Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5145

2026-08-11 Civiel recht 12095995 \ CV EXPL 26-487
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-08-22
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12095995 \ CV EXPL 26-487
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eiseres vordert betaling voor werkzaamheden aan de camper. Gedaagde stelt dat betaling pas verschuldigd is na volledige reparatie. De kantonrechter oordeelt dat partijen dit niet zijn overeengekomen. Gedaagde moet de factuur betalen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.706 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Zwolle



Zaaknummer: 12095995 \ CV EXPL 26-487




Vonnis van 11 augustus 2026




in de zaak van




de vennootschap onder firma [eiseres] V.O.F.,
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: [gemachtigde],



tegen





[gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf],
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.






1De zaak in het kort



[eiseres] vordert betaling van de werkzaamheden die zij in opdracht van [gedaagde] aan zijn camper heeft verricht. Tussen partijen is in geschil of zij zijn overeengekomen dat betaling pas verschuldigd zou zijn na volledige reparatie van de camper. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. [gedaagde] moet dan ook de factuur van [eiseres] betalen. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.





2De procedure


2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 februari 2026 met producties 1 tot en met 3, - de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek.




2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.








3De feiten


3.1

[eiseres] houdt zich onder meer bezig met de reparatie van auto’s.



3.2

[gedaagde] is actief in de verkoop van kampeerauto’s, caravans en tweedehands auto’s.



3.3
De Peugot Boxer van [gedaagde] (hierna: de camper) had te weinig vermogen. In of omstreeks augustus 2024 heeft [eiseres] daarom in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden aan de camper verricht. Na deze werkzaamheden bleef het probleem bestaan.



3.4
Bij factuur van 8 augustus 2024 heeft [eiseres] voor haar werkzaamheden een bedrag van € 422,29 in rekening gebracht bij [gedaagde].





4Het geschil


4.1


[eiseres] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van
€ 556,25 met wettelijke rente over € 422,29 vanaf 11 februari 2026 tot aan de dag van algehele voldoening, en met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten.




4.2

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres].



4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling




[gedaagde] moet de factuur betalen




5.1
De vraag die voorligt is of [gedaagde] de factuur van [eiseres] moet betalen. Partijen verschillen met name van mening over de vraag of zij de afspraak hebben gemaakt dat [gedaagde] alleen zou betalen op het moment dat de reparatie succesvol was en of zij dus een zogenaamde (opschortende) betalingsvoorwaarde zijn overeengekomen. [eiseres] vindt van niet. Volgens haar was de afspraak dat zij zou proberen de oorzaak van het vermogensverlies te achterhalen en te repareren en dat [gedaagde] haar daarvoor zou betalen, zonder dat daar verdere voorwaarden aan verbonden waren. [gedaagde] voert daarentegen aan dat partijen zijn overeengekomen dat hij alleen na een succesvolle reparatie tot betaling gehouden was. In dit geval hadden de reparatiewerkzaamheden niet het gewenste resultaat, zodat hij niet hoefde te betalen.



5.2
Omdat [gedaagde] zich ter afwering van de vordering van [eiseres] baseert op de afspraak dat betaling pas verschuldigd zou zijn nadat de camper volledig was gerepareerd, ligt het op zijn weg om voldoende (concrete) feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat partijen een dergelijke afspraak hebben gemaakt. Dit heeft [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gedaan. Hoewel [gedaagde] meermaals in algemene bewoordingen heeft verklaard dat een dergelijke betalingsafspraak is gemaakt, laat hij na verder toe te lichten wanneer en op welke wijze deze afspraak tot stand is gekomen. Dit terwijl [eiseres] het bestaan van deze afspraak gemotiveerd heeft weersproken aan de hand van de door hem gestuurde factuur. Het feit dat [eiseres] een factuur heeft gestuurd voor de door haar verrichte herstelwerkzaamheden, terwijl uit deze factuur duidelijk blijkt dat het probleem met het vermogen van de camper nog niet is opgelost, is een sterke aanwijzing dat betaling niet afhankelijk is gesteld van een succesvolle reparatie. De door [gedaagde] gestelde afspraak komt daarom niet vast te staan. Dit betekent dat [gedaagde] de factuur van [eiseres] moet betalen.




[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen





5.3
Niet in geschil is dat partijen beroepsmatig handelden. In haar petitum vordert [eiseres] wettelijke rente over de hoofdsom. Maar in het lichaam van haar dagvaarding heeft zij het afwisselend over wettelijke rente, wettelijke handelsrente en een vorm van contractuele rente. Gelet op deze wisselende stellingen is onduidelijkheid op welke grondslag [eiseres] haar rentevordering baseert, zodat de kantonrechter zal terugvallen op de wet.



5.4
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] in principe recht heeft op wettelijke handelsrente, nu de toegewezen hoofdsom voortvloeit uit een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW en [gedaagde] de factuur niet op tijd heeft betaald. Uit artikel 6:119a BW volgt dat de wettelijke handelsrente ingaat vanaf de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling. Gesteld noch gebleken is dat partijen een uiterste termijn van betaling zijn overeengekomen. Het enkele feit dat op de factuur een vervaldatum of betalingstermijn staat vermeld, is onvoldoende om aan te nemen dat tussen partijen een dergelijke termijn is overeengekomen. In dat geval bepaalt artikel 6:119a lid 2 onder a BW dat de wettelijke handelsrente verschuldigd is vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop [gedaagde] de factuur heeft ontvangen. [eiseres] heeft gesteld dat de factuur van 8 augustus 2024 op 23 augustus 2024 is vervallen en [gedaagde] na dit tijdstip in verzuim is geraakt. De kantonrechter begrijpt deze stelling aldus dat [eiseres] van mening is dat [gedaagde] de factuur op de factuurdatum heeft ontvangen. [gedaagde] heeft de ontvangst van de factuur op deze datum niet weersproken. De wettelijke handelsrente is op grond van artikel 6:119a lid 2 onder a BW dan ook verschuldigd vanaf 8 september 2024. De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom daarom vanaf deze datum toewijzen.




[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen





5.5

[eiseres] heeft vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. [eiseres] heeft ook voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Daarom zal een bedrag van € 63,34 worden toegewezen.







[gedaagde] moet de proceskosten betalen





5.6

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


125,57







- griffierecht


€


350,00







- salaris gemachtigde


€


288,00


(2 punten × € 144,00)




- nakosten


€


72,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


835,57













6De beslissing


De kantonrechter



6.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 422,29, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW met ingang van 8 september 2024, tot de dag van volledige betaling,



6.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 63,34 aan buitengerechtelijke incassokosten,



6.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 835,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



6.5
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.






HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228.