Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5063
2026-08-14
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ZWO 25/3399
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De burgemeester heeft de afwijzing van de aanvraag om een paspoort onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Het beroep van eiser is daarom gegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2026:1057 Raad van State 25-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2021:2344 Raad van State 20-10-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.477 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3399
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats]
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
de burgemeester van Enschede
(gemachtigden: [gemachtigde 1], [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiser] om afgifte van een paspoort. [eiser] is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester het besluit tot afwijzing onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. [eiser] krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. [eiser] heeft de Britse nationaliteit. Hij stelt ook de Nederlandse nationaliteit te hebben. Om die reden heeft hij op 15 november 2024 een aanvraag ingediend om afgifte van een Nederlands paspoort. [eiser] heeft hierbij een overzicht overgelegd van zijn familiegeschiedenis, opgesteld door [naam], inclusief meerdere (gelegaliseerde) documenten zoals geboorteakten en huwelijksakten, waaruit volgens hem blijkt dat hij in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
2.1.
De burgemeester heeft deze aanvraag met het besluit van 20 januari 2025 afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 20 oktober 2025 op het bezwaar van [eiser] is de burgemeester bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], de gemachtigde van [eiser], mr. A. Kleijweg en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De burgemeester heeft de aanvraag van [eiser] om afgifte van een paspoort afgewezen, omdat de burgemeester op basis van de door [eiser] aangeleverde documenten onvoldoende kan vaststellen of hij de Nederlandse nationaliteit bezit. De burgemeester heeft [eiser] daarom geadviseerd om zich tot de rechtbank in Den Haag te wenden, die op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap bevoegd is tot vaststelling van het Nederlanderschap.
Toetsingskader
4. Op grond van de Paspoortwet heeft iedere Nederlander in beginsel recht op een nationaal paspoort. Uit artikel 28 van de Paspoortwet, gelezen in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, van het Paspoortbesluit volgt dat de bewijslast om de nodige zekerheid te verschaffen over het gestelde Nederlanderschap bij de aanvrager berust. Dit wordt bevestigd in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.1.
Artikel 2.1, tweede lid, van het Paspoortbesluit bepaalt dat indien onzekerheid bestaat over de identiteit dan wel over het Nederlanderschap van de aanvrager, daarnaar een gericht onderzoek wordt ingesteld en dat dit onderzoek zoveel mogelijk verificatie van de identiteit dan wel de nationaliteit omvat met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld, dan wel buitenlandse reisdocumenten waarin hij staat vermeld en eventuele andere bewijsstukken.
Onderzoek
5. [eiser] voert aan dat de burgemeester het onderzoek naar zijn Nederlandse nationaliteit onvoldoende zorgvuldig en volledig heeft uitgevoerd. De burgemeester heeft geen aanvullende bewijsstukken opgevraagd en heeft ook geen nader onderzoek uitgevoerd, terwijl dit wel op de weg van de burgemeester lag. [eiser] heeft zijn aanvraag immers naar beste kunnen onderbouwd met (gelegaliseerde) documenten.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester het onderzoek naar de Nederlandse nationaliteit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5.2.
De burgemeester heeft in het verweerschrift gesteld dat een volledig en zorgvuldig onderzoek is verricht naar de nationaliteit van [eiser]. Daarbij heeft de burgemeester verwezen naar de Circulaire uniformering aanvraag- en uitgifteproces niet-ingezetenen (hierna: Circulaire). In de Bijlage Werkinstructie bij de Circulaire, onder 3, staat een werkinstructie voor het vaststellen van de nationaliteit. Daarin is beschreven dat moet worden onderzocht of de aanvrager Nederlander is aan de hand van bepaalde bewijsstukken. In de voetnoot is hierbij opgenomen dat voor grensgemeenten, zoals de gemeente Enschede, geldt dat als het onderzoek geen uitsluitsel geeft of er twijfel ontstaat, voor advies contact op wordt genomen met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND).
5.3.
De burgemeester heeft in het bestreden besluit en het verweerschrift nagelaten te beschrijven wat het volledige en zorgvuldige onderzoek heeft omvat. Pas ter zitting heeft de burgemeester toegelicht dat er telefonisch contact is opgenomen met de IND, de Rijkdienst voor Identiteitsgegevens en de andere grensgemeenten voor advies. Hiervan is echter niets schriftelijk vastgelegd. Dat maakt dat de rechtbank geen inzicht heeft kunnen krijgen in de zorgvuldigheid en volledigheid van het (gestelde) verrichte onderzoek naar de nationaliteit van [eiser]. Alleen al hierom is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
5.4.
Daar komt bij dat de burgemeester de aanvraag van [eiser] ten onrechte heeft afgewezen. Als de burgemeester zich op het standpunt stelt dat over de Nederlandse nationaliteit van [eiser] niet de nodige zekerheid is verkregen, had de burgemeester op grond van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 de aanvraag van [eiser] buiten behandeling moeten stellen in plaats van moeten afwijzen. Het bestreden besluit is ook daarom onvoldoende gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Dit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het beroep van [eiser] gegrond is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen, omdat het aan de burgemeester is om opnieuw onderzoek te doen naar de nationaliteit van [eiser].
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de burgemeester een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het griffierecht aan [eiser] vergoeden en krijgt [eiser] ook een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.
6.3.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt [eiser] een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
6.4.
[eiser] heeft ook verzocht om vergoeding van zijn reis- en verblijfkosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelezen in samenhang met het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldt daarvoor een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse, dan wel een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer indien openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is, alsmede verblijfkosten tot ten hoogste € 37,85 per dag, met inbegrip van overnachting. De rechtbank ziet aanleiding om de kosten van de vlucht van [eiser] van £ 191,76 (omgerekend € 224,44) voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Ook de kosten voor het openbaar vervoer van Schiphol naar Zwolle van € 48,40 komen voor vergoeding in aanmerking. De verblijfskosten stelt de rechtbank, ondanks het verzoek van [eiser] om zijn hotelovernachting geheel te vergoeden, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 37,85. Dat betekent dat de rechtbank de voor vergoeding in aanmerking komende reis- en verblijfskosten vaststelt op € 310,69.
6.5.
[eiser] heeft tot slot verzocht om vergoeding van zijn verletkosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt dat vastgesteld overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 9,- en € 109,- per uur bedraagt. [eiser] heeft verzocht om tien uur van € 17,60 voor het bijwonen van de zitting. Dat acht de rechtbank, gelet op de reisafstand van Liverpool naar Zwolle, niet onredelijk. De rechtbank stelt de voor vergoeding in aanmerking komende verletkosten daarom vast op € 176,-.
6.6.
De rechtbank stelt de totale proceskostenvergoeding gelet op de voorgaande overwegingen vast op € 2.354,69.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 oktober 2025;
- draagt de burgemeester op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan [eiser] moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 2.354,69 aan proceskosten aan [eiser].
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr.E. Diele, griffier, uitgesproken in het openbaar op
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
Artikel 9 van de Paspoortwet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1057, en 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2344.
Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 december 2024 (Stcrt. 2024, 40726).
Artikel 39, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 gelezen in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, van het Paspoortbesluit.
Artikel 1, aanhef en onder d, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d.
Artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d.
Artikel 1, aanhef en onder e, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3399
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats]
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
de burgemeester van Enschede
(gemachtigden: [gemachtigde 1], [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiser] om afgifte van een paspoort. [eiser] is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester het besluit tot afwijzing onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. [eiser] krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. [eiser] heeft de Britse nationaliteit. Hij stelt ook de Nederlandse nationaliteit te hebben. Om die reden heeft hij op 15 november 2024 een aanvraag ingediend om afgifte van een Nederlands paspoort. [eiser] heeft hierbij een overzicht overgelegd van zijn familiegeschiedenis, opgesteld door [naam], inclusief meerdere (gelegaliseerde) documenten zoals geboorteakten en huwelijksakten, waaruit volgens hem blijkt dat hij in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
2.1.
De burgemeester heeft deze aanvraag met het besluit van 20 januari 2025 afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 20 oktober 2025 op het bezwaar van [eiser] is de burgemeester bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], de gemachtigde van [eiser], mr. A. Kleijweg en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De burgemeester heeft de aanvraag van [eiser] om afgifte van een paspoort afgewezen, omdat de burgemeester op basis van de door [eiser] aangeleverde documenten onvoldoende kan vaststellen of hij de Nederlandse nationaliteit bezit. De burgemeester heeft [eiser] daarom geadviseerd om zich tot de rechtbank in Den Haag te wenden, die op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap bevoegd is tot vaststelling van het Nederlanderschap.
Toetsingskader
4. Op grond van de Paspoortwet heeft iedere Nederlander in beginsel recht op een nationaal paspoort. Uit artikel 28 van de Paspoortwet, gelezen in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, van het Paspoortbesluit volgt dat de bewijslast om de nodige zekerheid te verschaffen over het gestelde Nederlanderschap bij de aanvrager berust. Dit wordt bevestigd in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.1.
Artikel 2.1, tweede lid, van het Paspoortbesluit bepaalt dat indien onzekerheid bestaat over de identiteit dan wel over het Nederlanderschap van de aanvrager, daarnaar een gericht onderzoek wordt ingesteld en dat dit onderzoek zoveel mogelijk verificatie van de identiteit dan wel de nationaliteit omvat met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld, dan wel buitenlandse reisdocumenten waarin hij staat vermeld en eventuele andere bewijsstukken.
Onderzoek
5. [eiser] voert aan dat de burgemeester het onderzoek naar zijn Nederlandse nationaliteit onvoldoende zorgvuldig en volledig heeft uitgevoerd. De burgemeester heeft geen aanvullende bewijsstukken opgevraagd en heeft ook geen nader onderzoek uitgevoerd, terwijl dit wel op de weg van de burgemeester lag. [eiser] heeft zijn aanvraag immers naar beste kunnen onderbouwd met (gelegaliseerde) documenten.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester het onderzoek naar de Nederlandse nationaliteit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5.2.
De burgemeester heeft in het verweerschrift gesteld dat een volledig en zorgvuldig onderzoek is verricht naar de nationaliteit van [eiser]. Daarbij heeft de burgemeester verwezen naar de Circulaire uniformering aanvraag- en uitgifteproces niet-ingezetenen (hierna: Circulaire). In de Bijlage Werkinstructie bij de Circulaire, onder 3, staat een werkinstructie voor het vaststellen van de nationaliteit. Daarin is beschreven dat moet worden onderzocht of de aanvrager Nederlander is aan de hand van bepaalde bewijsstukken. In de voetnoot is hierbij opgenomen dat voor grensgemeenten, zoals de gemeente Enschede, geldt dat als het onderzoek geen uitsluitsel geeft of er twijfel ontstaat, voor advies contact op wordt genomen met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND).
5.3.
De burgemeester heeft in het bestreden besluit en het verweerschrift nagelaten te beschrijven wat het volledige en zorgvuldige onderzoek heeft omvat. Pas ter zitting heeft de burgemeester toegelicht dat er telefonisch contact is opgenomen met de IND, de Rijkdienst voor Identiteitsgegevens en de andere grensgemeenten voor advies. Hiervan is echter niets schriftelijk vastgelegd. Dat maakt dat de rechtbank geen inzicht heeft kunnen krijgen in de zorgvuldigheid en volledigheid van het (gestelde) verrichte onderzoek naar de nationaliteit van [eiser]. Alleen al hierom is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
5.4.
Daar komt bij dat de burgemeester de aanvraag van [eiser] ten onrechte heeft afgewezen. Als de burgemeester zich op het standpunt stelt dat over de Nederlandse nationaliteit van [eiser] niet de nodige zekerheid is verkregen, had de burgemeester op grond van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 de aanvraag van [eiser] buiten behandeling moeten stellen in plaats van moeten afwijzen. Het bestreden besluit is ook daarom onvoldoende gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Dit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het beroep van [eiser] gegrond is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen, omdat het aan de burgemeester is om opnieuw onderzoek te doen naar de nationaliteit van [eiser].
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de burgemeester een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het griffierecht aan [eiser] vergoeden en krijgt [eiser] ook een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.
6.3.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt [eiser] een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
6.4.
[eiser] heeft ook verzocht om vergoeding van zijn reis- en verblijfkosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelezen in samenhang met het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldt daarvoor een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse, dan wel een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer indien openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is, alsmede verblijfkosten tot ten hoogste € 37,85 per dag, met inbegrip van overnachting. De rechtbank ziet aanleiding om de kosten van de vlucht van [eiser] van £ 191,76 (omgerekend € 224,44) voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Ook de kosten voor het openbaar vervoer van Schiphol naar Zwolle van € 48,40 komen voor vergoeding in aanmerking. De verblijfskosten stelt de rechtbank, ondanks het verzoek van [eiser] om zijn hotelovernachting geheel te vergoeden, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 37,85. Dat betekent dat de rechtbank de voor vergoeding in aanmerking komende reis- en verblijfskosten vaststelt op € 310,69.
6.5.
[eiser] heeft tot slot verzocht om vergoeding van zijn verletkosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt dat vastgesteld overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 9,- en € 109,- per uur bedraagt. [eiser] heeft verzocht om tien uur van € 17,60 voor het bijwonen van de zitting. Dat acht de rechtbank, gelet op de reisafstand van Liverpool naar Zwolle, niet onredelijk. De rechtbank stelt de voor vergoeding in aanmerking komende verletkosten daarom vast op € 176,-.
6.6.
De rechtbank stelt de totale proceskostenvergoeding gelet op de voorgaande overwegingen vast op € 2.354,69.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 oktober 2025;
- draagt de burgemeester op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan [eiser] moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 2.354,69 aan proceskosten aan [eiser].
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr.E. Diele, griffier, uitgesproken in het openbaar op
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
Artikel 9 van de Paspoortwet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1057, en 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2344.
Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 december 2024 (Stcrt. 2024, 40726).
Artikel 39, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 gelezen in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, van het Paspoortbesluit.
Artikel 1, aanhef en onder d, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d.
Artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d.
Artikel 1, aanhef en onder e, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e.