Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:4998
2026-08-04
Civiel recht
11955931 \ CV EXPL 25-3302
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Mondelinge behandeling over de bewijslast, de oorzaak en de aansprakelijkheid van het al dan niet bestaan van schade aan auto en de afwikkeling van het erkende deel van de vorderingen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.219 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 11955931 \ CV EXPL 25-3302
Vonnis van 4 augustus 2026 na verzet
in de zaak van
de besloten vennootschap [geopposeerde] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats]
geopposeerde, hierna: [geopposeerde] ,
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
[opposant]
Wonend te [woonplaats 1] (België)
opposant, hierna : [opposant] ,
gemachtigde: mr. Y. Sasson, advocaat te Amsterdam.
1De procedure
1.1.
De kantonrechter heeft op 23 juli 2024 een verstekvonnis gewezen tussen [opposant] als gedaagde en [geopposeerde] als eiseres. Bij dagvaarding van 27 oktober 2025 is [opposant] in verzet tegen het verstekvonnis. Daarna zijn nog gewisseld:
de conclusie van antwoord in oppositie en
de conclusie van repliek in oppositie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Op 10 november 2022 sloten partijen een huurovereenkomst (productie 1 [geopposeerde] , verder: de huurovereenkomst ). [geopposeerde] verhuurde met ingang van 10 november 2022 aan [opposant] de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 1] (verder: Polo-1) voor de duur van 12 maanden tegen een bedrag van € 326,– per maand exclusief BTW. De eerste 1.000 kilometer per maand waren zogeheten ‘vrije kilometers’, de prijs voor kilometers daarboven (de zogeheten ‘meerkilometers’) bedroeg € 0,14 exclusief BTW per kilometer.
2.2.
Op de huurovereenkomst zijn de BOVAG-voorwaarden voor de zakelijke markt (productie 2 [geopposeerde] , verder: de BOVAG-voorwaarden) van toepassing. Artikel 14 van de BOVAG-voorwaarden luidt:
Voor rekening van huurder zijn alle sancties en gevolgen van maatregelen die in verband mei het ter beschikking hebben c.q. gebruiken van het voertuig van overheidswege worden opgelegd, tenzij deze verband houden met een defect dat bij aanvang van de huur reeds aanwezig was. Indien deze sancties en maatregelen aan verhuurder worden opgelegd is huurder gehouden verhuurder op diens eerste verzoek schadeloos te stellen, waarbij huurder aanvullend de kosten van incasso in en buiten rechte verschuldigd wordt, met een minimum van € 25 (excl. btw). Indien verhuurder in verband met enige gedraging of nalaten van huurder, zoals een verkeersovertreding, informatie aan autoriteiten verstrekt, is huurder gehouden de daarmee gepaard gaande kosten te vergoeden, met een minimum van € 10 (excl. btw).
2.3.
Na een ongeval heeft [geopposeerde] Polo-1 opgehaald en vervangen door de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 2] (verder: Polo 2).
2.4.
[geopposeerde] heeft facturen verzonden aan [opposant] conform onderstaand overzicht. De facturen [factuurnummer 1] en [factuurnummer 2] heeft [opposant] deels betaald. Op het overzicht staat het op die facturen nog openstaande bedrag vermeld.
<afbeelding>
2.5.
De inleidende dagvaarding is op 26 maart 2024 betekend en aangetekend verzonden aan [opposant] op het adres [adres 1] (België). Het aangetekende stuk is niet afgehaald en op 4 april 2024 retour is ontvangen (productie 14, [geopposeerde] ). Op 16 april 2024 heeft de deurwaarder in België een afschrift van de dagvaarding betekend (niet in persoon) aan [opposant] (productie 13, [geopposeerde] ).
2.6.
Op 27 oktober 2023 is [opposant] bij de GBA opgenomen als ‘Registratie Niet Ingezetenen (RNI)’ (productie 15, [geopposeerde] ). Als haar adres staat dan geregistreerd in het BRP [adres 1] (productie 13, [geopposeerde] ). Vanaf 4 april 2024 verbleef [opposant] in [woonplaats 2] (verzetdagvaarding onderdeel 3). Op 6 april 2024 is [opposant] bij de GBA ingeschreven aan de [adres 2] (productie 15, [geopposeerde] ).
2.7.
Het verstekvonnis is op 13 augustus 2024 betekend aan het adres [adres 1] (productie 3, [geopposeerde] )
2.8.
Op 28 augustus 2025 heeft [geopposeerde] ten laste van [opposant] derdenbeslag gelegd onder het COA (productie 5, [opposant] ). Op dat moment stond [opposant] andermaal (sinds 25 juni 2025) ingeschreven op het adres [adres 1] (productie 15, [geopposeerde] ).
3. De geldigheid van de inleidende dagvaarding en de ontvankelijkheid van [opposant] in haar verzet
3.1.
In de verzetdagvaarding stelt [opposant] dat zij tot 1 september 2025 niets wist van de oorspronkelijke dagvaarding van 26 maart 2024, en tot dat moment ook onbekend was met de inhoud daarvan en de bijbehorende producties. Bij conclusie van repliek in oppositie betoogt zij dat de dagvaarding niet rechtsgeldig is betekend omdat zij geen vaste woon- of verblijfplaats had in Nederland. De verzettermijn is op 1 september 2025 gaan lopen en omdat zij toen niet in Nederland woonde bedraagt de verzettermijn 8 weken (artikel 143 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) is het verzet tijdig ingesteld. Zij heeft niet in het vonnis berust
3.2.
Volgens [geopposeerde] is de dagvaarding wel rechtsgeldig betekend en dus niet nietig: het adres van [opposant] is op 13 maart 2024 voorafgaand aan de betekening geverifieerd door de deurwaarder in België en correct bevonden Op 26 maart 2024 is de dagvaarding formeel betekend en op dezelfde dag aangetekend verzonden aan [opposant] . De deurwaarder in België heeft daarna correct betekend.
Nu [opposant] op 1 september 2025 heeft verzocht om herberekening van de beslagvrije voet en daarvoor ook de gegevens heeft aangeleverd, heeft zij berust in het verstekvonnis.
3.3.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding had [opposant] geen bekende woonplaats in Nederland maar wel in België. Op grond van artikel 56 Rv dient betekening dan plaats te vinden met inachtneming van het bepaalde in artikel 56 lid 2 tot en met 5 Rv. Daaraan is voldaan en [opposant] heeft ook niet gesteld aan welke van deze vereisten niet zou zijn voldaan.
3.4.
Ten tijde van het leggen van het derdenbeslag en het daarop volgende contact tussen [opposant] en de gemachtigde van [geopposeerde] had [opposant] geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, maar wel een bekende woonplaats in België. Derhalve gold voor haar een verzettermijn van acht weken (artikel 143 lid 2 tweede volzin Rv). Deze termijn is gaan lopen op 1 september 2025 en liep af op 27 oktober 2025. De verzetdagvaarding is derhalve tijdig uitgebracht.
Dat [opposant] naar aanleiding van het derdenbeslag heeft gevraagd om herberekening van de beslagvrije voet is geen ondubbelzinnige berusting: het verstekvonnis is uitvoerbaar bij voorraad zodat voor [opposant] weinig anders openstond dan te proberen de gevolgen van executie voor haar zoveel mogelijk te beperken. Gelet op dit alles is [opposant] ontvankelijk in haar verzet.
4Het geschil en de beoordeling
4.1.
[geopposeerde] maakt aanspraak op betaling van het openstaande bedrag op de facturen (zie hiervoor onder 2.4, de wettelijke handelsrente vermeerderd met 2% over de hoofdsom, berekend vanaf 19 februari 2024, buitengerechtelijke kosten á € 1.105,05 en een proceskostenveroordeling van [opposant] . Daartoe voert zij aan zoals hieronder – voor zover relevant – nader zal worden weergegeven.
4.2.
[opposant] erkent de verschuldigdheid van alle facturen behalve de factuur – naar de kantonrechter begrijpt – met nummer [factuurnummer 3] van 31 oktober 2023 ten bedrage van € 4.036,66. [opposant] betwist dat zij schade zou hebben gereden aan Polo 2, althans is die schade (linksvoor, rechtsachter en een missende wieldop) haar niet bekend. Zij heeft niet getekend voor retour en is niet akkoord gegaan met het in rekening brengen van het eigen risico, de berekende brandstof en de extra gereden kilometers. Zij betwist de in rekening gebrachte bedragen van € 650,– excl. btw (voor de beweerde schade), € 36,92 excl. btw en € 3.217,48 excl. btw.
4.3.
[geopposeerde] is nog niet in de gelegenheid geweest om te reageren op de betwistingen door [opposant] . Aan [geopposeerde] kan worden toegegeven dat deze betwistingen rijkelijk laat naar voren zijn gebracht en dat de oorzaak voor het tijdsverloop sinds het einde van de huurovereenkomst gelegen lijkt te zijn in de risicosfeer van [opposant] . De kantonrechter wenst partijen te spreken over de gestelde schade aan Polo 2, op wie van partijen de bewijslast rust van het al dan niet bestaan van die schade, de oorzaak van de schade en de aansprakelijkheid daarvoor, alsook over de afwikkeling van het erkende deel van de vorderingen.
4.4.
Voor deze mondelinge behandeling wordt 90 minuten uitgetrokken. De zaak wordt verwezen naar de rol voor dagbepaling. Partijen dienen hun verhinderdata op te geven. Als zij menen (veel) meer tijd nodig te hebben voor deze behandeling, dan dienen zij een verzoek daartoe met redenen te omkleden.
4.5.
Elke verdere beslissing wordt aangehouden.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 18 augustus 2026 voor dagbepaling, zoals overwogen onder 4.3 en 4.4;
5.2.
Houdt elke verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 11955931 \ CV EXPL 25-3302
Vonnis van 4 augustus 2026 na verzet
in de zaak van
de besloten vennootschap [geopposeerde] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats]
geopposeerde, hierna: [geopposeerde] ,
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
[opposant]
Wonend te [woonplaats 1] (België)
opposant, hierna : [opposant] ,
gemachtigde: mr. Y. Sasson, advocaat te Amsterdam.
1De procedure
1.1.
De kantonrechter heeft op 23 juli 2024 een verstekvonnis gewezen tussen [opposant] als gedaagde en [geopposeerde] als eiseres. Bij dagvaarding van 27 oktober 2025 is [opposant] in verzet tegen het verstekvonnis. Daarna zijn nog gewisseld:
de conclusie van antwoord in oppositie en
de conclusie van repliek in oppositie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Op 10 november 2022 sloten partijen een huurovereenkomst (productie 1 [geopposeerde] , verder: de huurovereenkomst ). [geopposeerde] verhuurde met ingang van 10 november 2022 aan [opposant] de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 1] (verder: Polo-1) voor de duur van 12 maanden tegen een bedrag van € 326,– per maand exclusief BTW. De eerste 1.000 kilometer per maand waren zogeheten ‘vrije kilometers’, de prijs voor kilometers daarboven (de zogeheten ‘meerkilometers’) bedroeg € 0,14 exclusief BTW per kilometer.
2.2.
Op de huurovereenkomst zijn de BOVAG-voorwaarden voor de zakelijke markt (productie 2 [geopposeerde] , verder: de BOVAG-voorwaarden) van toepassing. Artikel 14 van de BOVAG-voorwaarden luidt:
Voor rekening van huurder zijn alle sancties en gevolgen van maatregelen die in verband mei het ter beschikking hebben c.q. gebruiken van het voertuig van overheidswege worden opgelegd, tenzij deze verband houden met een defect dat bij aanvang van de huur reeds aanwezig was. Indien deze sancties en maatregelen aan verhuurder worden opgelegd is huurder gehouden verhuurder op diens eerste verzoek schadeloos te stellen, waarbij huurder aanvullend de kosten van incasso in en buiten rechte verschuldigd wordt, met een minimum van € 25 (excl. btw). Indien verhuurder in verband met enige gedraging of nalaten van huurder, zoals een verkeersovertreding, informatie aan autoriteiten verstrekt, is huurder gehouden de daarmee gepaard gaande kosten te vergoeden, met een minimum van € 10 (excl. btw).
2.3.
Na een ongeval heeft [geopposeerde] Polo-1 opgehaald en vervangen door de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 2] (verder: Polo 2).
2.4.
[geopposeerde] heeft facturen verzonden aan [opposant] conform onderstaand overzicht. De facturen [factuurnummer 1] en [factuurnummer 2] heeft [opposant] deels betaald. Op het overzicht staat het op die facturen nog openstaande bedrag vermeld.
<afbeelding>
2.5.
De inleidende dagvaarding is op 26 maart 2024 betekend en aangetekend verzonden aan [opposant] op het adres [adres 1] (België). Het aangetekende stuk is niet afgehaald en op 4 april 2024 retour is ontvangen (productie 14, [geopposeerde] ). Op 16 april 2024 heeft de deurwaarder in België een afschrift van de dagvaarding betekend (niet in persoon) aan [opposant] (productie 13, [geopposeerde] ).
2.6.
Op 27 oktober 2023 is [opposant] bij de GBA opgenomen als ‘Registratie Niet Ingezetenen (RNI)’ (productie 15, [geopposeerde] ). Als haar adres staat dan geregistreerd in het BRP [adres 1] (productie 13, [geopposeerde] ). Vanaf 4 april 2024 verbleef [opposant] in [woonplaats 2] (verzetdagvaarding onderdeel 3). Op 6 april 2024 is [opposant] bij de GBA ingeschreven aan de [adres 2] (productie 15, [geopposeerde] ).
2.7.
Het verstekvonnis is op 13 augustus 2024 betekend aan het adres [adres 1] (productie 3, [geopposeerde] )
2.8.
Op 28 augustus 2025 heeft [geopposeerde] ten laste van [opposant] derdenbeslag gelegd onder het COA (productie 5, [opposant] ). Op dat moment stond [opposant] andermaal (sinds 25 juni 2025) ingeschreven op het adres [adres 1] (productie 15, [geopposeerde] ).
3. De geldigheid van de inleidende dagvaarding en de ontvankelijkheid van [opposant] in haar verzet
3.1.
In de verzetdagvaarding stelt [opposant] dat zij tot 1 september 2025 niets wist van de oorspronkelijke dagvaarding van 26 maart 2024, en tot dat moment ook onbekend was met de inhoud daarvan en de bijbehorende producties. Bij conclusie van repliek in oppositie betoogt zij dat de dagvaarding niet rechtsgeldig is betekend omdat zij geen vaste woon- of verblijfplaats had in Nederland. De verzettermijn is op 1 september 2025 gaan lopen en omdat zij toen niet in Nederland woonde bedraagt de verzettermijn 8 weken (artikel 143 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) is het verzet tijdig ingesteld. Zij heeft niet in het vonnis berust
3.2.
Volgens [geopposeerde] is de dagvaarding wel rechtsgeldig betekend en dus niet nietig: het adres van [opposant] is op 13 maart 2024 voorafgaand aan de betekening geverifieerd door de deurwaarder in België en correct bevonden Op 26 maart 2024 is de dagvaarding formeel betekend en op dezelfde dag aangetekend verzonden aan [opposant] . De deurwaarder in België heeft daarna correct betekend.
Nu [opposant] op 1 september 2025 heeft verzocht om herberekening van de beslagvrije voet en daarvoor ook de gegevens heeft aangeleverd, heeft zij berust in het verstekvonnis.
3.3.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding had [opposant] geen bekende woonplaats in Nederland maar wel in België. Op grond van artikel 56 Rv dient betekening dan plaats te vinden met inachtneming van het bepaalde in artikel 56 lid 2 tot en met 5 Rv. Daaraan is voldaan en [opposant] heeft ook niet gesteld aan welke van deze vereisten niet zou zijn voldaan.
3.4.
Ten tijde van het leggen van het derdenbeslag en het daarop volgende contact tussen [opposant] en de gemachtigde van [geopposeerde] had [opposant] geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, maar wel een bekende woonplaats in België. Derhalve gold voor haar een verzettermijn van acht weken (artikel 143 lid 2 tweede volzin Rv). Deze termijn is gaan lopen op 1 september 2025 en liep af op 27 oktober 2025. De verzetdagvaarding is derhalve tijdig uitgebracht.
Dat [opposant] naar aanleiding van het derdenbeslag heeft gevraagd om herberekening van de beslagvrije voet is geen ondubbelzinnige berusting: het verstekvonnis is uitvoerbaar bij voorraad zodat voor [opposant] weinig anders openstond dan te proberen de gevolgen van executie voor haar zoveel mogelijk te beperken. Gelet op dit alles is [opposant] ontvankelijk in haar verzet.
4Het geschil en de beoordeling
4.1.
[geopposeerde] maakt aanspraak op betaling van het openstaande bedrag op de facturen (zie hiervoor onder 2.4, de wettelijke handelsrente vermeerderd met 2% over de hoofdsom, berekend vanaf 19 februari 2024, buitengerechtelijke kosten á € 1.105,05 en een proceskostenveroordeling van [opposant] . Daartoe voert zij aan zoals hieronder – voor zover relevant – nader zal worden weergegeven.
4.2.
[opposant] erkent de verschuldigdheid van alle facturen behalve de factuur – naar de kantonrechter begrijpt – met nummer [factuurnummer 3] van 31 oktober 2023 ten bedrage van € 4.036,66. [opposant] betwist dat zij schade zou hebben gereden aan Polo 2, althans is die schade (linksvoor, rechtsachter en een missende wieldop) haar niet bekend. Zij heeft niet getekend voor retour en is niet akkoord gegaan met het in rekening brengen van het eigen risico, de berekende brandstof en de extra gereden kilometers. Zij betwist de in rekening gebrachte bedragen van € 650,– excl. btw (voor de beweerde schade), € 36,92 excl. btw en € 3.217,48 excl. btw.
4.3.
[geopposeerde] is nog niet in de gelegenheid geweest om te reageren op de betwistingen door [opposant] . Aan [geopposeerde] kan worden toegegeven dat deze betwistingen rijkelijk laat naar voren zijn gebracht en dat de oorzaak voor het tijdsverloop sinds het einde van de huurovereenkomst gelegen lijkt te zijn in de risicosfeer van [opposant] . De kantonrechter wenst partijen te spreken over de gestelde schade aan Polo 2, op wie van partijen de bewijslast rust van het al dan niet bestaan van die schade, de oorzaak van de schade en de aansprakelijkheid daarvoor, alsook over de afwikkeling van het erkende deel van de vorderingen.
4.4.
Voor deze mondelinge behandeling wordt 90 minuten uitgetrokken. De zaak wordt verwezen naar de rol voor dagbepaling. Partijen dienen hun verhinderdata op te geven. Als zij menen (veel) meer tijd nodig te hebben voor deze behandeling, dan dienen zij een verzoek daartoe met redenen te omkleden.
4.5.
Elke verdere beslissing wordt aangehouden.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 18 augustus 2026 voor dagbepaling, zoals overwogen onder 4.3 en 4.4;
5.2.
Houdt elke verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.