Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5328
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een verzoek van eisers om geluidsvoorschriften die zijn verbonden aan één van de omgevingsvergunningen voor de inrichting van PreZero te wijzigen. Eisers zijn het niet eens met deze afwijzing. De rechtbank oordeelt dat het college het verzoek niet te beperkt heeft uitgelegd. Het verzoek ziet alleen op het wijzigen van de geluidsvoorschriften en niet ook op het wijzigen van andere voorschriften of het (gedeeltelijk) intrekken van de vergunningen van PreZero. Verder oordeelt de rechtbank dat het college het bestreden besluit, voor zover daarbij is beslist op het gedeelte van het verzoek dat is gebaseerd op artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarom is het beroep gegrond en wordt dit gedeelte van het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit echter in stand, omdat zij oordeelt dat het college dit deel van het verzoek wel terecht heeft afgewezen. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het college het verzoek, voor zover dit is gebaseerd op artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo, in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. De verzochte wijzigingen van de voorschriften zouden zo ingrijpend zijn dat deze ertoe zouden leiden dat de grondslag van de aanvragen om de onderliggende vergunningen zou worden verlaten en zo ver kan een wijziging niet strekken.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2023:1044 Raad van State 15-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2025:2677 Raad van State 18-06-2025
- ECLI:NL:RVS:2014:1619 Raad van State 07-05-2014
- ECLI:NL:RVS:2014:3354 Raad van State 10-09-2014
- ECLI:NL:RVS:2022:799 Raad van State 23-03-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.233 tekens)
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/706
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats] (hierna tezamen: [eiser 1] e.a.), eisers,
en
het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college), verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: PreZero Recycling Services Noord B.V. uit Arnhem (hierna: PreZero) (gemachtigde: mr. R.G.J. Laan).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een verzoek van [eiser 1] e.a. om geluidsvoorschriften die zijn verbonden aan één van de omgevingsvergunningen voor de inrichting van PreZero te wijzigen. [eiser 1] e.a. zijn het niet eens met deze afwijzing. De rechtbank beoordeelt op basis van hun beroepsgronden of de afwijzing in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt dat het college het verzoek niet te beperkt heeft uitgelegd. Het verzoek ziet alleen op het wijzigen van de geluidsvoorschriften en niet ook op het wijzigen van andere voorschriften of het (gedeeltelijk) intrekken van de vergunningen van PreZero. Verder oordeelt de rechtbank dat het college het bestreden besluit, voor zover daarbij is beslist op het gedeelte van verzoek dat is gebaseerd op artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarom is het beroep gegrond en wordt dit gedeelte van het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit echter in stand, omdat zij oordeelt dat het college dit deel van het verzoek wel terecht heeft afgewezen. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het college het verzoek, voor zover dit is gebaseerd op artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo, in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. De verzochte wijzigingen van de voorschriften zouden zo ingrijpend zijn dat deze ertoe zouden leiden dat de grondslag van de aanvragen om de onderliggende vergunningen zou worden verlaten en zo ver kan een wijziging niet strekken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met een besluit van 8 januari 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college het verzoek van [eiser 1] e.a. om geluidsvoorschriften die zijn verbonden aan een omgevingsvergunning voor de inrichting van PreZero te wijzigen, afgewezen.
2.1.
[eiser 1] e.a. hebben bij de rechtbank Noord-Nederland beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het beroep is verwezen naar deze rechtbank, omdat de echtgenote van [eiser 1] werkt bij de rechtbank Noord-Nederland.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. PreZero heeft ook schriftelijk gereageerd op het beroep.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. [eiser 1] en [eiser 2] waren daarbij aanwezig. Namens het college zijn [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] verschenen. Namens PreZero waren haar gemachtigde, [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] aanwezig. Op de zitting is afgesproken dat partijen in beginsel gaan proberen om hun geschil op te lossen met de hulp van een mediator. De rechter heeft het onderzoek gesloten en partijen meegedeeld dat de uitkomst van het mediationtraject wordt afgewacht voordat uitspraak wordt gedaan.
2.4.
Op 8 april 2026 heeft de rechtbank het bericht ontvangen dat het mediationtraject niet tot overeenstemming tussen partijen heeft geleid. Vervolgens heeft de rechtbank een (nadere) standpuntbepaling van partijen in een samenhangende zaak afgewacht. [eiser 1] e.a. en het college hebben de rechtbank verzocht om nu uitspraak te doen in deze zaak en de standpunten in de andere zaak geven de rechtbank geen aanleiding om nog langer te wachten met het doen van deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
De niet betwiste feiten
3. De rechtbank stelt vast dat de volgende feiten tussen partijen niet betwist zijn.
3.1.
PreZero exploiteert een inrichting voor de op- en overslag en het bewerken van afvalstoffen en de opslag van bouwmaterialen en grondstoffen aan de [adres 1] (hierna: de inrichting). De inrichting ligt op het voor geluid gezoneerde industrieterrein “Bedrijventerrein Zuid Oost” (hierna: het industrieterrein). Op grond van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) mag de totale geluidsbelasting van bedrijven op het industrieterrein op de grens van de geluidszone niet hoger zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde.
3.2.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen heeft op 16 januari 2002 bij het college een verzoek ingediend tot vaststelling van een hogere waarde van 55 dB(A) voor het industrieterrein op nog te bouwen woningen in het Europapark. Dit verzoek wordt geacht te zijn ingewilligd, omdat het college daar niet tijdig op heeft beslist. Daarom is voor de nog te bouwen woningen een grenswaarde van 55 dB(A) gaan gelden. De totale geluidsbelasting van het industrieterrein mag deze waarde niet overschrijden.
3.3.
Op 5 maart 2002 heeft het college aan (de rechtsvoorganger van) PreZero voor de inrichting een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend. Die vergunning is op 1 oktober 2010 gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de activiteit "milieu", als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Aan deze vergunning (hierna: de vergunning van 2002) zijn voorschriften verbonden met betrekking tot geluid en trillingen.
3.3.1.
In voorschrift 8.1 is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor geluid, veroorzaakt door de inrichting, op de in dit voorschrift aangegeven punten de daarbij genoemde waarden niet mag overschrijden. De punten ten westen van de inrichting liggen op een hoogte van 5 en 15 meter. De waarden in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur (hierna: de dagperiode) variëren van 49 tot 65 dB(A). De waarden in de periode tussen 19.00 en 23.00 uur (hierna: de avondperiode) variëren van 41 tot 48 dB(A). De waarden in de periode tussen 23.00 en 07.00 uur (hierna: de nachtperiode) variëren van 39 tot 44 dB(A).
3.3.2.
In voorschrift 8.2 is bepaald dat het maximale geluidsniveau, veroorzaakt door geluidspieken afkomstig van de inrichting, op de in dit voorschrift aangegeven punten niet meer mag bedragen dan de daarbij genoemde waarden. De punten ten westen van de inrichting liggen op een hoogte van 5 en 15 meter. De waarden in de dagperiode variëren van 63 tot 74 dB(A) en die in de avond- en nachtperiode van 62 tot 70 dB(A).
3.4.
In het kader van het vooroverleg over de aanvraag om de in 3.3 genoemde omgevingsvergunning hebben de provincie Groningen en de gemeente Groningen afgesproken dat dat de gemeente er zorg voor zou dragen dat de in het Europapark geprojecteerde woningen in te passen zouden zijn binnen de grenswaarden van de Wgh, zo nodig door gebruik te maken van zogenaamde ‘dove gevels’ of het toepassen van gevels die voldoende geluidwerend zijn om te voldoen aan de norm van 55 dB(A) etmaalwaarde.
3.5.
[eiser 1] en [eiser 2] wonen elk in een appartement in woontoren ‘ [locatie] ’ aan [adres 2] (hierna: de woontoren). De woontoren staat op een afstand van ongeveer [omschrijving] van de grens van de inrichting van PreZero en ligt binnen de geluidzone van het industrieterrein. De woontoren staat tegen de 55 dB(A) geluidscontour van het industrieterrein. Deze contour is berekend op een hoogte van 5 meter, terwijl de woontoren 75 meter hoog is en de meeste woonlagen van de woontoren zich dus op grotere hoogte dan 5 meter bevinden. Als gevolg daarvan zijn vanaf een hoogte van 5 meter geen ‘dove gevels’ of voldoende geluidwerende gevels toegepast.
3.6.
Op 18 juli 2017 heeft het college aan (de rechtsvoorganger van) PreZero een omgevingsvergunning verleend voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting door het vervangen van de sorteerinstallatie (hierna: de vergunning van 2017). De voorschriften 8.1 en 8.2 van de vergunning van 2002 zijn hierbij niet gewijzigd.
3.7.
[eiser 1] e.a. ervaren geluidsoverlast van de activiteiten van PreZero. Zij hebben het college in een brief van 28 juni 2023 verzocht om de geluidsvoorschriften 8.1 en 8.2 te wijzigen. Concreet hebben zij verzocht om aan deze voorschriften toe te voegen dat het door de inrichting van PreZero veroorzaakte langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor geluid op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer mag bedragen dan 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode en dat het maximale geluidsniveau van geluidpieken afkomstig van de inrichting op de gevels van die woningen en andere bestemmingen niet meer mag bedragen dan 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
3.8.
Op 22 december 2023 heeft PreZero een aanvraag ingediend voor een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning (hierna: een revisievergunning). Het college heeft nog niet op deze aanvraag beslist.
3.9.
Met het bestreden besluit heeft het college het verzoek van [eiser 1] e.a. afgewezen.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (hierna: Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (hierna: Iw Ow) in werking getreden. Als een verzoek tot het wijzigen van een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Iw Ow het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek tot wijziging van de omgevingsvergunning is ingediend op 30 juni 2023, zodat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Omvang van het geding
5. [eiser 1] e.a. hebben op de zitting hun beroepsgrond dat het college een nieuw ontwerpbesluit ter inzage had moeten leggen, ingetrokken. Daarom gaat de rechtbank daar in deze uitspraak niet op in.
Heeft het college het verzoek van [eiser 1] e.a. te beperkt uitgelegd?
6. De rechtbank volgt [eiser 1] e.a. niet in hun betoog dat het college hun verzoek te beperkt heeft uitgelegd. Het college moest beslissen op het verzoek, zoals dat door [eiser 1] e.a. is ingediend. In de brief van 28 juni 2023 hebben [eiser 1] e.a. het college verzocht om de voorschriften 8.1 en 8.2 van de vergunning van 2002 te wijzigen. In de brief wordt niet gesproken over het wijzigen van andere voorschriften van de vergunningen van 2002 en 2017, laat staan over het geheel of gedeeltelijk intrekken van die vergunningen. Het zelfde geldt voor de brief van 31 oktober 2023, waarin [eiser 1] e.a. hun verzoek hebben aangevuld. Naar het oordeel van de rechtbank is dit verzoek duidelijk en ziet dit alleen op het op het wijzigen of aanvullen van de voorschriften 8.1 en 8.2 van de vergunning van 2002. Daarom is de rechtbank het met het college eens dat in het kader van dit verzoek niet hoefde te worden beoordeeld of dit verzoek aanleiding gaf voor het wijzigen van andere voorschriften van deze vergunning of de vergunning van 2017, of voor het geheel of gedeeltelijk intrekken van deze vergunningen. De omstandigheden die [eiser 1] e.a. in dit kader hebben aangevoerd, geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij merkt de rechtbank op dat het door hen genoemde dienstbaarheidsbeginsel niet zover strekt dat een bestuursorgaan een voor derden belastend verzoek ruimer moet uitleggen dan past binnen de bewoordingen daarvan. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
6.1.
De rechtbank merkt op dat [eiser 1] e.a. inmiddels het college per brief van 28 januari 2025 ook hebben verzocht om de vergunningen van 2002 en 2017 in te trekken, voor zover deze zien op het verrichten van activiteiten in de nachtperiode. Het college heeft dit verzoek met een besluit van 22 december 2025 afgewezen. [eiser 1] e.a. hebben beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank Noord-Nederland heeft dit beroep doorgezonden naar deze rechtbank en het beroep heeft zaaknummer ZWO 26/757 gekregen. Dit beroep zal op een later moment door de rechtbank worden behandeld.
Had het college de voorschriften 8.1 en 8.2 van de vergunning van 2002 moeten wijzigen?
7. [eiser 1] e.a. stellen zich op het standpunt dat het college de voorschriften 8.1 en 8.2 van de vergunning van 2002 had moeten wijzigen in het belang van de bescherming van het milieu. Zij zijn van mening dat de geluidsgrenswaarden die zijn vastgesteld in deze voorschriften het milieu onvoldoende beschermen tegen geluidshinder van de inrichting, omdat deze voorschriften gelden op een hoogte van 5 meter, terwijl de meeste woonlagen van de woontoren boven deze hoogte liggen en boven deze hoogte niet aan de geluidsnormen wordt voldaan. [eiser 1] e.a. stellen dat hun nachtrust tot voor kort elke werkdag ernstig werd verstoord, doordat de geluidshinder al vóór 06.00 uur begon en pas ruim na 23.00 uur eindigde. Zij zijn van mening dat dit ontoelaatbaar is en dat hier zo snel mogelijk definitief een einde aan moet komen. Zij verwijzen daarbij naar een rapport van GGD Groningen van 28 oktober 2024, waaruit naar voren komt dat de gezondheidskundige advieswaarde voor cumulatieve geluidbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen maximaal 50 dB(A) en in de nachtperiode 40 dB(A) is. Volgens [eiser 1] e.a. heeft het college zijn standpunt dat de door hen verzochte wijziging van de voorschriften de vergunde activiteiten in de dagperiode onmogelijk maakt niet onderbouwd. [eiser 1] e.a. zijn verder van mening dat het college de fouten die in het verleden door de gemeente Groningen zijn gemaakt in het kader van de procedures met betrekking tot de bouw van de woontoren niet voor hun rekening kan laten komen. Ook zijn zij van mening dat niet kan worden gewacht tot het college heeft beslist op de aanvraag voor de revisievergunning.
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het verzoek tot het wijzigen van de voorschriften kon worden afgewezen. Het college erkent dat de woonlagen die hoger dan 15 meter liggen met de geldende geluidnormen onvoldoende worden beschermd tegen geluidhinder en dat de geldende geluidvoorschriften ontoereikend zijn om het milieu te beschermen. Het college is echter van mening dat de door [eiser 1] e.a. voorgestelde wijziging van de voorschriften ertoe zou leiden dat de vergunde bedrijfsvoering van PreZero onmogelijk wordt gemaakt en dat de grondslag van de aanvragen voor de vergunningen van 2002 en 2017 wordt verlaten.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college het bestreden besluit, voor zover daarbij is beslist op het gedeelte van verzoek dat is gebaseerd op artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarom is het beroep gegrond en zal dit gedeelte van het bestreden besluit worden vernietigd. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit echter in stand laten, omdat zij oordeelt dat het college dit gedeelte van het verzoek terecht heeft afgewezen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het college het verzoek, voor zover dit is gebaseerd op artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo, in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.
7.2.1.
Op grond van artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo beziet het bevoegd gezag, voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, regelmatig of de voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Onder ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu wordt mede verstaan de vaststelling van nieuwe of herziene conclusies over beste beschikbare technieken, overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid, van de Richtlijn Industriële Emissies.
Op grond van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo wijzigt het bevoegd gezag de voorschriften van de omgevingsvergunning, indien door toepassing van artikel 2.30, eerste lid, blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt.
Op grond van artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo kan het bevoegd gezag voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen voor zover deze betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.
7.2.2.
De rechtbank stelt vast dat [eiser 1] e.a. hun verzoek zowel hebben gebaseerd op artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van Wabo als op artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Het college is in het bestreden besluit alleen ingegaan op de discretionaire wijzigingsbevoegdheid van het eerste lid, aanhef en onder b, en heeft daarin niet gemotiveerd waarom geen sprake is van een wijzigingsverplichting op grond van het tweede lid, aanhef en onder b. In zoverre is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Dit is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daarom is het beroep gegrond en moet dit besluit worden vernietigd. Hierna beoordeelt de rechtbank of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven.
7.2.3.
De rechtbank is van oordeel dat de artikelen 2.30, eerste lid, en 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo derde-belanghebbenden, zoals [eiser 1] e.a., niet de mogelijkheid bieden om bij het bevoegd gezag een algemeen verzoek tot actualisatie van een omgevingsvergunning in te dienen. [eiser 1] e.a. hebben in hun verzoek (of de aanvulling daarop) niet aangegeven welke concrete ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu of ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu volgens hen moeten leiden tot het aanscherpen van de voorschriften van de vergunning van 2002. Zij hebben wel verwezen naar de op 17 augustus 2018 vastgestelde BBT-conclusies voor afvalbehandeling, maar zij hebben niet geconcretiseerd en onderbouwd waarom deze BBT-conclusies moeten leiden tot het actualiseren van de omgevingsvergunning. Daarom heeft het college het wijzigingsverzoek terecht afgewezen, voor zover dit is gebaseerd op artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van Wabo. Daarom kunnen de rechtsgevolgen van deze beslissing in stand blijven.
7.2.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren om de voorschriften 8.1 en 8.2 te wijzigen of aan te vullen op de door [eiser 1] e.a. verzochte manier. De rechtbank leidt uit het dossier af dat sinds de realisatie van de woontoren zowel de geluidsbelasting van PreZero alleen als de gecumuleerde geluidsbelasting van het industrieterrein op de woontoren hoger is dan de toegestane hogere waarde van 55 dB(A) etmaalwaarde. De geluidsbelasting op de woontoren op een hoogte van 40 meter is 57,5 dB(A). Hierbij is van belang dat de geluidsbijdrage van PreZero daarbij maatgevend is, doordat de inrichting op relatief korte afstand van de woontoren ligt. Daarnaast leidt de rechtbank uit het dossier af dat uit berekeningen is gebleken dat de vergunde activiteiten van PreZero leiden tot een maximaal geluidniveau op de gevel van de woontoren in de nachtperiode van meer dan 65 dB(A). Tussen partijen is niet in geschil dat het opnemen in de vergunning van een grenswaarde voor het maximale geluidniveau van 60 dB(A) voor de nachtperiode, zoals door [eiser 1] e.a. is verzocht, ertoe zal leiden dat een deel van de activiteiten die PreZero op grond van de vergunningen van 2002 en 2017 mag verrichten in de nachtperiode onmogelijk wordt gemaakt. Daarnaast vindt de rechtbank het aannemelijk dat het opnemen in de vergunning van een grenswaarde voor het langtijdbeoordelingsniveau van 50 dB(A) voor de dagperiode, zoals door [eiser 1] e.a. is verzocht, ertoe zal leiden dat een deel van de activiteiten die PreZero op grond van de vergunningen van 2002 en 2017 mag verrichten in de dagperiode onmogelijk wordt gemaakt. Dit betekent dat de door [eiser 1] e.a. verzochte wijziging van de voorschriften zo ingrijpend zou zijn dat deze ertoe zou leiden dat de grondslag van de aanvragen van de onderliggende vergunningen wordt verlaten. Zo ver kan een wijziging met toepassing van artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo, echter niet strekken. Uit het dossier en wat op de zitting is besproken blijkt dat PreZero met de nodige aanpassingen in de bedrijfsvoering mogelijk wel kan voldoen aan de op grond van de Wgh geldende (hogere) geluidsnorm van 55 dB(A) etmaalwaarde. Dit is echter onzeker en dit is ook niet de geluidsnorm waar [eiser 1] e.a. om hebben verzocht. Daarom zal de rechtbank in het midden laten of de aanpassingen die daarvoor nodig zijn nog zouden kunnen passen binnen de grondslag van de aanvragen. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank het met het college eens dat de door [eiser 1] e.a. verzochte wijziging van de geluidsvoorschriften niet de geëigende procedure is voor het oplossen van het akoestisch knelpunt dat is ontstaan door het bouwen van de woontoren tegen de 55 dB(A) geluidscontour van het industrieterrein, zonder het realiseren van ‘dove gevels’ of voldoende geluidwerende gevels. Hieruit volgt dat deze beroepsgrond niet slaagt voor zover het gaat om het deel van het verzoek dat is gebaseerd op artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo. De rechtbank merkt op dat (een deel van) wat [eiser 1] e.a. hebben aangevoerd in het kader van deze beroepsgrond aan de orde kan komen in het kader van het beroep tegen de afwijzing van hun intrekkingsverzoek.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij het gedeelte van het verzoek dat is gebaseerd op artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo is afgewezen. Maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek tot het wijzigen van de geluidvoorschriften van de vergunning van 2002 in stand blijft. Dit geldt zowel voor het gedeelte van het verzoek dat is gebaseerd op artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo als voor het gedeelte van het verzoek dat is gebaseerd op artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo.
9. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan [eiser 1] e.a. vergoeden en krijgen zij ook een vergoeding van hun proceskosten. [eiser 1] e.a. hebben gevraagd om een vergoeding van hun reiskosten (€ 48,30) en hun verletkosten als gevolg van het bijwonen van de zitting (4 uren à € 35 per uur = € 140). De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde reiskosten kunnen worden toegewezen. De gevorderde verletkosten kunnen niet worden toegewezen, omdat deze niet zijn onderbouwd (bijvoorbeeld met een kopie van een loonstrookje).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 januari 2025 voor zover daarbij het gedeelte van het verzoek dat is gebaseerd op artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo is afgewezen;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194 aan [eiser 1] e.a. moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 48,30 aan proceskosten aan [eiser 1] e.a.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
de griffier is verhinderd om deze
uitspraak mede te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1044, rechtsoverweging (hierna: r.o.) 8.1, en 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2677, r.o. 109.1.
Richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L 334).
De rechtbank vindt steun voor deze opvatting in de wetsgeschiedenis behorende bij artikel 8.22 van de Wet milieubeheer (Kamerstukken II 1990/91, 21 087, nr. 13, p. 47). Artikel 8.22 van de Wet milieubeheer is de voorloper van artikel 2.31, eerste lid, van de Wabo.
Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 7 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2014:1619, r.o. 9.1, 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3354, r.o. 7.3, en 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:799, r.o. 9 en verder.