Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5268
2026-08-28
Civiel recht
C/08/348504 / KG ZA 26-133
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Executie kort geding. Eisers vorderen o.a. schorsing van het vonnis waarin zij zijn veroordeeld tot ontruiming. Voeging door Monoma toegestaan. Belangenafweging valt in voordeel uit van gedaagde. Vorderingen van eisers worden afgewezen.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBOBR:2025:5475 Rechtbank Oost-Brabant 03-09-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2026:2492 Rechtbank Overijssel 06-05-2026
- ECLI:NL:HR:2019:2026 Hoge Raad 20-12-2019
- ECLI:NL:HR:2022:1942 Hoge Raad 23-12-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.659 tekens)
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/348504 / KG ZA 26-133
Vonnis in kort geding van 28 augustus 2026
in de zaak van
1
[partij A1],
uit [woonplaats 1],
advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool,
2. [partij A2],
3. [partij A3],
beiden uit [woonplaats 2],
advocaat: mr. E. Prins,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [partij A],
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[partij B] B.V.,
uit [vestigingsplaats],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. B.M.B. Gruppen,
met als voegende partij aan de zijde van [partij B]:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MONOMA NEDERLAND B.V.,
uit Eindhoven,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: Monoma,
advocaat: mr. M.W.R. Hoogstraten.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 8 juli 2026;
de incidentele conclusie houdende vordering tot tussenkomst subsidiair voeging tevens houdende conclusie van antwoord met productie 1 van Monoma;
de incidentele conclusie van antwoord naar aanleiding van een vordering tot tussenkomst subsidiair voeging van [partij B];
de productie 1 (deel a, b en c) van [partij A];
de akte overlegging producties 1 t/m 10 van [partij B];
de akte overlegging producties 1 t/m 8, tevens akte vermeerdering eis en voorwaardelijke reconventionele vordering in de incidentele vordering tot tussenkomst/voeging en tevens houdende conclusie van antwoord van [partij A];
de productie 11 van [partij B];
de voorwaardelijke nadere schriftelijke uitlating inzake de akte vermeerdering van eis en voorwaardelijke reconventionele vordering van Monoma;
de complete productie 3 van [partij B];
de producties 9-12 van [partij A];
de mondelinge behandeling van 17 augustus, waar mr. Gruppen en mr. Schuckink Kool spreekaantekeningen hebben overgelegd en voorgedragen en waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er verder is besproken.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft op de mondelinge behandeling vastgesteld dat [partij B] geen bezwaar heeft tegen toewijzing van het incident van Monoma tot primair tussenkomst en subsidiair voeging. Op de mondelinge behandeling hebben [partij A] verklaard evenmin bezwaar te hebben. De voorzieningenrechter heeft daarop overwogen dat Monoma, gelet op het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 3 september 2025 waarin zij, kort gezegd, is veroordeeld tot vergoeding van de kosten voor de nutsvoorzieningen voor het pand aan de [partij B] vanaf 16 oktober 2023 tot de datum van ontruiming, een belang heeft bij de uitkomst van dit tussen [partij A] en [partij B] aanhangig kort geding. Omdat Monoma geen eigen vordering heeft ingesteld en haar belang ook verder gelijk lijkt te lopen aan het belang van [partij B] tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] in de hoofdzaak, heeft de voorzieningenrechter de primaire incidentele vordering tot tussenkomst afgewezen en de subsidiaire vordering tot voeging toegewezen. Met deze beslissing wordt Monoma geacht zich te hebben gevoegd aan de zijde van [partij B]. De voeging is ook tot uitdrukking gebracht in de kop en in het dictum van dit vonnis.
1.3.
[partij A] hebben de vrijdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling een eiswijziging aangekondigd en deze ter zitting ingediend. Alleen Monoma – en dus niet ook [partij B] – heeft daartegen formeel bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter heeft op de mondelinge behandeling beslist de eiswijzing van [partij A] toe te staan. Vast is gesteld dat [partij B] en Monoma voldoende mogelijkheid hebben gehad zich op de eiswijziging voor te bereiden en dit ook feitelijk gedaan hebben door hun verweer daartegen al op voorhand in de vorm van een schriftelijke reactie of door middel van spreekaantekeningen te formuleren, zodat het beginsel van hoor en wederhoor in acht is genomen.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft vervolgens vastgesteld dat de producties 11 en de nieuwe (complete) versie van productie 3 van [partij B], de voorwaardelijke nadere schriftelijke uitlating van Monoma en producties 9-12 van [partij A] niet binnen 24 uur (één werkdag) vóór de mondelinge behandeling zijn ingediend, zoals het procesreglement voorschrijft. [partij A] hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen toelating van productie 3 van [partij B]. Evenmin is van enig bezwaar daartegen aan de zijde van Monoma gebleken, zodat de voorzieningenrechter tot toelating is overgegaan en productie 3 heeft toegevoegd aan het procesdossier. Productie 11 van [partij B] is eveneens aan het procesdossier toegevoegd. Aan het bezwaar van [partij A] dat zij vanwege het late tijdstip van indiening onvoldoende tijd heeft gehad om de juistheid van de in productie 11 genoemde tijdlijn te (laten) onderzoeken, is de voorzieningenrechter voorbijgegaan, aangezien de productie maar enkele uren te laat is ingediend en het geen omvangrijk stuk betreft. Bovendien hebben [partij A] voor een deel al hun reactie daarop gegeven door het overleggen van producties 9-12. Tegen toewijzing van producties 9-12 van [partij A] hebben [partij B] en Monoma bezwaar gemaakt. Zij hebben aangegeven nog geen kennis te hebben genomen van deze producties, maar aangezien ook deze stukken niet omvangrijk zijn en een reactie vormen op de door [partij B] overlegde tijdlijn (productie 11), heeft de voorzieningenrechter in het belang van de goede procesorde ook deze toegestaan. Wel heeft de voorziengingenrechter [partij B] en Monoma in de gelegenheid gesteld om tijdens een leespauze kennis te nemen van de inhoud van de producties 9-12. Tot slot heeft de voorzieningenrechter ook de schriftelijke uitlating van Monoma op de aangekondigde eiswijziging toegelaten. Monoma had anders ook op de mondelinge behandeling haar reactie op de eiswijziging mogen geven. Ook is Monoma aan de bezwaren van [partij A], die aangaven dat zij nog geen kennis hadden kunnen nemen van de reactie van Monoma, tegemoetgekomen door een samenvatting daarvan te geven. Tot slot zijn [partij A] tijdens de mondelinge behandeling nog in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
1.5.
Ten slotte is bepaald dat de voorzieningenrechter vandaag uitspraak zal doen.
2De feiten
2.1.
Bij vonnis van 6 mei 2026 zijn [partij A] veroordeeld tot ontruiming van het kantoorpand aan de [adres 1], [adres 2], [adres 3] en [adres 4] (hierna: het pand), waarbij de ontruimingstermijn is gekoppeld aan de bewoners met wie [partij B] in die procedure een regeling heeft getroffen, maar waarbij ontruiming in ieder geval uiterlijk 1 september 2026 moet plaatsvinden (hierna: het vonnis). Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.2.
[partij A] hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
3Het geschil
3.1.
[partij A] vorderen, na eiswijziging, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de voorzieningenrechter:
I. de tenuitvoerlegging van het vonnis schorst totdat het hof in het daartegen ingestelde hoger beroep eindarrest heeft gewezen;
II. voor het geval en voor de duur dat dat [partij A] op grond van dit vonnis in het pand mogen blijven, [partij B] te veroordelen binnen 24 uur na betekening te zorgen voor behoorlijk en adequaat beheer, waaronder in ieder geval:
a. adequaat toegangsbeheer en het tegengaan van toegang door onbevoegde derden,
b. optreden tegen onbevoegde personen, overlast, vernielingen en gevaarlijke situaties,
c. beschikbaar houden van een bereikbaar beheer- en calamiteitencontact,
d. veilig en toegankelijk houden van ingangen, gangen, trappenhuizen en gemeenschappelijke gedeelten,
e. noodzakelijk herstel aan gemeenschappelijke gedeelten en toegangsvoorzieningen,
f. instandhouding van de voor normale bewoning noodzakelijke nutsvoorzieningen en verwarming,
g. adequate afvalvoorzieningen en afvalafvoer,
h. alle overige reguliere beheerstaken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor veilig en ongestoord gebruik van het pand;
III. [partij B] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 600,00 per dag of deel daarvan als zij nalaat aan het onder II. te voldoen, met een maximum van € 90.000,00;
IV. voorwaardelijk, uitsluitend indien Monoma als tussenkomende partij wordt toegelaten en uitsluitend indien zowel de vordering onder I. wordt toegewezen als de vordering onder II. geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen: Monoma te veroordelen om, voor zover [partij B] niet reeds tot dezelfde werkzaamheden is veroordeeld, binnen 24 uur de hiervoor onder II. sub a tot en met h omschreven beheerstaken te hervatten en gedurende het verblijf van [partij A] voort te zetten;
V. Monoma, indien de onder IV. bedoelde voorwaarden zijn vervuld, te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 600,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij nalaat aan die veroordeling te voldoen, met een maximum van € 90.000,00;
VI. [partij B] en Monoma te voordelen in de proceskosten en nakosten, en Monoma, indien en voor zover de voorwaardelijke vordering tegen haar tot beoordeling komt en wordt toegewezen, in de daarop betrekking hebbende proceskosten.
3.2.
[partij A] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. Zij stellen allereerst dat de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst moet worden tot op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist. Volgens hen is er sprake van een kennelijke misslag omdat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij in hun woningen in het pand verbleven op grond van huurovereenkomsten, en niet uit hoofde van bruikleenovereenkomsten. Ook hebben [partij A] aangevoerd dat hun belang bij het behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hen ingestelde rechtsmiddel is beslist zwaarder weegt dan het belang van [partij B] en Monoma bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis. Verder hebben zij aan hun (voorwaardelijke) vorderingen ten grondslag gelegd dat als de voorzieningenrechter overgaat tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis [partij B], dan wel Monoma, gehouden is beheerstaken op zich te nemen op grond van de tussen hen bestaande huurovereenkomsten, natuurlijke verbintenissen, dan wel de redelijkheid en billijkheid.
3.3.
[partij B] voert verweer en verzoekt de voorzieningenrechter de vorderingen af te wijzen en [partij A] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Zij betwist dat er sprake is van een kennelijke misslag of een belang van de zijde van [partij A] dat zwaarder zou wegen dan haar eigen belang bij een onmiddellijke tenuitvoerlegging van het vonnis. Ook zou er voor [partij B] geen (juridische) grondslag bestaan op grond waarvan zij verplicht is om de gevorderde beheerstaken op zich te nemen.
3.4.
Monoma steunt [partij B] in haar verweer en vraagt de voorzieningenrechter [partij A] te veroordelen in de kosten van het incident en de hoofdzaak.
3.5.
De voorzieningenrechter gaat hierna, voor zover dat nodig is voor de beslissing, verder in op de stellingen van partijen.
4De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1.
Het spoedeisend belang van [partij A] wordt niet betwist en is in een executiegeschil zoals deze een gegeven. De aan [partij A] verleende ontruimingstermijn loopt immers al op 1 september 2026 af. [partij A] zijn dan ook ontvankelijk in hun vordering.
De maatstaf voor de schorsing van de tenuitvoerlegging
4.2.
[partij A] vorderen ten eerste schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad heeft als uitgangspunt te gelden dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidsstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking hiervan kan gerechtvaardigd worden door omstandigheden die meebrengen dat het belang van degene die de tenuitvoerlegging van het vonnis wil schorsen bij het behoud van de bestaande situatie tot er in hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de tenuitvoerlegging van het vonnis wil voortzetten.
4.3.
In kort geding moet bij de toepassing van deze maatstaf worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen en blijft de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing. De rechter kan daarbij echter wel boordelen of de ten uitvoer te leggen beslissingen berusten op een kennelijk misslag.
4.4.
Verder geldt voor afwijking van het bovengenoemde uitgangspunt dat als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in het ten uitvoer te leggen vonnis is gemotiveerd en er geen sprake is van een kennelijke misslag, er feiten en omstandigheden zullen moeten worden aangevoerd die zich ná het vonnis hebben voorgedaan of aan het licht zijn gekomen waardoor deze niet konden worden meegenomen in de beslissing. De nieuwe feiten en omstandigheden moeten rechtvaardigen dat de tenuitvoerlegging van het vonnis niet kan worden aanvaard.
Er is geen sprake van een kennelijke misslag
4.5.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in het vonnis de uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring niet is gemotiveerd. Het standpunt van [partij A] dat sprake is van een kennelijke misslag en dat reeds daarom de tenuitvoerlegging moet worden geschorst, volgt de voorzieningenrechter niet. Het moet bij een kennelijke misslag, van feitelijke of juridische aard, om een zo evidente vergissing in het recht of de feiten gaan, dat daarover geen redelijke twijfel bestaat. [partij A] hebben aangevoerd dat de misslag ziet op het oordeel van de rechtbank in het vonnis dat de overeenkomsten tussen [partij A] en Monoma als bruikleenovereenkomsten moeten worden aangemerkt. Dit oordeel over de kwalificatie van de overeenkomsten is echter – ondanks de kritiek van [partij A] daarop – geen evidente vergissing, in die zin dat daarover redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is. Dat er sprake is van een andere (juridische of feitelijke) vergissing die ertoe leidt dat er sprake is van een misslag, hebben [partij A] niet gesteld en is ook niet gebleken. Er is dus geen sprake van een kennelijke misslag.
De belangenafweging valt niet uit in het voordeel van [partij A]
4.6.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat [partij A] een evident belang hebben bij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis omdat zij daarmee een woning behouden in de plaats waar hun leven zich afspeelt en zij geworteld zijn. Te meer nu vast staat dat het in de huidige woningmarkt lastig is geschikte, vervangende woonruimte te vinden en een eenmaal in gang gezette ontruiming moeilijk ongedaan gemaakt kan worden.
4.7.
Daartegenover staan echter de belangen van [partij B]. Dat is in de eerste plaats om ongestoord gebruik te kunnen maken van haar eigendom, namelijk het pand waar [partij A] zich momenteel zonder recht of titel bevinden. Dat belang wordt nog eens verstrekt door het feit dat [partij B] voornemens is om in de nabije toekomst het gebied waar het pand zich bevindt, te herontwikkelen. [partij B] heeft aan de hand van productie 11 aangevoerd dat zij van plan is om al in september van dit jaar te starten met de voorbereidingen van de sloopwerkzaamheden. De daadwerkelijke sloop zal vervolgens in oktober beginnen en naar verwachting in het tweede kwartaal van 2027 zijn afgerond, aldus [partij B]. [partij A] hebben op hun beurt kanttekeningen geplaats bij de haalbaarheid van deze plannen en hebben bovendien herhaaldelijk verklaard hun volledige medewerking te zullen verlenen aan de voorbereidingen voor de sloop. Volgens [partij A] kunnen [partij B] hun plannen vooralsnog dus voortzetten terwijl [partij A] in het pand verblijven en is er geen noodzaak om het pand per 1 september 2026 al te ontruimen. Dat heeft [partij B] weersproken. Zo heeft [partij B] aangevoerd, zonder dat [partij A] hier iets tegenin gebracht hebben, dat financiers zich niet aan het ontwikkelingsplan willen committeren totdat het pand leeg is en ter vrije beschikking van [partij B] staat. Bij een latere ontruiming is dus verdere onzekerheid en mogelijk ook vertraging van de (her)ontwikkeling te verwachten. Daar komt bij dat [partij B] er tijdens de mondelinge behandeling op gewezen heeft dat zij het pand circulair wil slopen, wat betekent dat zij materialen wil verwijderen om te hergebruiken voor andere projecten. Hoe langer [partij A] in het pand verblijven, des te langer het duurt voordat dit materiaal ingezet kan worden voor andere projecten. Bovendien neemt dan het risico toe dat dit materiaal beschadigd raakt of verloren gaat. Zeker nu partijen het erover eens zijn dat zich momenteel ook andere onbevoegde personen in het pand ophouden, die schade aanrichten en voor onrust zorgen. Verder geldt dat zelfs als [partij A] gevolgd moeten worden in hun verklaring dat zij hun volledige medewerking zullen verlenen aan alle onderzoeken en voorbereidingshandelingen, [partij B] dan alsnog gehouden is om de werkzaamheden met drie extra partijen af te stemmen. Nog los van het feit dat [partij B] als eigenaar een op zichzelf staand belang heeft bij het vrij kunnen beschikken over haar eigendom, miskennen [partij A] dus dat hun verdere aanwezigheid in het pand wel degelijk de plannen van [partij B] compliceert.
Tot slot heeft [partij B] en indirect ook Monoma – door de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (zie 1.2) – een groot financieel belang bij de handhaving van de ontruimingstermijn van het vonnis. Zij moeten namelijk de kosten voor het in stand houden van de nutsvoorzieningen voldoen, zolang [partij A] in het pand verblijven. [partij B] en Monoma hebben (onweersproken) toegelicht dat deze kosten inmiddels zijn opgelopen tot € 180.000,00. Het uitstellen van de ontruiming zou hen dus op verdere kosten jagen.
4.8.
[partij B], en in het verlengde daarvan ook Monoma, heeft dus verschillende zwaarwegende belangen bij de tenuitvoerlegging van het vonnis en de ontruiming van het pand per 1 september 2026. Gelet op deze belangen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van [partij A] bij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis niet zwaarder wegen dan de belangen van [partij B] bij de tenuitvoerlegging daarvan. Daarbij weegt de voorzieningenrechter nog mee dat aan de belangen van [partij A] deels tegemoet is gekomen doordat zij ruim de tijd hebben gehad om op zoek te gaan naar alternatieve huisvesting. Vanaf het moment dat Monoma de overeenkomsten met [partij A] bij brief tegen 9 oktober 2023 had opgezegd, hadden [partij A] er al rekening mee kunnen houden dat zij op enig moment het pand zouden moeten verlaten. En dat geldt al helemaal na de uitspraak van de rechtbank van 6 mei 2026, waarin het verweer van [partij A] dat de overeenkomsten niet rechtsgeldig waren opgezegd, werd verworpen en zij veroordeeld werden om het pand te ontruimen. In die uitspraak is hen bovendien ook nog eens een ruimere ontruimingstermijn gegeven dan door [partij B] was gevorderd. [partij A] hebben dan ook veel tijd gehad om op zoek te gaan naar een nieuwe woning.
4.9.
Dit alles maakt dat de voorzieningenrechter de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat op het hoger beroep is beslist, of tot enig eerder gelegen moment, zal afwijzen. Nu de voorzieningenrechter niet tot schorsing overgaat, is niet aan de door [partij A] geformuleerde voorwaarden voor het II. tot en met V. gevorderde voldaan, zodat de voorzieningenrechter ook deze vorderingen zal afwijzen.
De proceskosten in het incident
4.10.
Op de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter nog geen beslissing genomen op de proceskosten in het incident. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om, zoals door Monoma is gevorderd, [partij A] in de proceskosten van het incident te veroordelen. Geen van partijen kan als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De proceskosten in de hoofdzaak
4.11.
In de hoofdzaak worden [partij A] in het ongelijk worden gesteld. Daarom worden zij in de proceskosten (inclusief de nakosten) van [partij B] veroordeeld. Voor zover Monoma heeft verzocht [partij A] ook in haar proceskosten te veroordelen, zal de voorzieningenrechter dat afwijzen. Monoma is immers niet onvrijwillig in de procedure betrokken, aangezien zij zelf om voeging heeft verzocht, en zij heeft ook geen eigen vordering ingesteld. De proceskosten van [partij B] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
1.177,00
- griffierecht
€
735,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
4.12.
De door [partij B] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal de voorzieningenrechter eveneens toewijzen zoals in de beslissing vermeld.
4.13.
De proceskostenveroordeling zal overeenkomstig vaste jurisprudentie hoofdelijk worden uitgesproken. Dat betekent dat [partij B] zowel [partij A1], [partij A2] en [partij A3] kan dwingen het gehele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
in het incident
5.1.
staat Monoma toe zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van [partij B];
5.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
5.3.
wijst de vorderingen af;
5.4.
veroordeelt [partij A] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [partij A] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna is betekend;
5.5.
veroordeelt [partij A] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.6.
verklaart 5.4. en 5.5. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026.
Rechtbank Oost-Brabant 3 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5475.
Rechtbank Overijssel 6 mei 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2492
Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942.
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/348504 / KG ZA 26-133
Vonnis in kort geding van 28 augustus 2026
in de zaak van
1
[partij A1],
uit [woonplaats 1],
advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool,
2. [partij A2],
3. [partij A3],
beiden uit [woonplaats 2],
advocaat: mr. E. Prins,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [partij A],
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[partij B] B.V.,
uit [vestigingsplaats],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. B.M.B. Gruppen,
met als voegende partij aan de zijde van [partij B]:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MONOMA NEDERLAND B.V.,
uit Eindhoven,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: Monoma,
advocaat: mr. M.W.R. Hoogstraten.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 8 juli 2026;
de incidentele conclusie houdende vordering tot tussenkomst subsidiair voeging tevens houdende conclusie van antwoord met productie 1 van Monoma;
de incidentele conclusie van antwoord naar aanleiding van een vordering tot tussenkomst subsidiair voeging van [partij B];
de productie 1 (deel a, b en c) van [partij A];
de akte overlegging producties 1 t/m 10 van [partij B];
de akte overlegging producties 1 t/m 8, tevens akte vermeerdering eis en voorwaardelijke reconventionele vordering in de incidentele vordering tot tussenkomst/voeging en tevens houdende conclusie van antwoord van [partij A];
de productie 11 van [partij B];
de voorwaardelijke nadere schriftelijke uitlating inzake de akte vermeerdering van eis en voorwaardelijke reconventionele vordering van Monoma;
de complete productie 3 van [partij B];
de producties 9-12 van [partij A];
de mondelinge behandeling van 17 augustus, waar mr. Gruppen en mr. Schuckink Kool spreekaantekeningen hebben overgelegd en voorgedragen en waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er verder is besproken.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft op de mondelinge behandeling vastgesteld dat [partij B] geen bezwaar heeft tegen toewijzing van het incident van Monoma tot primair tussenkomst en subsidiair voeging. Op de mondelinge behandeling hebben [partij A] verklaard evenmin bezwaar te hebben. De voorzieningenrechter heeft daarop overwogen dat Monoma, gelet op het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 3 september 2025 waarin zij, kort gezegd, is veroordeeld tot vergoeding van de kosten voor de nutsvoorzieningen voor het pand aan de [partij B] vanaf 16 oktober 2023 tot de datum van ontruiming, een belang heeft bij de uitkomst van dit tussen [partij A] en [partij B] aanhangig kort geding. Omdat Monoma geen eigen vordering heeft ingesteld en haar belang ook verder gelijk lijkt te lopen aan het belang van [partij B] tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] in de hoofdzaak, heeft de voorzieningenrechter de primaire incidentele vordering tot tussenkomst afgewezen en de subsidiaire vordering tot voeging toegewezen. Met deze beslissing wordt Monoma geacht zich te hebben gevoegd aan de zijde van [partij B]. De voeging is ook tot uitdrukking gebracht in de kop en in het dictum van dit vonnis.
1.3.
[partij A] hebben de vrijdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling een eiswijziging aangekondigd en deze ter zitting ingediend. Alleen Monoma – en dus niet ook [partij B] – heeft daartegen formeel bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter heeft op de mondelinge behandeling beslist de eiswijzing van [partij A] toe te staan. Vast is gesteld dat [partij B] en Monoma voldoende mogelijkheid hebben gehad zich op de eiswijziging voor te bereiden en dit ook feitelijk gedaan hebben door hun verweer daartegen al op voorhand in de vorm van een schriftelijke reactie of door middel van spreekaantekeningen te formuleren, zodat het beginsel van hoor en wederhoor in acht is genomen.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft vervolgens vastgesteld dat de producties 11 en de nieuwe (complete) versie van productie 3 van [partij B], de voorwaardelijke nadere schriftelijke uitlating van Monoma en producties 9-12 van [partij A] niet binnen 24 uur (één werkdag) vóór de mondelinge behandeling zijn ingediend, zoals het procesreglement voorschrijft. [partij A] hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen toelating van productie 3 van [partij B]. Evenmin is van enig bezwaar daartegen aan de zijde van Monoma gebleken, zodat de voorzieningenrechter tot toelating is overgegaan en productie 3 heeft toegevoegd aan het procesdossier. Productie 11 van [partij B] is eveneens aan het procesdossier toegevoegd. Aan het bezwaar van [partij A] dat zij vanwege het late tijdstip van indiening onvoldoende tijd heeft gehad om de juistheid van de in productie 11 genoemde tijdlijn te (laten) onderzoeken, is de voorzieningenrechter voorbijgegaan, aangezien de productie maar enkele uren te laat is ingediend en het geen omvangrijk stuk betreft. Bovendien hebben [partij A] voor een deel al hun reactie daarop gegeven door het overleggen van producties 9-12. Tegen toewijzing van producties 9-12 van [partij A] hebben [partij B] en Monoma bezwaar gemaakt. Zij hebben aangegeven nog geen kennis te hebben genomen van deze producties, maar aangezien ook deze stukken niet omvangrijk zijn en een reactie vormen op de door [partij B] overlegde tijdlijn (productie 11), heeft de voorzieningenrechter in het belang van de goede procesorde ook deze toegestaan. Wel heeft de voorziengingenrechter [partij B] en Monoma in de gelegenheid gesteld om tijdens een leespauze kennis te nemen van de inhoud van de producties 9-12. Tot slot heeft de voorzieningenrechter ook de schriftelijke uitlating van Monoma op de aangekondigde eiswijziging toegelaten. Monoma had anders ook op de mondelinge behandeling haar reactie op de eiswijziging mogen geven. Ook is Monoma aan de bezwaren van [partij A], die aangaven dat zij nog geen kennis hadden kunnen nemen van de reactie van Monoma, tegemoetgekomen door een samenvatting daarvan te geven. Tot slot zijn [partij A] tijdens de mondelinge behandeling nog in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
1.5.
Ten slotte is bepaald dat de voorzieningenrechter vandaag uitspraak zal doen.
2De feiten
2.1.
Bij vonnis van 6 mei 2026 zijn [partij A] veroordeeld tot ontruiming van het kantoorpand aan de [adres 1], [adres 2], [adres 3] en [adres 4] (hierna: het pand), waarbij de ontruimingstermijn is gekoppeld aan de bewoners met wie [partij B] in die procedure een regeling heeft getroffen, maar waarbij ontruiming in ieder geval uiterlijk 1 september 2026 moet plaatsvinden (hierna: het vonnis). Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.2.
[partij A] hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
3Het geschil
3.1.
[partij A] vorderen, na eiswijziging, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de voorzieningenrechter:
I. de tenuitvoerlegging van het vonnis schorst totdat het hof in het daartegen ingestelde hoger beroep eindarrest heeft gewezen;
II. voor het geval en voor de duur dat dat [partij A] op grond van dit vonnis in het pand mogen blijven, [partij B] te veroordelen binnen 24 uur na betekening te zorgen voor behoorlijk en adequaat beheer, waaronder in ieder geval:
a. adequaat toegangsbeheer en het tegengaan van toegang door onbevoegde derden,
b. optreden tegen onbevoegde personen, overlast, vernielingen en gevaarlijke situaties,
c. beschikbaar houden van een bereikbaar beheer- en calamiteitencontact,
d. veilig en toegankelijk houden van ingangen, gangen, trappenhuizen en gemeenschappelijke gedeelten,
e. noodzakelijk herstel aan gemeenschappelijke gedeelten en toegangsvoorzieningen,
f. instandhouding van de voor normale bewoning noodzakelijke nutsvoorzieningen en verwarming,
g. adequate afvalvoorzieningen en afvalafvoer,
h. alle overige reguliere beheerstaken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor veilig en ongestoord gebruik van het pand;
III. [partij B] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 600,00 per dag of deel daarvan als zij nalaat aan het onder II. te voldoen, met een maximum van € 90.000,00;
IV. voorwaardelijk, uitsluitend indien Monoma als tussenkomende partij wordt toegelaten en uitsluitend indien zowel de vordering onder I. wordt toegewezen als de vordering onder II. geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen: Monoma te veroordelen om, voor zover [partij B] niet reeds tot dezelfde werkzaamheden is veroordeeld, binnen 24 uur de hiervoor onder II. sub a tot en met h omschreven beheerstaken te hervatten en gedurende het verblijf van [partij A] voort te zetten;
V. Monoma, indien de onder IV. bedoelde voorwaarden zijn vervuld, te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 600,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij nalaat aan die veroordeling te voldoen, met een maximum van € 90.000,00;
VI. [partij B] en Monoma te voordelen in de proceskosten en nakosten, en Monoma, indien en voor zover de voorwaardelijke vordering tegen haar tot beoordeling komt en wordt toegewezen, in de daarop betrekking hebbende proceskosten.
3.2.
[partij A] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. Zij stellen allereerst dat de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst moet worden tot op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist. Volgens hen is er sprake van een kennelijke misslag omdat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij in hun woningen in het pand verbleven op grond van huurovereenkomsten, en niet uit hoofde van bruikleenovereenkomsten. Ook hebben [partij A] aangevoerd dat hun belang bij het behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hen ingestelde rechtsmiddel is beslist zwaarder weegt dan het belang van [partij B] en Monoma bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis. Verder hebben zij aan hun (voorwaardelijke) vorderingen ten grondslag gelegd dat als de voorzieningenrechter overgaat tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis [partij B], dan wel Monoma, gehouden is beheerstaken op zich te nemen op grond van de tussen hen bestaande huurovereenkomsten, natuurlijke verbintenissen, dan wel de redelijkheid en billijkheid.
3.3.
[partij B] voert verweer en verzoekt de voorzieningenrechter de vorderingen af te wijzen en [partij A] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Zij betwist dat er sprake is van een kennelijke misslag of een belang van de zijde van [partij A] dat zwaarder zou wegen dan haar eigen belang bij een onmiddellijke tenuitvoerlegging van het vonnis. Ook zou er voor [partij B] geen (juridische) grondslag bestaan op grond waarvan zij verplicht is om de gevorderde beheerstaken op zich te nemen.
3.4.
Monoma steunt [partij B] in haar verweer en vraagt de voorzieningenrechter [partij A] te veroordelen in de kosten van het incident en de hoofdzaak.
3.5.
De voorzieningenrechter gaat hierna, voor zover dat nodig is voor de beslissing, verder in op de stellingen van partijen.
4De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1.
Het spoedeisend belang van [partij A] wordt niet betwist en is in een executiegeschil zoals deze een gegeven. De aan [partij A] verleende ontruimingstermijn loopt immers al op 1 september 2026 af. [partij A] zijn dan ook ontvankelijk in hun vordering.
De maatstaf voor de schorsing van de tenuitvoerlegging
4.2.
[partij A] vorderen ten eerste schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad heeft als uitgangspunt te gelden dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidsstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking hiervan kan gerechtvaardigd worden door omstandigheden die meebrengen dat het belang van degene die de tenuitvoerlegging van het vonnis wil schorsen bij het behoud van de bestaande situatie tot er in hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de tenuitvoerlegging van het vonnis wil voortzetten.
4.3.
In kort geding moet bij de toepassing van deze maatstaf worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen en blijft de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing. De rechter kan daarbij echter wel boordelen of de ten uitvoer te leggen beslissingen berusten op een kennelijk misslag.
4.4.
Verder geldt voor afwijking van het bovengenoemde uitgangspunt dat als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in het ten uitvoer te leggen vonnis is gemotiveerd en er geen sprake is van een kennelijke misslag, er feiten en omstandigheden zullen moeten worden aangevoerd die zich ná het vonnis hebben voorgedaan of aan het licht zijn gekomen waardoor deze niet konden worden meegenomen in de beslissing. De nieuwe feiten en omstandigheden moeten rechtvaardigen dat de tenuitvoerlegging van het vonnis niet kan worden aanvaard.
Er is geen sprake van een kennelijke misslag
4.5.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in het vonnis de uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring niet is gemotiveerd. Het standpunt van [partij A] dat sprake is van een kennelijke misslag en dat reeds daarom de tenuitvoerlegging moet worden geschorst, volgt de voorzieningenrechter niet. Het moet bij een kennelijke misslag, van feitelijke of juridische aard, om een zo evidente vergissing in het recht of de feiten gaan, dat daarover geen redelijke twijfel bestaat. [partij A] hebben aangevoerd dat de misslag ziet op het oordeel van de rechtbank in het vonnis dat de overeenkomsten tussen [partij A] en Monoma als bruikleenovereenkomsten moeten worden aangemerkt. Dit oordeel over de kwalificatie van de overeenkomsten is echter – ondanks de kritiek van [partij A] daarop – geen evidente vergissing, in die zin dat daarover redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is. Dat er sprake is van een andere (juridische of feitelijke) vergissing die ertoe leidt dat er sprake is van een misslag, hebben [partij A] niet gesteld en is ook niet gebleken. Er is dus geen sprake van een kennelijke misslag.
De belangenafweging valt niet uit in het voordeel van [partij A]
4.6.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat [partij A] een evident belang hebben bij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis omdat zij daarmee een woning behouden in de plaats waar hun leven zich afspeelt en zij geworteld zijn. Te meer nu vast staat dat het in de huidige woningmarkt lastig is geschikte, vervangende woonruimte te vinden en een eenmaal in gang gezette ontruiming moeilijk ongedaan gemaakt kan worden.
4.7.
Daartegenover staan echter de belangen van [partij B]. Dat is in de eerste plaats om ongestoord gebruik te kunnen maken van haar eigendom, namelijk het pand waar [partij A] zich momenteel zonder recht of titel bevinden. Dat belang wordt nog eens verstrekt door het feit dat [partij B] voornemens is om in de nabije toekomst het gebied waar het pand zich bevindt, te herontwikkelen. [partij B] heeft aan de hand van productie 11 aangevoerd dat zij van plan is om al in september van dit jaar te starten met de voorbereidingen van de sloopwerkzaamheden. De daadwerkelijke sloop zal vervolgens in oktober beginnen en naar verwachting in het tweede kwartaal van 2027 zijn afgerond, aldus [partij B]. [partij A] hebben op hun beurt kanttekeningen geplaats bij de haalbaarheid van deze plannen en hebben bovendien herhaaldelijk verklaard hun volledige medewerking te zullen verlenen aan de voorbereidingen voor de sloop. Volgens [partij A] kunnen [partij B] hun plannen vooralsnog dus voortzetten terwijl [partij A] in het pand verblijven en is er geen noodzaak om het pand per 1 september 2026 al te ontruimen. Dat heeft [partij B] weersproken. Zo heeft [partij B] aangevoerd, zonder dat [partij A] hier iets tegenin gebracht hebben, dat financiers zich niet aan het ontwikkelingsplan willen committeren totdat het pand leeg is en ter vrije beschikking van [partij B] staat. Bij een latere ontruiming is dus verdere onzekerheid en mogelijk ook vertraging van de (her)ontwikkeling te verwachten. Daar komt bij dat [partij B] er tijdens de mondelinge behandeling op gewezen heeft dat zij het pand circulair wil slopen, wat betekent dat zij materialen wil verwijderen om te hergebruiken voor andere projecten. Hoe langer [partij A] in het pand verblijven, des te langer het duurt voordat dit materiaal ingezet kan worden voor andere projecten. Bovendien neemt dan het risico toe dat dit materiaal beschadigd raakt of verloren gaat. Zeker nu partijen het erover eens zijn dat zich momenteel ook andere onbevoegde personen in het pand ophouden, die schade aanrichten en voor onrust zorgen. Verder geldt dat zelfs als [partij A] gevolgd moeten worden in hun verklaring dat zij hun volledige medewerking zullen verlenen aan alle onderzoeken en voorbereidingshandelingen, [partij B] dan alsnog gehouden is om de werkzaamheden met drie extra partijen af te stemmen. Nog los van het feit dat [partij B] als eigenaar een op zichzelf staand belang heeft bij het vrij kunnen beschikken over haar eigendom, miskennen [partij A] dus dat hun verdere aanwezigheid in het pand wel degelijk de plannen van [partij B] compliceert.
Tot slot heeft [partij B] en indirect ook Monoma – door de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (zie 1.2) – een groot financieel belang bij de handhaving van de ontruimingstermijn van het vonnis. Zij moeten namelijk de kosten voor het in stand houden van de nutsvoorzieningen voldoen, zolang [partij A] in het pand verblijven. [partij B] en Monoma hebben (onweersproken) toegelicht dat deze kosten inmiddels zijn opgelopen tot € 180.000,00. Het uitstellen van de ontruiming zou hen dus op verdere kosten jagen.
4.8.
[partij B], en in het verlengde daarvan ook Monoma, heeft dus verschillende zwaarwegende belangen bij de tenuitvoerlegging van het vonnis en de ontruiming van het pand per 1 september 2026. Gelet op deze belangen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van [partij A] bij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis niet zwaarder wegen dan de belangen van [partij B] bij de tenuitvoerlegging daarvan. Daarbij weegt de voorzieningenrechter nog mee dat aan de belangen van [partij A] deels tegemoet is gekomen doordat zij ruim de tijd hebben gehad om op zoek te gaan naar alternatieve huisvesting. Vanaf het moment dat Monoma de overeenkomsten met [partij A] bij brief tegen 9 oktober 2023 had opgezegd, hadden [partij A] er al rekening mee kunnen houden dat zij op enig moment het pand zouden moeten verlaten. En dat geldt al helemaal na de uitspraak van de rechtbank van 6 mei 2026, waarin het verweer van [partij A] dat de overeenkomsten niet rechtsgeldig waren opgezegd, werd verworpen en zij veroordeeld werden om het pand te ontruimen. In die uitspraak is hen bovendien ook nog eens een ruimere ontruimingstermijn gegeven dan door [partij B] was gevorderd. [partij A] hebben dan ook veel tijd gehad om op zoek te gaan naar een nieuwe woning.
4.9.
Dit alles maakt dat de voorzieningenrechter de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat op het hoger beroep is beslist, of tot enig eerder gelegen moment, zal afwijzen. Nu de voorzieningenrechter niet tot schorsing overgaat, is niet aan de door [partij A] geformuleerde voorwaarden voor het II. tot en met V. gevorderde voldaan, zodat de voorzieningenrechter ook deze vorderingen zal afwijzen.
De proceskosten in het incident
4.10.
Op de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter nog geen beslissing genomen op de proceskosten in het incident. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om, zoals door Monoma is gevorderd, [partij A] in de proceskosten van het incident te veroordelen. Geen van partijen kan als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De proceskosten in de hoofdzaak
4.11.
In de hoofdzaak worden [partij A] in het ongelijk worden gesteld. Daarom worden zij in de proceskosten (inclusief de nakosten) van [partij B] veroordeeld. Voor zover Monoma heeft verzocht [partij A] ook in haar proceskosten te veroordelen, zal de voorzieningenrechter dat afwijzen. Monoma is immers niet onvrijwillig in de procedure betrokken, aangezien zij zelf om voeging heeft verzocht, en zij heeft ook geen eigen vordering ingesteld. De proceskosten van [partij B] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
1.177,00
- griffierecht
€
735,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
4.12.
De door [partij B] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal de voorzieningenrechter eveneens toewijzen zoals in de beslissing vermeld.
4.13.
De proceskostenveroordeling zal overeenkomstig vaste jurisprudentie hoofdelijk worden uitgesproken. Dat betekent dat [partij B] zowel [partij A1], [partij A2] en [partij A3] kan dwingen het gehele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
in het incident
5.1.
staat Monoma toe zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van [partij B];
5.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
5.3.
wijst de vorderingen af;
5.4.
veroordeelt [partij A] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [partij A] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna is betekend;
5.5.
veroordeelt [partij A] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.6.
verklaart 5.4. en 5.5. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026.
Rechtbank Oost-Brabant 3 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5475.
Rechtbank Overijssel 6 mei 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2492
Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942.