Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5432
2026-08-28
Civiel recht
12378082\ EJ VERZ 26-266
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek tot opheffing vereffening nalatenschap.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.811 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer / rekestnummer: 12378082 \ EJ VERZ 26-266
Beschikking van 8 september 2026 op een verzoek tot opheffing van de vereffening
ex artikel 4:209 BW
ingediend door:
[verzoekster]
, wonende te [woonplaats 1],
verzoekster,
in hoedanigheid van erfgenaam/vereffenaar in de nalatenschap van
[erflaatster]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947 en overleden op [overlijdensdatum] 2026, laatst wonende te [woonplaats 2], hierna te noemen: erflaatster.
1De procedure en de beoordeling van het verzoek
1.1
De kantonrechter heeft kennisgenomen van het op 25 augustus 2026 ter griffie ingediende verzoekschrift met bijlagen. Gelet op de aard van het verzoek is afgezien van een behandeling op een zitting.
1.2
De nalatenschap van erflaatster is door verzoekster beneficiair aanvaard en dient te worden vereffend volgens de regels van Boek 4, titel 6, afdeling 3 BW.
1.3
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot opheffing van de vereffening met als reden dat de nalatenschap negatief is en dat de baten ontoereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen.
1.4
Uit het overzicht zoals overgelegd door verzoekster blijkt dat het saldo van de nalatenschap negatief is. Verzoekster stelt dat de preferente schulden voldaan kunnen worden, maar dat na betaling van de preferente schuldeisers en de vereffeningskosten ‘geen baten van betekenis’ resteren voor voldoening van de overige schuldeisers.
1.5
De kantonrechter overweegt dat het mogelijk is de vereffening op te heffen indien sprake is van een geringe waarde van de baten waardoor de kosten van de vereffening de boedel onevenredig zwaar belasten. Het enkele feit dat er meer schulden dan bezittingen zijn, is echter geen reden de vereffening op te heffen.
1.6
Verder constateert de kantonrechter dat verzoekster in het verzoekschrift een opgave heeft gedaan van de kosten van vereffening van € 549,91. Dit gaat om de door verzoekster gemaakte benzinekosten en stortkosten. De kosten die noodzakelijk zijn gemaakt in het kader van de vereffening, vallen onder de vereffeningskosten en komen ten laste van de boedel.
1.7
Verzoekster heeft een overzicht gegeven van de 1.754 door haar gemaakte kilometers à € 0,29, zijnde een totaalbedrag van € 508,66. Uit dit overzicht blijkt dat verzoekster ook voor de dag van het overlijden van erflaatster in totaal 270 km heeft opgevoerd. Deze gemaakte kilometers zijn niet gemaakt in het kader van de vereffening en komen dan ook niet als vereffeningskosten voor vergoeding in aanmerking.
Rekening houdend met het vorenstaande zal de kantonrechter de totale vereffeningskosten op € 471,61 vaststellen, zijnde € 430,36 voor de gemaakte benzinekosten en € 41,25 voor de stortkosten.
1.8
De kantonrechter komt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de (verwachte) kosten van vereffening hoger zijn dan de baten. De opheffing van de vereffening zal niet worden bevolen en het verzoek zal worden afgewezen.
2De beslissing
De kantonrechter:
2.1
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer / rekestnummer: 12378082 \ EJ VERZ 26-266
Beschikking van 8 september 2026 op een verzoek tot opheffing van de vereffening
ex artikel 4:209 BW
ingediend door:
[verzoekster]
, wonende te [woonplaats 1],
verzoekster,
in hoedanigheid van erfgenaam/vereffenaar in de nalatenschap van
[erflaatster]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947 en overleden op [overlijdensdatum] 2026, laatst wonende te [woonplaats 2], hierna te noemen: erflaatster.
1De procedure en de beoordeling van het verzoek
1.1
De kantonrechter heeft kennisgenomen van het op 25 augustus 2026 ter griffie ingediende verzoekschrift met bijlagen. Gelet op de aard van het verzoek is afgezien van een behandeling op een zitting.
1.2
De nalatenschap van erflaatster is door verzoekster beneficiair aanvaard en dient te worden vereffend volgens de regels van Boek 4, titel 6, afdeling 3 BW.
1.3
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot opheffing van de vereffening met als reden dat de nalatenschap negatief is en dat de baten ontoereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen.
1.4
Uit het overzicht zoals overgelegd door verzoekster blijkt dat het saldo van de nalatenschap negatief is. Verzoekster stelt dat de preferente schulden voldaan kunnen worden, maar dat na betaling van de preferente schuldeisers en de vereffeningskosten ‘geen baten van betekenis’ resteren voor voldoening van de overige schuldeisers.
1.5
De kantonrechter overweegt dat het mogelijk is de vereffening op te heffen indien sprake is van een geringe waarde van de baten waardoor de kosten van de vereffening de boedel onevenredig zwaar belasten. Het enkele feit dat er meer schulden dan bezittingen zijn, is echter geen reden de vereffening op te heffen.
1.6
Verder constateert de kantonrechter dat verzoekster in het verzoekschrift een opgave heeft gedaan van de kosten van vereffening van € 549,91. Dit gaat om de door verzoekster gemaakte benzinekosten en stortkosten. De kosten die noodzakelijk zijn gemaakt in het kader van de vereffening, vallen onder de vereffeningskosten en komen ten laste van de boedel.
1.7
Verzoekster heeft een overzicht gegeven van de 1.754 door haar gemaakte kilometers à € 0,29, zijnde een totaalbedrag van € 508,66. Uit dit overzicht blijkt dat verzoekster ook voor de dag van het overlijden van erflaatster in totaal 270 km heeft opgevoerd. Deze gemaakte kilometers zijn niet gemaakt in het kader van de vereffening en komen dan ook niet als vereffeningskosten voor vergoeding in aanmerking.
Rekening houdend met het vorenstaande zal de kantonrechter de totale vereffeningskosten op € 471,61 vaststellen, zijnde € 430,36 voor de gemaakte benzinekosten en € 41,25 voor de stortkosten.
1.8
De kantonrechter komt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de (verwachte) kosten van vereffening hoger zijn dan de baten. De opheffing van de vereffening zal niet worden bevolen en het verzoek zal worden afgewezen.
2De beslissing
De kantonrechter:
2.1
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.