Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:4764
2026-08-04
Civiel recht; Verbintenissenrecht
K/5103/12299421
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De kantonrechter oordeelt dat gedaagde niet (meer) haar hoofdverblijf in de woning heeft, waardoor ze tekort schiet in de nakoming van de huurovereenkomst. De gevorderde ontruiming wordt daarom toegewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2024:5842 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-09-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.356 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12299421 \ CV EXPL 26-1219
Vonnis in kort geding van 4 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING VIVERION,
te Lochem,
eisende partij,
hierna te noemen: Viverion,
gemachtigde: mr. R. Boekhoff,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. E.A. Stegehuis.
De zaak in het kort
[gedaagde] huurt een sociale huurwoning van Viverion. Viverion vordert in deze procedure ontruiming van die woning. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] niet (meer) haar hoofdverblijf in de woning heeft, waardoor ze tekort schiet in de nakoming van de huurovereenkomst. De gevorderde ontruiming wordt daarom toegewezen. [gedaagde] krijgt tot 1 januari 2027 de tijd om de woning te ontruimen. Daarnaast moet zij de proceskosten betalen. De motivering van deze beslissing volgt hierna.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de producties van Viverion- de producties van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 30 juli 2026
- de pleitnota van [gedaagde] .
2De feiten
2.1.
Viverion is een toegelaten instelling in de zin van de Woningwet. Zij verhuurt sinds 2 september 2010 de sociale huurwoning aan het [adres] aan [gedaagde] . Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden woonruimte Viverion van
1 januari 2009 (AHV) van toepassing.
2.2.
In artikel 4 AHV staat:
“Huurder bewoont het gehuurde gedurende de huurtijd zelf als woonruimte voor hem en leden van zijn huishouden en heeft er zijn hoofdverblijf”
2.3.
De vader van [gedaagde] heeft Viverion op 23 februari 2026 de volgende e-mail gestuurd:
“Geachte Mevr/heer,
Deze mail stuur ik met goedkeuring van mijn dochter [gedaagde] [adres] .
Vorige week vrijdag heb ik tel contact gehad met viverion omtrent tijdelijke verhuur op dit adres. Bij deze een uitleg omtrent de situatie,
Mijn dochter is huurder en sinds 2019 heeft haar partner de huur opgezegd ,mijn dochter is gebleven.
In de corona periode stond ze er alleen,we hebben haar hierin begeleid.
Na de' corona is haar moeder -mijn vrouw- overleden,impact totopheden erg groot.
Bij haar is een angstsyndroom ontstaan over de nachtelijke uren vanuit haar ex probleem. Contact metnaaste buren hieromtrent omtrent eventuele calamiteiten worden afgewezen.
Aangezien ik overwegende ben bij haar te gaan wonen en mijn eigen huis te verkopen ligt terdiscussie. Op dit moment is mijn dochter voor de tafel en nacht bij mij mantelzorg.
Mijn dochter krijgt begeleiding omtrent haar toekomst overleg gaande, op dit moment onbekend in tijdsduur. Mij is de vraag gesteld of tijdelijke verhuur aan derden is toegestaan voor een vastgestelde of variabele periode. Na tel onderhoud blijkt dit te kunnen met de hiervoor gestelde voorwaarden.
Gaarne zie ik uw antwoord tegemoet.”
2.4.
Viverion heeft op 25 februari 2026 aan de vader van [gedaagde] gemaild dat onderverhuur niet is toegestaan en dat er al geruime tijd het vermoeden bestaat dat [gedaagde] niet in de woning woont. Viverion geeft aan dat deze situatie niet is toegestaan en wil daarover met [gedaagde] en haar vader in gesprek.
2.5.
Op 25 maart 2026 heeft Viverion aan [gedaagde] een brief gestuurd met daarin de boodschap dat uit onderzoek is gebleken dat [gedaagde] al langere tijd, mogelijk zelfs enkele jaren, niet in de woning woont en zij volgens de huurovereenkomst verplicht is om de woning als hoofdverblijf te gebruiken. Viverion verzoekt [gedaagde] daarom om de huurovereenkomst op te zeggen.
2.6.
Na de brief heeft de vader van [gedaagde] met Viverion een gesprek gevoerd. Viverion heeft op 10 april 2026 daar het volgende over aan vader [gedaagde] gemaild:
“(…)
Tijdens het gesprek is aangegeven dat er begrip is voor de persoonlijke situatie van uw dochter en dat u handelt met goede bedoelingen. We vinden de situatie erg vervelend.
Wel is benadrukt dat de woning als hoofdverblijf bewoond moet worden en dat onderhuur of het laten verblijven van iemand anders niet is toegestaan. U heeft aangegeven dat de mevrouw die tijdelijk in de woning verbleef inmiddels is vertrokken.
Daarnaast gaf u aan dat uw dochter mogelijk beter af is in een andere woonvorm. Uiterlijk 16 april weet u of zij in aanmerking komt voor beschermd of begeleid wonen. U neemt op deze datum contact met mij op om dit terug te koppelen.
Wij hebben aangegeven bereid te zijn om mee te denken over de opzegtermijn, bijvoorbeeld door deze te verlengen naar twee maanden in plaats van één maand.
Tot slot is aangegeven dat, indien de huur niet wordt opgezegd en we niets van u horen voor 17 april, wij wel genoodzaakt zijn juridische stappen te ondernemen.”
2.7.
Bij brief van 4 mei 2026 heeft de advocaat van Viverion [gedaagde] nogmaals verzocht om de huurovereenkomst op te zeggen. De advocaat van [gedaagde] heeft bij e-mail van 2 juni 2026 aangegeven dat de huur niet vrijwillig zal worden opgezegd. Volgens haar is de afwezigheid van [gedaagde] slechts van tijdelijke aard. Ook betwist zij dat sprake is van een ernstige of structurele tekortkoming.
2.8.
Partijen hebben daarna via hun advocaten verder over de situatie gediscussieerd. Dat heeft niet geleid tot afspraken tussen partijen.
3Het geschil
3.1.
Viverion vordert veroordeling van [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen en de proceskosten te betalen.
3.2.
Viverion legt – samengevat – aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst (specifiek artikel 4 AHV) doordat zij de woning niet daadwerkelijk en feitelijk gebruikt als woonruimte en daarin ook niet haar hoofdverblijf heeft. Dat is volgens Viverion ongewenst en ontoelaatbaar, zeker gelet op de belangen van anderen die een schaarse sociale huurwoning zoeken. Daaruit blijkt volgens Viverion ook het spoedeisend belang bij haar vordering en dat ontruiming in dit geval gerechtvaardigd is.
3.3.
[gedaagde] is het niet met Viverion eens. Viverion heeft volgens haar onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij haar hoofdverblijf duurzaam uit de woning heeft verplaatst. Zij staat op dit moment vanwege haar psychische gezondheid onder behandeling van het FACT-team van Trajectum. Het doel van de behandeling is dat zij weer zelfstandig in de woning kan overnachten. Er is dus sprake van een tijdelijke situatie. Daarnaast heeft Viverion volgens [gedaagde] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. De vordering moet daarom volgens [gedaagde] worden afgewezen, met veroordeling van Viverion in de proceskosten.
4De beoordeling
Juridisch kader
4.1.
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is om te beginnen vereist dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat is hier het geval. Viverion heeft, gelet op dat het hier een schaarse sociale huurwoning betreft, een zwaarwegend belang bij spoedige duidelijkheid over de beschikbaarheid van de woning.
4.2.
Een veroordeling tot ontruiming van een woning in kort geding is een maatregel die diep ingrijpt in het woonrecht, het woonbelang en de huurbescherming van een huurder. Daarom moet de kantonrechter terughoudend zijn met toewijzing van een dergelijke vordering. Dat betekent dat voor een veroordeling tot ontruiming in kort geding alleen plaats is als het zeer waarschijnlijk is dat die vordering in een bodemprocedure ook wordt toegewezen, en als de belangen van Viverion bij ontruiming van de woning zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde] bij behoud van de woning.
4.3.
Op grond van artikel 4 AHV is [gedaagde] verplicht haar hoofdverblijf in de woning te hebben. Het is aan Viverion om haar stelling dat [gedaagde] daarmee in strijd handelt door niet haar hoofdverblijf te hebben in de woning voldoende aannemelijk te maken. Van [gedaagde] mag wel worden verlangd dat zij feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar betwisting van de stellingen van Viverion. Uitgangspunt daarbij is dat sprake is van het houden van hoofdverblijf in een woning, als het leven van de huurder zich in hoofdzaak in en vanuit de woning afspeelt. Bij de beoordeling of iemand op een bepaalde plaats zijn hoofdverblijf heeft, moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
Viverion onderbouwt haar stelling dat [gedaagde] haar hoofdverblijf niet in de woning heeft met een aantal verklaringen van buurtbewoners en met het e-mailbericht van de vader van [gedaagde] van 23 februari 2026 (zie 2.3), waarin hij onder andere schrijft: “op dit moment is mijn dochter voor de tafel en nacht bij mij mantelzorg” en “mij is de vraag gesteld of tijdelijke verhuur aan derden is toegestaan”.
4.5.
Uit wat tijdens de mondelinge behandeling door [gedaagde] en haar vader is verklaard, begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] vanwege haar psychische gezondheid al een aanzienlijke tijd bij haar vader thuis slaapt. Zij zou voor het laatst een maand of drie á vier geleden geprobeerd hebben om een nacht in de woning te slapen. Overdag verblijft zij soms wel een paar uur in de woning. [gedaagde] zegt dat zij graag weer in de woning wil wonen met hulp van begeleiding. Het is op dit moment niet duidelijk of dat mogelijk is en zo ja binnen welke termijn. Recent is haar aanvraag voor een Wlz-indicatie afgewezen, waarna er een aanvraag voor beschermd wonen is gedaan. Maar [gedaagde] voelt weinig voor beschermd wonen, heeft zij tijdens de mondelinge behadeling gezegd.
4.6.
De kantonrechter maakt uit de hiervoor genoemde omstandigheden op dat het leven van [gedaagde] zich al een aanzienlijke tijd en op dit moment nog steeds in hoofdzaak in en vanuit de woning van haar vader afspeelt. Dat zij overdag soms een paar uur in de van Viverion gehuurde woning verblijft, maakt dat niet anders. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagde] niet (meer) haar hoofdverblijf in de van Viverion gehuurde woning heeft. Daarmee schiet [gedaagde] tekort in de nakoming van de huurovereenkomst (in het bijzonder artikel 4 AHV). Dat [gedaagde] mogelijk in de toekomst wel weer haar hoofdverblijf in de woning kan hebben, doet daar niet aan af. De tekortkoming rechtvaardigt naar verwachting een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning in de bodemprocedure.
4.7.
Het belang van [gedaagde] staat niet aan ontruiming in de weg. [gedaagde] zal door ontruiming niet op straat komen te staan, nu zij voorlopig nog bij haar vader kan verblijven. De kantonrechter begrijpt dat het belang van [gedaagde] ook niet zozeer is gelegen in het behoud van deze specifieke woning, maar in dat zij weer een woning tot haar beschikking heeft zodra zij weer zelfstandig (al dan niet met begeleiding) kan wonen. Door een aantal voorvallen met buurtbewoners is het maar de vraag of [gedaagde] wel gebaat is bij terugkeer naar deze woning. Mogelijk is het beter voor haar om, eventueel met hulp van instanties, ergens anders een frisse start te maken. In elk geval weegt het belang van Viverion om de schaarse sociale huurwoning aan een andere woningzoekende te geven op dit moment zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij behoud daarvan. De vordering tot ontruiming zal dan ook worden toegewezen.
4.8.
Vanwege de ingrijpende gevolgen van de ontruiming en de kwetsbare (psychische) situatie van [gedaagde] , zal de kantonrechter bepalen dat [gedaagde] tot 1 januari 2027 de tijd krijg om de woning te ontruimen.
Proceskosten
4.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Viverion worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.013,02
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om vóór 1 januari 2027 de woning aan het [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Viverion zijn, en de sleutels af te geven aan Viverion,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.013,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op
4 augustus 2026.
Hof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5842, r.o. 5.8.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12299421 \ CV EXPL 26-1219
Vonnis in kort geding van 4 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING VIVERION,
te Lochem,
eisende partij,
hierna te noemen: Viverion,
gemachtigde: mr. R. Boekhoff,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. E.A. Stegehuis.
De zaak in het kort
[gedaagde] huurt een sociale huurwoning van Viverion. Viverion vordert in deze procedure ontruiming van die woning. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] niet (meer) haar hoofdverblijf in de woning heeft, waardoor ze tekort schiet in de nakoming van de huurovereenkomst. De gevorderde ontruiming wordt daarom toegewezen. [gedaagde] krijgt tot 1 januari 2027 de tijd om de woning te ontruimen. Daarnaast moet zij de proceskosten betalen. De motivering van deze beslissing volgt hierna.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de producties van Viverion- de producties van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 30 juli 2026
- de pleitnota van [gedaagde] .
2De feiten
2.1.
Viverion is een toegelaten instelling in de zin van de Woningwet. Zij verhuurt sinds 2 september 2010 de sociale huurwoning aan het [adres] aan [gedaagde] . Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden woonruimte Viverion van
1 januari 2009 (AHV) van toepassing.
2.2.
In artikel 4 AHV staat:
“Huurder bewoont het gehuurde gedurende de huurtijd zelf als woonruimte voor hem en leden van zijn huishouden en heeft er zijn hoofdverblijf”
2.3.
De vader van [gedaagde] heeft Viverion op 23 februari 2026 de volgende e-mail gestuurd:
“Geachte Mevr/heer,
Deze mail stuur ik met goedkeuring van mijn dochter [gedaagde] [adres] .
Vorige week vrijdag heb ik tel contact gehad met viverion omtrent tijdelijke verhuur op dit adres. Bij deze een uitleg omtrent de situatie,
Mijn dochter is huurder en sinds 2019 heeft haar partner de huur opgezegd ,mijn dochter is gebleven.
In de corona periode stond ze er alleen,we hebben haar hierin begeleid.
Na de' corona is haar moeder -mijn vrouw- overleden,impact totopheden erg groot.
Bij haar is een angstsyndroom ontstaan over de nachtelijke uren vanuit haar ex probleem. Contact metnaaste buren hieromtrent omtrent eventuele calamiteiten worden afgewezen.
Aangezien ik overwegende ben bij haar te gaan wonen en mijn eigen huis te verkopen ligt terdiscussie. Op dit moment is mijn dochter voor de tafel en nacht bij mij mantelzorg.
Mijn dochter krijgt begeleiding omtrent haar toekomst overleg gaande, op dit moment onbekend in tijdsduur. Mij is de vraag gesteld of tijdelijke verhuur aan derden is toegestaan voor een vastgestelde of variabele periode. Na tel onderhoud blijkt dit te kunnen met de hiervoor gestelde voorwaarden.
Gaarne zie ik uw antwoord tegemoet.”
2.4.
Viverion heeft op 25 februari 2026 aan de vader van [gedaagde] gemaild dat onderverhuur niet is toegestaan en dat er al geruime tijd het vermoeden bestaat dat [gedaagde] niet in de woning woont. Viverion geeft aan dat deze situatie niet is toegestaan en wil daarover met [gedaagde] en haar vader in gesprek.
2.5.
Op 25 maart 2026 heeft Viverion aan [gedaagde] een brief gestuurd met daarin de boodschap dat uit onderzoek is gebleken dat [gedaagde] al langere tijd, mogelijk zelfs enkele jaren, niet in de woning woont en zij volgens de huurovereenkomst verplicht is om de woning als hoofdverblijf te gebruiken. Viverion verzoekt [gedaagde] daarom om de huurovereenkomst op te zeggen.
2.6.
Na de brief heeft de vader van [gedaagde] met Viverion een gesprek gevoerd. Viverion heeft op 10 april 2026 daar het volgende over aan vader [gedaagde] gemaild:
“(…)
Tijdens het gesprek is aangegeven dat er begrip is voor de persoonlijke situatie van uw dochter en dat u handelt met goede bedoelingen. We vinden de situatie erg vervelend.
Wel is benadrukt dat de woning als hoofdverblijf bewoond moet worden en dat onderhuur of het laten verblijven van iemand anders niet is toegestaan. U heeft aangegeven dat de mevrouw die tijdelijk in de woning verbleef inmiddels is vertrokken.
Daarnaast gaf u aan dat uw dochter mogelijk beter af is in een andere woonvorm. Uiterlijk 16 april weet u of zij in aanmerking komt voor beschermd of begeleid wonen. U neemt op deze datum contact met mij op om dit terug te koppelen.
Wij hebben aangegeven bereid te zijn om mee te denken over de opzegtermijn, bijvoorbeeld door deze te verlengen naar twee maanden in plaats van één maand.
Tot slot is aangegeven dat, indien de huur niet wordt opgezegd en we niets van u horen voor 17 april, wij wel genoodzaakt zijn juridische stappen te ondernemen.”
2.7.
Bij brief van 4 mei 2026 heeft de advocaat van Viverion [gedaagde] nogmaals verzocht om de huurovereenkomst op te zeggen. De advocaat van [gedaagde] heeft bij e-mail van 2 juni 2026 aangegeven dat de huur niet vrijwillig zal worden opgezegd. Volgens haar is de afwezigheid van [gedaagde] slechts van tijdelijke aard. Ook betwist zij dat sprake is van een ernstige of structurele tekortkoming.
2.8.
Partijen hebben daarna via hun advocaten verder over de situatie gediscussieerd. Dat heeft niet geleid tot afspraken tussen partijen.
3Het geschil
3.1.
Viverion vordert veroordeling van [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen en de proceskosten te betalen.
3.2.
Viverion legt – samengevat – aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst (specifiek artikel 4 AHV) doordat zij de woning niet daadwerkelijk en feitelijk gebruikt als woonruimte en daarin ook niet haar hoofdverblijf heeft. Dat is volgens Viverion ongewenst en ontoelaatbaar, zeker gelet op de belangen van anderen die een schaarse sociale huurwoning zoeken. Daaruit blijkt volgens Viverion ook het spoedeisend belang bij haar vordering en dat ontruiming in dit geval gerechtvaardigd is.
3.3.
[gedaagde] is het niet met Viverion eens. Viverion heeft volgens haar onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij haar hoofdverblijf duurzaam uit de woning heeft verplaatst. Zij staat op dit moment vanwege haar psychische gezondheid onder behandeling van het FACT-team van Trajectum. Het doel van de behandeling is dat zij weer zelfstandig in de woning kan overnachten. Er is dus sprake van een tijdelijke situatie. Daarnaast heeft Viverion volgens [gedaagde] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. De vordering moet daarom volgens [gedaagde] worden afgewezen, met veroordeling van Viverion in de proceskosten.
4De beoordeling
Juridisch kader
4.1.
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is om te beginnen vereist dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat is hier het geval. Viverion heeft, gelet op dat het hier een schaarse sociale huurwoning betreft, een zwaarwegend belang bij spoedige duidelijkheid over de beschikbaarheid van de woning.
4.2.
Een veroordeling tot ontruiming van een woning in kort geding is een maatregel die diep ingrijpt in het woonrecht, het woonbelang en de huurbescherming van een huurder. Daarom moet de kantonrechter terughoudend zijn met toewijzing van een dergelijke vordering. Dat betekent dat voor een veroordeling tot ontruiming in kort geding alleen plaats is als het zeer waarschijnlijk is dat die vordering in een bodemprocedure ook wordt toegewezen, en als de belangen van Viverion bij ontruiming van de woning zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde] bij behoud van de woning.
4.3.
Op grond van artikel 4 AHV is [gedaagde] verplicht haar hoofdverblijf in de woning te hebben. Het is aan Viverion om haar stelling dat [gedaagde] daarmee in strijd handelt door niet haar hoofdverblijf te hebben in de woning voldoende aannemelijk te maken. Van [gedaagde] mag wel worden verlangd dat zij feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar betwisting van de stellingen van Viverion. Uitgangspunt daarbij is dat sprake is van het houden van hoofdverblijf in een woning, als het leven van de huurder zich in hoofdzaak in en vanuit de woning afspeelt. Bij de beoordeling of iemand op een bepaalde plaats zijn hoofdverblijf heeft, moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
Viverion onderbouwt haar stelling dat [gedaagde] haar hoofdverblijf niet in de woning heeft met een aantal verklaringen van buurtbewoners en met het e-mailbericht van de vader van [gedaagde] van 23 februari 2026 (zie 2.3), waarin hij onder andere schrijft: “op dit moment is mijn dochter voor de tafel en nacht bij mij mantelzorg” en “mij is de vraag gesteld of tijdelijke verhuur aan derden is toegestaan”.
4.5.
Uit wat tijdens de mondelinge behandeling door [gedaagde] en haar vader is verklaard, begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] vanwege haar psychische gezondheid al een aanzienlijke tijd bij haar vader thuis slaapt. Zij zou voor het laatst een maand of drie á vier geleden geprobeerd hebben om een nacht in de woning te slapen. Overdag verblijft zij soms wel een paar uur in de woning. [gedaagde] zegt dat zij graag weer in de woning wil wonen met hulp van begeleiding. Het is op dit moment niet duidelijk of dat mogelijk is en zo ja binnen welke termijn. Recent is haar aanvraag voor een Wlz-indicatie afgewezen, waarna er een aanvraag voor beschermd wonen is gedaan. Maar [gedaagde] voelt weinig voor beschermd wonen, heeft zij tijdens de mondelinge behadeling gezegd.
4.6.
De kantonrechter maakt uit de hiervoor genoemde omstandigheden op dat het leven van [gedaagde] zich al een aanzienlijke tijd en op dit moment nog steeds in hoofdzaak in en vanuit de woning van haar vader afspeelt. Dat zij overdag soms een paar uur in de van Viverion gehuurde woning verblijft, maakt dat niet anders. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagde] niet (meer) haar hoofdverblijf in de van Viverion gehuurde woning heeft. Daarmee schiet [gedaagde] tekort in de nakoming van de huurovereenkomst (in het bijzonder artikel 4 AHV). Dat [gedaagde] mogelijk in de toekomst wel weer haar hoofdverblijf in de woning kan hebben, doet daar niet aan af. De tekortkoming rechtvaardigt naar verwachting een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning in de bodemprocedure.
4.7.
Het belang van [gedaagde] staat niet aan ontruiming in de weg. [gedaagde] zal door ontruiming niet op straat komen te staan, nu zij voorlopig nog bij haar vader kan verblijven. De kantonrechter begrijpt dat het belang van [gedaagde] ook niet zozeer is gelegen in het behoud van deze specifieke woning, maar in dat zij weer een woning tot haar beschikking heeft zodra zij weer zelfstandig (al dan niet met begeleiding) kan wonen. Door een aantal voorvallen met buurtbewoners is het maar de vraag of [gedaagde] wel gebaat is bij terugkeer naar deze woning. Mogelijk is het beter voor haar om, eventueel met hulp van instanties, ergens anders een frisse start te maken. In elk geval weegt het belang van Viverion om de schaarse sociale huurwoning aan een andere woningzoekende te geven op dit moment zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij behoud daarvan. De vordering tot ontruiming zal dan ook worden toegewezen.
4.8.
Vanwege de ingrijpende gevolgen van de ontruiming en de kwetsbare (psychische) situatie van [gedaagde] , zal de kantonrechter bepalen dat [gedaagde] tot 1 januari 2027 de tijd krijg om de woning te ontruimen.
Proceskosten
4.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Viverion worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.013,02
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om vóór 1 januari 2027 de woning aan het [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Viverion zijn, en de sleutels af te geven aan Viverion,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.013,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op
4 augustus 2026.
Hof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5842, r.o. 5.8.