Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:4731

2026-07-23 Strafrecht 08-112500-25 en 08-042278-24 (tul) (P)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
08-112500-25 en 08-042278-24 (tul) (P)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 17-jarige verdachte tot een jeugddetentie van 230 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk en het betalen van een schadevergoeding aan het slachtoffer. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (32.849 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer


Zittingsplaats Almelo



Parketnummer: 08-112500-25 en 08-042278-24 (tul) (P)
Datum vonnis: 23 juli 2026





Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:






[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].





1Het onderzoek op de terechtzitting


De officier van justitie heeft verdachte (hierna: [verdachte]) opgeroepen om op 9 juli 2026 voor de rechter te verschijnen. Deze oproep wordt ook wel een dagvaarding genoemd. De tenlastelegging is een onderdeel van de dagvaarding en hierin staat beschreven aan welk strafbaar feit [verdachte] zich schuldig zou hebben gemaakt.



Op 9 juli 2026 hebben de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsvrouw mr. S.D. Smid, advocaat in Enschede, tijdens een zitting achter gesloten deuren gezegd wat zij van de beschuldigingen vinden. De rechtbank heeft daarnaar geluisterd. De rechtbank heeft ook geluisterd naar [naam 1], jeugdreclasseerder en [naam 2], medewerkster van de Raad voor de Kinderbescherming.



De rechtbank schrijft in dit vonnis wat zij van de beschuldigingen vindt. Dit doet zij aan de hand van verschillende stappen in een bepaalde volgorde, zoals de wet die voorschrijft.





2De tenlastelegging


De verdenking komt er - kort en bondig - op neer dat [verdachte] op 11 april 2025 in Enschede [slachtoffer] met geweld en/of bedreiging met geweld met een mes heeft gedwongen om zijn mobiele telefoon af te geven (primair), dan wel dat hij de mobiele telefoon van [slachtoffer] heeft gestolen met geweld en/of bedreiging met geweld met een mes (subsidiair).



Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte], dat:



hij op of omstreeks 11 april 2025 te Enschede met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, in elk gevalenig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n), door- die [slachtoffer] een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, te tonen en/of op korte afstand van die [slachtoffer] te houden en/of - die [slachtoffer] (daarbij) de woorden toep voegen: "ik kan jou hier zo neersteken als jij dit wil", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of- met voornoemd mes, althans met een op een mes gelijkend voorwerp, een stekende beweging te maken in de richting van die [slachtoffer];



subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op of omstreeks 11 april 2025 te Enschede een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met hetoogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk temaken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- die [slachtoffer] een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, te tonen en/of op korte afstand van die [slachtoffer] te houden en/of- die [slachtoffer] (daarbij) de woorden toe te voegen: "ik kan jou hier zo neersteken als jij dit wil", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of- met voornoemd mes, althans met een op een mes gelijkend voorwerp, een stekende beweging te maken in de richting van die [slachtoffer].





3De bewijsmotivering


3.1

Het standpunt van de officier van justitie



De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.




3.2

Het standpunt van de verdediging



De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van het ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank, met daarbij de opmerking dat de verbale bedreiging wel bewezen kan worden, maar de bedreiging met het mes niet. [verdachte] ontkent dat hij het mes heeft getoond.




3.3

Het oordeel van de rechtbank



De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] het primair tenlastegelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.



3.3.1

De feiten en omstandigheden



De rechtbank stelt op grond van het dossier en de behandeling ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.



Op 11 april 2025 heeft [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) bij de politie aangifte gedaan van diefstal van zijn telefoon, een iPhone 13 Pro. [slachtoffer] wilde die ochtend hasj kopen. Hij stuurde daarvoor een jongen (naar later bleek: [verdachte]) via Snapchat een bericht en heeft toen met hem afgesproken bij de fietsenstalling bij station Drienerlo in Enschede. Toen [slachtoffer] met [verdachte] bij de fietsenstalling stond, vroeg [verdachte] aan [slachtoffer] om zijn telefoon aan hem af te geven. [slachtoffer] hoorde [verdachte] zeggen “Ik kan jou hier zo neersteken als jij dit wil”, en zag dat [verdachte] op dat moment een lichtgrijs mes in zijn rechterhand had. Hierop heeft [slachtoffer] zijn telefoon aan [verdachte] afgegeven. Daarna fietste [verdachte] weg. Hij nam de telefoon van [slachtoffer] mee en heeft die niet teruggegeven.




De verklaring van [verdachte]




heeft op de terechtzitting van 9 juli 2026 verklaard dat hij op 11 april 2025 via Snapchat contact heeft gehad met [slachtoffer] en daarna met hem heeft afgesproken bij een fietsenstalling in Enschede. [verdachte] heeft verklaard dat hij de telefoon van [slachtoffer] heeft gepakt en dat hij vervolgens is weggefietst. Ook heeft [verdachte] verklaard dat hij het (licht)grijze mes, dat later die dag door de politie bij hem was aangetroffen, bij zich had toen hij met [slachtoffer] had afgesproken.




3.3.2

Overwegingen en conclusie



Het verschil tussen het primair ten laste gelegde en het subsidiair ten laste gelegde is dat

[verdachte] [slachtoffer] ofwel heeft gedwongen om de telefoon aan hem te geven ofwel dat

[verdachte] de telefoon van [slachtoffer] heeft gepakt. De rechtbank neemt de verklaring van [slachtoffer] over de gang van zaken tot uitgangspunt en heeft geen reden om daaraan te twijfelen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aangifte van [slachtoffer] in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, namelijk: de verklaring van [verdachte] en het proces-verbaal waaruit blijkt dat het (licht)grijze mes diezelfde dag bij [verdachte] werd aangetroffen toen hij door de politie op straat staande werd gehouden.



De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] [slachtoffer] heeft gedwongen om zijn telefoon aan hem te geven. Ook acht de rechtbank bewezen dat

[verdachte] dit heeft gedaan onder bedreiging met geweld, door een mes in zijn rechterhand te houden, dat aan [slachtoffer] te tonen en daarbij te zeggen “Ik kan jou zo hier neersteken als jij dit wil”.



Gelet op het voorgaande en de inhoud van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde afpersing.





3.4

De bewezenverklaring



De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:



hij op 11 april 2025 te Enschede met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde, door- die [slachtoffer] een mes te tonen en op korte afstand van die [slachtoffer] te houden en - die [slachtoffer] (daarbij) de woorden toe te voegen: "ik kan jou hier zo neersteken als jij dit wil"



De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.






4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:



primair:
het misdrijf: afpersing.





5De strafbaarheid van verdachte


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van

[verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.





6De op te leggen straf of maatregel


6.1

De vordering van de officier van justitie



De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 200 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel de door de Raad van de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld en dat deze bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.




6.2

Het standpunt van de verdediging



De raadsvrouw acht het strafvoorstel van de officier van justitie passend en kan zich vinden in de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad.




6.3

De gronden voor een straf of maatregel



Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.




De aard en de ernst van het gepleegde feit





[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing van de toen veertienjarige [slachtoffer], waarbij [slachtoffer] zijn telefoon aan [verdachte] heeft afgegeven. [verdachte] heeft daarbij gedreigd met geweld door een mes in zijn rechterhand te houden, dat aan [slachtoffer] te tonen en uit te spreken dat hij [slachtoffer] zo zou kunnen neersteken. Door zo te handelen heeft [verdachte] geen respect getoond voor het eigendom en de gevoelens van veiligheid van [slachtoffer]. De gebeurtenis moet voor [slachtoffer] zeer bedreigend en beangstigend zijn geweest. De rechtbank rekent dit [verdachte] aan.




De persoon van [verdachte]




Wat betreft de persoon van [verdachte] heeft de rechtbank gekeken naar zijn strafblad van
11 juni 2026, waaruit volgt dat hij al eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict. Ook is [verdachte] in juni 2024 nog veroordeeld tot een (deels) voorwaardelijke werkstraf waarvoor hij momenteel nog in een proeftijd loopt en ten aanzien waarvan de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 08-042278-24 is ingediend.



Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar de pro Justitia-rapportages van 15 april 2026, opgemaakt door psychiater T. den Boer en psycholoog M. Dubbelaar. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de Raad van 3 juli 2026, opgemaakt door

[naam 2], raadsonderzoeker, en de door de raadsonderzoeker en jeugdreclasseringswerker op de zitting gegeven toelichting op het advies. Ten slotte heeft de rechtbank geluisterd naar wat [verdachte] op de zitting over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verteld en wat zijn ouders hebben gezegd.




[verdachte] was 15 jaar toen hij het feit pleegde en is nu (net) zeventien jaar oud. Hij woont momenteel bij zijn vader. De gezinssituatie van [verdachte] is complex en een stabiele woonplek ontbreekt. [verdachte] heeft in de afgelopen periode afwisselend bij zijn moeder en vader gewoond. [verdachte] heeft een minimaal laag tot laaggemiddeld cognitief niveau en een achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling, waarbij hij forse gedragsproblemen heeft ontwikkeld. Er is sprake van emotie-regulatieproblemen, zelfbepalend gedrag, relatieproblemen tussen en met zijn ouders en broertje, uitval binnen het onderwijs en wantrouwen richting hulpverlening. [verdachte] laat grensoverschrijdend gedrag zien en is meermaals in aanraking gekomen met politie en justitie. De psychiater en de psycholoog noemen de gedragsproblematiek van [verdachte] een normoverschrijdend-gedragsstoornis. De persoonlijkheidsontwikkeling van [verdachte] wordt bedreigd als de huidige ontwikkeling niet ten positieve wordt bijgestuurd. Het risico op recidive wordt als hoog ingeschat en alle betrokkenen zijn het erover eens dat intensieve behandeling en toezicht nodig is.
Anders dan de psychiater en psycholoog, zien de raadsonderzoeker en jeugdreclasseringswerker geen heil in de oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) als kader voor de behandelinterventies en het toezicht. Volgens hen is de gedragsbeïnvloedende maatregel - wegens het ontbreken van een geschikte forensische aanbieder - praktisch niet uitvoerbaar en ontbreekt het [verdachte] ook aan de benodigde motivatie. Ook heeft hij geen stabiele woonplek. [verdachte] heeft zeker hulp nodig bij onder andere zijn emotieregulatie, probleemoplossend vermogen en zijn vaardighedentekorten. Ook met stevige juridische kaders houdt hij zich echter niet aan de voorwaarden. De Raad ziet op dit moment als enige mogelijkheid om de bedreigde ontwikkeling te doen keren een vorm van toezicht en begeleiding van de jeugdreclassering met een voorwaardelijke jeugddetentie. [verdachte] heeft zijn periode in de JJI namelijk als niet prettig ervaren en de Raad hoopt hiermee het signaal af te geven dat wanneer hij zich niet aan de voorwaarden houdt hij weer in detentie zal verblijven. De Raad hoopt dat [verdachte] door het ervaren van consequenties tot gedragsverandering komt. De Raad adviseert om – naast een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest – aan [verdachte] een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de Jeugdreclassering, dat hij een ITB Plus-traject (of een soortgelijk traject) volgt, dat hij meewerkt aan hulpverlening en dat hij een zinvolle dagbesteding heeft. Omdat de kans op recidive als hoog wordt geschat adviseert de Raad de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen.




De strafoplegging




Gezien het voorgaande, komt de rechtbank tot de volgende overwegingen over de op te leggen straf.



Het strafbare feit dat [verdachte] heeft gepleegd is ernstig. Dit rechtvaardigt een (deels) onvoorwaardelijke straf. De rechtbank ziet in de persoon van [verdachte], de grote zorgen die er rondom hem en zijn houding zijn, aanleiding om daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen. De rechtbank vindt een stok achter de deur nodig om zoveel mogelijk te voorkomen dat [verdachte] in de toekomst weer strafbare feiten zal plegen, in het bijzonder nu de kans daarop groot wordt geacht. De rechtbank vindt het wel positief dat [verdachte] heeft meegedaan aan het mediationtraject en zijn excuses heeft aangeboden aan [slachtoffer]. Ook heeft hij afgesproken dat hij een schadevergoeding aan [slachtoffer] zal betalen. De rechtbank vindt het, alles afwegend, passend en geboden om aan [verdachte] op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 230 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden koppelen zoals door de Raad zijn geadviseerd en hierna aan het eind van dit vonnis zijn geformuleerd. Als [verdachte] tijdens de proeftijd een strafbaar feit pleegt of de andere voorwaarden niet naleeft, moet hij alsnog de jeugddetentie uitzitten.



Ter zitting heeft de officier van justitie duidelijk gemaakt dat gelet op het gedrag van [verdachte] een criminele toekomst in het verschiet ligt. De rechtbank overweegt dat daarnaast zijn ouders meer met hun onderlinge ruzie bezig zijn dan met het daadwerkelijk steunen van [verdachte]. Hoe treurig ook, de nu op te leggen straf lijkt de laatste kans om een andere en positieve weg in te slaan. Hopelijk lukt dat [verdachte] met het huidige pakket aan bijzondere voorwaarden, de steun van de jeugdreclassering en vooral zijn eigen inzet.




Dadelijke uitvoerbaarheid




De rechtbank zal verder bevelen dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het hierop uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er - gelet op de persoon van [verdachte], de aard van het bewezenverklaarde feit en het ingeschatte recidiverisico, zoals hiervoor is uiteengezet - ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.




6.4

Het in beslag genomen voorwerp



De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het in beslag genomen mes moet worden onttrokken aan het verkeer.



De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het in beslag genomen mes.



De rechtbank is van oordeel dat het op de beslaglijst vermelde mes vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, aangezien met behulp van dit voorwerp het feit is begaan en zij van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.






7De schade van benadeelde


7.1

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]



(vertegenwoordigd door de gemachtigde [naam 3]) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Hij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 978,98 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- aanschaf telefoon: € 639, --;
- reparatie batterij telefoon: € 109,99;
- reparatie behuizing telefoon: € 229,99.



7.2

Het standpunt van de officier van justitie



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen tot een hoogte van € 500, --, gelijk aan de hoogte van de schadevergoeding zoals vastgesteld in de vaststellingsovereenkomst van 6 juli 2026. Voornoemde vaststellingsovereenkomst is zowel door [verdachte] als [slachtoffer] ondertekend als resultaat van mediation in de strafzaak. De officier van justitie vordert de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.




7.3

Het standpunt van de verdediging



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer] kan worden toegewezen tot een hoogte van € 500, --, gelijk aan de hoogte van de schadevergoeding zoals vastgesteld in de vaststellingsovereenkomst van 6 juli 2026.




7.4

Het oordeel van de rechtbank



Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat [verdachte] door het bewezenverklaarde feit rechtstreekse schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij, [slachtoffer]. Gezien de vaststellingsovereenkomst van 6 juli 2026, als resultaat van mediation in de strafzaak, wijst de rechtbank het gevorderde toe tot een bedrag van € 500, --. De rechtbank wijst de vordering voor het overige af. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 7 juli 2026 (de in de vaststellingsovereenkomst bepaalde uiterlijke datum van betaling) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.




7.5

De schadevergoedingsmaatregel



De benadeelde partij, [slachtoffer], heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.



De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan

[verdachte] op, zodat (kort gezegd) [slachtoffer] de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 500, -- aan de Staat moet betalen.



De rechtbank overweegt met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel dat gebruikelijk is om bij minderjarigen geen gijzeling te bepalen. Nu echter gebleken is dat [verdachte] over geld beschikt, maar dat niet gebruikt om de afgesproken schadevergoeding aan [slachtoffer] te betalen, acht de rechtbank gijzeling wel passend. [verdachte] hoeft immers slechts het geld over te maken aan [slachtoffer] en daarmee voorkomt hij dat hij wordt gegijzeld. Een eventuele gijzeling vervangt niet de verplichting tot betaling, zodat hij ook na een gijzeling alsnog moet betalen. De rechtbank bepaalt daarom op grond van artikel 36f lid 5 Sr dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:4:20 Sv kan worden toegepast, op 5 (vijf) dagen wordt gesteld.






8De vordering tenuitvoerlegging 08-042278-24


8.1

Het standpunt van de officier van justitie



De officier van justitie heeft tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 60 uren gevorderd.




8.2

Het standpunt van de verdediging



De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.




8.3

Het oordeel van de rechtbank



De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat de [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.






9De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 36b, 36c, 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 77za Sr.





10De beslissing


De rechtbank:




bewezenverklaring


- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;



strafbaarheid feit


- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:


primair

het misdrijf: afpersing;




strafbaarheid verdachte


- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;



straf


- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 230 (tweehonderddertig) dagen;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 90 (negentig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de

proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich gedurende de door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel, afdeling Jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd van twee jaar) en op de door de Jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de Jeugdreclassering zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- meewerkt aan andere door Jeugdbescherming Overijssel noodzakelijk geachte ondersteuning of verwijzing naar andere hulpverleningsinstanties, die gedurende de begeleiding door de jeugdreclassering noodzakelijk wordt geacht om de kans op herhaling te verkleinen;
- behoudens verlenging, zes maanden van het jeugdreclasseringtoezicht het ITB Plus-traject volgt, of een soortgelijk traject;
- meewerkt aan hulpverlening gericht op zijn vaardighedentekort, probleemoplossend vermogen en emotieregulatie, indien en wanneer de jeugdreclassering dit nodig acht;
- een zinvolle dagbesteding heeft in de vorm van school en/of werk, waarbij de jeugdreclassering bepaalt wat zinvol is.
- draagt de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel (instantiecode AST106,
verantwoordelijke gemeente Enschede) op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 77z Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;



schadevergoeding


- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van

€ 500, -- (vijfhonderd euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2026;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 500, --, (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2026 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 5 (vijf) dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering voor het overige af;



de in beslag genomen voorwerpen


- verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen mes, te weten het op de beslaglijst genoemde voorwerp onder nummer 1 (PL0600-2025165607-G3431532);



opheffing bevel voorlopige hechtenis


- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk wordt aan de opgelegde onvoorwaardelijke straf;



tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08-042278-24


- beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 11 juni 2024 voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur 60 uren subsidiair 30 (dertig) dagen jeugddetentie.


Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.H. van der Lecq en
mr. C. Verdoold, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C. van Leeuwen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.








Bijlage bewijsmiddelen





Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.



Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer ON2R025025. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 juli 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:


Het klopt dat ik op 11 april 2025 met [slachtoffer] in Enschede heb afgesproken bij een fietsenstalling. Vooraf hadden we via Snapchat contact. Het grijze mes dat later door de politie bij mij is aangetroffen, had ik mij me. Ik heb zijn telefoon gepakt en toen ben ik weggefietst.


het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 11 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven op pagina 69 en 70:


Vandaag, op 11 april 2025, wilde ik hasj kopen. Hiervoor stuurde ik een jongen een bericht op Snapchat. We spraken af bij de fietsenstalling bij station Drienerlo in Enschede. We stonden bij de ingang van de fietsenstalling. Ik hoorde de jongen om mijn telefoon vragen en ik hoorde dat hij zei “Ik kan jou hier zo neersteken als jij dit wil”. Ik zag dat hij toen in zijn rechterhand een mes had. De kleur van het handvat was lichtgrijs en het mesvlak had één snijvlak. Ik gaf mijn telefoon, een iPhone 13 Pro, hierop aan de jongen. Ik zag dat de jongen zijn fiets pakte en wegfietste.


het proces-verbaal van aanhouding verdachte van 11 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven op pagina 18:


Op 11 april 2025 hebben wij, verbalisanten, [verdachte] staande gehouden en gevraagd om zijn zakken leeg te halen. Ik, verbalisant [verbalisant], zag dat de verdachte een grijs mes uit zijn zak haalde.