Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5221

2026-08-27 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ak_25_3729
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-08-27
Publicatiedatum
2026-08-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ak_25_3729
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WIA. Geen recht op WIA-uitkering. De rechtbank verwerpt de conclusie van de deskundige, dat de klachten van eiser niet objectiveerbaar zijn, nu die conclusie gelet op de geldende rechtspraak niet logisch volgt op de motivering van het deskundigenbericht. De klachten van eiser voldoen, gelet op de motivering van het deskundigenbericht en de door eiser overgelegde medische informatie, aan de voorwaarden voor medische objectiveerbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit om die reden wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb moet worden vernietigd en dat het UWV een nieuwe beoordeling moet maken van de beperkingen van eiser. Beroep gegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (32.259 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummer: ZWO 24/3729


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen




[eiser]
, uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. J.M.M. Pater),



en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),
(gemachtigde: [gemachtigde]).






1Inleiding


1.1.
Bij besluit van 20 november 2023 (primair besluit) heeft het UWV eiser meegedeeld dat hij met ingang van 5 december 2022 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).



1.2.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Met het bestreden besluit van
11 september 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.




1.3.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. K. Benchaïb, waarnemend kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van het UWV.



1.5.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek geschorst en Ergatis als deskundige ingeschakeld, waarbij [naam 1], verzekeringsarts en bedrijfsarts, als deskundige is opgetreden. Ergatis heeft een deskundigenrapport uitgebracht, gedateerd op 30 juli 2025, dat op 7 augustus 2025 door de rechtbank aan partijen is doorgestuurd. Het UWV heeft op
12 augustus op het deskundigenbericht gereageerd. Eiser heeft op 1 september 2025 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank een nadere toelichting aan de deskundige gevraagd. Tussentijds heeft eiser op 26 september 2025 een brief van de longarts ingediend. De deskundige heeft op 3 oktober 2025 een nadere toelichting gegeven. Op 21 oktober 2025 zijn de reacties van partijen op deze nadere toelichting door de rechtbank aan het dossier gevoegd.




1.6.
Partijen zijn vervolgens nog in de gelegenheid gesteld een nadere zitting te vragen. Eiser heeft vervolgens om een nadere zitting verzocht, die op 30 juli 2026 heeft plaatsgevonden. Aan deze zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.





2Beoordeling door de rechtbank



Het bestreden besluit



2.1.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de verzekeringsgeneeskundige rapportage geconcludeerd dat bij uitgebreid onderzoek door de sportarts, longarts en internist geen medisch objectiveerbare oorzaak gevonden is voor de door eiser ervaren klachten van moeheid. Met de beperkingen die aangenomen zijn in de FML van 26 september 2023 is dan ook in ruime mate rekening gehouden met de klachten van eiser. Nu er hooikoorts is vastgesteld, wordt aan de FML een beperking toegevoegd voor 'stof, rook gas en dampen (item 3.5)'. Door de longarts is aangegeven dat grassen waarschijnlijk de driver zijn.
Voor een urenbeperking bestaat geen aanleiding. Leidraad is de standaard 'Duurbelastbaarheid in Arbeid'. Er is geen sprake van energetische problematiek ten gevolge van ernstige hart- en longaandoeningen, systeemziekten, depressie, nieuwvormingen en dergelijke. Er is geen sprake van een beperkte beschikbaarheid vanwege behandeling. Er blijkt op geen enkel manier dat er sprake is van een situatie waarin eiser niet meer toe kan komen aan een privéleven, of waarin een reëel risico is op schade aan de gezondheid.
Uit de primaire verslaglegging blijkt dat procedureel en inhoudelijk volgens de regels is gewerkt.




Standpunt van eiser




2.2.

Eiser voert aan dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Hij kampt met (extreme) vermoeidheid en een (snel) oplopende hartslag bij inspanning. De inspanningstolerantie is sterk verlaagd. Het UWV neemt zonder verdere onderbouwing aan dat dit conditioneel van aard is. Eiser is echter altijd actief geweest naast zijn werk. Er is een VO2max van 31,5% vastgesteld. VO2max geeft de maximale zuurstofopname aan en hoewel dit percentage hoger wordt als de conditie beter is, is een gemiddeld percentage voor mannen tussen de 35 en 40 procent. Long Covid (of post-covid) is door het UWV niet onderzocht en wordt ook niet genoemd in de (medische) rapporten van het UWV. De vermoeidheid van eiser is toegenomen nadat hij enkele malen besmet is geraakt met Covid. Eiser heeft zich hiermee niet bij zijn huisarts gemeld, omdat dit destijds werd geadviseerd. In 2020 is eiser voor de eerste keer besmet met Covid. Daarvóór had eiser weliswaar wat fysieke problemen (waaronder hooikoorts), maar dit waren andere klachten dan de klachten van extreme vermoeidheid, het slecht kunnen hebben van prikkels, etc. Eiser is behandeld door de fysiotherapeut, maar hier heeft hij geen baat bij gehad. De sportarts kon hem evenmin verder helpen. Long Covid is lastig vast te stellen. Wel zijn er inmiddels (zeer recent) speciale poliklinieken ingericht waar mensen die mogelijk Long Covid hebben, terecht kunnen. De diagnose wordt gesteld op basis van de symptomen en de medische geschiedenis van de patiënt. Het is goed mogelijk dat eiser Long Covid heeft. De verzekeringsarts is er ten onrechte vanuit gegaan dat de klachten al voor de besmetting bestonden. Eiser is in eerste instantie door de huisarts doorgestuurd naar de Vermoeidheidskliniek in [plaats] (met een lange wachttijd) op een moment dat de Long Covid polikliniek nog niet was geopend. Eiser heeft een brief van 18 december 2024 van
dr. [naam 2], internist bij de Vermoeidheidskliniek in geding gebracht. Daarin wordt de diagnose PAIS (post-acuut infectieus syndroom)/deel post-covid gesteld.




2.3.

Daarnaast voert eiser aan dat hij meer beperkingen heeft dan het UWV heeft aangenomen. Hij is met name van mening dat een urenbeperking moet worden aangenomen tot 20 uur per week. In de informatie van de longarts wordt melding gemaakt van
kenmerken van BHR. De luchtwegen reageren overmatig op verschillende soorten
prikkels, waardoor er astmatische klachten kunnen bestaan. Deze bevindingen kunnen
eveneens passen bij klachten van eiser als ook bij ME of Long Covid dan wel een
andere oorzaak hebben. Het gegeven dat dit een medisch gediagnosticeerde bevinding
is van de longarts, zou tot de conclusie moeten leiden dat de problematiek van eiser
wel degelijk een medische oorzaak kent, dan wel dat er medische oorzaken aan ten
grondslag kunnen liggen die mogelijk nog verder uitgezocht moeten worden. Eiser
hoopt dat de Vermoeidheidskliniek hier, met hem, stappen in kan zetten. De verzekeringsarts kan niet zonder meer stellen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor astma en dat er geen relevante pulmonale pathologie als oorzaak van de klachten is. De longarts heeft slechts op één onderdeel gekeken, voor het overige zijn er geen onderzoeken gedaan. Er wordt een direct verband aangenomen tussen de hooikoorts en de klachten. Eiser heeft al heel lang hooikoorts. Het is niet aannemelijk dat dit nu ineens de extreme vermoeidheid en de overgevoeligheid voor prikkels tot gevolg heeft.




2.4.
Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat hij een hoger inkomen had dan waarvan is uitgegaan.



Standpunt van het UWV




2.5.
Volgens het UWV is het onderzoek in bezwaar zorgvuldig geweest. Er is informatie opgevraagd bij de medisch sector en er is nog een extra beperking toegevoegd waarmee in de primaire fase geen rekening was gehouden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep mist in de verkregen medische informatie van de longarts voldoende informatie om tot verdergaande beperkingen te komen. De informatie van sportarts en internist brengen hier ook geen verandering in.



Deskundigenbericht




2.6.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om een deskundige te raadplegen. De rechtbank heeft vervolgens Ergatis als deskundige benoemd om de volgende vragen te beantwoorden:



Kunnen de klachten van eiser worden herleid naar een medisch objectiveerbare oorzaak (ziekte of gebrek)? Kunt u bij uw antwoord de informatie die de verzekeringsartsen in hun onderzoek hebben betrokken meenemen, en in het bijzonder ook aandacht besteden aan de meest recent ingebrachte diagnose van de Vermoeidheidkliniek (post-acuut infectieus syndroom/deel Post Covid)?


In hoeverre is de door de verzekeringsartsen opgestelde FML, zoals die na de bezwaarprocedure is komen vast te staan, volgens u, gelet op uw antwoord op vraag 1, toereikend?




Op de eerste vraag heeft de deskundige het volgende geantwoord:

“Dit is maar beperkt het geval. Maar uitgaande van de bij betrokkene genoemde syndroom diagnoses Post Acuut infectieus syndroom (PAIS), Post Covid syndroom of chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) is het niet kunnen objectiveren van een onderliggende aandoening een voorwaarde om de diagnose te stellen. Zou er bijvoorbeeld longschade worden aangetoond dan zal het geen Post Covid syndrooom worden genoemd maar een objectieve longaandoening. Wordt bij moeheid bijvoorbeeld een trage schildklier of een bloedarmoede gezien dan is dat de diagnose en niet CVS. Bij longarts geen duidelijke oorzaak of objectieve afwijking behoudens rhinitis (verstopte neus) o.b.v. pollen/grasallergie. Bij de sportarts wel objectieve bevinding maar expliciet geduid als conditioneel. Na een langere periode van lagere activiteit is dit ook zonder meer te verwachten. Bij de vermoeidheidskliniek wordt diagnose gesteld op basis van anamnese


(het verhaal van betrokkene) en vragenlijsten wat als een vorm van anamnese is te beschouwen. Bij lichamelijk onderzoek en de NASA 10 minute lean test geen bijzonderheden. Dus de klachten kunnen zeker passen bij Post Covid syndroom, PAIS of CVS maar medisch objectieve oorzaak is problematisch.”




De rechtbank heeft vervolgens aanvullend het volgende gevraagd:

“U geeft in uw rapport in de conclusies aan dat de klachten van eiser kunnen passen bij Post Covid syndroom, PAIS of CVS, maar u concludeert, zo begrijpt de rechtbank, tegelijkertijd dat die klachten (toch) niet medisch zijn te objectiveren. De rechtbank verzoekt u nader toe te lichten waarom klachten die volgens u kennelijk wel in verband kunnen worden gebracht met Post Covid syndroom, PAIS of CVS, toch niet medisch objectiveerbaar zijn.”




Hierop heeft de deskundige het volgende geantwoord:

“Traditioneel zijn alleen te objectiveren ziektebeelden te verzekeren. Dus moeheid als gevolg van objectief hartfalen bijvoorbeeld. Hierbij is dan formeel het hartfalen te objectiveren, de moeheid kan je niet meten, maar hooguit de patiënt hiernaar vragen. Omdat het ook te begrijpen is dat de energie beperkt is bij hartfalen zal dit geen discussie opleveren. Moeheid zonder aantoonbare oorzaak berust dus slechts op wat de patiënt zelf hierover aangeeft zonder dat dit gemeten kan worden. Dit wordt wel getracht met vragenlijsten, al dan niet gevalideerd, maar dit blijft een vorm van wat de patiënt hier zelf over aangeeft. Bij mijn weten stond een verzekerde in het verleden dan vaak of altijd met lege handen, zowel in het publieke als private stelsel. Gezien de grote aantallen patiënten met vergelijkbare verhalen die niet te koppelen waren aan een meetbare afwijking ontstonden syndroom diagnoses als CVS (chronisch vermoeidheidssyndroom) WAD (whiplash associated disorder) of PAIS en Post Covid syndroom.





De verzekeringsgeneeskundige uitersten zijn of 1) bij gebrek aan objectieve bevindingen alle claims afwijzen, of 2) het andere uiterste: op basis van een anamnese die voldoet aan bepaalde kenmerken een uitkering toekennen. De eerste optie laat mensen met klachten die oprecht aanvoelen in de kou staan, de tweede optie geeft toegang tot een uitkering zonder een objectief te controleren onderbouwing.





In het publieke stelsel is met MAOC, het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium getracht een werkwijze te formuleren die ruimte geeft mits voldoende consistentie om beperkingen aan te nemen. Analoog is in private polissen en rechtspraak het begrip herkenbaar en benoembaar ziektebeeld geïntroduceerd (hier niet van toepassing maar dezelfde dynamiek en problematiek). In deze context is er bij betrokkene sprake van klachten die al jaren spelen, waarvoor hij hulp zoekt, in de informatie van behandelaars een consistent verhaal naar voren komt, passend bij wat ook (een deel van de) andere patiënten vertellen na doormaken van Covid of een andere acute infectie, c.q. met chronische vermoeidheid en ook passend bij hoe betrokkene nu zijn leven leeft. Echter objectief zijn er geen afwijkingen te constateren: de longen zijn goed, er is geen gasstofwisselingsstoornis, enz.





Vermoeidheid en prikkel gevoeligheid worden vaak beschreven bij long-covid (en andere syndromen) maar zekerheid over de aard van de onderliggende stoornis is er nog niet. In verlengde, er is dan ook niet met zekerheid bekend of, en welke belasting, aan ontstaan of toenemen van een onderliggende stoornis causaal zal bijdragen. Anderzijds blijkt vaak dat verminderen van de belasting of zelfs volledige absentie van (werk)belasting geen verbetering heeft gegeven.





Het verhaal wat betrokkene vertelt en hoe dit doorwerkt in zijn leven past bij beschreven syndroomdiagnoses maar een objectief meetbaar gegeven zoals bij hartfalen, bloedarmoede, trage schildklier, etc., etc., etc. ontbreekt. Maar dat is ook het wezen van syndroomdiagnoses. Anders spreek je ook bijvoorbeeld niet van chronisch vermoeidheidssyndroom maar van hartfalen.”





Standpunten van het UWV n.a.v. het deskundigenbericht




2.7.
Volgens het UWV onderschrijft het deskundigenbericht de conclusies van het bestreden besluit. In het verweerschrift van 22 juli 2026 wordt dit standpunt nogmaals herhaald.



Standpunten van eiser n.a.v. het deskundigenbericht




2.8.

Volgens eiser is er geen twijfel over de aanwezigheid van de klachten en de beperkingen die hij hiervan ondervindt. Er zijn ernstige vermoeidheidsklachten (en overige klachten) bij eiser waardoor hij niet in staat is te werken. Uit rechtspraak van de CRvB volgt dat de diagnose niet bepalend is voor de vraag of er sprake is van arbeidsongeschiktheid. Het gaat om de beperkingen van de belanghebbende en het UWV kijkt bij de beoordeling van het recht op een WIA-uitkering naar de beperkingen met een medisch objectiveerbare oorzaak. Door verschillende rechtbanken en de CRvB wordt erkend dat chronische vermoeidheid (ongeacht de oorzaak) lastig vast te stellen is en dus de medische objectiveerbaarheid eveneens lastig vast te stellen is. Juist in die zaken is een verklaring voor deze chronische vermoeidheid niet, of niet eenduidig, vast te stellen. De CRvB heeft voor die gevallen geoordeeld dat de verzekeringsarts een individuele beoordeling moet maken waarbij de ervaren belemmeringen worden getoetst op plausibiliteit en consistentie. Met andere woorden: kunnen de ervaren belemmeringen verklaard worden door de chronische vermoeidheid en leidt dit tot het aannemen van
beperkingen (ook als hier geen directe medische verklaring voor is)? Eiser wijst daarbij onder meer op een uitspraak van de rechtbank Rotterdam.




2.9.
Het UWV en de deskundige hebben onvoldoende beoordeeld of de belemmeringen en beperkingen van eiser voortkomen uit de chronische vermoeidheid waarvoor de exacte oorzaak (nog) niet is achterhaald maar waarover alle betrokkenen het eens zijn dat deze vermoeidheid aanwezig is en eiser beperkt. Het UWV (als ook de deskundige) hadden moeten motiveren waarom de klachten (vermoeidheid en energetische) geen aanleiding kunnen zijn voor een (verdergaande) urenbeperking. De toetsing (plausibiliteit en consistentie) blijkt niet uit de stukken van het UWV en de deskundige. Beperkingen die eiser ervaart worden door de deskundige wel aangenomen maar om de reden dat deze ‘beperkt medisch objectiveerbaar zijn’ wordt de conclusie getrokken dat de FML zoals door het UWV is opgesteld, correct is. Er is echter nagelaten de toetsing zoals deze door CRvB en diverse rechtbanken is voorgeschreven, te verrichten.



2.10.
Door de vraagstelling of er sprake is van een medisch objectiveerbare oorzaak wordt de deskundige in de beantwoording beperkt en kan deze zich niet/onvoldoende uitlaten over de reden dat de medische objectiveerbaarheid ontbreekt in gevallen van chronische vermoeidheid. De deskundige heeft zich niet geroepen gevoeld zich hierover uit te laten. Verder is onvoldoende rekening gehouden met de verschillende medische ziektebeelden die elkaar onderling kunnen versterken.



2.11.
Ten aanzien van het aanvullend rapport merkt eiser, samengevat, op dat het bericht blijk geeft van een mogelijkheid om ook bij niet objectiveerbare klachten die wel herkenbaar zijn en benoembaar bij een ziektebeeld, een toewijzing van de uitkering te realiseren. Het beeld van eiser past bij het ‘algemene’ beeld van CVS dan wel post-covid, is consistent en eiser heeft bij de vermoeidheidskliniek ook de diagnose post-covid gekregen. Dat de longen van eiser ‘goed’ zijn en er ook geen gasstofwisselingsstoornis, etc., aanwezig is, sluit niet uit dat er sprake is van een beeld passend bij CVS en/of post- covid.



2.12.
Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat het UWV niet consistent is bij het volgen/aannemen van de bevindingen naar aanleiding van de afgenomen anamneses. CVS/long-covid zijn relatief ‘nieuwe’ aandoeningen. Het kan en mag niet de bedoeling zijn dat het UWV wacht totdat long-covid ‘aantoonbaar’ is of dat er beslist wordt dat dit een bestaande aandoening is die dusdanige beperkingen met zich brengt dat een belanghebbende op basis hiervan recht kan hebben op, in dit geval, een WIA-uitkering.



2.13.
Het UWV gaat volgens eiser verder voorbij aan de eigen memo genaamd: ‘uniforme beoordeling duurzaamheid bij long covid/Post-COVID syndroom in het kader van de WIA’ (van 25 augustus 2025). De in deze memo genoemde uitspraken van de CRvB spreken voor zich. Er dient een deugdelijke motivering te worden gegeven door het UWV aangaande de duurzaamheid. Dat is in dit dossier volgens eiser niet gebeurd.



2.14.
Eiser heeft verder nog verzocht om het verweerschrift van het UWV niet toe te laten, nu deze minder dan tien dagen voor de zitting is ingediend.




Het oordeel van de rechtbank


Ten aanzien van het verweerschrift




2.15.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het verweerschrift van 22 juli 2026 van het UWV buiten beschouwing te laten. Het verweerschrift is beperkt in omvang en eiser heeft hier ter zitting afdoende op kunnen reageren.



Inhoudelijk




2.16.
Op basis van de rechtspraak van de CRvB kunnen over de relatie tussen het klachtenverhaal, waaronder vermoeidsklachten/energetische klachten, en een syndroomdiagnose (zoals post-covid of PAIS) de volgende conclusies worden getrokken:



bij het objectiveren is een consistent klachtenverhaal van belang;


objectief is aannemelijk en plausibel (en dus niet 100% zekerheid);


een diagnose waarbij de klachten passend zijn bij de diagnose is van belang;


het ontbreken van aggravatie bij de klachtenpresentatie is van belang;


het meewerken aan behandeling speelt ook een rol bij de beoordeling, ook als er geen duidelijk positief resultaat is;


een verminderde energetische belastbaarheid kan een reden zijn om een urenbeperking aannemelijk te achten.





2.17.
Op basis van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en ook die van de deskundige dat de door eiser ervaren klachten niet (voldoende) kunnen worden geobjectiveerd, te kort door de bocht is. De deskundige geeft in diens rapportage van 30 juli 2025 immers aan dat de klachten van eiser zeker kunnen passen bij post-covid syndroom, PAIS of CVS. In het aanvullende rapport wordt nog vermeld dat het verhaal dat eiser vertelt en hoe dit doorwerkt in zijn leven past bij beschreven syndroomdiagnoses, maar dat een objectief meetbaar gegeven zoals bij hartfalen, bloedarmoede, of een trage schildklier, ontbreekt. Nergens heeft de deskundige, noch de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gesteld dat sprake is van aggravatie van klachten, of dat eiser in zijn verhaal niet consistent zou zijn. In tegendeel, de deskundige geeft zelfs aan dat er bij eiser sprake is van klachten die al jaren spelen, waarbij uit de informatie van behandelaars een consistent verhaal naar voren komt, passend bij wat ook (een deel van de) andere patiënten vertellen na het doormaken van Covid of een andere acute infectie, c.q. met chronische vermoeidheid en ook passend bij hoe betrokkene nu zijn leven leeft. Daarnaast blijkt uit die rapportage verder expliciet dat eiser ook al jaren hulp zoekt voor de belemmeringen die hij ervaart.



2.18.
Aldus volgt uit de motivering van het deskundigenbericht juist dat de door eiser ervaren klachten wel te objectiveren zijn, nu:



zijn klachtenverhaal consistent is,


het klachtenverhaal ook passend is bij wat andere patiënten vertellen na doormaken van Covid of een andere acute infectie, c.q. met chronische vermoeidheid, en aldus, zo vult de rechtbank in, in zoverre aannemelijk en plausibel is,


er een diagnose is waarbij de klachten passend zijn, deze kan voor eiser onder meer worden gevonden in het bericht van de vermoeidheidskliniek van 18 december 2024, waarin de diagnoses PAIS en post-covid worden gesteld,


UWV noch de deskundige heeft gesteld dat sprake zou zijn van aggravatie, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat hiervan geen sprake is, en


eiser, ook blijkens het deskundigenbericht, steeds hulp heeft gezocht en daarmee dus meewerkt aan de behandeling van zijn klachten.




Dit betekent dat de rechtbank de conclusie van de deskundige, waarin wordt gesteld dat de klachten van eiser niet objectiveerbaar zijn, verwerpt, nu die conclusie gelet op voornoemde rechtspraak niet logisch volgt op de motivering van het deskundigenbericht. De deskundige is, kortgezegd, uitgegaan van een te beperkte uitleg van de medische objectiveerbaarheid zoals die volgt uit de rechtspraak van de CRvB. Gelet op het voornoemde kan ook de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen stand houden, nu ook deze in zijn beschouwing uit is gegaan van een te beperkte uitleg van de medische objectiveerbaarheid van de klachten van eiser.




2.19.
Aangezien de klachten van eiser verder, gelet op de motivering van het deskundigenbericht en de door eiser overgelegde medische informatie, voldoen aan de voorwaarden voor medische objectiveerbaarheid, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit om die reden moet worden vernietigd en dat het UWV een nieuwe beoordeling moet maken van de beperkingen van eiser. Daarbij moet het UWV ervan uitgaan dat het volledige klachtenverhaal van eiser, gelet op de diagnose PAIS/deel post-covid, medisch objectiveerbaar is en zal het UWV deze klachten dus moeten vertalen naar beperkingen. Gelet op het gegeven dat een verminderde energetische belastbaarheid reden kan zijn om een urenbeperking aannemelijk te achten, zal het UWV ook uitdrukkelijk de noodzaak voor een urenbeperking dienen te (her)overwegen.



2.20.
De rechtbank laat de beroepsgronden van eiser, voor zover die zien op de duurzaamheid, voor nu onbesproken. Eerst zal de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van hetgeen in deze uitspraak is overwogen de beperkingen van eiser op de datum in geding opnieuw moeten vaststellen waarna zo nodig (dat wil zeggen als de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt zou innemen dat eiser nog over benutbare mogelijkheden beschikt), de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep moet vaststellen wat de verdiencapaciteit van eiser is. Pas als daaruit volgt dat eiser meer dan 80% arbeidsongeschikt is, is de duurzaamheidsvraag relevant (met het oog op een eventuele IVA-uitkering). Bij die duurzaamheidsbeoordeling dient dan wel het memo ‘uniforme beoordeling duurzaamheid bij long covid/Post-COVID syndroom in het kader van de WIA’ in beginsel in acht te worden genomen, aangezien die memo als een vaste gedragslijn kan worden gekwalificeerd waaraan het UWV op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het rechtszekerheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel, in beginsel is gebonden, zodat het UWV daar niet ten nadele van eiser van mag afwijken.



2.21.

Aangezien het bestreden besluit reeds op voornoemde medische gronden moet worden vernietigd, behoeven de arbeidskundige gronden, waaronder die betreffende de hoogte van het maatmanloon, thans geen bespreking. Als gevolg van de vernietiging van het bestreden besluit op medische gronden, zal de bezwaarfase immers weer openvallen en ligt het eerst op de weg van het UWV om hier in het nieuw te nemen besluit een beslissing over te nemen.
3. Conclusie en gevolgen




3.1.
Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid van de Awb.



3.2.
De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat nader onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep nodig is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Het UWV moet opnieuw op het bezwaarschrift van eiser beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.



3.3.

Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,- per punt. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), heeft aan twee zittingen van de rechtbank deelgenomen (2 punten), een zienswijze op het rapport van de deskundige (0,5 punt) en een zienswijze op het aanvullende rapport van de deskundige (0,5 punt) ingediend. Voor de reiskosten van eiser in verband met het bijwonen van de zittingen, kent de rechtbank een bedrag van € 13,80 toe. Voor de reiskosten van eiser in verband met het gesprek met de deskundige kent de rechtbank een bedrag van € 7,70 toe. Daarbij gaat zij er vanuit dat het gesprek heeft plaatsgevonden in Zwolle, gelet op de dagtekening in Zwolle van het aanvullende deskundigenrapport en nu niet is aangegeven dat het gesprek op een andere locatie heeft plaatsgevonden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.757,50.
Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet het UWV deze vergoeding betalen aan de gemachtigde van eiser. Verder zijn er geen kosten gemaakt die volgens de wet voor vergoeding in aanmerking komen.







4Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 11 september 2024;
- draagt het UWV op binnen vier weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.757,50.


Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.



Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Centrale Raad van Beroep.


ECLI:NL:RBROT:2024:1139


Eiser stelt in de pleitnota deze bij de rechtbank in deze procedure te hebben ingediend op 8 juli 2026. De rechtbank heeft deze brief niet in het dossier kunnen terugvinden. De memo is evenwel te downloaden via: https://www.jimfaas.nl/publicaties/memo-uniforme-beoordeling-duurzaamheid-long-covid. Uit de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 november 2025 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal kan worden afgeleid dat dit memo inderdaad van het UWV afkomstig is, zie de brief van 3 november 2025, getiteld ‘Beantwoording Kamervragen van het lid Saris (Nieuw
Sociaal Contract) over het memo uniforme beoordeling duurzaamheid post-COVID (long covid)’, referentienummer 2025-0000241972, downloadbaar via: https://open.overheid.nl/documenten/e87d2f32-9379-4ed7-a7f4-585f547b9b99/file.


De rechtbank sluit zich hiervoor aan bij de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 11 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3977, r.o. 5.6, waarbij die rechtbank deze conclusies trekt op basis van de uitspraak van de CRvB van 28 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2459.


Dit volgt uit artikel 8:75, tweede lid, van de Awb.