Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5304
2026-08-31
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Ak_25_2647
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over een terugvordering door het UWV. Eiseres kreeg een Ziektewetuitkering (ZW). Daarnaast heeft ze ook gewerkt en omdat haar inkomsten de uitkering te boven gingen, had zij geen recht meer op deze uitkering. Het UWV heeft de uitkering over een periode toch uitbetaald en nadien de uitkering teruggevorderd. Eiseres is het daar niet mee eens en zij doet daarbij een beroep op het vertrouwensbeginsel. Beroep ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2026:686 Centrale Raad van Beroep 21-05-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.434 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2647
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats], ( [eiser] )
(gemachtigde: mr. D. Aygur),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een terugvordering door het UWV. [eiser] kreeg een Ziektewetuitkering (ZW). Daarnaast heeft ze ook gewerkt en omdat haar inkomsten de uitkering te boven gingen, had [eiser] geen recht meer op deze uitkering. Het UWV heeft de uitkering over een periode toch uitbetaald en nadien de uitkering teruggevorderd. [eiser] is het daar niet mee eens en zij doet daarbij een beroep op het vertrouwensbeginsel. Aan de hand van wat [eiser] aanvoert, beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij brief van 28 januari 2025 heeft het UWV [eiser] bericht dat vanaf 1 november 2024 abusievelijk geen korting meer is toegepast op haar ZW-uitkering. Aan haar is het volledige bedrag overgemaakt, terwijl zij daar vanwege haar inkomsten geen recht op had. Vanaf 20 januari 2025 zijn de betalingen aan [eiser] gestaakt. Over de periode van 1 november 2024 tot en met 19 januari 2025 is het UWV daarom van plan een bedrag terug te vorderen ter grootte van bruto € 2.080,65. Daarbij heeft het UWV overwogen dat het voor [eiser] redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat de uitkering ten onrechte aan haar werd uitbetaald. Bij besluit van 12 februari 2025 is het UWV tot terugvordering van dit bedrag overgegaan.3. Met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 op het bezwaar van [eiser] is het UWV bij dat besluit gebleven. Volgens het UWV had [eiser] kunnen weten dat zij te veel uitkering ontving. Met de brieven van 21 augustus 2024, 2 oktober 2024 en 6 november 2024 werd [eiser] erover geïnformeerd dat de ziektewetuitkering niet tot uitbetaling kwam vanwege de hoogte van de inkomsten uit arbeid. Omdat de hoogte van haar inkomsten uit arbeid vanaf 1 november 2024 niet is gewijzigd, was er geen aanleiding voor [eiser] om te veronderstellen dat zij vanaf 1 november 2024 wel recht zou hebben op uitbetaling van ziekengeld. Er is volgens het UWV dan ook geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Met betrekking tot het beroep van [eiser] op het vertrouwensbeginsel overweegt het UWV dat niet is gebleken dat er van de zijde van het UWV toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit [eiser] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de betalingen vanaf 1 november 2024 correct waren. Uit de belhistorie over de periode vanaf 1 november 2024 blijkt op geen enkele wijze dat [eiser] gebeld heeft om te vragen of de uitkering die zij ontving terecht was, dit terwijl zij stelt hierover minimaal twee keer te hebben gebeld. Het UWV acht het niet aannemelijk dat als iemand hierover herhaaldelijk zou hebben gebeld, dit geen enkele keer in de belhistorie zou worden vastgelegd. De terugvordering is volgens het UWV daarom terecht.
4. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft een verweerschrift uitgebracht.
4.1.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
5. [eiser] was tot 1 juli 2023 in dienst bij [naam V.O.F.] V.O.F. Zij heeft zich met ingang van 29 juni 2023 ziekgemeld. Zij heeft vanaf 3 juli 2023 in dat kader ziekengeld ontvangen.
6. Vanaf 8 juli 2024 heeft [eiser] inkomsten uit werk bij Grafotex. Bij besluit van 21 augustus 2024 heeft het UWV haar bericht dat haar ZW-uitkering verrekend wordt met haar inkomsten uit dat werk. Over de periode 8 juli 2024 t/m 31 juli 2024 betekent dit dat de Ziektewetuitkering niet tot uitbetaling komt.
6.1
Bij besluit van 2 september 2024 heeft het UWV [eiser] bericht dat de ZW-uitkering over de periode van 8 juli 2024 tot en met 14 juli 2024 (gedeeltelijk) ten onrechte is uitbetaald. De te veel betaalde uitkering bedraagt bruto € 184,60 en wordt van [eiser] teruggevorderd.
6.2
Bij besluit van 2 oktober 2024 heeft het UWV [eiser] bericht dat de ZW-uitkering – vanwege de verrekening met inkomsten uit arbeid – over de maanden augustus en september 2024 niet tot uitbetaling komt.
6.3
Bij besluit van 6 november 2024 heeft het UWV [eiser] bericht dat de ZW-uitkering – vanwege de verrekening met inkomsten uit arbeid – over de maand oktober 2024 niet tot uitbetaling komt.
6.4
Het UWV heeft nadien, in de maanden november en december 2024 tot en met 19 januari 2025, alsnog aan [eiser] de ZW-uitkering doorbetaald. Van die betalingen zijn aan [eiser] betalingsspecificaties gezonden.
7. Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder het kopje “procesverloop”.
Beroepsgronden
8. [eiser] stelt zich op het standpunt dat zij erop mocht vertrouwen dat de uitkering terecht werd verstrekt. Het UWV is daarom ten onrechte overgegaan tot terugvordering. [eiser] stelt dat zij bij het UWV telefonisch navraag heeft gedaan naar de uitbetaling van de ZW-uitkering en dat aan haar is bevestigd dat deze betalingen juist waren. [eiser] wijst in dit verband op de door haar in de bezwaarprocedure overgelegde belhistorie, waaruit de concrete data, tijdstippen en duur van haar gesprekken met het UWV volgt. Hiermee heeft zij voldaan aan haar inspanningsverplichting om aannemelijk te maken dat zij actief navraag heeft gedaan over haar recht op uitkering. Het UWV daarentegen heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar de inhoud van de telefoongesprekken, terwijl dit eenvoudig had gekund door het opvragen van gespreksverslagen of geluidsopnames. Indien deze ontbreken of niet volledig zijn vastgelegd, komt dat voor rekening en risico van het bestuursorgaan. Dat het UWV niet alle gesprekken heeft genoteerd of niet volledig heeft vastgelegd wat [eiser] heeft gezegd, duidt volgens [eiser] op een gebrekkige dossiervorming aan de zijde van het UWV. Het UWV heeft dan ook in strijd gehandeld met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, aldus [eiser] .
Het oordeel van de rechtbank
9. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het UWV de uitkering over de periode in geding, zijnde van 1 november 2024 tot en met 19 januari 2025, terecht heeft teruggevorderd.
9.1
Niet in geschil is dat [eiser] over de periode in geding geen recht had op uitbetaling van de ZW-uitkering, omdat haar inkomsten uit werk hoger waren dan haar ZW-uitkering. In beginsel wordt op grond van artikel 33 ZW in dat geval het ziekengeld teruggevorderd.
10. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is ten eerste vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.
10.1
De rechtbank is van oordeel dat aan dit vereiste niet is voldaan. Uit hetgeen [eiser] naar voren heeft gebracht blijkt niet dat er van de zijde van het UWV toezeggingen of uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht in vorenbedoelde zin. [eiser] heeft gewezen op haar belhistorie, maar hieruit volgt enkel dat eiseres op verschillende momenten telefonisch contact heeft gehad met het UWV. Niet kan hieruit worden afgeleid waar die contacten betrekking op hadden. In de periode in geding is er tweemaal met het UWV gebeld. Uit het door het UWV in het geding gebrachte verslag van het KCC blijkt dat er op 29 november 2024 is gebeld over de betalingsregeling in het kader van een lopende invordering en dat op 12 december 2024 de vraag is gesteld: “Wanneer betaalt het UWV mijn Ziektewetuitkering”. Hieruit blijkt niet dat ter sprake is gekomen dat [eiser] inkomsten uit werk had en dat zij zich afvroeg of de Ziektewetuitkering wel terecht aan haar werd uitbetaald. Ook anderszins bevat het dossier geen enkele aanwijzing dat [eiser] hierover navraag heeft gedaan bij het UWV.
10.2
Wat betreft de volgens [eiser] gebrekkige verslaglegging van het UWV overweegt de rechtbank allereerst dat het aan [eiser] is om aannemelijk te maken dat bepaalde toezeggingen zijn gedaan. Het is niet aan het UWV om aannemelijk te maken dat deze toezeggingen niet zijn gedaan. Verder heeft het UWV ter zitting toegelicht dat wordt gewerkt met zogenoemde ‘belscripten’ als het gaat om veel voorkomende vragen en dat bij een dergelijke vraag dan qua gespreksverslag wordt volstaan met een weergave van dit belscript. Er wordt alleen een uitgebreider verslag gemaakt als in het telefoongesprek wordt afgeweken van het belscript. De rechtbank ziet dit bevestigd in de notitie van het KCC van 24 januari 2025 waarin onder meer is opgenomen dat [eiser] en haar dochter samen contact hebben gehad met het UWV en dat zij hebben verzocht om alles in een brief voor te leggen zodat een derde partij het nog kan beoordelen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om [eiser] te volgen in haar betoog dat het UWV onzorgvuldig heeft gehandeld door gebrekkige of onvolledige gespreksverslagen op te stellen. Gelet op het voorgaande faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.
11. De rechtbank kan het UWV verder volgen in het standpunt dat niet is gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Hoewel sprake is van een fout van het UWV, had het [eiser] redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat zij geen recht had op de aan haar uitbetaalde ZW-uitkering. Daarbij heeft het UWV terecht gewezen op de besluiten van 21 augustus 2024, 2 oktober 2024 en 6 november 2024, waarin [eiser] geïnformeerd werd over het feit dat haar ZW-uitkering niet tot uitbetaling kwam vanwege te hoge inkomsten uit arbeid. Nu de hoogte van haar inkomsten uit arbeid vanaf 1 november 2024 niet is gewijzigd, was er geen aanleiding voor [eiser] om te veronderstellen dat zij vanaf 1 november 2024 wel recht zou hebben op uitbetaling van ziekengeld. Ook anderszins is niet gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de terugvordering van het UWV in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van mr.E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wettelijk kader
Artikel 33 Ziektewet
1 Het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.(…)6 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:686.
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2647
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats], ( [eiser] )
(gemachtigde: mr. D. Aygur),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een terugvordering door het UWV. [eiser] kreeg een Ziektewetuitkering (ZW). Daarnaast heeft ze ook gewerkt en omdat haar inkomsten de uitkering te boven gingen, had [eiser] geen recht meer op deze uitkering. Het UWV heeft de uitkering over een periode toch uitbetaald en nadien de uitkering teruggevorderd. [eiser] is het daar niet mee eens en zij doet daarbij een beroep op het vertrouwensbeginsel. Aan de hand van wat [eiser] aanvoert, beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij brief van 28 januari 2025 heeft het UWV [eiser] bericht dat vanaf 1 november 2024 abusievelijk geen korting meer is toegepast op haar ZW-uitkering. Aan haar is het volledige bedrag overgemaakt, terwijl zij daar vanwege haar inkomsten geen recht op had. Vanaf 20 januari 2025 zijn de betalingen aan [eiser] gestaakt. Over de periode van 1 november 2024 tot en met 19 januari 2025 is het UWV daarom van plan een bedrag terug te vorderen ter grootte van bruto € 2.080,65. Daarbij heeft het UWV overwogen dat het voor [eiser] redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat de uitkering ten onrechte aan haar werd uitbetaald. Bij besluit van 12 februari 2025 is het UWV tot terugvordering van dit bedrag overgegaan.3. Met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 op het bezwaar van [eiser] is het UWV bij dat besluit gebleven. Volgens het UWV had [eiser] kunnen weten dat zij te veel uitkering ontving. Met de brieven van 21 augustus 2024, 2 oktober 2024 en 6 november 2024 werd [eiser] erover geïnformeerd dat de ziektewetuitkering niet tot uitbetaling kwam vanwege de hoogte van de inkomsten uit arbeid. Omdat de hoogte van haar inkomsten uit arbeid vanaf 1 november 2024 niet is gewijzigd, was er geen aanleiding voor [eiser] om te veronderstellen dat zij vanaf 1 november 2024 wel recht zou hebben op uitbetaling van ziekengeld. Er is volgens het UWV dan ook geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Met betrekking tot het beroep van [eiser] op het vertrouwensbeginsel overweegt het UWV dat niet is gebleken dat er van de zijde van het UWV toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit [eiser] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de betalingen vanaf 1 november 2024 correct waren. Uit de belhistorie over de periode vanaf 1 november 2024 blijkt op geen enkele wijze dat [eiser] gebeld heeft om te vragen of de uitkering die zij ontving terecht was, dit terwijl zij stelt hierover minimaal twee keer te hebben gebeld. Het UWV acht het niet aannemelijk dat als iemand hierover herhaaldelijk zou hebben gebeld, dit geen enkele keer in de belhistorie zou worden vastgelegd. De terugvordering is volgens het UWV daarom terecht.
4. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft een verweerschrift uitgebracht.
4.1.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
5. [eiser] was tot 1 juli 2023 in dienst bij [naam V.O.F.] V.O.F. Zij heeft zich met ingang van 29 juni 2023 ziekgemeld. Zij heeft vanaf 3 juli 2023 in dat kader ziekengeld ontvangen.
6. Vanaf 8 juli 2024 heeft [eiser] inkomsten uit werk bij Grafotex. Bij besluit van 21 augustus 2024 heeft het UWV haar bericht dat haar ZW-uitkering verrekend wordt met haar inkomsten uit dat werk. Over de periode 8 juli 2024 t/m 31 juli 2024 betekent dit dat de Ziektewetuitkering niet tot uitbetaling komt.
6.1
Bij besluit van 2 september 2024 heeft het UWV [eiser] bericht dat de ZW-uitkering over de periode van 8 juli 2024 tot en met 14 juli 2024 (gedeeltelijk) ten onrechte is uitbetaald. De te veel betaalde uitkering bedraagt bruto € 184,60 en wordt van [eiser] teruggevorderd.
6.2
Bij besluit van 2 oktober 2024 heeft het UWV [eiser] bericht dat de ZW-uitkering – vanwege de verrekening met inkomsten uit arbeid – over de maanden augustus en september 2024 niet tot uitbetaling komt.
6.3
Bij besluit van 6 november 2024 heeft het UWV [eiser] bericht dat de ZW-uitkering – vanwege de verrekening met inkomsten uit arbeid – over de maand oktober 2024 niet tot uitbetaling komt.
6.4
Het UWV heeft nadien, in de maanden november en december 2024 tot en met 19 januari 2025, alsnog aan [eiser] de ZW-uitkering doorbetaald. Van die betalingen zijn aan [eiser] betalingsspecificaties gezonden.
7. Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder het kopje “procesverloop”.
Beroepsgronden
8. [eiser] stelt zich op het standpunt dat zij erop mocht vertrouwen dat de uitkering terecht werd verstrekt. Het UWV is daarom ten onrechte overgegaan tot terugvordering. [eiser] stelt dat zij bij het UWV telefonisch navraag heeft gedaan naar de uitbetaling van de ZW-uitkering en dat aan haar is bevestigd dat deze betalingen juist waren. [eiser] wijst in dit verband op de door haar in de bezwaarprocedure overgelegde belhistorie, waaruit de concrete data, tijdstippen en duur van haar gesprekken met het UWV volgt. Hiermee heeft zij voldaan aan haar inspanningsverplichting om aannemelijk te maken dat zij actief navraag heeft gedaan over haar recht op uitkering. Het UWV daarentegen heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar de inhoud van de telefoongesprekken, terwijl dit eenvoudig had gekund door het opvragen van gespreksverslagen of geluidsopnames. Indien deze ontbreken of niet volledig zijn vastgelegd, komt dat voor rekening en risico van het bestuursorgaan. Dat het UWV niet alle gesprekken heeft genoteerd of niet volledig heeft vastgelegd wat [eiser] heeft gezegd, duidt volgens [eiser] op een gebrekkige dossiervorming aan de zijde van het UWV. Het UWV heeft dan ook in strijd gehandeld met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, aldus [eiser] .
Het oordeel van de rechtbank
9. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het UWV de uitkering over de periode in geding, zijnde van 1 november 2024 tot en met 19 januari 2025, terecht heeft teruggevorderd.
9.1
Niet in geschil is dat [eiser] over de periode in geding geen recht had op uitbetaling van de ZW-uitkering, omdat haar inkomsten uit werk hoger waren dan haar ZW-uitkering. In beginsel wordt op grond van artikel 33 ZW in dat geval het ziekengeld teruggevorderd.
10. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is ten eerste vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.
10.1
De rechtbank is van oordeel dat aan dit vereiste niet is voldaan. Uit hetgeen [eiser] naar voren heeft gebracht blijkt niet dat er van de zijde van het UWV toezeggingen of uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht in vorenbedoelde zin. [eiser] heeft gewezen op haar belhistorie, maar hieruit volgt enkel dat eiseres op verschillende momenten telefonisch contact heeft gehad met het UWV. Niet kan hieruit worden afgeleid waar die contacten betrekking op hadden. In de periode in geding is er tweemaal met het UWV gebeld. Uit het door het UWV in het geding gebrachte verslag van het KCC blijkt dat er op 29 november 2024 is gebeld over de betalingsregeling in het kader van een lopende invordering en dat op 12 december 2024 de vraag is gesteld: “Wanneer betaalt het UWV mijn Ziektewetuitkering”. Hieruit blijkt niet dat ter sprake is gekomen dat [eiser] inkomsten uit werk had en dat zij zich afvroeg of de Ziektewetuitkering wel terecht aan haar werd uitbetaald. Ook anderszins bevat het dossier geen enkele aanwijzing dat [eiser] hierover navraag heeft gedaan bij het UWV.
10.2
Wat betreft de volgens [eiser] gebrekkige verslaglegging van het UWV overweegt de rechtbank allereerst dat het aan [eiser] is om aannemelijk te maken dat bepaalde toezeggingen zijn gedaan. Het is niet aan het UWV om aannemelijk te maken dat deze toezeggingen niet zijn gedaan. Verder heeft het UWV ter zitting toegelicht dat wordt gewerkt met zogenoemde ‘belscripten’ als het gaat om veel voorkomende vragen en dat bij een dergelijke vraag dan qua gespreksverslag wordt volstaan met een weergave van dit belscript. Er wordt alleen een uitgebreider verslag gemaakt als in het telefoongesprek wordt afgeweken van het belscript. De rechtbank ziet dit bevestigd in de notitie van het KCC van 24 januari 2025 waarin onder meer is opgenomen dat [eiser] en haar dochter samen contact hebben gehad met het UWV en dat zij hebben verzocht om alles in een brief voor te leggen zodat een derde partij het nog kan beoordelen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om [eiser] te volgen in haar betoog dat het UWV onzorgvuldig heeft gehandeld door gebrekkige of onvolledige gespreksverslagen op te stellen. Gelet op het voorgaande faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.
11. De rechtbank kan het UWV verder volgen in het standpunt dat niet is gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Hoewel sprake is van een fout van het UWV, had het [eiser] redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat zij geen recht had op de aan haar uitbetaalde ZW-uitkering. Daarbij heeft het UWV terecht gewezen op de besluiten van 21 augustus 2024, 2 oktober 2024 en 6 november 2024, waarin [eiser] geïnformeerd werd over het feit dat haar ZW-uitkering niet tot uitbetaling kwam vanwege te hoge inkomsten uit arbeid. Nu de hoogte van haar inkomsten uit arbeid vanaf 1 november 2024 niet is gewijzigd, was er geen aanleiding voor [eiser] om te veronderstellen dat zij vanaf 1 november 2024 wel recht zou hebben op uitbetaling van ziekengeld. Ook anderszins is niet gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de terugvordering van het UWV in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van mr.E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wettelijk kader
Artikel 33 Ziektewet
1 Het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.(…)6 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:686.