Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5157

2026-08-12 Civiel recht C/08/297428 / HA ZA 23-208
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-23
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/08/297428 / HA ZA 23-208
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het gaat in deze zaak om een door de aannemer te realiseren verbouwing van een woning. Tussen partijen zijn diverse geschilpunten. In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat er sprake is van een overeenkomst op regiebasis. Verder heeft de rechtbank aanleiding gezien om zich te laten voorlichten door een deskundige. Hetgeen de opdracht-gever naar voren heeft gebracht tegen het deskundigenbericht geeft de rechtbank geen aanleiding om (delen van) het deskundigenbericht niet te volgen of om de deskundige om een nadere toelichting te vragen. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de omvang van de door de deskundige vastgestelde gebreken en de daarmee gepaard gaande herstelkosten en de vergoeding van de schade in verband met de uit het lood staande wand niet de opschorting van de betaling van de factuur van 2 november 2022, ook niet als ervan uitgegaan wordt dat de opdrachtgever niet het gehele factuurbedrag verschuldigd is. Dit betekent dat er sprake is van schuldeisers-verzuim aan de zijde van de opdrachtgever. Het schuldeisersverzuim staat in de weg aan toewijzing van het gevorderde in reconventie, zodat voor ontbinding van de overeenkomst geen plaats is. Ongedaanmakingsverbintenissen als gevolg van ontbinding doen zich niet voor. partij A dient een redelijke prijs voor het door BVS verrichte werk te betalen. De deskundige heeft die prijs becijferd, waarbij hij rekening gehouden heeft met kosten van herstel. Daarmee rekening houdend dient partij A nog een bedrag van € 35.629,01 op de in conventie aan de orde zijnde factuur te betalen. Nu de rechtbank de vordering in reconventie afwijst, slaagt ook het beroep van partij A op verrekening in conventie niet.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (68.936 tekens)
RECHTBANK Overijssel


Civiel recht



Zittingsplaats Almelo



Zaaknummer: C/08/297428 / HA ZA 23-208




Vonnis van 12 augustus 2026




in de zaak van




BVS BOUWBEGELEIDING EN PROJECTEN B.V.,
te Vriezenveen,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: BVS,
advocaat: mr. M.A. Schuring,



tegen





[partij A] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. N.E. Koelemaij.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 november 2024,
- het deskundigenbericht van ing. J.R.D. Visser (hierna ook: Visser of de deskundige) van 1 juli 2025,
- de advocaten van partijen hebben zich bij rolbericht d.d. 16 juli 2025 uitgelaten over de nota van de deskundige. Van de zijde van [partij A] is deze nota betwist, waarna de rechtbank partijen in de gelegenheid heeft gesteld te concluderen na deskundigenbericht,
- de conclusies na deskundigenbericht van beide partijen,
- het e-mailbericht van de griffie van de rechtbank van 16 oktober 2025 aan de deskundige en (de advocaten van) partijen, waarin de rechtbank heeft meegedeeld dat het bedrag van het voorschot kan worden uitbetaald aan de deskundige.



1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.





2Samenvatting


Het gaat in deze zaak om een door de aannemer te realiseren verbouwing van een woning.
Tussen partijen zijn diverse geschilpunten. In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat er sprake is van een overeenkomst op regiebasis. Verder heeft de rechtbank aanleiding gezien om zich te laten voorlichten door een deskundige. Hetgeen de opdracht-gever naar voren heeft gebracht tegen het deskundigenbericht geeft de rechtbank geen aanleiding om (delen van) het deskundigenbericht niet te volgen of om de deskundige om een nadere toelichting te vragen.
Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de omvang van de door de deskundige vastgestelde gebreken en de daarmee gepaard gaande herstelkosten en de vergoeding van de schade in verband met de uit het lood staande wand niet de opschorting van de betaling van de factuur van 2 november 2022, ook niet als ervan uitgegaan wordt dat de opdrachtgever niet het gehele factuurbedrag verschuldigd is. Dit betekent dat er sprake is van schuldeisers-verzuim aan de zijde van de opdrachtgever. Het schuldeisersverzuim staat in de weg aan toewijzing van het gevorderde in reconventie, zodat voor ontbinding van de overeenkomst geen plaats is. Ongedaanmakingsverbintenissen als gevolg van ontbinding doen zich niet voor. [partij A] dient een redelijke prijs voor het door BVS verrichte werk te betalen. De deskundige heeft die prijs becijferd, waarbij hij rekening gehouden heeft met kosten van herstel. Daarmee rekening houdend dient [partij A] nog een bedrag van € 35.629,01 op de in conventie aan de orde zijnde factuur te betalen. Nu de rechtbank de vordering in reconventie afwijst, slaagt ook het beroep van [partij A] op verrekening in conventie niet.





3Het geschil en de stand van zaken in deze procedure


3.1
Voor het geschil, de vorderingen van partijen en de beslissingen die al zijn genomen verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de tussenvonnissen in deze zaak van 14 februari 2024 en 27 november 2024. Heel kort samengevat gaat het in deze zaak om het volgende.



Het geschil





3.2
BVS heeft voor [partij A] werkzaamheden uitgevoerd in het kader van de verbouwing van de woning van [partij A] . [partij A] heeft een deel van de door BVS gestuurde facturen betaald. Op zeker moment ontstond er een discussie of er sprake is van een vaste aanneemsom of een overeenkomst op regiebasis en over de kwaliteit van het door BVS geleverde werk. Dat heeft uiteindelijk geleid tot een situatie dat [partij A] gestopt is met betalen aan BVS en dat BVS geen werkzaamheden meer heeft uitgevoerd omdat [partij A] weigerde te betalen.



De vorderingen van partijen





3.3
BVS vordert in conventie betaling van een factuur van € 54.574,59 (inclusief btw) die op of omstreeks 2 november 2022 aan [partij A] is gestuurd, te vermeerderen met wettelijke rente en (buitengerechtelijke) kosten.



3.4
Het gevorderde in reconventie door [partij A] ziet op, samengevat, het geven van een verklaring voor recht dat BVS haar verplichtingen uit overeenkomst niet nagekomen is, dat BVS de door [partij A] geleden schade dient te vergoeden, ook ter zake van gederfd woongenot, en dat [partij A] BVS € 175.000,00 teveel betaald heeft, op het betalen van schadevergoeding aan [partij A] , bestaande uit herstelkosten, kosten voor het afmaken van het werk, misgelopen subsidies en expertisekosten alsmede op het voor zover nodig ontbinden, althans ontbonden verklaren van de overeenkomst tussen partijen.



Stand van zaken





3.4.
In het tussenvonnis van 14 februari 2024 heeft de rechtbank enkele bindende eindbeslissingen genomen. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat - kort gezegd - er tussen partijen een overeenkomst op regiebasis tot stand is gekomen, dat uit de tussen partijen in november 2022 gevoerde e-mailcorrespondentie voor BVS voldoende duidelijk was dat [partij A] (ook) zijn betalingsverplichting opschortte omdat hij niet tevreden was over de kwaliteit van de uitgevoerde werkzaamheden door BVS, dat BVS dat ook zo heeft opgevat en dat onder die omstandigheden van de mededelingsplicht als omschreven in het vonnis van 14 februari 2024 en de daarbij vermelde arresten van de Hoge Raad naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is. Daarnaast heeft de rechtbank beslist dat zij de vordering van [partij A] ter zake het mislopen van subsidie(s) zou afwijzen. Ook heeft de rechtbank overwogen dat zij het voornemen heeft om een onafhankelijke deskundige te raadplegen om onderzoek te verrichten, zodat zij zich (onder meer) een oordeel kan vormen over de vraag of er al dan niet sprake is van tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en of het beroep op opschorting door [partij A] al dan niet gerechtvaardigd is. De deskundige diende daarnaast het door BVS verrichte werk te waarderen en (zo nodig) herstelkosten te becijferen. Verder heeft de rechtbank [partij A] toegelaten tot bewijslevering op een onderdeel, te weten de door hem gestelde afspraak tussen partijen dat de doorgang op de overloop 90 cm breed zou zijn.



3.5
In het tussenvonnis van 27 november 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is om terug te komen op die hierboven omschreven eindbeslissing over de opschorting door [partij A] . Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat [partij A] niet geslaagd is in het hem opgedragen bewijs en dat niet kan worden geconcludeerd dat de doorgang, zoals door BVS uitgevoerd, kan worden aangemerkt als een gebrek. Verder heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen en Visser als deskundige benoemd.





4Het deskundigenbericht


4.1
De deskundige heeft op 1 juli 2025 zijn definitieve rapport toegestuurd aan de rechtbank. In zijn rapport heeft de deskundige de hieronder vermelde vragen van de rechtbank - voor zover van belang - als volgt beantwoord:

1. Zijn de daken en de dakgoten op een juiste wijze aangebracht? Bij de beantwoording van de vraag wordt u verzocht specifiek aandacht te schenken aan de aansluitdetails, gotendetails en de opvullingen. Klopt er dat er een dakpan in het Strikolith is aangebracht?


Aan de daken en de dakgoten zijn geen gebreken geconstateerd. Aan de achterzijde van de woning is ter plaatse van de aansluiting met de overkapping een dakpan in het gevelstucwerk opgenomen. (…) Dit is aan te merken als een gebrek waarvoor BVS


verantwoordelijk is.


2. Is het stucwerk aan de buitenzijde op de juiste wijze uitgevoerd?

Het buitenstucwerk voldoet aan de eisen die daaraan kunnen worden gesteld. BVS is wel in gebreke bij de aansluiting van het buitenstucwerk met de bovendorpel van het kozijn in de voorgevel. Deze aansluiting dient door of voor rekening van BVS te worden hersteld. (…).

3. Zijn de wandcontactdozen goed en deugdelijk geplaatst door de installateur? Is er sprake van tochtdoorlating en, zo ja, wat is hiervan de oorzaak?

Er is geen bouwkundig gebrek aangetroffen bij de geplaatste wandcontactdoos. Er is wel een verschil in temperatuur gemeten tussen wandcontactdoos en de omliggende constructie. Dit kan de aanleiding zijn voor luchtstroming door natuurlijke trek.

4. Is de aansluiting van de kozijnen op de gevel op een juiste wijze aangebracht?

De aansluiting van de buitenkozijnen op de gevel is correct uitgevoerd.

5. Zijn de door BVS verrichte werkzaamheden in de hal, inclusief de uitbouw en het trappenhuis, goed en deugdelijke verricht?


Het stucwerk van het plafond aan de onderzijde van de overloop ter plaatse van de


taatsdeuren is niet vlak. (…) Het verloop van het plafond is met een waterpas gemeten en blijkt over een lengte van ca. 1 m 1,5 cm te wijken. Dit gebrek is BVS aan te rekenen en zal moeten worden hersteld. In de hal, uitbouw en trappenhuis is verder


sprake van werkzaamheden die niet zijn afgerond. Daarnaast is er sprake van krimp- en zettingsscheuren. Deze scheurvorming is BVS niet te verwijten.


6. Is het stucwerk in de woonkamer en keuken op de juiste wijze uitgevoerd? Wilt u bij de

beantwoording van deze vraag ook aandacht schenken aan de wijze waarop de dagkant van het kozijn al dan niet is afgewerkt? Mocht er in uw ogen sprake zijn van een of meerdere gebreken in hoeverre is de reeds (niet door BVS) geplaatste uitbouw, waarvan door BVS wordt gesteld dat deze uit het lood is geplaatst op de bestaande hoofdbouw, de oorzaak van?

Het stucwerk van de wand onder het kozijn van keuken is niet vlak maar de afwijking valt binnen de norm. De voorzetwand in de keuken ter plaatse van de achtergevel staat uit het lood. Over een hoogte van 2 ml is een afwijking gemeten van 1,5 tot 2,0 cm. De gemeten afwijking overschrijdt de vlakheidscriteria. Het uit het lood staan van deze voorzetwand is BVS te verwijten. Er zijn diverse nog niet afgeronde werkzaamheden geconstateerd. Het gaat daarbij om aftimmerwerkzaamheden rond kozijnen en het aanbrengen van een vensterbank. Daarnaast is er sprake van krimp- en zettings-scheuren. Deze scheurvorming is BVS niet te verwijten.


7. Is de verdiepingstrap conform het (destijds geldende) Bouwbesluit? Is de maatvoering van de trap juist? Is de trap beschadigd en/of niet correct afgewerkt? In hoeverre is er sprake van gebrekkig onderhoud?

De verdiepingstrap is niet conform het Bouwbesluit 2012. Er ontbreekt een balustrade of traphek aan de open zijde van de trap. Er is daarmee niet voldaan aan de eisen die aan valbeveiliging worden gesteld. De keuze voor de traptreden is door [partij A] c.s. gemaakt. Er zijn met uitzondering van de verkleuring door slijtage geen beschadigingen geconstateerd. De traptreden zijn niet voorzien van slijtstrippen en er is geen slijtvaste afwerking aangebracht. Er is sprake van normale verkleuring en slijtage bij de keuze voor dit type traptreden.

8. Zijn de werkzaamheden met betrekking tot de kozijnen, deuren en het stucwerk in de hal correct uitgevoerd?

Zie beantwoording van vraag 5.

9. Zijn de werkzaamheden op de tweede verdieping op een juiste wijze uitgevoerd?


In de drie slaapkamers zijn er diverse aftimmerwerkzaamheden nog niet uitgevoerd. Rond de buitenkozijnen ontbreken de aftimmerlijsten en aan de onderzijde ontbreken de vensterbanken. In slaapkamer 1 ontbreekt het luik in het knieschot dat toegang geeft tot de airco in de woonkamer. In de slaapkamers is verder lichte scheurvorming aangetroffen. Deze scheurvorming is niet als gebrek aan te merken en is BVS niet te verwijten. In slaapkamer 3 is de scheidingswand tussen het slaapgedeelte en de inloopkast is niet volledig vlak. (…) De vlakheid is ter plaatse gecontroleerd en gemeten en valt binnen de vlakheidscriteria.


In paragraaf 7.1.4. is een inventarisatie gemaakt van de vermeende gebreken op de overloop en ter plaatse van de balustrade. Er is een geringe kiervorming, ca. 10cm. in de scanafwerking geconstateerd. (…) Verder is er een lichte beschadiging geconstateerd van de zwarte omranding van de hardglazen balustrade. (…) Beide beschadigingen zijn BVS te verwijten.


Het uit het lood staan van de bouwkundige wand die haaks staat op de hardglazen balustrade is ter plaatse gemeten. (…) Er is een scheefstand geconstateerd van 20 mm over 50 een lengte van 2 m. De gemeten afwijking overschrijdt de vlakheidscriteria. Het uit het lood staan van deze gemetselde en gestukadoorde wand is BVS te verwijten.


10. Is de vloer in de badkamer op een juiste wijze gestort? Indien er sprake is van een of

meerdere gebreken, in hoeverre vindt dat haar oorzaak in het al dan niet op de verkeerde hoogte aanbrengen van de drain door de installateur?

De inloopdouche op de verdieping is in gebruik en daar is geen gebrek geconstateerd. De positionering van de draingoot op de begane grond is door de heer [naam 1] toegelicht. Voor de beoordeling van de juiste hoogte moet de rvs-afdekkap worden omgedraaid. Hierdoor ontstaat een rvs profiel met opstaande randen waarin de vloertegel kan worden aangebracht. De hoogte waarop de vloertegel in de goot kan worden aangebracht is dan dezelfde als het omliggende tegelwerk. De conclusie is derhalve dat de draingoot op een juiste wijze is aangebracht.


11. Wilt u bij de beantwoording van de vragen zo nodig aandacht schenken aan de vraag in

hoeverre er sprake is van een gebrek of niet afgeronde werkzaamheden?

In paragraaf 7.2.11 is een overzicht opgenomen van gebreken en van niet afgeronde


werkzaamheden.


12. Kunt u vaststellen of een derde na het staken van de werkzaamheden door BVS

werkzaamheden verricht heeft aan de hiervoor bij de vragen 1 tot en met 10 genoemde
onderdelen?

Er zijn enkele werkzaamheden uitgevoerd door de fa. [naam 2] die betrekking hebben op


onderdelen van de vragen 1 t/m 10.


13. Zo u kunt vast kunt stellen dat een derde aan een of meer onderdelen werk uitgevoerd heeft, kunt u dan bepalen welk werk BVS en welk werk de derde aan de desbetreffende onderdelen verricht heeft?

Door de inbreng van zowel van [partij A] c.s. als van de heer [naam 1] , tijdens de bijeenkomst ter plaatse, is er voldoende duidelijkheid verkregen over het onderscheid van de werkzaamheden van BVS en van de fa. [naam 2] . Voor zover het de onderdelen van de vragen 1 tot en met 10 betreft. Het gaat daarbij om de werkzaamheden aan de badkamervloer van de verdieping en het aanbrengen van de waterslagen en muurafdekkers ter plaatse van het buitenstucwerk.


14Kunt u, indien u het bij vraag 13 genoemde onderscheid kunt maken, aangeven hoe het werk van de derde geldelijk te waarderen is?


Van de zijde van [partij A] zijn in totaal 9 facturen ontvangen die betrekking hebben op de door de fa. [naam 2] uitgevoerde werkzaamheden. Uit de bestudering van de facturen is niet duidelijk geworden welke deel van de werkzaamheden betrekking heeft op de onderdelen van de vragen 1 tot en met 10.

Het antwoord op vraag 14 kan om deze reden niet worden gegeven.

15. Kunt u, indien u vaststelt dat het werkzaamheden betreft die niet afgerond zijn dan wel

gebreken vertonen en u tevens vaststelt dat een derde werkzaamheden verricht heeft en u een onderscheid kunt maken tussen het werk van de derde en het werk van BVS,
aangegeven of het door derde verrichte werk een verbetering of een verslechtering betekent ten opzichte van het eerder door BVS uitgevoerde werk?

De kwaliteit van het werk van de fa. [naam 2] is niet getoetst. Er is voor de beoordeling van diens werkzaamheden zonder hoor- en wederhoor met de heer [naam 2] geen uitspraak te doen.


Bij de beantwoording van vraag 2, onder 7.2.2, is melding gemaakt van het feit dat de


waterslagen en de muurafdekkers niet conform het projectgebonden advies van Strikolith zijn uitgevoerd. Bij de beantwoording van vraag 10, onder 7.2.10, is komen vast te staan dat de draingoten correct waren aangebracht.


16. Kunt u vaststellen of en in hoeverre de door u geconstateerde (bouwkundige) gebreken

ontstaan of verergerd zijn door tijdsverloop en/of weersinvloeden en/of het nalaten van het treffen van bepaalde voorzieningen?

De onder 7.2.11 opgesomde gebreken zijn niet beïnvloed door weersinvloeden en/of het nalaten van het treffen van voorzieningen


17. Kunnen de door u geconstateerde gebreken worden verholpen en zo ja hoe?


Alle onder 7.2.11 beschreven gebreken die BVS verwijtbaar zijn, kunnen worden hersteld.


Voor één onderdeel is echter enige terughoudendheid op zijn plaats. Het uit het lood staan van de bouwkundige wand haaks op de balustrade is lastig te herstellen. Het wordt partijen aangeraden in onderling overleg te komen tot een redelijke schadevergoeding om van herstel, van dit onderdeel, af te zien.


18. Wat zijn naar uw inschatting de kosten van het herstel van de gebreken. Wilt u dit zo veel mogelijk specificeren?

(…) Het totale bedrag aan herstelkosten wordt geraamd op € 6,034,00 [bedoeld zal zijn € 6.034.11, toevoeging rechtbank].
19. Indien er sprake is van niet afgeronde werkzaamheden: wat zijn de kosten van het afronden van deze werkzaamheden? Graag zo gespecificeerd mogelijk.

(…) Het totale bedrag voor het uitvoeren van niet afgeronde werkzaamheden wordt geraamd op €4.400,00.[bedoeld zal zijn € 4.399,49, toevoeging van de rechtbank]
20. Of en in hoeverre zijn de kosten van herstel en/of het afronden van de werkzaamheden

verhoogd door het tijdsverloop dan wel de weersinvloeden dan wel het niet treffen van
voorzieningen.

Het tijdsverloop en de weersinvloeden hebben geen invloed op kosten van het herstel. Het uitvoeren van de werkzaamheden in een bewoonde situatie is lastiger, tijdrovender en daardoor kostbaarder. Daar is in de kostenramingen rekening mee gehouden.


21. Wat is de werkelijke waarde (dus totale waarde van de verrichte werkzaamheden minus de kosten voor het herstel) van de door BVS uitgevoerde werkzaamheden?


De waarde van de werkzaamheden van BVS kan slechts worden bepaald aan de hand van de facturen die BVS bij [partij A] heeft ingediend. De werkelijke waarde minus de kosten voor herstel van de gebreken, bedraagt:


De toegevoegde waarde (na correctie): € 265.549,01


minus kosten voor het herstel van de gebreken: -/- € 6.034,11


Totaal: € 259.514,90



22. (…)






5De conclusies na deskundigenbericht


5.1

BVS stelt in haar conclusie na deskundigenbericht (samengevat weergegeven) dat de deskundige heeft vastgesteld dat er enkele zaken zijn die gebrekkig zijn uitgevoerd, dan wel als opleverpunten kunnen worden beschouwd. Dit mocht echter geen reden zijn om tot opschorting van de betalingsverplichting over te gaan, te meer omdat de door de deskundige genoemde punten niet als ernstige gebreken door [partij A] zijn geduid. In dat verband wijst BVS er ook op dat de deskundige de herstelkosten heeft berekend op een bedrag van € 6.034,11. Om te duiden hoe beperkt de door de deskundige becijferde herstelkosten zijn ten opzichte van de in rekening gebrachte bedragen, dienen de herstelkosten zelfs nog aangepast te worden. Dat [partij A] niet tot opschorting, laat staan ontbinding over mocht gaan, staat daarmee volgens BVS vast. Dat BVS haar werkzaamheden heeft mogen opschorten in verband met het schuldeisersverzuim van [partij A] ook, aldus BVS.
BVS stelt zich dan ook op het standpunt dat haar vordering in conventie volledig moet worden toegewezen. In reconventie zou er aanleiding kunnen zijn om een zeer beperkt deel van de vordering van [partij A] toe te wijzen, namelijk tot het door de deskundige berekende bedrag aan herstelkosten van € 6.034,11. Door BVS is alleen de veroordeling tot betaling van haar laatste factuur van € 54.574,59 gevorderd, terwijl [partij A] zelf ook heeft erkend dat hij van de eerdere factuur [factuurnummer 1] een bedrag ad € 8.659,96 onbetaald heeft gelaten. BVS is uit proceseconomische redenen bereid om ermee in te stemmen dat dit bedrag wordt verrekend met het (beduidend lagere) bedrag dat de deskundige aan herstelkosten heeft berekend en af te zien van het alsnog verhalen van dit bedrag of het restant hiervan.




5.2


[partij A] stelt in zijn conclusie na deskundigenbericht (kort gezegd) dat de deskundige zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden en dat hij zijn werkzaamheden deels opnieuw moet uitvoeren. [partij A] wijst daarvoor in het bijzonder op de beantwoor-ding door de deskundige van vraag 21 (zoals hiervoor onder 4.1. opgenomen). Volgens [partij A] geeft de deskundige daarmee geen antwoord op de kernvraag van de zaak, inhoudende wat de werkelijke waarde is van de werkzaamheden die door BVS zijn verricht. In zijn reactie op het commentaar van [partij A] naar aanleiding van het concept- deskundigenbericht geeft de deskundige aan dat BVS vanaf de eerste factuur de werkelijke kosten, gespecificeerd naar arbeid, materiaal en onderaanneming, in rekening heeft gebracht. Dat is volgens [partij A] nu juist niet het geval. De vraag is op grond waarvan de deskundige tot de conclusie komt dat dit de werkelijke kosten zijn. BVS heeft excessief gedeclareerd, de facturen zijn, in ieder geval deels, door [partij A] betwist en dat geldt ook ten aanzien van wel betaalde facturen. Betaling hield in deze geen erkenning van de in rekening gebrachte uren in. Bovendien heeft de deskundige geen rekening gehouden met het feit dat [partij A] zelf ook veel werkzaamheden heeft verricht ten aanzien van de gefactureerde kosten. De door de deskundige gekozen methode voor de waardebepaling is onbegrijpelijk. Op basis van het verrichte werk, kon wel degelijk een begroting worden gemaakt om vast te kunnen stellen wat de waarde van het verrichte werk daadwerkelijk zou moeten zijn. Een passende vergelijking zou kunnen worden gevonden in de zogenaamde begrotingsprocedure, die voorheen ten aanzien van de advocatuur gold. Ook een deskundige zou dat in dit geval moeten kunnen en zo is vraag 21 ook bedoeld. Volgens [partij A] is een deel van de facturen vals en niet te relateren aan het werk.

[partij A] stelt zich verder op het standpunt dat de deskundige heeft miskend dat BVS heeft verzuimd om een grindkoffer aan te brengen aan de achterkant, dat de conclusies van de deskundige in paragraaf 7.2.5 ter zake zettingsscheuren/scheurvorming onjuist zijn en dat de deskundige in paragraaf 7.2.7 heeft verzuimd om een deugdelijk en concreet antwoord te geven op de aan hem voorgelegde vraag 7 over de verdiepingstrap. [partij A] biedt bewijs aan om aan te tonen dat er geen sprake is van het door de deskundige verondersteld causaal verband tussen het toegenomen gewicht ten gevolge van de zonnepanelen en het betreden van het dak door de installateur(s), en scheurvorming (paragraaf 7.2.9 deskundigenbericht). Ten aanzien van de opmerkingen in paragraaf 7.2.9 over de schuine wand meent [partij A] dat er niets aan in de weg staat om dit gebrek te verhelpen en dat het aan de deskundige is om zich uit te laten over de kosten die daarmee gemoeid zijn.






6De verdere beoordeling in conventie en in reconventie



Beoordelingscriterium deskundigenbericht




6.1
Vooropgesteld wordt dat voor de rechtbank een beperkte motiveringsplicht geldt ten aanzien van haar beslissing om de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen.



6.2
Als een deskundigenbericht dat is uitgebracht op verzoek van de rechtbank op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en de conclusies van de deskundige zorgvuldig zijn onderbouwd en voortvloeien uit door hem in het rapport vermelde gegevens, zal de rechtbank het oordeel van de deskundige, die juist vanwege zijn specifieke deskundigheid op het terrein van het onderzoek is benoemd, niet snel naast zich neerleggen.



6.3
Van de partij die een dergelijk deskundigenbericht bekritiseert, mag worden verlangd dat zij haar stellingen deugdelijk onderbouwt, bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen waarin de conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige op overtuigende wijze worden weersproken. Ook in dat geval zullen er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren over de wijze van totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht moeten zijn, wil de rechtbank besluiten dat zij een dergelijk rapport naast zich neerlegt.



Beoordeling deskundigenbericht





6.4
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de door haar benoemde deskundige zijn opdracht zorgvuldig uitgevoerd. Hij heeft nauwgezet met partijen het werk bekeken, heeft daarvan een uitgebreid verslag gemaakt en is ingegaan op opmerkingen die partijen naar aanleiding daarvan hadden.



6.5
De deskundige heeft de relevante stukken uit het dossier betrokken en uitgelegd welke normen, richtlijnen en gebruiken hij bij zijn beoordeling heeft betrokken en waarom.



6.6
De deskundige heeft vervolgens de aan hem voorgelegde vragen beantwoord. De conclusies die de deskundige heeft getrokken volgen logisch uit de overwegingen van de deskundige en komen de rechtbank overtuigend voor.



6.7

De rechtbank neemt de conclusies uit het deskundigenbericht dan ook over en maakt die tot de hare, tenzij zij daarvan hieronder uitdrukkelijk afwijkt.


Kritiekpunten [partij A] op het definitieve eindrapport van de deskundige.





Waarderingsmethodiek uitgevoerde werkzaamheden van BVS





6.8

[partij A] kan zich niet vinden in de wijze waarop de deskundige de uitgevoerde werkzaamheden van BVS heeft gewaardeerd. Dat verwijt ziet specifiek op de beantwoording van de aan de deskundige voorgelegde vraag 21. [partij A] meent dat de deskundige zich door aan te geven dat de waarde van de werkzaamheden slechts kan worden bepaald aan de hand van de facturen zich niet houdt aan de aan hem verstrekte opdracht.



6.9
De griffie van de rechtbank heeft in de hiervoor onder 1.1. genoemd e-mailbericht van 16 oktober 2025 (kort gezegd) aan de deskundige en (de advocaten van) partijen meegedeeld dat de rechtbank uit de reactie van de deskundige op het commentaar van [partij A] op dit onderdeel naar aanleiding van het voorlopig (concept) deskundigenbericht, afleidt dat de deskundige een eigen beoordeling heeft gemaakt van de verhouding tussen het verrichte werk en de daarvoor in rekening gebrachte bedragen. Niet gezegd kan worden dat de deskundige zich hier niet aan de opdracht heeft gehouden. Daarbij heeft de rechtbank ook meegedeeld dat zij uitdrukkelijk in het midden laat wat het gevolg voor de inhoud van het te wijzen vonnis zal zijn van haar vaststelling over de beantwoording van vraag 21.



6.10
De rechtbank volgt [partij A] daarom niet in zijn betoog dat de deskundige niet aan zijn opdracht heeft gehouden.



6.11
Wat betreft de wijze van waardering van de verrichte werkzaamheden door BVS overweegt de rechtbank dat zij in haar tussenvonnis van 14 februari 2024 heeft geoordeeld dat er sprake is van een overeenkomst op regiebasis en dat [partij A] een redelijke prijs verschuldigd is voor de door BVS verrichtte werkzaamheden. Uit het deskundigenbericht, meer in het bijzonder uit de reactie van de deskundige op de opmerkingen van de zijde van [partij A] naar aanleiding van de waardering van de verrichte werkzaamheden door BVS, blijkt dat de deskundige bij de waardering van de verrichte werkzaamheden ook als uitgangspunt heeft genomen dat deze werkzaamheden op regiebasis zijn uitgevoerd. De deskundige heeft van alle posten van de 24 ingediende facturen bekeken of deze in redelijkheid aan het project kunnen worden toegewezen. De deskundige geeft daarbij aan dat hij dat wat betreft de gedeeltelijke betaalde en de geheel onbetaalde factuur met extra aandacht heeft gedaan. Daarbij heeft hij gekeken of de inhoudelijke bezwaren zoals vermeld in de conclusie van antwoord onder randnummer 53 tot en met 58, tegen de factuur met nummer [factuurnummer 2] terecht zijn. De deskundige concludeert dat de door hem geconstateerde gebreken die aan BVS verwijtbaar zijn, niet aansluiten bij de hiervoor omschreven inhou-delijke bezwaren. Wat betreft de door hem gekozen methode voor waardebepaling merkt de deskundige op dat ruim tweeënhalf jaar na dato geen andere mogelijkheid is om tot een waardebepaling te komen. Van het project is geen adequate voorcalculatie beschikbaar en er zijn geen gegevens beschikbaar waarmee nu nog een nacalculatie kan worden opgesteld, aldus de deskundige.



6.12
De rechtbank is van oordeel dat, nu er sprake is van een overeenkomst op regie-basis en [partij A] op grond van artikel 7:752 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een redelijke prijs verschuldigd is voor de door BVS verrichte werkzaamheden (zie vonnis van 14 februari 2024 onder 5.3.), niet gezegd kan worden dat de deskundige niet tot de door hem gebruikte waarderingsmethodiek mocht komen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat bij de bepaling van een redelijke prijs voor de verrichte werkzaamheden rekening wordt gehouden met door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door hem ter zake van de vermoedelijke prijs (eventueel) gewekte verwachtingen. Met de “gewoonlijk bedongen prijzen” wordt gedoeld op prijzen die de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedong voor vergelijkbare en andere werken. Het gaat hierbij om door de betreffende aannemer gehanteerde prijzen. In dat licht bezien is het in dit geval ook niet onbegrijpelijk dat de deskundige bij de waardering van de verrichte werkzaamheden de in rekening gebrachte facturen heeft bestudeerd en heeft bekeken of deze in redelijkheid aan het project konden worden toegewezen. In dit verband hecht de rechtbank er ook aan dat de deskundige bij de toelichting op paragraaf 7.2.21 heeft opgemerkt dat uit de bestudering van de facturen blijkt dat er op gespecificeerde wijze kosten in rekening zijn gebracht en dat dat passend is bij het werk in regie. In het licht van het voorgaande kan [partij A] naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat de deskundige zich slechts heeft gebaseerd op de door BVS gestuurde facturen.



6.13
Voor zover [partij A] bij de waardering van de verrichte werkzaamheden erop heeft gewezen dat er sprake was van een initiële begroting voor de werkzaamheden van € 250.000,- waarmee BVS zich volgens [partij A] akkoord heeft verklaard en dat het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van een overeenkomst op regiebasis niet weg-neemt dat het bedrag van € 250.000,- als richtprijs/begroting gold, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat zij in haar vonnis van 14 februari 2024 heeft geoordeeld dat nergens uit blijkt BVS zich heeft verbonden om voor het bedrag van € 250.000,- (inclusief btw) de verbouwing uit te voeren en dat er sprake is van een overeenkomst op regiebasis en dus niet van een richtprijs. Zoals hiervoor is overwogen wordt bij de bepaling van de redelijke prijs ook rekening gehouden met eventueel gewekte verwachtingen. Ook als het hiervoor door [partij A] verwoorde standpunt in dat licht wordt bezien, leidt dat de rechtbank niet tot het oordeel dat de deskundige niet tot de door hem gekozen waarderingsmethodiek mocht komen. De vraag of er al dan niet verwach-tingen zijn gewekt betreft namelijk een juridisch oordeel en is aan de rechtbank voor-behouden. Dat is een aspect dat niet kan worden betrokken bij de waarderingsmethodiek door de deskundige en dat heeft hij ook niet gedaan.



6.14

[partij A] bepleit dat de deskundige een zogenoemde begrotingsprocedure had moeten volgen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de deskundige heeft kunnen komen tot de door hem gekozen waarderingsmethodiek. [partij A] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steekhoudende argumenten aangevoerd die leiden tot de conclusie dat van een andere waarderingsmethode moet worden uitgegaan. Bovendien rechtvaardigt de enkele omstandigheid dat er (mogelijk) ook een andere waarderingsmethode zou kunnen worden gevolgd niet de conclusie dat de uitgevoerde waarderingsmethode door de deskundige leidt tot een waardering die niet reëel zou kunnen zijn.



Waardering uitgevoerde werkzaamheden





6.15

Op basis van de door hem gekozen waarderingsmethodiek, waartoe hij naar het oordeel van de rechtbank dus heeft kunnen komen, bedraagt volgens de deskundige de werkelijke waarde (na correctie) van de uitgevoerde werkzaamheden door BVS
€ 265.549,01.




6.16

[partij A] kan zich hier niet in vinden en stelt dat er excessief is gedeclareerd en wijst er daarbij op dat hij de facturen in ieder geval deels heeft betwist en dat de omstandigheid dat [partij A] facturen heeft betaald geen erkenning inhield van de in rekening gebrachte uren en dat een deel van de facturen vals zijn en niet te relateren zijn aan het werk. Bovendien heeft de deskundige er geen rekening mee gehouden dat [partij A] ook zelf veel werkzaamheden heeft verricht, aldus [partij A] .



6.17
Met inachtneming van het vorenoverwogene ziet de rechtbank in hetgeen door [partij A] is aangevoerd geen aanleiding om de deskundige niet in zijn zienswijze te volgen. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend. De deskundige heeft de in rekening gebrachte facturen bestudeerd en heeft bekeken of deze in redelijkheid aan het project konden worden toegewezen. Hij heeft vastgesteld dat dit tot een bedrag van € 265.549,01 het geval is. Gezien de bevindingen van de deskundige wordt [partij A] niet gevolgd in zijn stelling dat BVS excessief heeft gedeclareerd. De niet nader geconcretiseerde en onderbouwde stelling dat een deel van de facturen vals zijn en niet te relateren zijn aan het werk doet evenmin af aan de bevindingen van de deskundige en de waardering van de uitgevoerde werkzaamheden door BVS. Voor zover [partij A] daarmee doelt op de omstandigheid dat bepaalde kosten twee keer in rekening zijn gebracht, heeft de deskundige daarop een correctie toegepast. Dat de deskundige de posten “HC” niet kan beoordelen en zich wenst te distantiëren van onrechtmatige contante betalingen doet er niet aan af dat de werkelijk waarde van de uitgevoerde werkzaamheden is vastgesteld op € 265.549,01. Op de posten “HC” zal hierna nader worden ingegaan.



6.18
Het betoog van [partij A] dat de deskundige er geen rekening mee heeft gehouden dat [partij A] zelf ook veel werkzaamheden heeft verricht, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de waardering van de uitgevoerde werkzaamheden door BVS.



6.19
Voor zover [partij A] met dit betoog meent dat er ten onrechte werkzaam-heden door BVS zijn gedeclareerd, terwijl deze niet door haar maar door hem zijn verricht, heeft [partij A] dit onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. De enkele stelling dat [partij A] zelf een deel van de sloopwerkzaamheden zou verrichten en actief mee zou werken door waar mogelijk op te ruimen en mee zou helpen met de isolatie en het ophalen van bouwmaterialen, is daarvoor onvoldoende. Immers, niet is geconcretiseerd en onderbouwd welke bedragen in dat verband ten onrechte zouden zijn gefactureerd door BVS. Daarbij kan ook niet onvermeld blijven dat [partij A] aanvankelijk diverse facturen (zonder protest) heeft betaald. Het had voor de hand gelegen dat, als [partij A] meende dat er ten onrechte bedragen in rekening waren gebracht voor verrichte werkzaamheden terwijl hij deze zelf had verricht, hij dan eerder had geprotesteerd, nu bijvoorbeeld sloopwerkzaamheden veelal aan het begin van een bouwproject plaatsvinden.



6.20
Met inachtneming van het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de deskundige niet tot de waardering van de uitgevoerde werkzaamheden door BVS (na correctie) tot een bedrag van € 265.549,01 heeft kunnen komen.



Gebreken en herstelkosten





6.21
Volgens de deskundige zijn een aantal werkzaamheden niet goed uitgevoerd en moeten deze worden hersteld. De herstelkosten bedragen volgens de deskundige € 6.034,11. Daarbij wordt wel vermeld dat het herstel van de uit het lood staande wand op de overloop/ hal buiten de beschouwing van deze kostenraming is gehouden. Reden daarvoor is dat dit gebrek lastig is te herstellen. Nog afgezien van het feit waar te beginnen en waar te eindigen, is het herstel ingrijpend, zeker in een bewoonde situatie, aldus de deskundige. De deskundige doet de suggestie dat het gebrek wellicht voor een deel aan het zicht kan worden onttrokken door het verplaatsen van de hardglazen balustrade direct tegen en deels in de bewuste wand. Daarbij merkt de deskundige op dat de scheefstand nu extra wordt geaccen-tueerd door het verloop van de ruimte tussen de wand en de balustrade. De deskundige raadt partijen aan om in onderling overleg te komen tot een redelijke schadevergoeding en om af te zien van verder herstel van dit onderdeel. [partij A] deelt deze visie van de deskundige niet en stelt dat het aan de deskundige is om zich uit te laten over de herstelkosten van dit gebrek.



6.22
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat de visie van de deskundige voor onjuist moet worden gehouden. De deskundige heeft voldoende toegelicht waarom herstel van dit gebrek nagenoeg ondoenlijk is. Onder deze omstandigheden is sprake van een situatie dat de kosten van herstel in geen verhouding staan tot het belang van [partij A] daarbij. Dat betekent dat herstel niet kan worden afgedwongen, maar dat een schadevergoeding op haar plaats is. De rechtbank komt hierna terug op de vergoeding van schade voor dit onderdeel.



6.23

[partij A] stelt dat de deskundige heeft miskend dat BVS tekort is geschoten in de door haar te verrichten werkzaamheden doordat zij heeft verzuimd een grindkoffer aan de achterzijde aan te brengen.



6.24
De rechtbank stelt vast dat [partij A] dit aspect ook in zijn reactie op het concept-rapport van de deskundige naar voren heeft gebracht. Uit de reactie van de deskundige blijkt dat hij vindt dat de grindkoffer aan de voorzijde correct is aangebracht en dat dit aan de achterzijde niet het geval is. De deskundige meent echter dat deze gebreken BVS niet zijn toe te rekenen omdat BVS niet verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de bestrating. De bestrating is aangebracht nadat BVS zijn werkzaamheden had gestaakt. Logischerwijs zijn de werkzaamheden van het aanbrengen van een grindkoffer en het aanbrengen van de bestrating een en dezelfde arbeidsgang en worden deze werkzaamheden door dezelfde partij uitgevoerd. Aangezien BVS niet bij deze werkzaamheden betrokken is geweest, is dit BVS niet te verwijten, aldus de deskundige.


6.25
De rechtbank leidt uit de reactie van [partij A] op de concept-rapportage van de deskundige af dat het materiaal voor de grindkoffer was aangeschaft en nog aanwezig is. Door [partij A] is, mede in het licht van het gestelde door BVS in haar akte uitlating benoeming deskundige van 27 maart 2024, niet voldoende gemotiveerd en onderbouwd weersproken dat de bestrating aan de achterzijde niet door BVS is aangelegd. [partij A] , althans een door hem ingeschakelde derde, wist of kon weten dat de grindkoffer (nog) niet was aangebracht. Deze is immers nog aanwezig. Het (laten) aanbrengen van de bestrating zonder de grindkoffer te (laten) plaatsen door een derde ligt dan ook in de risicosfeer van [partij A] . Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat BVS op dit onderdeel tekort is geschoten. Op grond hiervan kan niet de conclusie worden getrokken dat de bevindingen van de deskundige op dit onderdeel voor onjuist moeten worden gehouden.



6.26
In hetgeen [partij A] naar voren heeft gebracht over de zettingsscheuren ziet de rechtbank geen aanleiding om de bevindingen van de deskundige niet over te nemen. De deskundige heeft voldoende onderbouwd gemotiveerd waarom deze scheurvorming in dit geval BVS niet is aan te rekenen. [partij A] heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het ontwerp en de berekening van de constructie wel onder de verantwoordelijkheid van BVS zou vallen.



6.27

[partij A] stelt zich op het standpunt dat de deskundige verzuimt om een deugdelijk en concreet antwoord te geven ten aanzien van de verdiepingstrap. De rechtbank volgt [partij A] hierin niet. De deskundige heeft in zijn rapport een uitgebreide toelichting gegeven op dit onderdeel en de rechtbank ziet geen aanleiding om de deskundige op dit onderdeel niet te volgen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de overgelegde whatsapp-correspondentie tussen partijen volgt dat [partij A] een zwevende trap wenste. In het verlengde daarvan kan niet worden geconcludeerd dat de geplaatste trap als een gebrek is aan te merken. Bovendien kan er niet aan voorbij worden gegaan dat als de verdiepingstrap in overeenstemming zou worden gebracht met het Bouwbesluit dat een kostenverhoging met zich zou brengen, aangezien de werkzaamheden zijn uitgevoerd op regiebasis.



6.28
Gelet op het verwoorde onder randnummer 14 van de conclusie na deskundigen-bericht van de zijde van [partij A] begrijpt de rechtbank dat [partij A] de deskundige niet volgt in zijn visie over de scheurvorming in relatie tot de zonnepanelen. [partij A] stelt dat de scheurvorming in de kap al aanwezig was voordat de zonne-panelen zijn aangebracht en biedt daarvan alsnog bewijs aan. De rechtbank passeert dit bewijsaanbod, reeds omdat uit de bevindingen van de deskundige volgt dat er met betrekking tot de geconstateerde lichte scheurvorming geen sprake is van een gebrek.



Afsluitende opmerking en conclusie naar aanleiding van de kritiekpunten van [partij A] op het deskundigenbericht





6.29
Gelet op het onder 6.1. e.v. weergegeven beoordelingscriterium en met inachtneming van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat hetgeen [partij A] naar voren heeft gebracht haar geen aanleiding geeft om (delen van) het deskundigenbericht niet te volgen of om de deskundige om een nadere toelichting te vragen.



Gewekte verwachtingen





6.30

Zoals hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat [partij A] een redelijke prijs verschuldigd is. Bij de bepaling van de prijs wordt rekening gehouden met de door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door hem ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. Voor zover [partij A] stelt dat er verwachtingen zijn ten aanzien van de vermoedelijke prijs in die zin dat deze uit zou komen op (ongeveer) € 250.000,- is de rechtbank van oordeel dat [partij A] in het licht van de gemotiveerde betwisting door BVS onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat door BVS verwachtingen zijn gewekt dat de vermoedelijke prijs (ongeveer) € 250.000,- zou bedragen. Van belang daarbij acht de rechtbank dat nergens uit blijkt BVS zich heeft verbonden om voor het bedrag van € 250.000,- (inclusief btw) de verbouwing uit te voeren. De rechtbank verwijst naar wat zij hiervoor onder 6.13. overweegt.
Bovendien komt uit het dossier ook een beeld naar voren dat, zoals BVS ook naar voren heeft gebracht, [partij A] gedurende het project meer/andere wensen had en dat BVS dus meer werkzaamheden heeft uitgevoerd.




Schadevergoeding in verband met uit het lood staande wand op de overloop/hal





6.31
Zoals hiervoor is overwogen (onder r.o. 6.22.) staan de kosten van herstel van de uit het lood staande wand niet in verhouding tot het belang van [partij A] daarbij. [partij A] heeft daarom geen recht op vergoeding van de herstelkosten. De rechtbank zal de schade in plaats daarvan bepalen aan de hand van de waardevermindering van de woning. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat volgens de deskundige de scheefstand optisch wordt benadrukt doordat de hardglazen balustrade met rvs handregel enkele centimeters vrij is gehouden van de wand en de deskundige de suggestie heeft gedaan dat het gebrek wellicht voor een deel aan het zicht kan worden onttrokken door het verplaatsen van de hardglazen balustrade direct tegen (en deels in) de bewuste wand. Dit alles in ogenschouw nemende bepaalt de rechtbank de schade van dit gebrek schattenderwijs op een bedrag van € 4.000,-.



De factuur van 2 november 2022 (eindigend op nummer [factuurnummer 2])





6.32
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de opschorting door [partij A] van zijn betalingsverplichting gerechtvaardigd was. Daarvoor acht de rechtbank de verhouding tussen vastgestelde gebreken en de verplichting tot betaling van belang. De rechtbank gaat daarom eerst de juistheid van het in de factuur, waarvan de [partij A] de betaling opgeschort heeft, genoemde bedrag na.



6.33
Nog afgezien van het gegeven dat [partij A] het standpunt inneemt dat hij bepaalde posten niet verschuldigd is omdat de daarmee verband houdende werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd, betwist [partij A] ook een aantal posten in die zin dat deze niet verschuldigd zijn omdat niet duidelijk is waarop deze betrekking hebben, en/of de btw niet verschuldigd is, althans partijen niet met elkaar hebben afgesproken dat [partij A] de daarmee gepaard gaande kosten zou betalen.



6.34
De rechtbank stelt vast dat het debat tussen partijen zich met name toespitst op de in rekening gebrachte contante betalingen. Deze zijn als volgt in de factuur vermeld:



Omschrijving Bedrag Totaal Btw


HC voor de bouwvak € 7.200,00 € 7.200,00 21%


HC stalen deuren € 2.400,00 € 2.400,00 21%


HC team T € 2.600,00 € 2.600,00 21%





Daarnaast gaat het om twee andere posten, te weten:


Huur huisje Team T. € 1.200,00 € 1.200,00 21%


Vliegtickets 3x € 458,00 € 458,00 21%




Dat partijen kennelijk wat hebben afgesproken over het doen van contante betalingen volgt uit het gegeven dat tussen partijen niet in geschil is dat [partij A] in ieder geval € 30.000,- contant aan BVS heeft betaald. [partij A] betwist op zichzelf ook niet de post HC € 2.400,- (excl. btw) betreffende de stalen deuren. Hij meent echter dat over dit bedrag geen btw verschuldigd is. De rechtbank volgt hem hierin niet. Nu [partij A] dit bedrag kennelijk niet contant heeft betaald, althans dat niet heeft aangetoond, ziet de rechtbank niet in waarom er niet alsnog btw in rekening kan worden gebracht. De rechtbank is verder van oordeel dat [partij A] niet (voldoende) heeft betwist dat hij ermee ingestemd heeft dat drie buitenlandse stukadoors werkzaamheden zouden verrichten. De rechtbank wijst in dit verband ook op de whats-app-correspondentie tussen partijen die is overgelegd als productie 6 van productie 3 bij de dagvaarding. Voor zover [partij A] stelt dat hij over dit in rekening gebrachte bedrag van € 2.600 - geen btw is verschuldigd wordt hij hierin, onder verwijzing naar het vorenoverwogene, niet gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft BVS, gelet op de gemotiveerde betwisting door [partij A] , echter onvoldoende concreet en onderbouwd gesteld op grond waarvan [partij A] de posten “HC voor de bouwvak”, “Huur huisje team T.” en “vliegtickets 3x” verschuldigd is. Het had gelet op de gemotiveerde betwisting van [partij A] op de weg van BVS gelegen om haar standpunten nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door het Excel-overzicht waarnaar wordt verwezen in te brengen en toe te lichten en te onderbouwen met stukken wanneer en op welke wijze afspraken zijn gemaakt over de kosten ter zake het onderkomen en de vliegtickets voor deze buitenlandse stukadoors. Nu BVS dat heeft nagelaten, betekent dit dat niet is vast komen te staan dat [partij A] een bedrag van € 10.718,18 (inclusief btw) verschuldigd is. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat BVS op dit punt niet een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan.




6.35
Nu [partij A] heeft betwist dat de zwarte aluminimum vensterbanken (voorgevel) zijn geleverd had het op de weg van BVS gelegen om haar stelling dat deze wel zijn geleverd nader te concretiseren en te onderbouwen. Nu BVS dat heeft nagelaten, betekent dit dat niet is vast komen te staan dat [partij A] een bedrag van € 760,82 (inclusief btw) verschuldigd is. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat BVS op dit punt evenmin een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan.



6.36
Gelet op de bevindingen van de deskundige en het hiervoor overwogene geldt ten aanzien van de bezwaren van [partij A] tegen de overige posten dat niet kan worden geconcludeerd dat deze niet in rekening konden worden gebracht. Weliswaar blijkt uit het rapport van de deskundige dat (ook) ten aanzien van een aantal op deze factuur vermelde posten sprake is van een gebrek, althans een gebrekkige uitvoering, maar dat laat onverlet dat voor deze posten bedragen in rekening konden worden gebracht. Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of [partij A] zijn verplichting om de factuur van 2 november 2022 te betalen mocht opschorten vanwege de door hem gestelde gebreken.



Beroep op opschorting





6.37
De deskundige heeft een aantal gebreken geconstateerd en heeft de herstelkosten daarvan begroot op € 6.034,11 (inclusief btw). Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de omvang van de gebreken en de daarmee gepaard gaande herstelkosten en de vergoeding van de schade in verband met de uit het lood staande wand niet de opschorting van de betaling van de factuur van 2 november 2022, ook niet als uitgegaan wordt van het bedrag van € 43.095,59, omdat niet is komen vast te staan dat [partij A] een bedrag van € 11.479,00 verschuldigd is vanwege (gestelde) niet verrichte contante betalingen en (gestelde) geleverde vensterbanken. De omstandigheid dat er bepaalde werk-zaamheden nog niet zijn afgerond leidt niet tot een ander oordeel, nu de enkele omstandig-heid dat werkzaamheden vóór de oplevering nog niet af zijn, in principe onvoldoende grond bieden voor opschorting van betaling. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat het bedrag van € 4.399,49 (zie het hiervoor onder 4.1. weergegeven antwoord van de deskundige op vraag 19) dat de deskundige heeft begroot voor “niet afgeronde werkzaamheden” niet van dien aard is dat, ook als daar wel rekening mee zou worden gehouden, dat tot de conclusie zou leiden dat [partij A] een geslaagd beroep op opschorting toekomt.



6.38
Nu het beroep op opschorting door [partij A] niet slaagt, betekent dit dat hij in schuldeisersverzuim is komen te verkeren en dat BVS zijn werkzaamheden om het werk af te maken mocht opschorten.



Tussenconclusie





6.39
Met inachtneming van het vorenoverwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat uitgangspunt is dat [partij A] de factuur van 2 november 2022 tot een bedrag van € 43.856,41 moet betalen.



6.40
Nu de deskundige echter de toegevoegde waarde door BVS heeft vastgesteld op een bedrag van € 265.549,01 en door BVS in ieder geval een bedrag van € 229.920,- van [partij A] is ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat [partij A] nog een bedrag van € 35.629,01 aan BVS moet betalen. Van [partij A] kan niet worden verlangd dat hij meer betaalt dan de waarde van de uitgevoerde werkzaamheden door BVS. BVS heeft ook geen redenen aangevoerd op grond waarvan dat in dit geval wel gerechtvaardigd zou zijn. Voor zover BVS heeft betoogd dat de contante betalingen buiten beschouwing moeten worden gelaten, ziet de rechtbank daar geen aanleiding toe, reeds omdat niet (voldoende) concreet is gesteld en onderbouwd welke (andere) werkzaamheden BVS hiervoor heeft uitgevoerd. Voor zover [partij A] heeft gesteld dat hij een hoger bedrag dan € 229.920,- heeft betaald aan BVS gaat de rechtbank hieraan voorbij. Nu BVS dit standpunt gemotiveerd en onderbouwd heeft betwist, had het op de weg van [partij A] gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen (met bijvoorbeeld bankafschriften). Dat heeft hij nagelaten.


6.41
Of [partij A] daadwerkelijk een bedrag van € 35.629,01 aan BVS moet betalen is afhankelijk van de vraag of zijn beroep op verrekening slaagt. Daarvoor moet de vordering in reconventie worden beoordeeld.



In reconventie





6.42
Nu is geoordeeld dat [partij A] geen beroep op opschorting toekomt en hij (dus) in schuldeisersverzuim verkeert, heeft dit tot gevolg dat BVS, ondanks dat uit de bevindingen van de deskundige volgt dat een aantal werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd door BVS, niet in verzuim is. Nu [partij A] in schuldeisersverzuim is komen te verkeren, is er in dit geval ook geen plaats voor ontbinding als bedoeld in artikel 6:266 lid 1 BW. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de door de deskundige vastgestelde gebreken/tekortkomingen in dit geval, gelet op hun bijzondere aard dan wel geringe betekenis, ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigen. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met de waarde van de uitgevoerde werkzaamheden.



6.43
Nu [partij A] zelf in verzuim is geraakt met het nakomen van zijn betalings-verplichting is naar het oordeel van de rechtbank voor een vordering tot (schade)vergoeding van de herstelkosten geen plaats, nog daargelaten dat het gevorderde bedrag van € 174.845,00 niet strookt met de bevindingen van de deskundige. Hetzelfde geldt voor de gevorderde kosten voor het afmaken van de (verbouwings)werkzaamheden. Door het schuldeisersverzuim kan [partij A] hier ook geen aanspraak op maken.



6.44
Bij deze stand van zaken bestaat evenmin aanleiding om de gevorderde verklaring voor recht ter zake de derving van het woongenot en de daarmee samenhangende verwijzing naar de schadestaat toe te wijzen.



6.45

[partij A] vordert een bedrag van € 4.682,70 aan expertisekosten. Hij meent dat dit redelijke kosten zijn om de gebreken en zijn schade inzichtelijk te maken.



6.46
Artikel 6:96 lid 2 onder b BW bepaalt dat redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen. Dit artikel biedt geen zelfstandige grond voor vergoeding van deskundigenkosten. Het artikel biedt alleen een grond voor vergoeding van deze kosten als (1) sprake is van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding en (2) de deskundige is ingeschakeld om vast te stellen of een gebeurtenis heeft geleid tot schade en zo ja, of iemand daarvoor aansprakelijk te stellen is. Alleen dan komen deskundigenkosten, naast de andere geleden schade, voor vergoeding in aanmerking.



6.47
Nog daargelaten de vraag of de door [partij A] gevorderde expertisekosten, gelet op de omvang van de gebreken en tekortkomingen als redelijk zijn te beschouwen, veroordeelt de rechtbank BVS, gelet op het vorenoverwogene, in deze procedure niet tot het vergoeden van schade aan [partij A] . Dat BVS een andere wettelijke verplichting tot schadevergoeding heeft tegenover [partij A] waarvoor de deskundigenkosten zijn gemaakt, is niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat niet is voldaan aan de vereisten voor een schadevergoeding voor deze kosten. Deze vordering wordt daarom afgewezen.



6.48
Bij tussenvonnis van 14 februari 2024 is al geoordeeld dat de vordering ter zake het mislopen van subsidie(s) zal worden afgewezen.



6.49
De slotsom is dat het gevorderde in reconventie wordt afgewezen.



In conventie vervolg





6.50
Nu het gevorderde in reconventie wordt afgewezen, komt [partij A] geen beroep op verrekening toe. Dit betekent dat de vordering van BVS in die zin wordt toegewezen dat de rechtbank [partij A] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 35.629,01 aan BVS. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal ook worden toegewezen vanaf 16 november 2022.



6.51
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten wijst de rechtbank af. Reden daarvoor is dat niet gesteld of gebleken is dat BVS aan [partij A] een aanmaning heeft verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de brief van 8 december 2022 is geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [partij A] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW.



Slotsom en proceskosten





6.52
Gelet op het voorgaande wordt het gevorderde in conventie toegewezen tot een bedrag van € 35.629,01. Het gevorderde in reconventie wordt afgewezen.


6.53

[partij A] is zowel in conventie als in reconventie de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij. Dit betekent dat hij wordt veroordeeld in de (na)kosten in conventie en in reconventie.


De proceskosten van BVS in conventie worden begroot op:










- kosten van de dagvaarding


€


107,84







- griffierecht


€


2.161,00







- salaris advocaat


€


4.180,00


(5 punten × € 836,00)





- beslagkosten


€


615,95







- nakosten


€


148,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


7.212,79











6.54
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



6.55
Bij het vaststellen van de proceskosten in reconventie ziet de rechtbank aanleiding om de kosten die samenhangen met het getuigenverhoor buiten beschouwing te laten. De proceskosten van BVS in reconventie worden dan begroot op:









- salaris advocaat


€


5.048,75


(3,5 punten × factor 0,5 × € 2.885,00)




- nakosten


€


148,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


5.196,75











6.56
De kosten van het deskundigenonderzoek zijn voor rekening van [partij A] . [partij A] heeft voor het deskundigenonderzoek een voorschot van € 12.801,- inclusief btw betaald. Dit bedrag heeft de deskundige ook gefactureerd, zodat terugstorting of een bepaling tot bijbetaling niet aan de orde is.



Ten overvloede





6.57
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat haar oordeel dat [partij A] geen beroep op opschorting toekomt en (dus) in schuldeisersverzuim is komen te verkeren en (mede) daardoor zijn vorderingen tot vergoeding van herstel en schade zijn afgewezen, niet betekent dat BVS tegenover [partij A] geen verplichtingen uit de (niet-ontbonden) overeenkomst meer heeft. Dat BVS zijn verplichtingen heeft kunnen opschorten totdat de factuur van 2 november 2022 tot een bedrag van € 35.629,01 is voldaan, betekent niet dat sprake is van afstel om het werk af te maken en te laten voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk (dus de door de deskundige vastgestelde gebreken te herstellen, met uitzondering van de uit het lood staande wand waarvoor een schadevergoeding van € 4.000,- moet worden voldaan). Nadat [partij A] het bedrag van € € 35.629,01 heeft betaald, moet BVS haar resterende verplichtingen dus in beginsel nog nakomen. Complicerende factor daarbij is wel dat er inmiddels door (een) derde(n) werkzaamheden zijn verricht.



6.58
Uit de door partijen, ook tijdens de mondelinge behandeling, ingenomen standpunten, leidt de rechtbank echter af dat het de voorkeur heeft van partijen om hun contractuele relatie te beëindigen. De rechtbank geeft partijen in overweging om in overleg te treden met elkaar om een minnelijke regeling te treffen ter zake de beëindiging van hun contractuele relatie. Daarbij kan dit vonnis en het deskundigenbericht mogelijk als leidraad/uitgangspunt dienen als het gaat om de waardering van de uitgevoerde werkzaamheden door BVS en de vergoeding in verband met de door de deskundige vastgestelde gebreken en niet afgeronde werkzaamheden.











7De beslissing


De rechtbank




in conventie




7.1
veroordeelt [partij A] om een bedrag van € 35.629,01 aan BVS te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 16 november 2022 tot aan de dag van algehele voldoening,



7.2
veroordeelt [partij A] in de proceskosten in conventie van € 7.212,79, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



7.3
veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten in conventie als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



in reconventie





7.4
wijst het gevorderde door [partij A] af,



7.5
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 5.196,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



in conventie en in reconventie





7.6
veroordeelt [partij A] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



7.7
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 7.1. tot en met 7.3, 7.5 en 7.6. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,



7.8
wijst het meer of anders gevorderde (door BVS) af.



Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken door mr. U. van Houten op 12 augustus 2026.




Zie de tabel op p. 45, de berekening op p. 48 en het antwoord op vraag 21 op p. 53 van het deskundigenbericht. De rechtbank vat dit op als een kennelijke verschrijving van de deskundige.


Zie de tabel op p. 46 van het deskundigenbericht. De rechtbank vat dit op als een kennelijke verschrijving.


Vgl. o.a. Hoge Raad 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921.


Zie r.o. 5.3 van het vonnis van 14 februari 2024.


Zie p. 57-58 van het deskundigenbericht.


Zie p. 46 van het deskundigenbericht.


Vgl. artikel 7:759 lid 2 BW.


Zie p. 30, 31, 54 en 55 van het deskundigenbericht.


Zie p. 54-55 van het deskundigenbericht.


Zie p. 36 e.v., 50 en 55 e.v. van het deskundigenbericht.


Zie p. 40 en 45 van het deskundigenbericht.


Zie o.a. randnummer 16 van de conclusie van antwoord in reconventie.


Ook wel het team Tunesiërs genoemd.


(€ 7.200,- + 1.200,- + € 458,-) x 1,21 (btw) = € 10.718,18.


Factuurbedrag van € 54.574,59 -/- (€ 10.718,18 + € 760,82) = € 43.095,59.


Zie randnummer 16 van de conclusie van antwoord in reconventie.


1 punt voor de dagvaarding, 1 punt voor de mondelinge behandeling, 1 punt voor verzoekschrift beslag, 0,5 punt voor bijwonen getuigenverhoor en 3 x 0,5 voor conclusie/akte met bijzondere inhoud (na mondelinge behandeling).


1 punt voor de conclusie van antwoord in reconventie, 1 punt voor de mondelinge behandeling, en 3 x 0,5 voor conclusie/akte met bijzondere inhoud (na mondelinge behandeling).