Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:4877
2026-07-28
Civiel recht
11900865 \ CV EXPL 25-2915
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Loonvordering. Klachtplicht niet geschonden. Saldo verlofuren bij einde arbeidsovereenkomst.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2024:1278 Hoge Raad 20-09-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.850 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11900865 \ CV EXPL 25-2915
Vonnis van 28 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
1de vennootschap onder firma V.O.F. [gedaagde 1],
handelend onder de naam [gedaagde 1],
gevestigd te [vestigingsplaats 1],2. [gedaagde 2],
in hoedanigheid van vennoot van V.O.F. [gedaagde 1],
wonende te [woonplaats 2],3. [gedaagde 3],
in hoedanigheid van vennoot van V.O.F. [gedaagde 1],
wonende te [woonplaats 3],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging producties 19a en 20 van [eiser] van 2 juni 2026,
- de akte overlegging producties 21 tot en met 23 van [eiser] van 11 juni 2026,
- de mondelinge behandeling van 12 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
[gedaagden] runnen een bakkerij genaamd [gedaagde 1] met twee vestigingen in Enschede.
2.2
[eiser] is op 14 september 2020 bij [gedaagden] in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als verkoopmedewerkster met een arbeidsomvang van 32 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Bakkersbedrijf van toepassing.
2.3
De arbeidsovereenkomst is door [eiser] opgezegd en is geëindigd op 31 december 2023.
3Het geschil
3.1
[eiser] vordert - samengevat - betaling van achterstallig loon en uitbetaling van het nog openstaande verlofsaldo, vermeerderd met de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten. Over 2020 stelt [eiser] slechts twee van de vier gewerkte loonperiodes loon te hebben ontvangen. Over 2021 heeft [gedaagden] volgens Wolter een te laag uurloon betaald en daarom heeft zij te weinig loon ontvangen. Vanaf 1 januari 2022 stelt [eiser] dat zij de functie van bedrijfsleider II uitoefende en recht had op een hoger uurloon. Bovendien hebben [gedaagden] de eenmalige cao-uitkering van € 300,00 bruto niet uitgekeerd. Verder had [eiser] vanaf 1 januari 2023 recht op de jaarlijkse loonverhoging. Daarnaast vordert [eiser] betaling van het openstaande verlofsaldo van 436,6 uren. Tot slot maakt [eiser] aanspraak op een netto reisvergoeding van € 825,00.
3.2
[gedaagden] voeren verweer. Zij stellen het loon van [eiser] betaald te hebben. Verder betwisten [gedaagden] dat [eiser] vanaf 1 januari 2022 werkzaam was als bedrijfsleidster. Ook betwisten zij de hoogte van het openstaande verlofsaldo. Volgens [gedaagden] is er sprake van een openstaand verlofsaldo van 14,34 uren. [gedaagden] hebben de loonvordering over 2021 en de gevorderde eenmalige cao-uitkering van € 300,00 bruto erkend.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
De klachtplicht is niet geschonden
4.1
Het meest vergaande verweer van [gedaagden] is dat [eiser] niet tijdig geklaagd heeft en daarom geen aanspraak meer kan maken op betaling van het achterstallige loon, het openstaande verlofsaldo en de reiskostenvergoeding.
4.2
Het uitgangspunt is dat de klachtplicht ook van toepassing is in het arbeidsrecht. De vordering van [eiser] betreft de betaling van te weinig betaald loon. Op een dergelijke vordering is de klachtplicht van toepassing. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad moeten bij de beoordeling van de vraag of tijdig is geklaagd, alle omstandigheden van het geval worden meegenomen. Daarbij moet ook worden meegenomen of [gedaagden] in dit geval nadeel lijden door het late tijdstip waarop [eiser] hebben geklaagd. Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de klachtplicht niet van toepassing is op situaties waarin in het geheel geen prestatie is verricht.
4.3
Het voorgaande betekent dat de klachtplicht in ieder geval niet van toepassing is op de loonvordering van [eiser] over het jaar 2020, omdat [eiser] stelt dat zij twee van de vier loonperiodes in het geheel geen loon heeft ontvangen. Er is dus geen sprake van een gebrekkige prestatie, maar van het niet verrichten van de prestatie.
4.4
Wat betreft de andere vorderingen oordeelt de kantonrechter dat de klachtplicht niet is geschonden. [gedaagden] hebben onvoldoende gesteld dat zij door het te late klagen zijn beschadigd in hun belangen. Zij stellen weliswaar dat door waterschade en het overstappen naar een nieuw systeem een deel van de administratie verloren is gegaan, maar desondanks hebben [gedaagden] bij de conclusie van antwoord wel loonstroken van [eiser] van 2020 overgelegd. Kennelijk was deze administratie dus nog wel beschikbaar. Ook hebben [gedaagden] ter zitting toegelicht dat zij de avond ervoor alsnog de verlofadministratie van de accountant hebben ontvangen. Ook weegt de kantonrechter mee dat [eiser] herhaaldelijk bij [gedaagden] heeft moeten vragen om loonstroken en de verlofadministratie om na te kunnen gaan of zij heeft ontvangen waar ze recht op heeft. Tot slot moet ook niet uit het oog worden verloren dat het voor een werknemer, gezien de veelal hiërarchische verhouding tussen een werkgever en een werknemer, niet eenvoudig is om zomaar te klagen over te weinig betaald loon, zeker als sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Kortom, [eiser] heeft haar klachtplicht niet geschonden.
De loonvordering van [eiser]
4.5
vordert betaling van achterstallig loon over 2020, 2021, 2022 en 2023. Daarnaast vordert [eiser] betaling van het openstaande verlofsaldo. Een deel van de vorderingen van [eiser] is door [gedaagden] erkend. Om de vorderingen van [eiser] goed te kunnen beoordelen acht de kantonrechter zich op bepaalde punten onvoldoende geïnformeerd. De kantonrechter zal hieronder daarom toelichten op welke punten zij nadere informatie wenst van partijen.
Het loon over 2020
4.6
[eiser] stelt over 2020 slechts twee van de vier loonperiodes loon te hebben ontvangen. Door [gedaagden] zijn weliswaar loonstroken van alle vier loonperiodes overgelegd en een document met betalingsbatches, maar volgens Wolter staat daarop niet het correcte bankrekeningnummer. Nu [eiser] gemotiveerd heeft betwist dat het loon over 2020 volledig betaald is, is het aan [gedaagden] om te bewijzen dat zij het loon over 2020 hebben betaald. Dit bewijsaanbod hebben [gedaagden] ook gedaan. De kantonrechter maakt uit het bewijsaanbod van [gedaagden] op dat betalingsbewijzen voorhanden zijn. [gedaagden] worden daarom in de gelegenheid gesteld om de betalingsbewijzen die zien op de loonbetalingen van de laatste vier loonperiodes van 2020 bij akte te overleggen met een korte toelichting. Als de betalingsbewijzen uitblijven dan zal de kantonrechter daar de gevolgen aan verbinden die zij geraden acht.
De loonvordering over 2021 en de gevorderde eenmalige cao-uitkering van € 300,00 zijn door [gedaagden] erkend
4.7
[gedaagden] hebben de loonvordering over 2021 erkend. Ook hebben [gedaagden] erkend dat ze de eenmalige cao-uitkering van juli 2022 van € 300,00 bruto nog moeten betalen aan [eiser]. Dit gedeelte van de vordering van [eiser] zal in het eindvonnis dan ook worden toegewezen.
Het loon over 2022 en 2023
4.8
Partijen twisten wat dit gedeelte van de vordering betreft over de vraag welke functie [eiser] uitoefende en welke arbeidsduur partijen hebben afgesproken. De vraag is of [eiser] werkzaam was als verkoopmedewerker of als bedrijfsleider. Volgens [eiser] was zij per 1 januari 2022 werkzaam als bedrijfsleider II voor 38 uur per week. Volgens [gedaagden] was [eiser] werkzaam als verkoopmedewerker III en is de arbeidsduur op 1 mei 2022 aangepast van 32 uur naar 38 uur per week. Niet is gebleken dat partijen de afspraken schriftelijk hebben vastgelegd. Beide partijen hebben weliswaar een schriftelijke arbeidsovereenkomst overgelegd, maar deze is niet ondertekend en de geldigheid daarvan wordt ook door [eiser] betwist. Ook staat in de arbeidsovereenkomst dat deze ingaat op 1 mei 2002 met de eerste maand als proeftijd, terwijl voor 1 mei 2022 al een arbeidsovereenkomst tussen partijen gold en een nieuwe proeftijd aldus niet rechtsgeldig kon worden overeengekomen.
4.9
De kantonrechter volgt [eiser] niet in haar stelling dat ze vanaf 1 januari 2022 werkzaam was als bedrijfsleider II. Uit de functieomschrijving in de cao Bakkersbedrijf blijkt dat het takenpakket van bedrijfsleider II ten opzichte van bedrijfsleider I aanzienlijk groter is en meer verantwoordelijkheden omvat. Niet is gebleken dat zij deze taken uitvoerde. Uit de door [eiser] overgelegde WhatsApp-correspondentie (productie 12 bij dagvaarding) blijkt bijvoorbeeld dat zij overleg heeft met [gedaagden] over de inzet van personeel op een zondag, terwijl uit de functieomschrijving in de cao Bakkersbedrijf behorend bij bedrijfsleider II blijkt dat bij deze functie behoort het regelen van voldoende bezetting. Kennelijk was haar functioneren nog niet op het niveau van de functie van bedrijfsleidster II.
4.10
De kantonrechter oordeelt dat het wel voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] per 1 januari 2022 de functie van bedrijfsleider I is gaan uitoefenen. Dat wordt als volgt toegelicht. [gedaagden] hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [eiser] het Talent Ontwikkel Programma (TOP) van [gedaagde 1] is gaan volgen. Uit de toelichting van [gedaagden] en uit de door hen overgelegde stukken die zien op die opleiding blijkt dat deze opleiding bedoeld is voor medewerkers die werkzaam zijn als bedrijfsleider bij een vestiging van [gedaagde 1]. Daarnaast blijkt uit de door [eiser] overgelegde WhatsApp-correspondentie tussen [eiser] en [gedaagden] dat [eiser] bevoegd was tot het ontslaan van medewerkers (productie 12 bij dagvaarding). Bovendien wordt er meermaals in de correspondentie door [gedaagden] genoemd dat [eiser] bedrijfsleidster is. [gedaagden] stellen dat zij dit hebben gezegd in het kader van de opleiding die [eiser] volgde, omdat ze daarvoor taken van een bedrijfsleider moest oefenen en het slechts een toneelstuk was. Die stelling acht de kantonrechter ongeloofwaardig, gelet op het feit dat alleen bedrijfsleiders van [gedaagde 1] deel konden nemen aan de opleiding. Bovendien is ook gebleken uit de WhatsApp-correspondentie dat het de intentie van [gedaagden] was dat [eiser] na een jaar zou doorgroeien naar de functie van bedrijfsleidster (productie 21 van de zijde van [eiser]). De kantonrechter oordeelt dan ook dat [eiser] vanaf 1 januari 2022 werkzaam was als bedrijfsleidster I.
4.11
Door [eiser] is onweersproken gesteld dat de functie van bedrijfsleidster alleen fulltime kan worden vervuld. Bovendien blijkt uit de overgelegde loonstroken dat [eiser] in de periode 1 januari 2022 tot en met 30 april 2022 structureel meer dan 32 uur per week heeft gewerkt. De kantonrechter oordeelt dan ook dat vanaf 1 januari 2022 eveneens een arbeidsduur van 38 uur per week gold.
4.12
Bovenstaande betekent dat [eiser] te weinig loon heeft ontvangen vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023. De kantonrechter acht zich op dit moment onvoldoende ingelicht om de hoogte van het [eiser] toekomende loon over 2022 en 2023 te bepalen. De kantonrechter zal beide partijen daarom in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over de op grond van de cao Bakkersbedrijf op de functie van bedrijfsleider I van toepassing zijnde salarisschaal en -trede. Daarnaast dienen partijen zich uit te laten over welk loon, vakantietoeslag en overige emolumenten [gedaagden] aan [eiser] verschuldigd zijn over de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 op basis van de cao Bakkersbedrijf.
Verlofsaldo
4.13
Tot slot vordert [eiser] uitbetaling van het nog openstaande verlofsaldo. Partijen twisten over de vraag wat de hoogte van het verlofsaldo is. Volgens [eiser] moeten er nog 436,6 verlofuren uitbetaald worden, maar ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat dit niet klopt, omdat zij in oktober 2021 twee weken verlof heeft opgenomen voor een vakantie naar Gran Canaria en in september 2023 twee weken voor een vakantie in Mexico en deze opnames zijn niet meegenomen in haar berekening. Volgens [eiser] heeft zij in 2022 geen vakantie opgenomen, omdat ze langdurig arbeidsongeschikt is geweest. [gedaagden] hebben betwist dat er sprake is van een openstaand saldo van 436,6 uren. Volgens [gedaagden] is er nog sprake van een openstaand verlofsaldo van 14,34 uren, maar stukken die dat verlofsaldo onderbouwen hebben [gedaagden] niet overgelegd. Ter zitting hebben [gedaagden] toegelicht dat dat het verlofoverzicht van de accountant pas de avond ervoor is ontvangen.
4.14
Het uitgangspunt is dat het openstaande verlofsaldo bij het einde van de arbeidsovereenkomst wordt uitbetaald aan de werknemer als dit niet is opgenomen. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om een deugdelijke verlofadministratie van alle werknemers bij te houden. Nu de berekening van de vordering van [eiser] ten aanzien van het verlofsaldo kennelijk niet juist is en [gedaagden] stellen dat er sprake is van een verlofsaldo van 14,34 uren acht de kantonrechter het noodzakelijk dat beide partijen hun stellingen ten aanzien van het openstaande verlofsaldo nader toelichten. Daarbij merkt de kantonrechter op dat als een deugdelijke verlofadministratie van de zijde van [gedaagden], ook nadat zij hiertoe in de gelegenheid zijn gesteld, niet wordt overgelegd, zij daar de gevolgen aan zal verbinden die zij geraden acht.
4.15
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 8 september 2026 voor:
- het nemen van een akte door [gedaagden] over wat is vermeld onder 4.6,
- het nemen van een akte door beide partijen over wat is vermeld onder 4.12 en 4.14,
waarna beide partijen op de rol van dinsdag 6 oktober 2026 in reactie op elkaars akte een antwoordakte kunnen nemen,
5.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
Hoge Raad 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1278.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11900865 \ CV EXPL 25-2915
Vonnis van 28 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
1de vennootschap onder firma V.O.F. [gedaagde 1],
handelend onder de naam [gedaagde 1],
gevestigd te [vestigingsplaats 1],2. [gedaagde 2],
in hoedanigheid van vennoot van V.O.F. [gedaagde 1],
wonende te [woonplaats 2],3. [gedaagde 3],
in hoedanigheid van vennoot van V.O.F. [gedaagde 1],
wonende te [woonplaats 3],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging producties 19a en 20 van [eiser] van 2 juni 2026,
- de akte overlegging producties 21 tot en met 23 van [eiser] van 11 juni 2026,
- de mondelinge behandeling van 12 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
[gedaagden] runnen een bakkerij genaamd [gedaagde 1] met twee vestigingen in Enschede.
2.2
[eiser] is op 14 september 2020 bij [gedaagden] in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als verkoopmedewerkster met een arbeidsomvang van 32 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Bakkersbedrijf van toepassing.
2.3
De arbeidsovereenkomst is door [eiser] opgezegd en is geëindigd op 31 december 2023.
3Het geschil
3.1
[eiser] vordert - samengevat - betaling van achterstallig loon en uitbetaling van het nog openstaande verlofsaldo, vermeerderd met de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten. Over 2020 stelt [eiser] slechts twee van de vier gewerkte loonperiodes loon te hebben ontvangen. Over 2021 heeft [gedaagden] volgens Wolter een te laag uurloon betaald en daarom heeft zij te weinig loon ontvangen. Vanaf 1 januari 2022 stelt [eiser] dat zij de functie van bedrijfsleider II uitoefende en recht had op een hoger uurloon. Bovendien hebben [gedaagden] de eenmalige cao-uitkering van € 300,00 bruto niet uitgekeerd. Verder had [eiser] vanaf 1 januari 2023 recht op de jaarlijkse loonverhoging. Daarnaast vordert [eiser] betaling van het openstaande verlofsaldo van 436,6 uren. Tot slot maakt [eiser] aanspraak op een netto reisvergoeding van € 825,00.
3.2
[gedaagden] voeren verweer. Zij stellen het loon van [eiser] betaald te hebben. Verder betwisten [gedaagden] dat [eiser] vanaf 1 januari 2022 werkzaam was als bedrijfsleidster. Ook betwisten zij de hoogte van het openstaande verlofsaldo. Volgens [gedaagden] is er sprake van een openstaand verlofsaldo van 14,34 uren. [gedaagden] hebben de loonvordering over 2021 en de gevorderde eenmalige cao-uitkering van € 300,00 bruto erkend.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
De klachtplicht is niet geschonden
4.1
Het meest vergaande verweer van [gedaagden] is dat [eiser] niet tijdig geklaagd heeft en daarom geen aanspraak meer kan maken op betaling van het achterstallige loon, het openstaande verlofsaldo en de reiskostenvergoeding.
4.2
Het uitgangspunt is dat de klachtplicht ook van toepassing is in het arbeidsrecht. De vordering van [eiser] betreft de betaling van te weinig betaald loon. Op een dergelijke vordering is de klachtplicht van toepassing. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad moeten bij de beoordeling van de vraag of tijdig is geklaagd, alle omstandigheden van het geval worden meegenomen. Daarbij moet ook worden meegenomen of [gedaagden] in dit geval nadeel lijden door het late tijdstip waarop [eiser] hebben geklaagd. Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de klachtplicht niet van toepassing is op situaties waarin in het geheel geen prestatie is verricht.
4.3
Het voorgaande betekent dat de klachtplicht in ieder geval niet van toepassing is op de loonvordering van [eiser] over het jaar 2020, omdat [eiser] stelt dat zij twee van de vier loonperiodes in het geheel geen loon heeft ontvangen. Er is dus geen sprake van een gebrekkige prestatie, maar van het niet verrichten van de prestatie.
4.4
Wat betreft de andere vorderingen oordeelt de kantonrechter dat de klachtplicht niet is geschonden. [gedaagden] hebben onvoldoende gesteld dat zij door het te late klagen zijn beschadigd in hun belangen. Zij stellen weliswaar dat door waterschade en het overstappen naar een nieuw systeem een deel van de administratie verloren is gegaan, maar desondanks hebben [gedaagden] bij de conclusie van antwoord wel loonstroken van [eiser] van 2020 overgelegd. Kennelijk was deze administratie dus nog wel beschikbaar. Ook hebben [gedaagden] ter zitting toegelicht dat zij de avond ervoor alsnog de verlofadministratie van de accountant hebben ontvangen. Ook weegt de kantonrechter mee dat [eiser] herhaaldelijk bij [gedaagden] heeft moeten vragen om loonstroken en de verlofadministratie om na te kunnen gaan of zij heeft ontvangen waar ze recht op heeft. Tot slot moet ook niet uit het oog worden verloren dat het voor een werknemer, gezien de veelal hiërarchische verhouding tussen een werkgever en een werknemer, niet eenvoudig is om zomaar te klagen over te weinig betaald loon, zeker als sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Kortom, [eiser] heeft haar klachtplicht niet geschonden.
De loonvordering van [eiser]
4.5
vordert betaling van achterstallig loon over 2020, 2021, 2022 en 2023. Daarnaast vordert [eiser] betaling van het openstaande verlofsaldo. Een deel van de vorderingen van [eiser] is door [gedaagden] erkend. Om de vorderingen van [eiser] goed te kunnen beoordelen acht de kantonrechter zich op bepaalde punten onvoldoende geïnformeerd. De kantonrechter zal hieronder daarom toelichten op welke punten zij nadere informatie wenst van partijen.
Het loon over 2020
4.6
[eiser] stelt over 2020 slechts twee van de vier loonperiodes loon te hebben ontvangen. Door [gedaagden] zijn weliswaar loonstroken van alle vier loonperiodes overgelegd en een document met betalingsbatches, maar volgens Wolter staat daarop niet het correcte bankrekeningnummer. Nu [eiser] gemotiveerd heeft betwist dat het loon over 2020 volledig betaald is, is het aan [gedaagden] om te bewijzen dat zij het loon over 2020 hebben betaald. Dit bewijsaanbod hebben [gedaagden] ook gedaan. De kantonrechter maakt uit het bewijsaanbod van [gedaagden] op dat betalingsbewijzen voorhanden zijn. [gedaagden] worden daarom in de gelegenheid gesteld om de betalingsbewijzen die zien op de loonbetalingen van de laatste vier loonperiodes van 2020 bij akte te overleggen met een korte toelichting. Als de betalingsbewijzen uitblijven dan zal de kantonrechter daar de gevolgen aan verbinden die zij geraden acht.
De loonvordering over 2021 en de gevorderde eenmalige cao-uitkering van € 300,00 zijn door [gedaagden] erkend
4.7
[gedaagden] hebben de loonvordering over 2021 erkend. Ook hebben [gedaagden] erkend dat ze de eenmalige cao-uitkering van juli 2022 van € 300,00 bruto nog moeten betalen aan [eiser]. Dit gedeelte van de vordering van [eiser] zal in het eindvonnis dan ook worden toegewezen.
Het loon over 2022 en 2023
4.8
Partijen twisten wat dit gedeelte van de vordering betreft over de vraag welke functie [eiser] uitoefende en welke arbeidsduur partijen hebben afgesproken. De vraag is of [eiser] werkzaam was als verkoopmedewerker of als bedrijfsleider. Volgens [eiser] was zij per 1 januari 2022 werkzaam als bedrijfsleider II voor 38 uur per week. Volgens [gedaagden] was [eiser] werkzaam als verkoopmedewerker III en is de arbeidsduur op 1 mei 2022 aangepast van 32 uur naar 38 uur per week. Niet is gebleken dat partijen de afspraken schriftelijk hebben vastgelegd. Beide partijen hebben weliswaar een schriftelijke arbeidsovereenkomst overgelegd, maar deze is niet ondertekend en de geldigheid daarvan wordt ook door [eiser] betwist. Ook staat in de arbeidsovereenkomst dat deze ingaat op 1 mei 2002 met de eerste maand als proeftijd, terwijl voor 1 mei 2022 al een arbeidsovereenkomst tussen partijen gold en een nieuwe proeftijd aldus niet rechtsgeldig kon worden overeengekomen.
4.9
De kantonrechter volgt [eiser] niet in haar stelling dat ze vanaf 1 januari 2022 werkzaam was als bedrijfsleider II. Uit de functieomschrijving in de cao Bakkersbedrijf blijkt dat het takenpakket van bedrijfsleider II ten opzichte van bedrijfsleider I aanzienlijk groter is en meer verantwoordelijkheden omvat. Niet is gebleken dat zij deze taken uitvoerde. Uit de door [eiser] overgelegde WhatsApp-correspondentie (productie 12 bij dagvaarding) blijkt bijvoorbeeld dat zij overleg heeft met [gedaagden] over de inzet van personeel op een zondag, terwijl uit de functieomschrijving in de cao Bakkersbedrijf behorend bij bedrijfsleider II blijkt dat bij deze functie behoort het regelen van voldoende bezetting. Kennelijk was haar functioneren nog niet op het niveau van de functie van bedrijfsleidster II.
4.10
De kantonrechter oordeelt dat het wel voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] per 1 januari 2022 de functie van bedrijfsleider I is gaan uitoefenen. Dat wordt als volgt toegelicht. [gedaagden] hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [eiser] het Talent Ontwikkel Programma (TOP) van [gedaagde 1] is gaan volgen. Uit de toelichting van [gedaagden] en uit de door hen overgelegde stukken die zien op die opleiding blijkt dat deze opleiding bedoeld is voor medewerkers die werkzaam zijn als bedrijfsleider bij een vestiging van [gedaagde 1]. Daarnaast blijkt uit de door [eiser] overgelegde WhatsApp-correspondentie tussen [eiser] en [gedaagden] dat [eiser] bevoegd was tot het ontslaan van medewerkers (productie 12 bij dagvaarding). Bovendien wordt er meermaals in de correspondentie door [gedaagden] genoemd dat [eiser] bedrijfsleidster is. [gedaagden] stellen dat zij dit hebben gezegd in het kader van de opleiding die [eiser] volgde, omdat ze daarvoor taken van een bedrijfsleider moest oefenen en het slechts een toneelstuk was. Die stelling acht de kantonrechter ongeloofwaardig, gelet op het feit dat alleen bedrijfsleiders van [gedaagde 1] deel konden nemen aan de opleiding. Bovendien is ook gebleken uit de WhatsApp-correspondentie dat het de intentie van [gedaagden] was dat [eiser] na een jaar zou doorgroeien naar de functie van bedrijfsleidster (productie 21 van de zijde van [eiser]). De kantonrechter oordeelt dan ook dat [eiser] vanaf 1 januari 2022 werkzaam was als bedrijfsleidster I.
4.11
Door [eiser] is onweersproken gesteld dat de functie van bedrijfsleidster alleen fulltime kan worden vervuld. Bovendien blijkt uit de overgelegde loonstroken dat [eiser] in de periode 1 januari 2022 tot en met 30 april 2022 structureel meer dan 32 uur per week heeft gewerkt. De kantonrechter oordeelt dan ook dat vanaf 1 januari 2022 eveneens een arbeidsduur van 38 uur per week gold.
4.12
Bovenstaande betekent dat [eiser] te weinig loon heeft ontvangen vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023. De kantonrechter acht zich op dit moment onvoldoende ingelicht om de hoogte van het [eiser] toekomende loon over 2022 en 2023 te bepalen. De kantonrechter zal beide partijen daarom in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over de op grond van de cao Bakkersbedrijf op de functie van bedrijfsleider I van toepassing zijnde salarisschaal en -trede. Daarnaast dienen partijen zich uit te laten over welk loon, vakantietoeslag en overige emolumenten [gedaagden] aan [eiser] verschuldigd zijn over de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 op basis van de cao Bakkersbedrijf.
Verlofsaldo
4.13
Tot slot vordert [eiser] uitbetaling van het nog openstaande verlofsaldo. Partijen twisten over de vraag wat de hoogte van het verlofsaldo is. Volgens [eiser] moeten er nog 436,6 verlofuren uitbetaald worden, maar ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat dit niet klopt, omdat zij in oktober 2021 twee weken verlof heeft opgenomen voor een vakantie naar Gran Canaria en in september 2023 twee weken voor een vakantie in Mexico en deze opnames zijn niet meegenomen in haar berekening. Volgens [eiser] heeft zij in 2022 geen vakantie opgenomen, omdat ze langdurig arbeidsongeschikt is geweest. [gedaagden] hebben betwist dat er sprake is van een openstaand saldo van 436,6 uren. Volgens [gedaagden] is er nog sprake van een openstaand verlofsaldo van 14,34 uren, maar stukken die dat verlofsaldo onderbouwen hebben [gedaagden] niet overgelegd. Ter zitting hebben [gedaagden] toegelicht dat dat het verlofoverzicht van de accountant pas de avond ervoor is ontvangen.
4.14
Het uitgangspunt is dat het openstaande verlofsaldo bij het einde van de arbeidsovereenkomst wordt uitbetaald aan de werknemer als dit niet is opgenomen. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om een deugdelijke verlofadministratie van alle werknemers bij te houden. Nu de berekening van de vordering van [eiser] ten aanzien van het verlofsaldo kennelijk niet juist is en [gedaagden] stellen dat er sprake is van een verlofsaldo van 14,34 uren acht de kantonrechter het noodzakelijk dat beide partijen hun stellingen ten aanzien van het openstaande verlofsaldo nader toelichten. Daarbij merkt de kantonrechter op dat als een deugdelijke verlofadministratie van de zijde van [gedaagden], ook nadat zij hiertoe in de gelegenheid zijn gesteld, niet wordt overgelegd, zij daar de gevolgen aan zal verbinden die zij geraden acht.
4.15
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 8 september 2026 voor:
- het nemen van een akte door [gedaagden] over wat is vermeld onder 4.6,
- het nemen van een akte door beide partijen over wat is vermeld onder 4.12 en 4.14,
waarna beide partijen op de rol van dinsdag 6 oktober 2026 in reactie op elkaars akte een antwoordakte kunnen nemen,
5.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
Hoge Raad 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1278.