Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5005
2026-08-11
Strafrecht
08-072405-26 (P)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vrijspraak aanranding van een minderjarige
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.209 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-072405-26 (P)
Datum vonnis: 11 augustus 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres].
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juli 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. T. Geerdink, advocaat in Borne, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door de moeder van [slachtoffer]
(hierna ook: [slachtoffer]), namens [slachtoffer], voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens de benadeelde partij door mr. L. Cassese, advocaat in Almelo, is aangevoerd.
2De tenlastelegging
De verdenking komt, kort en zakelijk weergegeven, erop neer dat verdachte op
25 januari 2026 in Oldenzaal de vijftienjarige [slachtoffer] heeft aangerand.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 25 januari 2026 te Oldenzaal, althans in Nederland,
met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer],
een of meer seksuele handelingen heeft verricht,
te weten betasten van de billen en/of de vagina/vulva/schaamstreek van die [slachtoffer].
3De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verklaring van [slachtoffer] is betrouwbaar en vindt voldoende steun in andere bewijsmiddelen, namelijk in de verklaringen van [getuige 1] (hierna ook: [getuige 1]) en [getuige 2] (hierna ook: [getuige 2]).
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan (objectief en betrouwbaar) bewijs.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Ter discussie staat of verdachte de ten laste gelegde handelingen bij [slachtoffer] heeft verricht. Verdachte en [slachtoffer] hebben daarover tegengestelde verklaringen afgelegd. Verdachte heeft alles wat aan hem ten laste is gelegd ontkend.
Het wettelijk kader: bewijsminimum en steunbewijs
Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen met zich dat de verklaring van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden is. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna ook: Sv) kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op grond van enkel de verklaring van het vermeende slachtoffer, in dit geval de verklaring van [slachtoffer].
Om tot een bewezenverklaring te komen, dient sprake te zijn van steunbewijs. Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring ‘niet op zichzelf staat’, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. De vraag of aan dit zogenaamde bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Voor bewijs van misbruik is het dus niet nodig dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar de verklaring van [slachtoffer] moet wel op (andere) onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen.
Steunbewijs?
De cruciale vraag die de rechtbank in deze zaak dient te beantwoorden, is of er voldoende steunbewijs is naast de belastende verklaring van [slachtoffer]. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De enige bronnen van steunbewijs in dit dossier zijn de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Hierin vertellen de getuigen over emotie die zij op 25 januari 2026 hebben waargenomen bij [slachtoffer], kort na haar interactie met verdachte. Hoewel zichtbare emotie kort na een incident onder omstandigheden steunbewijs kan opleveren, is de rechtbank in deze zaak van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] ten opzichte van de verklaring van [slachtoffer] te veel discrepanties en tegenstrijdigheden bevatten over de feitelijke gang van zaken om als steunbewijs te kunnen dienen. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste bewijsminimum.
Conclusie: vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat voor het ten laste gelegde onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is en acht niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4De schade van benadeelde
4.1
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
4.2
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde feit. De rechtbank bepaalt daarom op grond van artikel 361 Sv dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
5De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. P. de Mos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.W. Renskers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-072405-26 (P)
Datum vonnis: 11 augustus 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres].
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juli 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. T. Geerdink, advocaat in Borne, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door de moeder van [slachtoffer]
(hierna ook: [slachtoffer]), namens [slachtoffer], voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens de benadeelde partij door mr. L. Cassese, advocaat in Almelo, is aangevoerd.
2De tenlastelegging
De verdenking komt, kort en zakelijk weergegeven, erop neer dat verdachte op
25 januari 2026 in Oldenzaal de vijftienjarige [slachtoffer] heeft aangerand.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 25 januari 2026 te Oldenzaal, althans in Nederland,
met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer],
een of meer seksuele handelingen heeft verricht,
te weten betasten van de billen en/of de vagina/vulva/schaamstreek van die [slachtoffer].
3De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verklaring van [slachtoffer] is betrouwbaar en vindt voldoende steun in andere bewijsmiddelen, namelijk in de verklaringen van [getuige 1] (hierna ook: [getuige 1]) en [getuige 2] (hierna ook: [getuige 2]).
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan (objectief en betrouwbaar) bewijs.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Ter discussie staat of verdachte de ten laste gelegde handelingen bij [slachtoffer] heeft verricht. Verdachte en [slachtoffer] hebben daarover tegengestelde verklaringen afgelegd. Verdachte heeft alles wat aan hem ten laste is gelegd ontkend.
Het wettelijk kader: bewijsminimum en steunbewijs
Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen met zich dat de verklaring van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden is. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna ook: Sv) kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op grond van enkel de verklaring van het vermeende slachtoffer, in dit geval de verklaring van [slachtoffer].
Om tot een bewezenverklaring te komen, dient sprake te zijn van steunbewijs. Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring ‘niet op zichzelf staat’, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. De vraag of aan dit zogenaamde bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Voor bewijs van misbruik is het dus niet nodig dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar de verklaring van [slachtoffer] moet wel op (andere) onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen.
Steunbewijs?
De cruciale vraag die de rechtbank in deze zaak dient te beantwoorden, is of er voldoende steunbewijs is naast de belastende verklaring van [slachtoffer]. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De enige bronnen van steunbewijs in dit dossier zijn de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Hierin vertellen de getuigen over emotie die zij op 25 januari 2026 hebben waargenomen bij [slachtoffer], kort na haar interactie met verdachte. Hoewel zichtbare emotie kort na een incident onder omstandigheden steunbewijs kan opleveren, is de rechtbank in deze zaak van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] ten opzichte van de verklaring van [slachtoffer] te veel discrepanties en tegenstrijdigheden bevatten over de feitelijke gang van zaken om als steunbewijs te kunnen dienen. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste bewijsminimum.
Conclusie: vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat voor het ten laste gelegde onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is en acht niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4De schade van benadeelde
4.1
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
4.2
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde feit. De rechtbank bepaalt daarom op grond van artikel 361 Sv dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
5De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. P. de Mos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.W. Renskers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.