Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5435

2026-08-28 Civiel recht C/08/349908 / KG ZA 26-175
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-08-28
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/08/349908 / KG ZA 26-175
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Het beslag wordt niet opgeheven.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.939 tekens)
RECHTBANK Overijssel


Civiel recht



Zittingsplaats Almelo



Zaaknummer: C/08/349908 / KG ZA 26-175




Vonnis in kort geding van 28 augustus 2026




in de zaak van





[eiser]
,
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. S. van de Griek,



tegen




HET UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: het UWV,
advocaten: mrs. Z. Sahak en M.S. Dalfour.






1De procedure


1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties, - de producties van het UWV, - de mondelinge behandeling van 7 augustus 2026, waar [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door haar advocaten. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij gebruik is gemaakt van pleitaantekeningen. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.




1.2
Na de mondelinge behandeling is aan (de advocaten van) partijen (via het digitaal werkdossier (DWD)) meegedeeld dat het UWV in de gelegenheid wordt gesteld om (nader) te reageren op het namens [eiser] tijdens de mondelinge behandeling gedane beroep op verjaring. Dat heeft zij bij brief van 14 augustus 2026 (met bijlagen) gedaan. Bij brief van 26 augustus 2026 is door (de advocaat van) [eiser] meegedeeld dat het beroep op verjaring wordt ingetrokken.



1.3
Het vonnis is bepaald op vandaag.





2Samenvatting



[eiser] vordert opheffing van het door het UWV op 20 mei 2026 gelegde executoriale derdenbeslag onder de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De voorzieningenrechter wijst deze vordering af. Het oordeel van de voorzieningenrechter wordt hierna toegelicht





3De feiten


3.1
Bij besluit van 28 augustus 2013 heeft het UWV [eiser] (kort gezegd) meegedeeld dat hij vanaf 1 januari 2006 geen recht had op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).



3.2
Bij besluit van (eveneens) 28 augustus 2013 heeft het UWV [eiser] meegedeeld dat hij een bedrag van € 22.351,17 moet terugbetalen vanwege te veel ontvangen WAO-uitkering.



3.3
Bij dwangbevel van 14 september 2015 heeft het UWV [eiser] meegedeeld dat hij diverse keren is gevraagd om zijn achterstand in betaling in te halen, dat de achterstand niet op tijd is ingelopen, dat hij voor 21 september 2015 een bedrag van € 23.081,45 moet betalen en dat als dat niet gebeurt er beslag wordt gelegd op zijn inkomsten en/of eigendommen. Bij brief van 18 september 2015 is hiertegen namens [eiser] bezwaar gemaakt.



3.4
In 2016 heeft het UWV haar vordering overgedragen aan een incassobureau. Nadien is [eiser] door of namens het UWV diverse keren verzocht/gesommeerd om het (dan) verschuldigde bedrag te voldoen.



3.5
Op 16 december 2020 heeft het UWV derdenbeslag gelegd op het salaris dat [eiser] ontving van Stichting Carmelcollege (hierna: de Stichting).



3.6
Bij besluit van 6 april 2022 heeft het UWV [eiser] meegedeeld dat hij in de periode van 1 augustus 2021 tot en met 1 februari 2022 een bedrag van € 3.805,75 teveel aan uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen van de Stichting en dat laatstgenoemde dit bedrag via het UWV van [eiser] terugvordert.



3.7
Op 13 maart 2023 is door het UWV aan [eiser] meegedeeld dat hij een bedrag moet terugbetalen en dat er met hem is afgesproken dat hij per maand een bedrag van € 3,42 aan het UWV betaalt.



3.8
Bij brief van 1 oktober 2025 heeft [eiser] het UWV verzocht om (kort gezegd) primair over te gaan tot intrekking van het in 2012 genomen (primaire) besluit om zijn WAO-uitkering in te trekken en een herstelbetaling te doen, subsidiair tot heropening en herbeoordeling van zijn dossier over te gaan en meer subsidiair de invordering te staken.



3.9
Bij dwangbevel van 2 december 2025 heeft het UWV [eiser] meegedeeld dat hij, ondanks dat hij meerdere brieven heeft ontvangen, het bedrag van € 3.805,75 nog niet (volledig) heeft betaald en dat hij het genoemde bedrag uiterlijk op 9 december 2025 moet betalen. Daarbij wordt [eiser] meegedeeld dat als hij dat niet doet, het dwangbevel wordt uitgevoerd en dat er dan beslag wordt gelegd op zijn inkomsten en/of eigendommen.



3.10
Bij brief van 1 juni 2026 heeft de SVB [eiser] meegedeeld dat er een bedrag van € 647,15 op zijn uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) wordt ingehouden, omdat het UWV beslag heeft gelegd op zijn AOW-uitkering.



3.11
Bij brief van 8 juni 2026 heeft het UWV [eiser] meegedeeld dat er op 20 mei 2026 beslag is gelegd op zijn AOW-uitkering omdat hij een bedrag van € 20.992,99 aan te veel betaalde WAO-uitkering nog niet volledig heeft terugbetaald. Bij deze brief is een (derden)verklaring van de SVB van 1 juni 2026 met daarbij een overzicht van de bedragen gevoegd. Bij brief van eveneens 8 juni 2026 heeft het UWV [eiser] meegedeeld dat zijn beslagvrije voet € 1.472,00 is en dat het bedrag wat hij per maand aan het UWV kan betalen € 647,- is.



3.12
Bij brief van 12 juni 2026 is namens [eiser] het UWV gesommeerd om het gelegde derdenbeslag onder de SVB onmiddellijk op te heffen.



3.13
Bij brief van 17 juni 2026 is namens [eiser] een ingebrekestelling aan het UWV gestuurd omdat er niet is gereageerd op zijn verzoeken van 1 oktober 2025.



3.14
Bij brief van 19 juni 2026 is namens [eiser] verzocht om het WAO-intrekkingsbesluit en het/de besluit(en) tot terugvordering van een bedrag van € 22.351,17 vanwege te veel ontvangen WAO-uitkering primair te herzien en in te trekken (met herstelbetalingen), subsidiair het dossier te heropenen en over te gaan tot inhoudelijke herbeoordeling en meer subsidiair de invordering te staken.





4Het geschil


4.1

[eiser] vordert opheffing van het door het UWV ten laste van hem onder de SVB gelegde executoriale derdenbeslag met veroordeling van het UWV in de (na)kosten van deze procedure en de wettelijke rente daarover. Het UWV heeft hiertegen verweer gevoerd.



4.2
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.





5De beoordeling


5.1
Het spoedeisend belang is bij een executiegeschil als dit een gegeven. [eiser] is dus ontvankelijk in zijn vordering.



5.2
In deze procedure gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de besluiten ter zake de terugvordering van de te veel betaalde WAO- en ZW-uitkering onherroepelijk zijn. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat er (voor zover hem bekend) niet is beslist op zijn bezwaar tegen de ZW-terugvordering, maar hij heeft dat bezwaar niet in deze procedure overgelegd. Dat er nog bestuursrechtelijke procedures lopen, waaronder een herzieningsverzoek, betekent niet dat de terugvorderingsbesluiten niet onherroepelijk zijn.



5.3

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat aan het derdenbeslag geen toereikende executoriale titel ten grondslag is gelegd en dat de tenuitvoerlegging niet aan de wettelijke vereisten (van artikel 4:123 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikel 430 van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 475i lid 1 en lid 2 Rv) voldoet. Het UWV heeft dat betwist.



5.4
De voorzieningenrechter stelt voorop dat, anders dan namens [eiser] is betoogd, het UWV de mogelijkheid heeft om op vereenvoudigde wijze derdenbeslag, als bedoeld in artikel 479g Rv, te leggen. Dit volgt uit de artikelen 57a lid 2 juncto artikel 29g lid 4 WAO respectievelijk artikel 33a lid 2 juncto artikel 45g lid 4 ZW. Bij de vereenvoudigde vorm van executie gelden de vereisten van artikel 430 Rv niet. Het UWV is (dus) in dat geval niet verplicht om een deurwaarder in te schakelen bij het leggen van beslag en een dwangbevel hoeft niet te worden betekend. Toezending van een dwangbevel per post aan de geëxecuteerde (in dit geval [eiser]) is voldoende. Uit het bezwaarschrift van 18 september 2015 dat namens [eiser] is ingediend, blijkt dat [eiser] het dwangbevel van 14 september 2015 heeft ontvangen. Verder is niet in geschil dat [eiser] het dwangbevel van 2 december 2025 heeft ontvangen. Op grond van artikel 4:116 Awb leveren onderhavige dwangbevelen een executoriale titel op.



5.5
Het UWV heeft daarnaast bij aangetekende brief van 8 juni 2026 [eiser] meegedeeld dat er op 20 mei 2026 beslag is gelegd op zijn (AOW-) uitkering. Als bijlage bij deze brief is de (zogenoemde derden)verklaring van het SVB van 1 juni 2026 gevoegd. Daarmee is ook voldaan aan het bepaalde in artikel 479g lid 3 Rv. Uit dit artikellid volgt dat toezending van deze verklaring geldt als de betekening van het beslagexploot als bedoeld in artikel 475i lid 1 Rv.



5.6

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat in de hiervoor genoemde brief van
8 juni 2026 aandacht is geschonken aan de beslagvrije voet en dat in de bijlage een beslagvrije voet van € 911,- is vermeld. Bij brief van diezelfde datum heeft het UWV [eiser] meegedeeld dat zijn beslagvrije voet € 1.472,- bedraagt en is hij (nader) geïnformeerd over de berekening daarvan en ook verzocht om zijn gegevens te controleren en om als deze niet kloppen dat door te geven. Met inachtneming van het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat artikel 479g lid 1 laatste volzin juncto artikel 475i lid 2 Rv is geschonden. Dat uit deze laatst vermelde brief van 8 juni 2026 volgt dat deze naar aanleiding van een verzoek van [eiser] is verstuurd doet niet af aan het voorgaande. Niet is gebleken dat [eiser] door deze gang van zaken in zijn belangen is geschaad. Uit deze brief volgt immers dat het UWV van een hogere belastingvrije voet is uitgegaan, namelijk € 1.472,-.




5.7
Aan [eiser] kan worden toegegeven dat het bedrag waarvoor beslag is gelegd, namelijk € 20.992,99, door het UWV in haar brief van 8 juni 2026 ten onrechte is aangeduid als één vordering, namelijk als een vordering vanwege te veel ontvangen WAO-uitkering. Dit is niet juist, want het beslag ziet niet alleen op de (nog resterende) WAO-vordering van € 17.187,24 maar ook op de (nog resterende) ZW-vordering van € 3.805,75. Waarom dit ertoe zou moeten leiden dat het beslag wordt opgeheven, valt niet in te zien, nu gesteld noch gebleken is waarom [eiser] – met wie uitvoerig is gecorrespondeerd over de terug te vorderen bedragen – hierdoor in zijn belangen is geschaad.



5.8
De slotsom is dat het door [eiser] aangevoerde geen aanleiding geeft om het beslag op te heffen. Het gevorderde wordt dan ook afgewezen.




5.9

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het UWV worden begroot op:









- griffierecht


€


735,00







- salaris advocaat


€


1.177,00







- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.101,00














6De beslissing


De voorzieningenrechter



6.1
wijst het gevorderde af,



6.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.










Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026.





































Zie randnummer 10 van de dagvaarding.