Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:4695

2026-07-21 Civiel recht 11897934 \ CV EXPL 25-2951
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-07-21
Publicatiedatum
2026-08-01
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11897934 \ CV EXPL 25-2951
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Opzegging duurovereenkomst. Ontruiming perceel en verwijzing schadestaatprocedure.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (34.261 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Zwolle



Zaaknummer: 11897934 \ CV EXPL 25-2951




Vonnis van 21 juli 2026




in de zaak van





[partij A] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. R.E.P. de Koning,



tegen





[partij B] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. Y.K. van Dijk






1De zaak en het oordeel in het kort


1.1

[partij B] drijft een onderneming in het inzamelen en verwerken van oud ijzer en metaal op een perceel van [partij A] . Volgens [partij A] heeft hij het perceel om niet in gebruik gegeven aan [partij B] en heeft hij dat gebruik opgezegd. Hij vordert daarom in deze procedure ontruiming van het perceel. [partij B] is het daar niet met eens. Volgens haar is er sprake is van een huurovereenkomst omdat zij een tegenprestatie verricht voor het gebruik, namelijk dat zij haar metalen tegen een lagere prijs dan de marktprijs uitsluitend verkoopt aan [bedrijf] B.V. [partij B] vindt dat de huurovereenkomst niet op juiste wijze is opgezegd en de vordering moet worden afgewezen. In reconventie vordert zij onder andere primair een verklaring voor recht dat er sprake is van een huurovereenkomst en dat die huurovereenkomst voortduurt. Zij stelt zich subsidiair op het standpunt dat er sprake is van een duurovereenkomst die niet rechtsgeldig is opgezegd, en indien de duurovereenkomst wel is opgezegd, [partij A] schadeplichtig is.



1.2
De kantonrechter zal tot het oordeel komen dat er sprake is van een duurovereenkomst die door [partij A] rechtsgeldig is opgezegd en zal de gevorderde ontruiming daarom toewijzen. In reconventie zal [partij A] worden veroordeeld tot vergoeding van de door [partij B] geleden schade als gevolg van de opzegging, op te maken bij staat.





2De procedure


2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 24 september 2025;
- het bericht van [partij A] met een productie;- het bericht van [partij B] met producties;- de mondelinge behandeling van 13 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.


2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.





3De feiten


3.1

[partij B] drijft een onderneming in het inzamelen en verwerken van oud ijzer en metalen op een perceel van [partij A] aan [adres] (hierna het perceel).



3.2

[partij A] heeft het perceel in december 1994 van zijn ouders in eigendom verkregen. Zijn zwager [naam 1] (hierna [naam 1] ), heeft vanaf maart 1994 tot 2015 op het perceel een schrootbedrijf geëxploiteerd. [naam 1] verkocht de door hem ingezamelde materialen (nagenoeg) uitsluitend aan [bedrijf] B.V. (hierna [bedrijf] ). [partij A] was tot augustus 2024 bestuurder van [bedrijf] en is nu (middellijk) grootaandeelhouder.



3.3

[naam 1] heeft zijn onderneming op 1 januari 2015 overgedragen aan zijn schoonzoon [naam 2] (hierna: [naam 2] ), die de onderneming op 8 november 2021 heeft ingebracht in [partij B] . [naam 2] en [partij B] verkochten hun materialen ook (nagenoeg) uitsluitend aan [bedrijf] .



3.4
In de brief van 15 juli 2024 heeft [partij A] aan [partij B] onder andere het volgende geschreven:



“ (…) De grond en de opstallen waaronder een loods van waaruit [partij B] haar onderneming exploiteert zijn eigendom van ondergetekende en die heeft u zonder recht of titel in gebruik genomen.





Tot op heden heeft ondergetekende bovenstaande situatie gedoogd, maar daar komt een einde aan omdat ondergetekende de grond en opstallen zelf wil gaan gebruiken.





Ondergetekende verzoekt [partij B] , zo nodig sommeert [partij B] , om uiterlijk 31 december 2024 de grond en de opstallen leeg en ontruimd aan ondergetekende op te leveren, (…)”





3.5

[partij B] heeft daarop bij brief van 25 juli 2024 als volgt gereageerd:



“(…) In het korte gesprek voorafgaande aan deze brief vertelde ik je dat ik me nogal overvallen voelde door je mededeling dat ik per eind december van dit jaar moest vertrekken omdat je het perceel en de opstallen zelf wilt gaan gebruiken. Het gaat tenslotte wel om mijn bedrijf en het voortbestaan daarvan.





Ik vertelde je dan ook dat ik zou nadenken over mijn reactie.





Die houdt in dat ik geen uitvoering zal geven aan je sommatie/verzoek om de grond en opstallen aan [adres] uiterlijk 31 december 2024 leeg en ontruimd aan jou op te leveren. Anders dan jij schrijft is het niet zo dat mijn BV de grond en opstallen zonder (dit zijn jouw woorden) ‘recht of titel in gebruik heb genomen’. Mijn BV heeft namelijk rechten als huurder en de daarbij behorende bescherming, daar beroep ik mij op. (…)”





3.6
Partijen hebben vervolgens geprobeerd om via mediation een oplossing te bereiken, maar daar dat is niet gelukt.



3.7
Bij brief van 18 december 2024 heeft [partij A] aan de [partij B] onder andere het volgende medegedeeld:



“(…) Bij deze zeg ik (voor zover nodig) de rechtsverhouding op tegen 31 januari 2025 en zeg ik bij deze (nogmaals) de ontruiming aan en wel tegen 31 januari 2025. (…)”





3.8

[partij B] heeft het perceel niet ontruimd.





4Het geschil



in conventie




4.1

[partij A] vordert - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad, [partij B] te veroordelen de onroerende zaak gelegen aan [adres] binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis, te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- en € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat niet volledig aan de veroordeling is voldaan, met machtiging van [partij A] om de ontruiming zelf te bewerken en dat de kosten daarvan voor rekening van [partij B] komen, met veroordeling van [partij B] in de proceskosten.



4.2

[partij B] voert verweer. [partij B] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.



in reconventie





4.3


[partij B] vordert:
primair:
I. voor recht te verklaren dat tussen partijen sprake is van een huurovereenkomst ex artikel 7:230a BW,
II. voor recht te verklaren dat deze overeenkomst niet door [partij A] is opgezegd dan wel dat de opzegging nietig is en geen rechtsgevolg heeft,
III. voor recht te verklaren dat de aanzegging van de ontruiming nietig en zonder rechtsgevolg is en dat de huurovereenkomst tegen de thans geldende voorwaarden en toepasselijke wettelijke bepalingen voortduurt tot het moment dat deze huurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd,
IV. voor het geval [partij A] is overgegaan tot betekening en executie van het vonnis in conventie waardoor [partij B] genoodzaakt is om haar bedrijfsvoering te staken en de hiervoor geformuleerde verklaring voor recht wordt toegewezen: [partij A] uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van de door [partij B] als gevolg van de voortijdige executie geleden schade, zo nodig op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente,
subsidiair
V. voor recht te verklaren dat tussen partijen sprake is van een duurovereenkomst,
VI. voor recht te verklaren dat deze overeenkomst niet door [partij A] is opgezegd dan wel de opzegging nietig is en zonder rechtsgevolg en dat de duurovereenkomst tegen de thans geldende voorwaarden voortduurt tot het moment dat deze rechtsgeldig zal zijn geëindigd,
VII. voor het geval [partij A] is overgegaan tot betekening en executie van het vonnis in conventie waardoor [partij B] genoodzaakt is om haar bedrijfsvoering te staken en de hiervoor geformuleerde verklaring voor recht wordt toegewezen: [partij A] uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van de door [partij B] als gevolg van de voortijdige executie geleden schade, zo nodig op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente,
meer subsidiair:
a. voor recht te verklaren dat, als de opzegging rechtsgevolg heeft, [partij A] gehouden is tot betaling aan [partij B] van een schade vergoeding,
b. [partij A] uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van een door de rechtbank te bepalen bedrag, zo nodig nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente;
c. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat de huur of duurovereenkomst is geëindigd op 31 januari 2025, [partij A] te veroordelen tot betaling van de door [partij B] geleden schade, op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente.




4.4

[partij A] voert verweer. [partij A] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.



4.5
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling



in conventie




5.1
In deze zaak staat in conventie centraal of [partij A] het perceel om niet in gebruik heeft gegeven aan [partij B] , of dat de [partij B] het perceel huurt en daarnaast of het gebruik c.q. de huur rechtsgeldig door [partij A] is opgezegd en [partij B] het perceel moet ontruimen. In reconventie staat de vraag centraal of [partij A] gehouden is de schade te vergoeden die [partij B] lijdt als zij het perceel moet ontruimen.



5.2

[partij A] vordert ontruiming van het perceel door [partij B] . Hij legt daaraan ten grondslag dat hij het perceel om niet aan (de rechtsvoorgangers van) [partij B] in gebruik heeft gegeven en dat hij dat gebruik – ook wanneer geen opzeggingsregeling is overeengekomen – kan opzeggen. Omdat hij de overeenkomst op 15 juli 2024 met inachtneming van een opzegtermijn van ruim vijf maanden tegen 31 december 2024, althans (bij latere brief) tegen 31 januari 2025, heeft opgezegd, gebruikt [partij B] het perceel nu zonder recht of titel en moet zij het perceel ontruimen, aldus [partij A] .



5.3

[partij B] betwist dat zij het perceel zonder recht of titel gebruikt. Volgens [partij B] is er sprake van een huurovereenkomst tussen partijen in de zin van artikel 7:230a BW omdat zij een tegenprestatie betaalt voor het gebruik van het perceel. Die tegenprestatie bestaat eruit dat [partij B] (nagenoeg) al haar materialen tegen een door [partij A] vastgestelde lagere prijs dan de marktprijs verkoopt aan [bedrijf] en dat het haar niet is toegestaan aan andere partijen te verkopen. Omdat [partij A] tot augustus 2024 bestuurder van [bedrijf] was en hij nu (middellijk) grootaandeelhouder is, profiteert hij van de lagere verkoopprijs, aldus [partij B] . Ter onderbouwing verwijst zij onder andere naar een verklaring van haar accountant waar uit volgt dat de omzet van [partij B] voor 97% tot 99% bestaat uit de verkoop aan [bedrijf] . Verder voert zij aan dat de marktprijzen dagelijks schommelen en dat [partij A] wekelijks de lagere prijs aan [partij B] mededeelt en dat die prijs niet onderhandelbaar is. Ter onderbouwing verwijst zij naar whatsapp-berichten en e-mails waarin prijzen voor bepaalde producten en materialen zijn opgenomen.



5.4

[partij A] betwist dat [bedrijf] een lagere prijs dan de marktprijs betaalt voor de materialen van [partij B] . Hij voert daartoe onder andere aan dat (de rechtsvoorganger van) [partij B] van oudsher haar materialen aan [bedrijf] verkoopt vanwege de familiebanden, maar dat dit niet gestoeld is op een (prijs)afspraak en dat [bedrijf] daar geen voordeel van geniet. Volgens hem betaalt [bedrijf] [partij B] dezelfde prijs als die zij haar andere leveranciers betaalt en is [partij B] bovendien vrij haar materialen aan andere afnemers te verkopen.



Geen sprake van een huurovereenkomst




5.5
Naar het oordeel van de kantonrechter is niet vast komen te staan dat [partij B] een tegenprestatie betaalt voor het gebruik van het perceel. [partij B] heeft weliswaar gesteld dat [bedrijf] haar een lagere prijs dan de marktprijs betaalt, maar dat heeft [partij A] betwist. [partij B] verwijst ter onderbouwing naar whatsapp-berichten en e-mails met daarin door [partij A] genoemde prijzen en naar een door haar overgelegde (ongedateerde) prijslijst van Hymne, maar heeft niet toegelicht hoe daaruit kan worden afgeleid dat de marktprijs hoger is dan de prijs die [bedrijf] haar betaalt. Ook in antwoord op vragen van de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij B] geen concrete voorbeelden kunnen geven van die prijsverschillen. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling alleen gewezen op het prijsverschil van ‘koper gemengd’, maar dat heeft [partij A] gemotiveerd betwist. Zoals [partij A] heeft toegelicht vergelijkt [partij B] ‘nieuw koper’ met ‘gemengd koper’ en is dat de (enige) oorzaak van het prijsverschil. Daarbij heeft [partij A] onbetwist aangevoerd dat eventuele prijsverschillen – voor zover die kunnen worden afgeleid uit de overgelegde lijsten – veroorzaakt worden door volumeverschillen. [bedrijf] is namelijk bereid kleinere volumes af te nemen dan andere afnemers, waardoor zij een lagere marktprijs hanteert dan afnemers die alleen grote volumes afnemen. Bovendien heeft [partij A] onbetwist aangevoerd dat [bedrijf] [partij B] geen andere prijs voor de materialen betaalt dan die zij betaalt aan andere leveranciers die op hetzelfde moment dezelfde materialen aanleveren. Er kunnen alleen (kleine) prijsverschillen ontstaan wanneer er op verschillende momenten geleverd wordt, maar dat is afhankelijk van de handelsprijs op dat moment en niet van de leverancier. Ter onderbouwing van zijn stellingen verwijst [partij A] ook naar de verklaring van de bestuurder van [bedrijf] , [naam 3] , waaruit volgt dat [bedrijf] [partij B] een marktconforme prijs betaalt. [partij B] heeft geen andere feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [bedrijf] haar daadwerkelijk een lagere prijs betaalt als tegenprestatie voor het gebruik van het perceel.



5.6
Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat [partij B] een tegenprestatie betaalt voor het gebruik van het perceel en er sprake is van een huurovereenkomst tussen partijen. Dat betekent dat [partij A] in 1994 het perceel om niet aan (de rechtsvoorganger van) [partij B] in gebruik heeft gegeven voor de exploitatie van haar bedrijf en er dus sprake is van een duurovereenkomst tussen partijen.




[partij A] kon de duurovereenkomst tussen partijen opzeggen




5.7

[partij A] voert aan dat er sprake is van een duurovereenkomst tussen partijen op grond waarvan hij het perceel om niet aan (de rechtsvoorganger van) [partij B] in gebruik heeft gegeven en dat hij die overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd.



5.8
De kantonrechter overweegt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat de (duur)overeenkomst in 1994 mondeling is aangegaan voor onbepaalde tijd, zonder dat een opzeggingsregeling is overeengekomen. Indien de wet en de overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van artikel 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van de redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen verder, in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Verder kan een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid de duurovereenkomst op te zeggen, op grond van artikel 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.



5.9
Vooropgesteld oordeelt de kantonrechter dat [partij A] de duurovereenkomst tussen partijen kan opzeggen omdat dit, zoals hiervoor overwogen, het uitgangspunt is en [partij A] daar ook belang bij heeft. De duurovereenkomst is namelijk in 1994 door de rechtsvoorgangers van [partij A] met de rechtsvoorganger van [partij B] aangegaan en op basis van die overeenkomst heeft [partij A] het perceel lange tijd om niet ter beschikking gesteld. Omdat [partij A] het aangrenzende perceel heeft gekocht en beide percelen wil saneren en gebruiken voor een nieuwe onderneming, heeft hij (voldoende) belang bij de mogelijkheid om de overeenkomst met [partij B] op te kunnen zeggen.



5.10

[partij B] stelt dat [partij A] de duurovereenkomst desondanks alleen kan opzeggen wanneer hij daarvoor een voldoende zwaarwegende grond heeft, en dat die grond niet aanwezig is omdat [partij A] die niet nader heeft onderbouwd. De kantonrechter volgt haar daar niet in omdat [partij B] er met dit standpunt aan voorbij gaat dat het juist aan haar is om te stellen en te onderbouwen dat de eisen van de redelijkheid en billijkheid in dit geval met zich meebrengen dat moet worden afgeweken van de hoofdregel dat de duurovereenkomst in beginsel opzegbaar is en [partij A] een voldoende zwaarwegende grond moet hebben voor opzegging van de overeenkomst. Dat heeft [partij B] niet gedaan. Bovendien volgt de (voldoende) zwaarwegende grond ook uit de belangen van [partij A] zoals hiervoor opgenomen.




[partij A] heeft de duurovereenkomst rechtsgeldig opgezegd




5.11

[partij B] stelt dat [partij A] de duurovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd omdat i) [partij A] de rechtsverhouding tussen partijen niet heeft gekwalificeerd in de brief van 15 juli 2024 en niet expliciet heeft opgenomen dat er sprake is van een duurovereenkomst, ii) dat niet in de brief is opgenomen dat die duurovereenkomst wordt opgezegd en iii) dat er geen aanbod is gedaan tot het betalen van een schadevergoeding.



5.12
De kantonrechter volgt [partij B] niet in het voorgaande. Hoewel in de brief van 15 juli 2024 niet is opgenomen dat er sprake is van een duurovereenkomst en dat niet is opgenomen dat die overeenkomst wordt opgezegd, moest [partij B] de brief in de gegeven omstandigheden wel begrijpen als een opzegging van de tussen [partij A] en haar bestaande (duur)overeenkomst. Uit de brief volgt immers ondubbelzinnig dat [partij A] het gebruik van het perceel door [partij B] zal beëindigen omdat hij het perceel zelf wil gaan gebruiken. Ook heeft hij de [partij B] gesommeerd het perceel te verlaten en haar een termijn voor de ontruiming gegeven. Dat [partij B] de brief ook daadwerkelijk heeft opgevat als een opzegging van de tussen partijen bestaande overeenkomst volgt uit haar reactie van 25 juli 2024, waarin zij schrijft dat zij overvallen is door de mededeling dat zij het perceel moet verlaten en dat zij het perceel niet zal ontruimen omdat zij vindt dat ze huurbescherming geniet. In de gegeven omstandigheden moest [partij B] de brief van 15 juli 2024 dus begrijpen als een opzegging van de tussen partijen bestaande duurovereenkomst. Daarnaast acht de kantonrechter de in de brief opgenomen ontruimingstermijn van (ruim) vijf maanden redelijk.



5.13
Over de stelling van [partij B] dat de opzegging niet rechtsgeldig is omdat er geen aanbod is gedaan tot het betalen van een schadevergoeding, overweegt de kantonrechter vooropgesteld het volgende. Indien de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een opzegging gepaard moet gaan met een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding, geldt dat het ontbreken van een zodanig aanbod de opzegging in de regel niet ongeldig maakt. Wel zal die omstandigheid kunnen meewegen bij het vaststellen van de hoogte van de alsnog te betalen vergoeding. De omstandigheden van het geval kunnen evenwel meebrengen dat een opzegging waarbij niet tegelijkertijd een passende (schade)vergoeding wordt aangeboden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, waardoor de opzegging niet geldig is.



5.14
De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] de door [partij B] geleden schade als gevolg van de opzegging van de duurovereenkomst moet vergoeden (waarover hierna onder 5.25. meer), maar dat het ontbreken van een aanbod tot het betalen van een schadevergoeding in dit geval niet leidt tot de conclusie dat de opzegging niet rechtsgeldig is. [partij B] heeft namelijk geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat de opzegging zonder het aanbod tot betaling van een schadevergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, waardoor de kantonrechter daaraan voorbij gaat.



5.15
Tot slot voert [partij B] aan dat het beroep op de opzeggingsmogelijkheid door [partij A] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is. Zij stelt daartoe onder andere dat zij voor haar omzet en voortbestaan van haar bedrijf grotendeels afhankelijk is van [bedrijf] en dat zij door die afhankelijkheid geen ander netwerk van afnemers in de regio heeft kunnen opbouwen. Daar volgt de kantonrechter haar niet in omdat [partij A] alleen de duurovereenkomst met betrekking tot het perceel heeft opgezegd en dat de rechtsverhouding met [bedrijf] niet is opgezegd. [partij B] stelt verder dat [partij A] haar niet tijdig heeft geïnformeerd over haar voornemen en dat zij gelet op de familiebanden ervan uit mocht gaan dat de overeenkomst niet zou worden opgezegd. Ook daar volgt de kantonrechter haar niet in. [partij B] mocht op basis van de bestaande overeenkomst niet verwachten dat [partij A] het perceel altijd om niet ter beschikking zou blijven stellen. [partij A] heeft daarnaast ook een redelijke opzegtermijn van ruim vijf maanden gehanteerd en bovendien hebben [partij B] en haar rechtsvoorgangers gedurende 32 jaar ook voordeel genoten van het gebruik van het perceel om niet. De stellingen dat [partij B] haar bedrijf door de opzegging waarschijnlijk zal moeten staken en dat [partij A] op het perceel mogelijk eenzelfde soort bedrijf zal starten en zal profiteren van de goodwill van [partij B] , leiden tot slot ook niet tot een ander oordeel. Voor schade die [partij B] door de opzegging lijdt of zal lijden, moet [partij A] zoals hiervoor overwogen een vergoeding betalen. Dit leidt er daarom niet toe dat [partij A] de overeenkomst niet kan opzeggen en gehouden is het perceel ook in de toekomst om niet aan [partij B] ter beschikking te blijven stellen.



5.16
Gelet op het voorgaande is de duurovereenkomst tussen [partij A] en [partij B] op grond waarvan [partij B] een deel van het perceel om niet mocht gebruiken, rechtsgeldig opgezegd en (gelet op de opzegtermijn) inmiddels ook geëindigd. Dat betekent dat [partij B] het perceel zonder recht of titel gebruikt en de vordering in conventie tot ontruiming wordt toegewezen.



Ontruimingstermijn




5.17

[partij A] vordert ontruiming van het perceel binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis. [partij B] voert verweer tegen deze termijn omdat het voor haar feitelijk onmogelijk is binnen die termijn haar hele bedrijf te ontmantelen en de gehele handelsvoorraad te verplaatsen.



5.18
De kantonrechter acht de gevorderde ontruimingstermijn te kort. Omdat [partij B] niet heeft gespecificeerd welke ontruimingstermijn voor haar wel haalbaar is, zal de kantonrechter een termijn van drie maanden na het in deze te wijzen vonnis hanteren.



Geen dwangsom en geen machtiging ontruiming zelf te bewerkstelligen




5.19

[partij A] vordert ontruiming ‘zulks met machtiging aan eiser om bij gebreke van volledige voldoening hieraan deze verlating en ontruiming en dit verlaten en ontruimd te houden zelf te bewerken’. De kantonrechter begrijpt deze vordering zo dat [partij A] machtiging wenst om de ontruiming door een deurwaarder te laten uitvoeren indien [partij B] niet vrijwillig aan de veroordeling voldoet. De bevoegdheid om een vonnis ten uitvoer te leggen met behulp van een deurwaarder, volgt al uit de wet (artikel 556 lid 1 Rv) waardoor [partij A] geen belang heeft bij deze vordering en de vordering zal worden afgewezen. De kantonrechter zal [partij B] , zoals [partij A] vordert, veroordelen tot betaling van de kosten van de ontruiming – uitsluitend indien en voor zover de ontruiming door een deurwaarder zal (moeten) worden uitgevoerd – zoals die kosten blijken uit het proces-verbaal van de deurwaarder die de ontruiming uitvoert.



5.20
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden omdat [partij B] heeft bevestigd vrijwillig aan de veroordeling tot ontruiming te voldoen en een prikkel tot nakoming daarom niet noodzakelijk is.



Geen uitvoerbaarheid bij voorraad




5.21

[partij B] voert gemotiveerd verweer tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis. Zij voert aan dat de uitvoerbaarheid bij voorraad voor haar grote gevolgen heeft omdat het betekent dat zij op korte termijn haar bedrijf moet ontmantelen, grote machines moet verhuizen en twee ton aan metaalafval moet verwijderen. Volgens [partij B] is een alternatieve (opslag)locatie in de directe omgeving niet beschikbaar. Ook heeft de ontruiming op korte termijn grote gevolgen voor [naam 2] en zijn gezin, die afhankelijk zijn van de inkomsten uit de onderneming. Omdat [partij A] zijn vordering om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren in de dagvaarding niet heeft onderbouwd en dat ook na het gemotiveerde verweer van [partij B] niet heeft gedaan, zal de kantonrechter die vordering afwijzen en het vonnis in conventie niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren.



Proceskosten in conventie




5.22

[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


148,04







- griffierecht


€


0,00







- salaris gemachtigde


€


434,00


(2 punten × € 217,00)




- nakosten


€


108,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


690,54












In reconventie





Afwijzing primaire en subsidiaire vorderingen in reconventie




5.23
Gelet op het oordeel in conventie dat er geen sprake is van een huurovereenkomst, wijst de kantonrechter de primaire vorderingen in reconventie af. Omdat de kantonrechter in conventie heeft geoordeeld dat dat de tussen partijen bestaande duurovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd en geëindigd, worden ook de subsidiaire vorderingen onder V. en VI. afgewezen.



5.24
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij B] toegelicht dat de vordering onder VII. zo moet worden begrepen dat zij een schadevergoeding vordert voor het geval waarin in zij veroordeeld wordt tot ontruiming, het ontruimingsvonnis wordt geëxecuteerd en wanneer het ontruimingsvonnis in hoger beroep wordt vernietigd. De kantonrechter wijst deze vordering af omdat [partij B] daarbij geen belang heeft. [partij B] baseert haar vordering namelijk op een mogelijk toekomstig onrechtmatig handelen van [partij A] en mogelijke toekomstige schade, maar van daadwerkelijk onrechtmatig handelen of schade is (nog) geen sprake. De vordering onder VII. wordt daarom afgewezen.



Schadevergoedingsplicht




5.25

[partij B] vordert vergoeding van de schade die zij lijdt als gevolg van de opzegging van de duurovereenkomst door [partij A] , op te maken bij staat. De kantonrechter zal die vordering toewijzen. Zoals [partij B] heeft toegelicht lijdt zij schade door de opzegging door [partij A] . [partij B] zal door de opzegging haar gehele bedrijf en handelsvoorraad moeten verplaatsen naar een andere locatie. Omdat het gaat om een aanzienlijk terrein met veel handelsvoorraad en grote machines, zal dat de nodige ontruimingskosten met zich meebrengen. Verder is nog onduidelijk of zij vanaf een andere locatie haar onderneming kan voortzetten en zal kunnen blijven leveren aan haar enige afnemer, [bedrijf] . Ook heeft zij onbetwist aangevoerd dat [partij A] op het perceel mogelijk eenzelfde bedrijf zal starten en daardoor zal profiteren van de door [partij B] opgebouwde goodwill, waardoor [partij B] schade lijdt. Omdat de ontruiming nog niet heeft plaatsgevonden kan de kantonrechter de schade in deze procedure niet definitief vaststellen. De kantonrechter zal de zaak daarom verwijzen naar een schadestaatprocedure.



5.26
Omdat beide partijen in reconventie gedeeltelijk ongelijk krijgen - het merendeel van de vorderingen van [partij B] wordt afgewezen - zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





6De beslissing


De kantonrechter




in conventie




6.1
veroordeelt [partij B] de onroerende zaak gelegen aan De [adres] , kadastraal bekend Gemeente [kadastrale aanduidingen] , binnen drie maanden na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden,



6.2
veroordeelt [partij B] tot betaling van de kosten van de ontruiming – uitsluitend indien en voor zover de ontruiming door de deurwaarder zal (moeten) worden uitgevoerd – zoals die kosten blijken uit het proces-verbaal van de deurwaarder die de ontruiming uitvoert,



6.3
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 690,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.4
wijst het meer of anders gevorderde af,



in reconventie





6.5
verklaart voor recht dat [partij A] jegens [partij B] aansprakelijk is voor de schade die door [partij B] is geleden en eventueel nog zal worden geleden als gevolg van de opzegging van de tussen partijen bestaande duurovereenkomst en de ontruiming van het perceel,



6.6
veroordeelt [partij A] tot vergoeding aan [partij B] van die onder 6.5. genoemde schade, op te maken bij staat,



6.7
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling onder 6.6. uitvoerbaar bij voorraad,



6.8
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



6.9
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.(mb)




Hoge Raad 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, r.o. 3.6.2.


Hoge Raad 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1709, r.o. 3.2.


Hoge Raad 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1709, r.o. 3.3.