Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5142
Inhoudsindicatie
Partij B verrichtte taxiwerkzaamheden voor partij A. In 2025 heeft partij B een ongeluk veroorzaakt met de bedrijfsauto van partij A. Partij A wil onder meer dat partij B de schade aan de auto aan haar vergoedt. Partij B vordert in incident dat de zaak wordt doorverwezen naar de kantonrechter in Enschede. De rechtbank overweegt onder meer dat de schadevergoedingsvordering gebaseerd is op verschillende grondslagen, waarbij het toetsingskader afhangt van de vraag of al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst. In de hoofdzaak zal deze vraag eerst moeten worden beantwoord. Gezien het feit dat een kantonrechter over arbeidsrechtzaken oordeelt, acht de rechtbank de kantonrechter de meest geschikte rechter om dit te beoordelen. De rechtbank verwijst de zaak door naar de kamer voor kantonzaken van de rechtbank Overijssel, locatie Enschede. partij A wordt veroordeeld in de proceskosten in dit incident.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.429 tekens)
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/343911 / HA ZA 26-26
Vonnis in incident van 24 juni 2026
in de zaak van
[partij A] , handelend onder de naam [bedrijf] ,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
advocaat: mr. A.P. Drosten,
tegen
[partij B] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
advocaat: mr. A.J. Koers.
1De zaak in het kort
1.1
[partij B] verrichtte taxiwerkzaamheden voor [bedrijf] . In 2025 heeft [partij B] een ongeluk veroorzaakt met de bedrijfsauto van [bedrijf] . [bedrijf] wil onder meer dat [partij B] de schade aan de auto aan haar vergoedt.
1.2
[partij B] vordert in incident dat de zaak wordt doorverwezen naar de kantonrechter in Enschede.
1.3
De rechtbank overweegt onder meer dat de schadevergoedingsvordering gebaseerd is op verschillende grondslagen, waarbij het toetsingskader afhangt van de vraag of al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst. In de hoofdzaak zal deze vraag eerst moeten worden beantwoord. Gezien het feit dat een kantonrechter over arbeidsrechtzaken oordeelt, acht de rechtbank de kantonrechter de meest geschikte rechter om dit te beoordelen. De rechtbank verwijst de zaak door naar de kamer voor kantonzaken van de rechtbank Overijssel, locatie Enschede. [bedrijf] wordt veroordeeld in de proceskosten in dit incident.
2De procedure
2.1
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
de dagvaarding;
de conclusie van antwoord tevens inhoudende incidentele vordering ex artikel 71 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
de conclusie van antwoord in het incident.
2.2
Vervolgens is vonnis (in het incident) bepaald.
3De feiten
3.1
[partij A] exploiteert – samen met haar echtgenoot [naam] – een taxibedrijf, genaamd [bedrijf] (hierna te noemen: [bedrijf] ).
3.2
In 2023 is [partij B] , op 18-jarige leeftijd, begonnen met het uitvoeren van taxiritten voor [bedrijf] . Ten behoeve van de werkzaamheden heeft [bedrijf] [partij B] een auto ter beschikking gesteld.
3.3
Op 4 april 2025 heeft [partij B] een ongeluk veroorzaakt, waarbij hij met de bedrijfsauto van [bedrijf] tegen een andere auto is aangereden en tegen een woning tot stilstand is gekomen.
4Het geschil
4.1
[bedrijf] vordert samengevat:
[partij B] te veroordelen om de schade aan de auto, te weten een bedrag van € 30.342,10, aan [bedrijf] te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente;
een verklaring voor recht dat [partij B] de toekomstig door [bedrijf] te lijden schade voortvloeiend uit het door [partij B] veroorzaakte ongeval moet vergoeden, met name wanneer de eigen WAM-verzekeraar of de opstalverzekeraar van de getroffen woning schade op [bedrijf] zou willen verhalen;
[partij B] te veroordelen in de proceskosten.
4.2
[bedrijf] voert daartoe onder meer aan dat [partij B] als zzp’er taxiritten voor [bedrijf] verrichtte. Volgens [bedrijf] heeft [partij B] onrechtmatig jegens [bedrijf] gehandeld, althans is hij toerekenbaar tekortgeschoten jegens [bedrijf] . Ook als [partij B] als werknemer zou moeten worden gezien, moet worden geconcludeerd dat sprake is van bewuste roekeloosheid en kan [partij B] aansprakelijk worden gehouden voor de schade.
4.3
In incident vordert [partij B] dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart, omdat feitelijk sprake is van een arbeidsrelatie tussen partijen en daarom de kantonrechter (in Enschede) bevoegd is van deze zaak kennis te nemen.
4.4
Als verweer tegen het incident voert [bedrijf] aan dat sprake is van een overeenkomst van opdracht. Daarnaast moet de vordering in incident worden afgewezen, omdat de incidentele vordering een verweer is waarop in de hoofdzaak moet worden beslist. Het betreft namelijk de inhoudelijke beoordeling van de rechtsverhouding tussen partijen. Subsidiair moet de incidentele vordering worden afgewezen, omdat [partij B] 227 pagina’s aan WhatsAppberichten heeft overgelegd waaruit zou moeten blijken dat sprake is van een gezagsverhouding, zonder aan te geven welke passages relevant zijn en waarom. [partij B] heeft hiermee niet voldaan aan zijn stelplicht.
5De beoordeling
5.1
Volgens [bedrijf] moet de vordering in het incident worden afgewezen, omdat het aangevoerde verweer dat sprake is van een arbeidsovereenkomst een verweer is waarop in de hoofdzaak moet worden beslist.
5.2
De rechtbank overweegt dat in de hoofdzaak weliswaar moet worden beoordeeld of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht, maar dit laat onverlet dat de rechtbank in dit vonnis moet oordelen of de zaak moet worden doorverwezen naar de kantonrechter. De rechtbank gaat dan ook aan dit verweer van [bedrijf] voorbij.
Welke rechter is bevoegd?
5.3
Voor een kwestie als deze, waarbij sprake is van een (schadevergoedings)vordering die wordt gebaseerd op verschillende grondslagen, is in de wet niet expliciet geregeld of de rechtbank of de kantonrechter bevoegd is. Wel is het uitgangspunt van de wetgever dat aardzaken (waaronder arbeidsrechtzaken) door de kantonrechter worden behandeld en samenhangende vorderingen dan door diezelfde kantonrechter worden behandeld.
5.4
De vordering in deze zaak is gebaseerd op artikel 6:162 van het Burgerlijk wetboek, dan wel artikel 6:74 of – in het geval toch geen sprake is van een overeenkomst van opdracht maar van een arbeidsovereenkomst – op grond van artikel 6:661 BW.
5.5
Het toetsingskader hangt dus af van de vraag of al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst. In de hoofdzaak zal deze vraag daarom eerst moeten worden beantwoord. Gezien het feit dat een kantonrechter over arbeidsrechtzaken oordeelt, acht de rechtbank de kantonrechter de meest geschikte rechter om dit te beoordelen.
5.6
De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren en de zaak doorverwijzen naar de kantonrechter. Daarbij merkt de rechtbank op dat ook als in de hoofdzaak zou worden geoordeeld dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, de kantonrechter zal oordelen over de vraag of [partij B] aansprakelijk is voor de schade.
5.7
Aangezien [partij B] woonachtig is in [woonplaats] , verwijst de rechtbank de zaak door naar de kamer voor kantonzaken van de rechtbank Overijssel, locatie Enschede.
Overig
5.8
[bedrijf] voert terecht aan dat een partij (in dit geval: [partij B] ) bij een overgelegd (bewijs)stuk (met veel pagina’s) moet verwijzen naar de relevante passages. Aangezien de rechtbank in dit vonnis echter niet inhoudelijk over de rechtsverhouding tussen partijen oordeelt, kan dit verweer – in dit incident – onbesproken blijven.
Proceskosten
5.9
[bedrijf] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Aangezien de incidentele vordering samenhangt met het verweer in de hoofdzaak, wijst de rechtbank slechts een halve punt toe aan advocatensalaris in dit incident. De kosten aan de zijde van [partij B] worden begroot op € 326,50 aan salaris advocaat (0,5 punt x tarief € 653,00) en € 189,- aan nakosten.
5.10
De wettelijke rente wordt toegewezen, zoals hieronder vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank
in het incident
6.1
verklaart zich onbevoegd van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen;
6.2
veroordeelt [bedrijf] hoofdelijk in de proceskosten van dit incident, tot op heden begroot op € 515,50, aan [partij B] te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis. Als [bedrijf] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [bedrijf] € 98,00 aan extra nakosten aan [partij B] betalen, plus de kosten van betekening;
6.3
veroordeelt [bedrijf] in de wettelijke rente over de proceskosten, te betalen als deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan [partij B] zijn betaald;
6.4
verklaart de veroordelingen onder 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
6.5
verwijst de hoofdzaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Enschede, op dinsdag 7 juli 2026 om 10.00 uur;
6.6
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;
6.7
wijst partijen erop dat [bedrijf] na verwijzing een lager griffierecht verschuldigd is, en [partij B] geen griffierecht verschuldigd is, alsmede dat het verschil tussen het betaalde en het verschuldigde griffierecht door de griffie zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026. (JK)