Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:4787

2026-07-22 Civiel recht C/08/345037 / JE RK 26-253
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-08-06
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/08/345037 / JE RK 26-253
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Schriftelijke aanwijzing inhoudende een locatieverbod voor de vader om bij de buren van de kinderen te komen bekrachtigd in het belang van de kinderen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.785 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Zwolle



Zaaknummer: C/08/345037 / JE RK 26-253
Datum uitspraak: 22 juli 2026




Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing




in de zaak van




Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Zwolle,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 1] ;





[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. A.L. Witteveen uit Rotterdam.






1Het verdere verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter heeft op 27 mei 2026 een tussenbeschikking gegeven waarin het verzoek van de GI tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing aan de vader is aangehouden, om partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op de vragen van de kinderrechter die zijn gesteld in de tussenbeschikking.



1.2.
De kinderrechter heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
- het bericht van de GI, ontvangen op 12 juni 2026;


de brief van mr. Witteveen, ontvangen op 12 juni 2026;


het bericht van de vader, ontvangen op 6 juli 2026.




1.3.
Op 9 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder via Teams en haar advocaat in de zittingszaal;
- [naam] , namens de GI.


De vader is met voorafgaande afmelding niet ter zitting verschenen.






2De feiten


Voor de feiten wordt verwezen naar de tussenbeschikking van 27 mei 2026.





3Het (aangehouden) verzoek


De GI verzoekt de schriftelijke aanwijzing die aan de vader is gegeven te bekrachtigen op grond van artikel 1:263, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Ook verzoekt de GI de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI had ook verzocht een dwangsom op te leggen aan de vader, maar heeft dat verzoek ingetrokken op de zitting van 9 juli 2026, omdat de ondertoezichtstelling van de kinderen zal aflopen op 29 juli 2026. Daardoor is de tijd om de dwangsom te kunnen effectueren beperkt. Ter onderbouwing van het verzoek verwijst de GI naar de overgelegde stukken.





4De standpunten



Standpunt van de GI




4.1.
In antwoord op de vragen van de kinderrechter in de tussenbeschikking van 26 mei 2026 stelt de GI dat artikel 1:263, eerste lid, BW een toereikende wettelijke grondslag vormt voor het geven van een locatiebeperkende aanwijzing zoals in dit geval. De schriftelijke aanwijzing betreffende het gedrag van de vader kan worden gezien als een opvoedings- en veiligheidsmaatregel binnen de ondertoezichtstelling. Ook voldoet de aanwijzing aan de vereisten van artikel 1:263 lid 1 BW en aan de evenredigheidstoets. Het belang van de kinderen weegt op tegen het belang van de vader om bij de buren te komen. Ook al loopt de ondertoezichtstelling bijna af, de kinderen en de moeder hebben wel belang bij een toewijzing. Voor de kinderen is erkenning van groot belang. De moeder heeft belang bij de bekrachtiging voor het geval zij in een civiele procedure een locatieverbod zou willen verzoeken.



Standpunt van de moeder





4.2.
De moeder is net als de GI van mening dat artikel 1:263, eerste lid, BW een toereikende wettelijke grondslag vormt voor het geven van een locatiebeperkende aanwijzing zoals in dit geval. Ook andere kinderrechters hebben schriftelijke aanwijzingen bekrachtigd die (indirect) een beperking van het recht om zich vrijelijk te bewegen meebrachten. De schriftelijke aanwijzing voldoet ook aan de wettelijke vereisten van artikel 1:263, eerste lid, BW. Ook is voldaan aan het evenredigheidsbeginsel. De moeder heeft op de zitting van 9 juli 2026 naar voren gebracht dat de vader nu niet meer bij de buren komt. De reden is dat hij ruzie heeft met de buurman. Dat is al eens eerder zo geweest en als de ruzie weer is bijgelegd dan komt de vader er wel weer. De kinderen ervaren rust en veiligheid in en rondom huis, nu de vader niet meer bij de buren komt. Ze kunnen zorgeloos buiten zijn in de tuin. De kinderen en de moeder hebben belang bij een toewijzing van het verzoek, ook al loopt de ondertoezichtstelling bijna af. Het zou voor de kinderen erkenning betekenen.



Standpunt van de vader





4.3.
De vader heeft eerder aangegeven dat het verzoek van de GI moet worden afgewezen. Hij vindt het te ver gaan dat zijn vrijheid wordt ontnomen om naar een goede vriend van hem op bezoek te gaan. Hij heeft op de zitting van 7 april 2026 gezegd dat hij bijna nooit meer bij de buren van de kinderen komt, omdat hij het gevoel van zijn kinderen zwaarder vindt wegen dan zijn eigen belang om bij zijn vriend langs te gaan. Hij ontkent stellig dat hij bij de buren is geweest in de maanden nadat hij had toegezegd daar niet meer te zullen komen. De vader heeft per mail van 6 juli 2026 laten weten dat hij niet meer bij de buren van de kinderen is geweest. Volgens de vader heeft het geen zin om de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen, aangezien de ondertoezichtstelling binnen enkele weken afloopt. De vader heeft geen aanvullend verweer ter zitting van 9 juli 2026 gevoerd.





5De beoordeling


5.1.
In deze zaak staat de vraag centraal of de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing die de GI aan de vader heeft gegeven, moet bekrachtigen. De kinderrechter is van oordeel dat dat moet gebeuren en legt deze beslissing hierna uit. De kinderrechter geeft daarmee ook antwoord op de vragen uit de tussenbeschikking van 27 mei 2026.



5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat de gegeven schriftelijke aanwijzing moet worden beschouwd als een locatieverbod, te weten een verbod om bij de buren van de kinderen te komen. Met dit verbod wordt het recht van de vader om zich vrijelijk te verplaatsen beperkt. Het recht om zich vrijelijk te verplaatsen is neergelegd in artikel 2, Vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, tot waarborgen van bepaalde rechten en vrijheden die niet reeds in het Verdrag en in het eerste Protocol daarbij zijn opgenomen (hierna: artikel 2, Vierde Protocol). Dit recht voor een ieder om zich vrijelijk te verplaatsen is niet absoluut, maar kan worden beperkt. In het derde lid van artikel 2, Vierde Protocol, is bepaald dat de uitoefening van het recht zich vrijelijk te verplaatsen aan geen andere beperkingen mag worden gebonden dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid of van de openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.



5.3.
Gelet op het voorgaande is de eerste vraag die de kinderrechter moet beantwoorden of artikel 1:263, eerste lid, BW een wettelijke grondslag kan bieden waarmee het recht om zich vrijelijk te verplaatsen kan worden beperkt. De kinderrechter is van oordeel dat dat kan. De wetgever heeft bewust gekozen voor de huidige formulering van artikel 1:263, eerste lid, BW en niet voor een stringentere beperking, zoals een uitputtende opsomming van mogelijke aanwijzingen. De wetgever voorzag dat aanwijzingen verschillend van aard kunnen zijn, afhankelijk van wat in een concreet geval noodzakelijk is en van de beschikbare hulpverleningsmiddelen. Dat laat zich moeilijk vatten in een wettelijke opsomming. In plaats daarvan heeft de wetgever gekozen voor de vereisten zoals geformuleerd in artikel 1:263, eerste lid, BW en die hierna in rechtsoverweging 5.4. worden besproken. De rechter bepaalt uiteindelijk de grenzen van artikel 1:263, eerste lid, BW. Daarnaast moet de schriftelijke aanwijzing in verband met het bestuursrechtelijke karakter ervan ook voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat betekent naar het oordeel van de kinderrechter dat artikel 1:263, eerste lid, BW geen vrijbrief is voor de GI om zonder duidelijke grond aan ouders met gezag en minderjarigen een locatieverbod op te leggen. Het recht om zich vrijelijk te bewegen kan worden beperkt, als is voldaan aan alle in die bepaling genoemde vereisten alsook aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.



5.4.

Vervolgens ziet de kinderrechter zich voor de vraag gesteld of is voldaan aan de vereisten van artikel 1:263, eerste lid, BW. In deze zaak gaat het om de volgende vereisten:
1) het opleggen van de aanwijzing moet tot de uitvoering van de taak van de GI behoren, en
2) de aanwijzing moet de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betreffen.
Daarnaast moet ofwel komen vast te staan dat:
3) de vader niet instemt met of niet of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het plan van aanpak, ofwel moet komen vast te staan dat
4) de aanwijzing noodzakelijk is om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen.




5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan deze vereisten is voldaan. Het geven van deze aanwijzing aan de vader past binnen de taak van de GI. Het is de taak van de GI om de concrete ontwikkelingsbedreigingen van de minderjarige weg te nemen. De aanwijzing is gericht op het wegnemen van die bedreigingen. Daarbij overweegt de kinderrechter het volgende. De kinderen hebben al jaren geen contact meer met de vader en er wordt ook niet meer gewerkt aan contactherstel totdat de kinderen daar zelf behoefte aan hebben. De kinderen ervaren door het zien en horen van de vader gevoelens van angst en stress. Dit raakt hun trauma’s die voortkomen uit gebeurtenissen uit het verleden met de vader en heeft een negatieve invloed op hun gevoel van veiligheid en op de voortgang van hun traumabehandeling bij [instelling] . De kinderen krijgen die behandeling voor gebeurtenissen van geweld toen de ouders nog samen waren. Met de schriftelijke aanwijzing beoogt de GI een rustige, veilige en voorspelbare opvoedomgeving in en rond het huis waar ze wonen, te creëren voor de kinderen. De schriftelijke aanwijzing betreft daardoor de verzorging en opvoeding van de kinderen. De GI heeft herhaaldelijk met de vader gesproken over dat hij niet bij de buren moet komen en waarom dat in het belang van de kinderen is. De vader is hierover meerdere keren aangesproken, zowel door de jeugdbeschermer als door de rechter. Ondanks alle gesprekken, waarschuwingen en toezeggingen is gebleken dat de vader daarna nog steeds bij de buren van de kinderen is gezien en gehoord. Hoewel de vader heeft ontkend na de schriftelijke aanwijzing nog bij de buren te zijn geweest, heeft hij tijdens de zitting van 7 april 2026 gezegd dat hij daar nog wel voor een verjaardag is geweest. Daarnaast acht de kinderrechter het aannemelijk dat hij daar ook op andere momenten is geweest, gelet op dat de signalen van de kinderen dat ze hem gehoord hebben en gelet op de foto’s waarop is te zien dat zijn auto in de buurt van de woning van de kinderen is geparkeerd. Het locatieverbod is dan ook noodzakelijk om de concrete ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen. Het is voor de kinderen en hun ontwikkeling noodzakelijk dat zij zich ontspannen en veilig kunnen voelen in hun eigen huis en dat zij niet onverwachts geconfronteerd hoeven te worden met degene die hun angsten en spanningen triggert.



5.6.
Vervolgens is de vraag aan de orde of de GI haar bevoegdheid op de juiste wijze heeft gebruikt. Met andere woorden: is voldaan aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur? De vader heeft tijdens de zitting van 7 april 2026 naar voren gebracht dat hij de schriftelijke aanwijzing te ver vindt gaan, omdat hij wordt beperkt in zijn vrijheid om op bezoek te gaan bij een goede vriend, die toevallig woonachtig is naast de moeder en de kinderen. De kinderrechter vat dit op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Dit betekent dat de kinderrechter moet beoordelen of de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding met de tot het besluit te dienen doelen. Oftewel de GI moet altijd het minst ingrijpende middel gebruiken. Hierbij is van belang dat een locatieverbod een verstrekkende maatregel is, die niet licht opgelegd dan wel bekrachtigd kan worden.



5.7.
De kinderrechter is van oordeel dat het belang van de kinderen om zonder angst in hun eigen woning en tuin te kunnen zijn, zwaarder weegt dan het belang van de vader om bij een vriend op bezoek te kunnen. Het gaat om een geringe beperking van het recht van de vader om zich vrijelijk te verplaatsen. De vader kan zijn vriend ook op tal van andere plaatsen ontmoeten, bijvoorbeeld bij de vader thuis of op een openbare plaats. Ook het kunnen vieren van de verjaardag (van één van de kinderen van de vriend), is niet een belang dat opweegt tegen het belang van de kinderen om zich thuis veilig te voelen. Daarnaast hebben eerdere, minder ingrijpende interventies, zoals gesprekken met de vader over het niet bij de buren komen, onvoldoende geholpen. Dat de vader de laatste tijd niet meer bij de buren komt, maakt het voorgaande niet anders.



5.8.
Ten slotte overweegt de kinderrechter als volgt. Hoewel de ondertoezichtstelling binnenkort eindigt en vanaf dan ook de schriftelijke aanwijzing niet langer geldt, is de kinderrechter van oordeel dat de kinderen en de moeder nog steeds belang hebben bij een bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter wil hiermee aan de kinderen laten blijken dat de kinderrechter hen serieus neemt. Tegelijkertijd is deze bekrachtiging bedoeld als een signaal richting de vader. De vader moet ervan doordrongen zijn hoe belangrijk het is voor de kinderen dat hij niet bij de buren komt.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 7 oktober 2025;



6.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 door mr. M.T. Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Nassau als griffier.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.




Zie bijvoorbeeld: rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 maart 2024 (ECLI:RBZWB:2024:3342).


Zie hiervoor: Kamerstukken II, 23 003, nr. 3, p. 35.


Zoals de kinderrechter heeft overwogen en beslist in de beschikking van 6 mei 2026 onder 5.2 en 6.1.


Zie bijvoorbeeld: gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 september 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:7056).


Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).