk het frustreren van de voortgang van de procedure. Naar het oordeel van de wrakingskamer is er sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom op de voet van artikel 39, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
5De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. A. van Holten, voorzitter, A. Smedes en M.H. van der Lecq, leden, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.P. Fortuin en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
RECHTBANK
Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: C/08/350843 KG RK 26-378
Beslissing van 8 september 2026
in de zaak van
[verzoeker]
wonende te [woonplaats],
verzoeker tot wraking,
1De procedure
1.1.
Bij e-mail van 20 augustus 2026 heeft verzoeker het verzoek tot wraking gedaan van mr. A.M. Koene, rechter in deze rechtbank en in de hoedanigheid van kinderrechter belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder C/09/346839 / JE RK 26/566. De zaak houdt verband met een verzoek voor de gedeeltelijke gezagsuitoefening voor een medische behandeling van een kind (het verzoek). Verzoeker tot wraking is de vader van het kind.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2026. Van die behandeling is een proces-verbaal opgesteld. Na afloop van de behandeling heeft verzoeker per e-mail een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend bij de rechtbank.
1.3.
Mr. Koene heeft niet berust in de wraking en heeft op 25 augustus 2026 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek.
1.4.
Het wrakingsverzoek van verzoeker is op 3 september 2026 met gesloten deuren behandeld. Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. Mr. Koene is niet verschenen.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoeker heeft, samengevat en voor zover relevant, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
2.2.
Verzoeker stelt dat mr. Koene vooringenomen handelt omdat de mondelinge behandeling van het verzoek in twee delen heeft plaatsgevonden en hij afzonderlijk van de tegenpartij (moeder) is gehoord. Mr. Koene heeft geen antwoord gegeven op de vraag waarom de zitting in twee delen plaatsvond. Hierdoor geeft zij geen openheid van zaken en schaadt zij de rechtsgang doordat er geen hoor en wederhoor plaatsvindt. Ook kon de gemachtigde van de gecertificeerde instelling (GI) geen machtiging overleggen en heeft mr. Koene nagelaten hierop in te grijpen.
3Het standpunt van mr. Koene
3.1.
Mr. Koene stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat zij vooringenomen zou zijn, of dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft inderdaad aan het begin van de zitting gevraagd naar de reden achter de procesbeslissing om de ouders afzonderlijk te horen. Mr. Koene heeft echter de vraag beantwoord door te zeggen dat de enkele reden dat dit gebeurd is omdat het bij de eerdere behandeling van het verzoek door een andere rechter ook zo is gegaan. Deze procesbeslissing is dus al eerder genomen en zij zag geen reden om daar anders over te beslissen. Daarnaast is het niet gebruikelijk en niet nodig dat jeugdbeschermers ter zitting een machtiging als bewijs van hun bevoegdheid om namens de GI te spreken te overleggen.
4De beoordeling
4.1.
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of de rechter partijdig is of dat zij die indruk bij verzoeker heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoeker, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege haar aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat hij vooringenomen is.
4.2.
De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit de partijdigheid of vooringenomenheid van mr. Koene of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kunnen worden afgeleid. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.3.
De wrakingskamer stelt vast dat de inhoud van het proces-verbaal van de zitting niet ter discussie staat. Verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 augustus 2026 een correcte weergave is van hetgeen is besproken met betrekking tot zijn vraag aan mr. Koene waarom er gescheiden wordt gehoord en de daarop door mr. Koene gegeven reactie. De wrakingskamer gaat daarom uit van de juistheid van het proces-verbaal op dit punt.
4.4.
Uit het proces-verbaal blijkt dat verzoeker bij aanvang van de mondelinge behandeling aan mr. Koene heeft gevraagd waar de andere partij (moeder) was, waarop mr. Koene heeft geantwoord dat zij op een ander moment zal worden gehoord. Op de vraag van verzoeker waarom daarvoor gekozen is, heeft mr. Koene geantwoord dat daarvoor gekozen is omdat het bij de vorige mondelinge behandeling van het verzoek ook zo is gegaan. Dat verzoeker ontevreden is met dit antwoord van mr. Koene betekent niet dat zij – zoals door hem wordt gesteld – weigert antwoord te geven op zijn vraag. Mr. Koene heeft de reden voor het gescheiden horen aan verzoeker gegeven bij de mondelinge behandeling en heeft daarbij benadrukt dat er geen andere reden voor is dan dat er bij de vorige mondelinge behandeling van het verzoek ook was gekozen voor het gescheiden horen van belanghebbenden. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft mr. Koene dus wel degelijk antwoord gegeven op de vraag van verzoeker waarom de zitting in twee delen plaatsvond
Ten aanzien van het bezwaar van verzoeker dat geen hoor en wederhoor zou hebben plaatsgevonden, overweegt de wrakingskamer het volgende. In de betreffende procedure zijn de vader en de moeder als belanghebbenden aangemerkt. Anders dan verzoeker stelt, is het geen recht van belanghebbenden om in elkaars aanwezigheid te worden gehoord, zodat door deze keuze geen elementair recht is geschonden.
De wrakingskamer overweegt verder dat het niet gebruikelijk of noodzakelijk is om bij de mondelinge behandeling van het verzoek een machtiging van de vertegenwoordiger van de GI te vragen. Evenmin is het nodig dat de bij verzoeker bekende jeugdbeschermer een collega-jeugdbeschermer machtigt om namens haar of de GI het woord te mogen voeren bij de mondelinge behandeling van het verzoek. Het is aan de GI om te bepalen wie als zittingsvertegenwoordiger het woord voert namens de GI. Dat kan een vast aanspreekpunt voor de ouders en de minderjarige zijn maar dat hoeft niet.
4.5.
De wrakingskamer overweegt verder dat de beslissing van mr. Koene om de vader en moeder afzonderlijk te horen een procesbeslissing is en dat een rechterlijke (proces)beslissing in beginsel geen grond voor wraking oplevert. Dit kan anders zijn als de motivering van de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Gelet op hetgeen hiervoor is overwegen, is de wrakingskamer van oordeel dat van die situatie in dit geval geen sprake is. De wrakingskamer concludeert daarom dat niet is gebleken van (een schijn van) vooringenomenheid of (een schijn van) partijdigheid. Het verzoek tot wraking zal daarom ongegrond worden verklaard.
4.6.
Verzoeker heeft in de afgelopen maanden reeds verschillende wrakingsverzoeken in twee procedures gedaan. In geen van zijn wrakingsverzoeken heeft de wrakingskamer grond gezien waaruit in redelijkheid zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van partijdigheid of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De wrakingskamer komt daarom tot de conclusie dat verzoeker het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven, namelijk het frustreren van de voortgang van de procedure. Naar het oordeel van de wrakingskamer is er sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom op de voet van artikel 39, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
5De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. A. van Holten, voorzitter, A. Smedes en M.H. van der Lecq, leden, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.P. Fortuin en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.