Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:4694
2026-07-21
Civiel recht
C/08/348229 / KG ZA 26-123
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
machtiging tegeldemaking voormalig echtelijke woning.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (34.185 tekens)
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/348229 / KG ZA 26-123
Vonnis in kort geding van 21 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. K. Eliyo, toegevoegd onder nummer 2HE3465,
tegen
[de man]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. P.F.A. Reichenbach.
1De zaak in het kort
1.1
Partijen zijn voormalige echtelieden. Zij zijn gezamenlijk eigenaar van een woning. In het echtscheidingsconvenant hebben zij afgesproken dat de man de woning binnen een bepaalde termijn zou overnemen en dat de woning anders aan een derde zou worden verkocht. De man heeft de woning niet binnen de overeengekomen termijn overgenomen. De vrouw vordert daarom dat zij wordt gemachtigd de woning te gelde te maken.
1.2
De voorzieningenrechter wijst deze vordering toe. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat partijen een verdere verlenging van de termijn zijn overeengekomen. De gemaakte afspraken en de financiële situatie van de vrouw leveren naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gewichtige redenen op om haar tot verkoop van de woning te machtigen. Ook de met de verkoop samenhangende vorderingen worden grotendeels toegewezen. De proceskosten worden gecompenseerd.
2De procedure
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van de vrouw,- het schriftelijke verweer met producties van de man,- de mondelinge behandeling van 7 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
3De feiten
3.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in gemeenschap van goederen.
3.2
Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort een woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, staande en gelegen aan de [adres] , kadastraal bekend als de gemeente [kadastrale aanduidingen] (hierna: de woning). Partijen hebben deze woning op 25 augustus 2015 gekocht van de moeder van de man. De woning bestaat feitelijk uit twee wooneenheden. De wooneenheid met huisnummer [nummer 1] was de echtelijke woning van partijen en wordt thans nog door de man bewoond. De wooneenheid met huisnummer [nummer 2] wordt sinds in ieder geval de verkoop aan de vrouw en de man door de moeder van de man bewoond.
3.3
In het kader van hun voorgenomen echtscheiding hebben partijen met behulp van een mediator afspraken gemaakt over de gevolgen van de echtscheiding.
3.4
Partijen zijn tot afspraken gekomen die zijn opgenomen in een document dat is getiteld ‘Convenant/vaststellingsovereenkomst’ (hierna: het convenant). Het convenant is op 15 augustus 2023 ondertekend. In het convenant is onder meer opgenomen:
“3.9. Eigendom echtelijke woning
3.9.1.
Aan [de man] komt het eigendom van de echtelijke woning te [adres] [nummer 1] toe, onder de verplichting om de hierop rustende hypothecaire geldleningen voor zijn rekening te nemen en [de vrouw] te laten ontslaan uit haar hoofdelijke verbondenheid en te vrijwaren voor iedere aansprakelijkheid.
Deze toedeling van de woning vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de hypotheeknemer [de vrouw] ontslaat uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van deze hypothecaire geldlening.
(…)
3.9.5.
De waarde van de woning bedraagt € 375.000,- dit op basis van gezamenlijke eigen inschatting van partijen.
De hypothecaire geldlening loopt bij de SNS Bank met hypotheeknummer 92.50.97.985 en betreft een totaalbedrag van € 167.928,-. Het kan zijn dat de fiscus vindt dat er een andere waarde als uitgangspunt genomen had moeten worden, hierdoor kan er achteraf sprake zijn van over- of onderbedeling. Deze zal op dat moment onderling niet meer worden verrekend. De eventueel te betalen schenkbelasting zal worden voldaan door de overbedeelde partij.
(…)
3.9.7.
De overdracht van het eigendomsaandeel en de eventueel verpande polissen vinden gelijktijdig plaats, uiterlijk binnen 3 maanden na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, tenzij partijen schriftelijk een latere datum overeenkomen.
3.9.8.
Indien de echtelijke woning niet binnen 3 maanden of binnen de door partijen overeengekomen periode is overgedragen, zal de woning te koop gezet worden en worden overgedragen aan de eerste belangstellende die naar oordeel van partijen een acceptabel bod uitbrengt. Partijen zullen in onderling overleg bepalen wat zij verstaan onder een acceptabel bod.”
3.5
Bij beschikking van 14 september 2023 heeft de rechtbank Limburg de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat het convenant en het door partijen opgestelde ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.
3.6
De echtscheidingsbeschikking is op 2 oktober 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente].
3.7
Op 5 december 2023 heeft de vrouw een e-mail naar de man gestuurd waarin zij schrijft:
“(…) Momenteel staat mijn naam nog op de hypotheekakte en daarmee ben ik nog deels verantwoordelijk voor de hypotheek. Na serieuze overweging heb ik besloten dat ik mijn naam daarvan verwijderd wil zien in het eerste kwartaal van 2024. In het convenant staat dit al opgenomen en heb je voor akkoord getekend. Ik hoop dat je mijn keuze respecteert en je ervoor inzet dit zo spoedig mogelijk te regelen, aangezien jij daarvoor documenten dient aan te leveren bij de SNS bank.”
3.8
De man heeft hierna een taxatie laten verrichten en is gestart met een financieringsaanvraag bij SNS Bank.
3.9
Daarnaast hebben partijen opdracht verstrekt aan [bedrijf 1] voor:
“alle werkzaamheden voor het opstellen en passeren van de akte van verdeling
Het regelen van ontslag van de hoofdelijke aansprakelijkheid
En het eventueel vestigen van een nieuwe hypotheek.”
3.10
Op 24 april 2024 heeft de man via Whatsapp naar de vrouw gestuurd:
“ [bedrijf 1] gaat jou bellen, voor de afwikkeling hypotheek.”
3.11
Op 23 mei 2024 heeft de man van SNS Bank een hypotheekofferte ontvangen. Daarin staat onder meer:
“Voordat u de akte van ontslag tekent bij de notaris heeft u een aanvullend bedrag van € 62.217,00 nodig om uw partner uit te kopen.”
3.12
In juni 2024 zijn partijen bij de notaris geweest. De notaris heeft hierna een conceptakte opgesteld.
3.13
Tussen partijen is vervolgens discussie ontstaan over de financiële afwikkeling van het convenant. De vrouw heeft [bedrijf 2] ingeschakeld met het verzoek een analyse te maken ten aanzien van de in het convenant opgenomen verdeling. Op 2 oktober 2024 is een rapport opgesteld. Volgens [bedrijf 2] zou de vrouw op basis van de tussen partijen gemaakte afspraken € 99.938,00 uit de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap ontvangen terwijl dit € 194.155,00 zou moeten zijn. De vrouw heeft de man hierop aangesproken. Partijen zijn toen opnieuw in overleg getreden over de financiële afwikkeling. Tot een oplossing heeft dat niet geleid. De akte van verdeling is niet gepasseerd.
3.14
De vrouw heeft vervolgens bij deze rechtbank een procedure tegen de man aanhangig gemaakt, bekend onder zaaknummer C/08/335396 / HA ZA 25-224. Zij vorderde onder andere vernietiging van de in het convenant overeengekomen verdeling wegens dwaling en benadeling voor meer dan een vierde. Bij vonnis van 18 maart 2026 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat het convenant een vaststellingsovereenkomst is en dat de vrouw het risico op benadeling bewust had aanvaard. De vorderingen zijn afgewezen. Tegen het vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
4Het geschil
4.1
De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter in kort geding bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
Primair:
I. de vrouw zal machtigen tot het te gelde maken van de onroerende zaak, zijnde het woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, staande en gelegen aan de [adres] [nummer 1] te [adres] , kadastraal bekend als de gemeente [kadastrale aanduidingen] (hierna: de woning), met alles wat daartoe nodig en noodzakelijk is, waaronder het voor gemeenschappelijke rekening (laten) verrichten van noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden, het inschakelen van de makelaar en het verzorgen van het notarieel transport van de woning aan de koper;
II. zal bepalen dat [bedrijf 3] B.V. te [vestigingsplaats] als bemiddelaar bij de verkoop optreedt en deze makelaar de vraag- en laatprijs bindend vaststelt;
III. zal bepalen dat de man binnen één week na een verzoek van de makelaar zijn medewerking dient te verlenen aan een bezichtiging door de makelaar en de potentiële kopers toegang tot de woning te verlenen;
IV. zal bepalen dat de man niet aanwezig mag zijn bij de bezichtigingen van de woning;
V. zal bepalen dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake de verkoop en levering te dragen;
VI. zal bepalen dat de hypothecaire geldlening(en) bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;
VII. zal bepalen dat de eventueel aan de hypothecaire geldlening(en) verbonden polis(sen) van levensverzekeringen worden afgekocht en verrekend met de eventuele negatieve opbrengst uit verkoop;
VIII. zal bepalen dat de netto-verkoopopbrengst gelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen;
IX. zal bepalen dat de man voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het onder III. en IV. bepaalde, aan de vrouw een dwangsom verbeurt van € 2.500,- per overtreding tot een maximum van € 100.000,-;
Subsidiair:
X. de man zal gelasten zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, met alles wat daartoe nodig en noodzakelijk is, en gezamenlijk opdracht te geven aan [bedrijf 3] B.V. te [vestigingsplaats] tot het in de verkoop nemen van de woning;
XI. zal bepalen dat [bedrijf 3] B.V. te [vestigingsplaats] als bemiddelaar bij de verkoop optreedt indien partijen binnen veertien dagen na het vonnis geen overeenstemming bereiken over de makelaar aan wie de opdracht moet worden verleend en deze makelaar de vraag- en laatprijs bindend vaststelt;
XII. de man zal veroordelen:
a) om bij/aan/in de woning een bord en/of raambiljet ‘Te Koop’ te plaatsen en geplaatst te houden totdat de voorlopige koopovereenkomst is ondertekend;
b) om de adviezen en/of aanwijzingen van de makelaar met betrekking tot de verkoopprijs c.q. het zo nodig bijstellen van de vraagprijs c.q. met betrekking tot de onderhandelingen met een potentiële koper te volgen;
c) om potentiële kopers (en hun makelaars) binnen één week na een verzoek van [bedrijf 3] te [vestigingsplaats] toegang te verschaffen tot de woning teneinde deze te bezichtigen;
d) de woning gereed voor foto's, bezichtigingen, e.d. verkoopklaar te maken;
dit alles op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 100.000,00;
XIII. zal bepalen dat de man niet aanwezig mag zijn bij de bezichtigingen van de woning;
XIV. de man zal veroordelen om, zodra er een kandidaat-koper is die bereid is een prijs te betalen zoals vastgesteld door de makelaar, mee te werken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst;
XV. zal bepalen dat beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het notarieel transport van de woning aan de koper;
XVI. zal bepalen dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake de verkoop en levering te dragen;
XVII. zal bepalen dat de hypothecaire geldlening(en) bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal (zullen) worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;
XVIII. zal bepalen dat de eventueel aan de hypothecaire geldlening(en) verbonden polis(sen) van levensverzekeringen worden afgekocht en verrekend met de eventuele negatieve opbrengst uit verkoop;
XIX. zal bepalen dat de netto-verkoopopbrengst gelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen;
zal bepalen dat de man voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het onder X. en XIII. t/m XV. bepaalde, aan de vrouw een dwangsom verbeurt van € 2.500,- per overtreding tot een maximum van € 100.000,-;
Meer subsidiair:
zal bepalen dat wanneer de man niet (volledig) zijn medewerking verleent aan de onder X., XIV. en XV. gevorderde medewerking, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man die nodig zijn voor respectievelijk de verkoopopdracht, de verkoop en de levering en het notariële transport van de woning, mits die verkoopopdracht en/of koopovereenkomst en/of notariële akte geen bepalingen inhoudt/inhouden die afwijken van wat in de gegeven omstandigheden gebruikelijk is, zulks ter beoordeling van [bedrijf 3] B.V. te [vestigingsplaats] en/of de notaris ten overstaan van wie de betreffende akte gepasseerd wordt;
Nog meer subsidiair:
althans een beslissing zal nemen die de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel rechtens juist acht;
Primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair:
kosten rechtens.
4.2
De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
De vrouw heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen
5.1
Het gaat in dit kort geding om de voormalige echtelijke woning van de vrouw en de man. De vrouw wil dat de woning tegen een marktconforme prijs aan een derde wordt verkocht. Zij vordert primair dat zij op grond van artikel 3:174 lid 1 BW wordt gemachtigd om de woning te gelde te maken.
5.2
De vordering strekt tot het treffen van een voorlopige voorziening in kort geding. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is allereerst vereist dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervan sprake is. De vrouw heeft namelijk onweersproken gesteld dat zij zich in een moeilijke financiële situatie bevindt. Zij heeft schulden bij diverse instanties en kan niet langer aan haar maandelijkse verplichtingen voldoen. Zolang de gezamenlijke woning niet wordt verkocht, blijft zij financieel aan de woning gebonden, waardoor zij wordt belemmerd in het opbouwen van een zelfstandig financieel bestaan. Daarnaast wordt het aandeel van de vrouw in de woning als vermogen in box 3 aangemerkt. Volgens de vrouw levert dit haar een fiscaal nadeel op en loopt zij hierdoor diverse toeslagen mis.
De vordering leent zich voor beoordeling in kort geding
5.3
De man voert verweer tegen het door de vrouw gevorderde. Hij stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat het geschil zich niet leent voor behandeling in kort geding. Volgens de man maakte de overname van de woning onderdeel uit van een veel bredere vermogensrechtelijke afwikkeling tussen partijen, die was gericht op één integrale financiële eindafrekening. Daarbij waren niet alleen de uitkoop van de woning en de maandelijkse betalingen betrokken, maar ook de ondernemingen van partijen, de fiscale afwikkeling, reeds verrichte betalingen, vermogensbestanddelen, voorschotten, investeringen en overige onderlinge verrekeningen. De beoordeling van die afwikkeling vergt volgens de man uitvoerig onderzoek naar onder meer de correspondentie tussen partijen, de uitkoopadministratie, de notariële stukken en de financiële administratie. Voor een dergelijk onderzoek biedt een kort geding volgens hem geen ruimte. De vraag of de woning moet worden verkocht, kan volgens de man niet los van die bredere afwikkeling worden beoordeeld.
5.4
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De man beroept zich op artikel 256 Rv waarin is bepaald dat de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening in een kort geding weigert als hij oordeelt dat de zaak zich niet leent voor deze versnelde procedure. De voorzieningenrechter stelt voorop dat in kort geding moet worden beoordeeld of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat, vooruitlopend daarop, toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter vormt zich daarbij een voorlopig oordeel aan de hand van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht. In een kort geding is geen plaats voor bewijslevering. Dat neemt echter niet weg dat ook in kort geding een beslissing kan worden gegeven indien de relevante rechtsvragen zich op basis van de beschikbare stukken en het verhandelde ter zitting voldoende laten beoordelen.
5.5
Van dat laatste is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval sprake. De vordering van de vrouw is gebaseerd op artikel 3:174 BW en ziet op de vraag of zij kan worden gemachtigd de woning te gelde te maken. De beschikbare stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, geven voldoende informatie om daarover een voorlopig oordeel te geven.
5.6
Daarbij komt dat, ook als de man wordt gevolgd in zijn stelling dat de overname van de woning onderdeel uitmaakte van een bredere financiële afwikkeling, dit niet betekent dat die afwikkeling in dit kort geding volledig moet worden beoordeeld. De gestelde samenhang kan relevant zijn voor de vraag of de man een gerechtvaardigde reden had om de woning nog niet over te nemen. Voor de beoordeling van de vordering is echter niet nodig dat de omvang van alle wederzijdse financiële rechten en verplichtingen definitief wordt vastgesteld. Ook in zoverre is de zaak daarom niet te complex voor behandeling in kort geding. Het beroep van de man op artikel 256 Rv wordt verworpen.
De vrouw kan zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op artikel 3.9 van het convenant beroepen
5.7
Op grond van artikel 3:174 lid 1 BW kan een deelgenoot slechts wegens gewichtige redenen worden gemachtigd een gemeenschappelijk goed te gelde te maken. Volgens de vrouw bestaan er in dit geval gewichtige redenen. Zij beroept zich daarbij onder meer op de in artikel 3.9 van het convenant gemaakte afspraken over de woning. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt.
5.8
Bij vonnis van 18 maart 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat het convenant een vaststellingsovereenkomst is. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld, zodat het onherroepelijk is geworden. In artikel 3.9 van het convenant hebben partijen afgesproken dat de man het aandeel van de vrouw in de woning binnen drie maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zou overnemen, tenzij partijen een andere termijn zouden overeenkomen. De echtscheidingsbeschikking is op 2 oktober 2023 ingeschreven, zodat de oorspronkelijke termijn op 2 januari 2024 verstreek. De woning was op die datum niet door de man overgenomen. De vrouw kan daarom in beginsel verlangen dat de woning aan een derde wordt verkocht, tenzij partijen een langere termijn voor de overname zijn overeengekomen.
5.9
De man heeft aangevoerd dat dit laatste het geval is. Volgens hem hebben partijen afgesproken dat hij de woning pas in augustus 2025 hoefde over te nemen, omdat de looptijd van tien jaar van de gezamenlijk afgesloten hypotheek op dat moment zou eindigen. Hij zou op dat moment in één keer een nieuwe hypotheek op zijn naam aanvragen. De vrouw heeft betwist dat deze afspraak is gemaakt. Gelet op die betwisting lag het op de weg van de man om zijn standpunt nader, met stukken, te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. Daarbij komt dat het standpunt van de man moeilijk valt te rijmen met de omstandigheid dat op initiatief van de man in juni 2024 een concept-leveringsakte ter ondertekening voor lag (die niet is gepasseerd omdat de vrouw uiteindelijk niet tot ondertekening wenste over te gaan). De gestelde afspraak is daarom voorshands niet aannemelijk geworden, zodat de voorzieningenrechter daaraan voorbijgaat.
5.10
De man stelt daarnaast dat de vrouw, al dan niet stilzwijgend, met een verdere verlenging van de termijn heeft ingestemd. De vrouw erkent dat zij hem uitstel heeft gegeven tot het einde van het eerste kwartaal van 2024. Dit wordt ondersteund door haar e-mail van 5 december 2023, zoals weergegeven onder 3.7. De voorzieningenrechter gaat er daarom voorlopig van uit dat de termijn is verlengd tot uiterlijk 31 maart 2024. Niet aannemelijk is geworden dat partijen daarna nog een verdere verlenging zijn overeengekomen. Het enkele feit dat de vrouw na die datum is blijven meewerken aan gesprekken met de notaris, is daarvoor onvoldoende. Dat geldt temeer nu die bereidheid ook niet heeft geleid tot overeenstemming van partijen over onder andere de voorwaarden waaronder de woning alsnog aan de man zou moeten worden overgedragen.
5.11
Vast staat dat de man de woning niet binnen de afgesproken termijn heeft overgenomen. Volgens de man komt dit doordat de financiële eindafrekening tussen partijen nog niet kon worden opgesteld. De voorzieningenrechter gaat aan dit verweer voorbij. Niet aannemelijk is geworden dat tussen de overname van de woning en de overige financiële posten een zodanige samenhang bestond dat het ontbreken van overeenstemming over die posten aan de overname in de weg stond. Evenmin is gebleken dat de man heeft geprobeerd de overname van de woning los van de overige financiële afwikkeling te realiseren. Ook heeft de man onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hij zich voortvarend heeft ingespannen om de overname binnen de afgesproken termijn (dus voor 1 april 2024) te regelen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling bovendien verklaard dat hij geen financiering kon verkrijgen zolang de overbedelingsvordering van de vrouw niet was geregeld en dat blijkt ook uit het bericht van de SNS Bank waarin staat dat de man een aanvullend bedrag van € 62.217,00 nodig had om de vrouw uit te kopen (r.o. 3.11). De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat niet het ontbreken van de financiële eindafrekening, maar het ontbreken van voldoende financiering aan de overname in de weg stond.
5.12
De man beroept zich tot slot op de redelijkheid en billijkheid. Hij stelt dat hij de woning nog steeds kan en wil overnemen tegen de in het convenant gehanteerde waarde van € 375.000,00. De voorzieningenrechter begrijpt zijn standpunt aldus dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als de vrouw hem, ondanks het verstrijken van de overeengekomen termijn, niet alsnog in de gelegenheid stelt de woning over te nemen.
Dit verweer slaagt niet. De termijn waarbinnen de man de woning tegen de in het convenant gehanteerde waarde kon overnemen, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verstreken. De vrouw kan daarom verlangen dat de woning tegen een marktconforme prijs aan een derde wordt verkocht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de marktwaarde aanzienlijk hoger is dan de convenantswaarde. De vrouw is bereid haar aandeel alsnog aan de man over te dragen, maar alleen op basis van de marktwaarde. De man heeft verklaard dat hij een overname tegen die waarde niet kan financieren. Onder deze omstandigheden is de weigering van de vrouw om mee te werken aan een overname tegen een bedrag dat lager is dan de marktwaarde naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Dit zou mogelijk anders zijn als de vrouw de tijdige overname had verhinderd en er sprake zou zijn geweest van schuldeisersverzuim, maar dat is niet gesteld of gebleken.
5.13
De conclusie is dat de termijn waarbinnen de man de woning mocht overnemen, is verstreken. Voor het bestaan van een afspraak waarbij die termijn verder is verlengd dan tot en met 31 maart 2024, bestaan voorshands onvoldoende aanknopingspunten. Daarmee is de in het convenant bedoelde situatie ingetreden waarin de woning aan een derde moet worden verkocht.
Er bestaat een gewichtige reden om de vrouw te machtigen om de woning te gelde te maken; een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel
5.14
De door partijen in het convenant gemaakte afspraak over verkoop van de woning aan een derde en de financiële noodsituatie aan de zijde van de vrouw leveren naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een gewichtige reden op als bedoeld in artikel 3:174 lid 1 BW. De vordering om de vrouw te machtigen om de woning te gelde te maken is daarmee in beginsel toewijsbaar.
5.15
Een afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel. De vrouw heeft een zwaarwegend belang bij een spoedige beëindiging van haar financiële verbondenheid aan de woning. Daartegenover staan het belang van de man bij het behoud van zijn woning en de plaats van waaruit hij zijn onderneming uitoefent, en het belang van zijn moeder, die een deel van de woning bewoont. Verkoop van de woning is voor hen ingrijpend. De man wist echter op grond van het convenant dat de woning aan een derde zou worden verkocht als hij deze niet binnen de overeengekomen termijn kon overnemen. Sinds het verstrijken van die termijn heeft hij bovendien geruime tijd rekening kunnen houden met een verkoop. Het belang van de vrouw weegt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onder deze omstandigheden zwaarder.
5.16
Gelet op het voorgaande heeft de vordering van de vrouw in een bodemprocedure naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zodanige kans van slagen dat toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.
Het primair onder I gevorderde zal worden toegewezen
5.17
De voorzieningenrechter zal het primair onder I gevorderde toewijzen. Daarbij is van belang dat de woning bestaat uit twee wooneenheden met de huisnummers [nummer 1] en [nummer 2] , die deel uitmaken van één kadastraal perceel. De vrouw heeft gesteld dat partijen met de in artikel 3.9 van het convenant gebruikte aanduiding van de woning steeds het volledige perceel en alle daarop aanwezige opstallen hebben bedoeld. De man heeft dit niet weersproken. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering daarom aldus dat deze betrekking heeft op het volledige perceel, kadastraal bekend als gemeente [kadastrale aanduidingen] , groot twintig are en elf centiare, inclusief beide wooneenheden. De vrouw zal worden gemachtigd dit volledige perceel te gelde te maken.
Ook het primair onder II tot en met V en onder VIII gevorderde zal worden toegewezen
5.18
De man heeft tegen het primair onder II tot en met V en VIII gevorderde geen afzonderlijk verweer gevoerd. Deze vorderingen zullen als voldoende onderbouwd worden toegewezen.
Het primair onder VI en VII gevorderde zal worden afgewezen
5.19
De vrouw vordert onder VI dat de voorzieningenrechter zal bepalen dat de hypothecaire geldlening bij de eigendomsoverdracht wordt afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning. Zij heeft bij deze vordering geen afzonderlijk belang. Voor levering van de woning vrij van hypotheek zal het daarop gevestigde hypotheekrecht moeten worden geroyeerd. De daarvoor noodzakelijke aflossing wordt betrokken bij de gebruikelijke notariële afwikkeling van de verkoop en levering. Een afzonderlijke beslissing daarover is daarom niet nodig. De vordering zal worden afgewezen.
5.20
De vrouw vordert onder VII te bepalen dat aan de hypothecaire geldlening verbonden levensverzekeringspolissen worden afgekocht en worden verrekend met een eventuele negatieve netto-opbrengst. Deze vordering zal eveneens worden afgewezen. Niet is gesteld of gebleken dat dergelijke levensverzekeringspolissen bestaan. Daarnaast bestaan geen concrete aanwijzingen dat de verkoop zal leiden tot een negatieve netto-opbrengst. De vrouw heeft daarom ook bij deze vordering onvoldoende belang.
De gevorderde dwangsom zal worden gematigd
5.21
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de aan de onder III en IV opgenomen verplichtingen te verbinden dwangsom te matigen. Een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man niet aan de veroordeling voldoet, vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende prikkel tot nakoming. Het gezamenlijke maximum zal worden bepaald op € 50.000,00.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd
5.22
Partijen hebben over en weer verzocht om vergoeding van de proceskosten. Gelet op hun voormalige echtelijke relatie zullen de proceskosten echter worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van dit uitgangspunt afgeweken. De door partijen aangevoerde omstandigheden geven daarvoor geen grond.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1
machtigt de vrouw tot het te gelde maken van de onroerende zaak, zijnde het woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, staande en gelegen aan de [adres] [nummer 1] en [nummer 2] te [adres] , kadastraal bekend als de gemeente [kadastrale aanduidingen] , met alles wat daartoe nodig en noodzakelijk is, waaronder het voor gemeenschappelijke rekening (laten) verrichten van onderhoudswerkzaamheden die volgens de makelaar redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de verkoop, het inschakelen van de makelaar en het verzorgen van het notarieel transport van de woning aan de koper;
6.2
bepaalt dat [bedrijf 3] B.V. te [vestigingsplaats] als bemiddelaar bij de verkoop optreedt en deze makelaar de vraag- en laatprijs bindend vaststelt;
6.3
bepaalt dat de man binnen één week na een verzoek van de makelaar zijn medewerking dient te verlenen aan een bezichtiging door de makelaar en de potentiële kopers toegang tot de woning te verlenen;
6.4
bepaalt dat de man niet aanwezig mag zijn bij de bezichtigingen van de woning;
6.5
bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake de verkoop en levering te dragen;
6.6
bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen;
6.7
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan het onder 6.3 en/of 6.4 bepaalde voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
6.8
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.9
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.10
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/348229 / KG ZA 26-123
Vonnis in kort geding van 21 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. K. Eliyo, toegevoegd onder nummer 2HE3465,
tegen
[de man]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. P.F.A. Reichenbach.
1De zaak in het kort
1.1
Partijen zijn voormalige echtelieden. Zij zijn gezamenlijk eigenaar van een woning. In het echtscheidingsconvenant hebben zij afgesproken dat de man de woning binnen een bepaalde termijn zou overnemen en dat de woning anders aan een derde zou worden verkocht. De man heeft de woning niet binnen de overeengekomen termijn overgenomen. De vrouw vordert daarom dat zij wordt gemachtigd de woning te gelde te maken.
1.2
De voorzieningenrechter wijst deze vordering toe. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat partijen een verdere verlenging van de termijn zijn overeengekomen. De gemaakte afspraken en de financiële situatie van de vrouw leveren naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gewichtige redenen op om haar tot verkoop van de woning te machtigen. Ook de met de verkoop samenhangende vorderingen worden grotendeels toegewezen. De proceskosten worden gecompenseerd.
2De procedure
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van de vrouw,- het schriftelijke verweer met producties van de man,- de mondelinge behandeling van 7 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
3De feiten
3.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in gemeenschap van goederen.
3.2
Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort een woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, staande en gelegen aan de [adres] , kadastraal bekend als de gemeente [kadastrale aanduidingen] (hierna: de woning). Partijen hebben deze woning op 25 augustus 2015 gekocht van de moeder van de man. De woning bestaat feitelijk uit twee wooneenheden. De wooneenheid met huisnummer [nummer 1] was de echtelijke woning van partijen en wordt thans nog door de man bewoond. De wooneenheid met huisnummer [nummer 2] wordt sinds in ieder geval de verkoop aan de vrouw en de man door de moeder van de man bewoond.
3.3
In het kader van hun voorgenomen echtscheiding hebben partijen met behulp van een mediator afspraken gemaakt over de gevolgen van de echtscheiding.
3.4
Partijen zijn tot afspraken gekomen die zijn opgenomen in een document dat is getiteld ‘Convenant/vaststellingsovereenkomst’ (hierna: het convenant). Het convenant is op 15 augustus 2023 ondertekend. In het convenant is onder meer opgenomen:
“3.9. Eigendom echtelijke woning
3.9.1.
Aan [de man] komt het eigendom van de echtelijke woning te [adres] [nummer 1] toe, onder de verplichting om de hierop rustende hypothecaire geldleningen voor zijn rekening te nemen en [de vrouw] te laten ontslaan uit haar hoofdelijke verbondenheid en te vrijwaren voor iedere aansprakelijkheid.
Deze toedeling van de woning vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de hypotheeknemer [de vrouw] ontslaat uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van deze hypothecaire geldlening.
(…)
3.9.5.
De waarde van de woning bedraagt € 375.000,- dit op basis van gezamenlijke eigen inschatting van partijen.
De hypothecaire geldlening loopt bij de SNS Bank met hypotheeknummer 92.50.97.985 en betreft een totaalbedrag van € 167.928,-. Het kan zijn dat de fiscus vindt dat er een andere waarde als uitgangspunt genomen had moeten worden, hierdoor kan er achteraf sprake zijn van over- of onderbedeling. Deze zal op dat moment onderling niet meer worden verrekend. De eventueel te betalen schenkbelasting zal worden voldaan door de overbedeelde partij.
(…)
3.9.7.
De overdracht van het eigendomsaandeel en de eventueel verpande polissen vinden gelijktijdig plaats, uiterlijk binnen 3 maanden na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, tenzij partijen schriftelijk een latere datum overeenkomen.
3.9.8.
Indien de echtelijke woning niet binnen 3 maanden of binnen de door partijen overeengekomen periode is overgedragen, zal de woning te koop gezet worden en worden overgedragen aan de eerste belangstellende die naar oordeel van partijen een acceptabel bod uitbrengt. Partijen zullen in onderling overleg bepalen wat zij verstaan onder een acceptabel bod.”
3.5
Bij beschikking van 14 september 2023 heeft de rechtbank Limburg de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat het convenant en het door partijen opgestelde ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.
3.6
De echtscheidingsbeschikking is op 2 oktober 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente].
3.7
Op 5 december 2023 heeft de vrouw een e-mail naar de man gestuurd waarin zij schrijft:
“(…) Momenteel staat mijn naam nog op de hypotheekakte en daarmee ben ik nog deels verantwoordelijk voor de hypotheek. Na serieuze overweging heb ik besloten dat ik mijn naam daarvan verwijderd wil zien in het eerste kwartaal van 2024. In het convenant staat dit al opgenomen en heb je voor akkoord getekend. Ik hoop dat je mijn keuze respecteert en je ervoor inzet dit zo spoedig mogelijk te regelen, aangezien jij daarvoor documenten dient aan te leveren bij de SNS bank.”
3.8
De man heeft hierna een taxatie laten verrichten en is gestart met een financieringsaanvraag bij SNS Bank.
3.9
Daarnaast hebben partijen opdracht verstrekt aan [bedrijf 1] voor:
“alle werkzaamheden voor het opstellen en passeren van de akte van verdeling
Het regelen van ontslag van de hoofdelijke aansprakelijkheid
En het eventueel vestigen van een nieuwe hypotheek.”
3.10
Op 24 april 2024 heeft de man via Whatsapp naar de vrouw gestuurd:
“ [bedrijf 1] gaat jou bellen, voor de afwikkeling hypotheek.”
3.11
Op 23 mei 2024 heeft de man van SNS Bank een hypotheekofferte ontvangen. Daarin staat onder meer:
“Voordat u de akte van ontslag tekent bij de notaris heeft u een aanvullend bedrag van € 62.217,00 nodig om uw partner uit te kopen.”
3.12
In juni 2024 zijn partijen bij de notaris geweest. De notaris heeft hierna een conceptakte opgesteld.
3.13
Tussen partijen is vervolgens discussie ontstaan over de financiële afwikkeling van het convenant. De vrouw heeft [bedrijf 2] ingeschakeld met het verzoek een analyse te maken ten aanzien van de in het convenant opgenomen verdeling. Op 2 oktober 2024 is een rapport opgesteld. Volgens [bedrijf 2] zou de vrouw op basis van de tussen partijen gemaakte afspraken € 99.938,00 uit de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap ontvangen terwijl dit € 194.155,00 zou moeten zijn. De vrouw heeft de man hierop aangesproken. Partijen zijn toen opnieuw in overleg getreden over de financiële afwikkeling. Tot een oplossing heeft dat niet geleid. De akte van verdeling is niet gepasseerd.
3.14
De vrouw heeft vervolgens bij deze rechtbank een procedure tegen de man aanhangig gemaakt, bekend onder zaaknummer C/08/335396 / HA ZA 25-224. Zij vorderde onder andere vernietiging van de in het convenant overeengekomen verdeling wegens dwaling en benadeling voor meer dan een vierde. Bij vonnis van 18 maart 2026 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat het convenant een vaststellingsovereenkomst is en dat de vrouw het risico op benadeling bewust had aanvaard. De vorderingen zijn afgewezen. Tegen het vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
4Het geschil
4.1
De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter in kort geding bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
Primair:
I. de vrouw zal machtigen tot het te gelde maken van de onroerende zaak, zijnde het woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, staande en gelegen aan de [adres] [nummer 1] te [adres] , kadastraal bekend als de gemeente [kadastrale aanduidingen] (hierna: de woning), met alles wat daartoe nodig en noodzakelijk is, waaronder het voor gemeenschappelijke rekening (laten) verrichten van noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden, het inschakelen van de makelaar en het verzorgen van het notarieel transport van de woning aan de koper;
II. zal bepalen dat [bedrijf 3] B.V. te [vestigingsplaats] als bemiddelaar bij de verkoop optreedt en deze makelaar de vraag- en laatprijs bindend vaststelt;
III. zal bepalen dat de man binnen één week na een verzoek van de makelaar zijn medewerking dient te verlenen aan een bezichtiging door de makelaar en de potentiële kopers toegang tot de woning te verlenen;
IV. zal bepalen dat de man niet aanwezig mag zijn bij de bezichtigingen van de woning;
V. zal bepalen dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake de verkoop en levering te dragen;
VI. zal bepalen dat de hypothecaire geldlening(en) bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;
VII. zal bepalen dat de eventueel aan de hypothecaire geldlening(en) verbonden polis(sen) van levensverzekeringen worden afgekocht en verrekend met de eventuele negatieve opbrengst uit verkoop;
VIII. zal bepalen dat de netto-verkoopopbrengst gelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen;
IX. zal bepalen dat de man voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het onder III. en IV. bepaalde, aan de vrouw een dwangsom verbeurt van € 2.500,- per overtreding tot een maximum van € 100.000,-;
Subsidiair:
X. de man zal gelasten zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, met alles wat daartoe nodig en noodzakelijk is, en gezamenlijk opdracht te geven aan [bedrijf 3] B.V. te [vestigingsplaats] tot het in de verkoop nemen van de woning;
XI. zal bepalen dat [bedrijf 3] B.V. te [vestigingsplaats] als bemiddelaar bij de verkoop optreedt indien partijen binnen veertien dagen na het vonnis geen overeenstemming bereiken over de makelaar aan wie de opdracht moet worden verleend en deze makelaar de vraag- en laatprijs bindend vaststelt;
XII. de man zal veroordelen:
a) om bij/aan/in de woning een bord en/of raambiljet ‘Te Koop’ te plaatsen en geplaatst te houden totdat de voorlopige koopovereenkomst is ondertekend;
b) om de adviezen en/of aanwijzingen van de makelaar met betrekking tot de verkoopprijs c.q. het zo nodig bijstellen van de vraagprijs c.q. met betrekking tot de onderhandelingen met een potentiële koper te volgen;
c) om potentiële kopers (en hun makelaars) binnen één week na een verzoek van [bedrijf 3] te [vestigingsplaats] toegang te verschaffen tot de woning teneinde deze te bezichtigen;
d) de woning gereed voor foto's, bezichtigingen, e.d. verkoopklaar te maken;
dit alles op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 100.000,00;
XIII. zal bepalen dat de man niet aanwezig mag zijn bij de bezichtigingen van de woning;
XIV. de man zal veroordelen om, zodra er een kandidaat-koper is die bereid is een prijs te betalen zoals vastgesteld door de makelaar, mee te werken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst;
XV. zal bepalen dat beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het notarieel transport van de woning aan de koper;
XVI. zal bepalen dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake de verkoop en levering te dragen;
XVII. zal bepalen dat de hypothecaire geldlening(en) bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal (zullen) worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;
XVIII. zal bepalen dat de eventueel aan de hypothecaire geldlening(en) verbonden polis(sen) van levensverzekeringen worden afgekocht en verrekend met de eventuele negatieve opbrengst uit verkoop;
XIX. zal bepalen dat de netto-verkoopopbrengst gelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen;
zal bepalen dat de man voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het onder X. en XIII. t/m XV. bepaalde, aan de vrouw een dwangsom verbeurt van € 2.500,- per overtreding tot een maximum van € 100.000,-;
Meer subsidiair:
zal bepalen dat wanneer de man niet (volledig) zijn medewerking verleent aan de onder X., XIV. en XV. gevorderde medewerking, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man die nodig zijn voor respectievelijk de verkoopopdracht, de verkoop en de levering en het notariële transport van de woning, mits die verkoopopdracht en/of koopovereenkomst en/of notariële akte geen bepalingen inhoudt/inhouden die afwijken van wat in de gegeven omstandigheden gebruikelijk is, zulks ter beoordeling van [bedrijf 3] B.V. te [vestigingsplaats] en/of de notaris ten overstaan van wie de betreffende akte gepasseerd wordt;
Nog meer subsidiair:
althans een beslissing zal nemen die de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel rechtens juist acht;
Primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair:
kosten rechtens.
4.2
De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
De vrouw heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen
5.1
Het gaat in dit kort geding om de voormalige echtelijke woning van de vrouw en de man. De vrouw wil dat de woning tegen een marktconforme prijs aan een derde wordt verkocht. Zij vordert primair dat zij op grond van artikel 3:174 lid 1 BW wordt gemachtigd om de woning te gelde te maken.
5.2
De vordering strekt tot het treffen van een voorlopige voorziening in kort geding. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is allereerst vereist dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervan sprake is. De vrouw heeft namelijk onweersproken gesteld dat zij zich in een moeilijke financiële situatie bevindt. Zij heeft schulden bij diverse instanties en kan niet langer aan haar maandelijkse verplichtingen voldoen. Zolang de gezamenlijke woning niet wordt verkocht, blijft zij financieel aan de woning gebonden, waardoor zij wordt belemmerd in het opbouwen van een zelfstandig financieel bestaan. Daarnaast wordt het aandeel van de vrouw in de woning als vermogen in box 3 aangemerkt. Volgens de vrouw levert dit haar een fiscaal nadeel op en loopt zij hierdoor diverse toeslagen mis.
De vordering leent zich voor beoordeling in kort geding
5.3
De man voert verweer tegen het door de vrouw gevorderde. Hij stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat het geschil zich niet leent voor behandeling in kort geding. Volgens de man maakte de overname van de woning onderdeel uit van een veel bredere vermogensrechtelijke afwikkeling tussen partijen, die was gericht op één integrale financiële eindafrekening. Daarbij waren niet alleen de uitkoop van de woning en de maandelijkse betalingen betrokken, maar ook de ondernemingen van partijen, de fiscale afwikkeling, reeds verrichte betalingen, vermogensbestanddelen, voorschotten, investeringen en overige onderlinge verrekeningen. De beoordeling van die afwikkeling vergt volgens de man uitvoerig onderzoek naar onder meer de correspondentie tussen partijen, de uitkoopadministratie, de notariële stukken en de financiële administratie. Voor een dergelijk onderzoek biedt een kort geding volgens hem geen ruimte. De vraag of de woning moet worden verkocht, kan volgens de man niet los van die bredere afwikkeling worden beoordeeld.
5.4
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De man beroept zich op artikel 256 Rv waarin is bepaald dat de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening in een kort geding weigert als hij oordeelt dat de zaak zich niet leent voor deze versnelde procedure. De voorzieningenrechter stelt voorop dat in kort geding moet worden beoordeeld of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat, vooruitlopend daarop, toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter vormt zich daarbij een voorlopig oordeel aan de hand van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht. In een kort geding is geen plaats voor bewijslevering. Dat neemt echter niet weg dat ook in kort geding een beslissing kan worden gegeven indien de relevante rechtsvragen zich op basis van de beschikbare stukken en het verhandelde ter zitting voldoende laten beoordelen.
5.5
Van dat laatste is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval sprake. De vordering van de vrouw is gebaseerd op artikel 3:174 BW en ziet op de vraag of zij kan worden gemachtigd de woning te gelde te maken. De beschikbare stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, geven voldoende informatie om daarover een voorlopig oordeel te geven.
5.6
Daarbij komt dat, ook als de man wordt gevolgd in zijn stelling dat de overname van de woning onderdeel uitmaakte van een bredere financiële afwikkeling, dit niet betekent dat die afwikkeling in dit kort geding volledig moet worden beoordeeld. De gestelde samenhang kan relevant zijn voor de vraag of de man een gerechtvaardigde reden had om de woning nog niet over te nemen. Voor de beoordeling van de vordering is echter niet nodig dat de omvang van alle wederzijdse financiële rechten en verplichtingen definitief wordt vastgesteld. Ook in zoverre is de zaak daarom niet te complex voor behandeling in kort geding. Het beroep van de man op artikel 256 Rv wordt verworpen.
De vrouw kan zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op artikel 3.9 van het convenant beroepen
5.7
Op grond van artikel 3:174 lid 1 BW kan een deelgenoot slechts wegens gewichtige redenen worden gemachtigd een gemeenschappelijk goed te gelde te maken. Volgens de vrouw bestaan er in dit geval gewichtige redenen. Zij beroept zich daarbij onder meer op de in artikel 3.9 van het convenant gemaakte afspraken over de woning. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt.
5.8
Bij vonnis van 18 maart 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat het convenant een vaststellingsovereenkomst is. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld, zodat het onherroepelijk is geworden. In artikel 3.9 van het convenant hebben partijen afgesproken dat de man het aandeel van de vrouw in de woning binnen drie maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zou overnemen, tenzij partijen een andere termijn zouden overeenkomen. De echtscheidingsbeschikking is op 2 oktober 2023 ingeschreven, zodat de oorspronkelijke termijn op 2 januari 2024 verstreek. De woning was op die datum niet door de man overgenomen. De vrouw kan daarom in beginsel verlangen dat de woning aan een derde wordt verkocht, tenzij partijen een langere termijn voor de overname zijn overeengekomen.
5.9
De man heeft aangevoerd dat dit laatste het geval is. Volgens hem hebben partijen afgesproken dat hij de woning pas in augustus 2025 hoefde over te nemen, omdat de looptijd van tien jaar van de gezamenlijk afgesloten hypotheek op dat moment zou eindigen. Hij zou op dat moment in één keer een nieuwe hypotheek op zijn naam aanvragen. De vrouw heeft betwist dat deze afspraak is gemaakt. Gelet op die betwisting lag het op de weg van de man om zijn standpunt nader, met stukken, te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. Daarbij komt dat het standpunt van de man moeilijk valt te rijmen met de omstandigheid dat op initiatief van de man in juni 2024 een concept-leveringsakte ter ondertekening voor lag (die niet is gepasseerd omdat de vrouw uiteindelijk niet tot ondertekening wenste over te gaan). De gestelde afspraak is daarom voorshands niet aannemelijk geworden, zodat de voorzieningenrechter daaraan voorbijgaat.
5.10
De man stelt daarnaast dat de vrouw, al dan niet stilzwijgend, met een verdere verlenging van de termijn heeft ingestemd. De vrouw erkent dat zij hem uitstel heeft gegeven tot het einde van het eerste kwartaal van 2024. Dit wordt ondersteund door haar e-mail van 5 december 2023, zoals weergegeven onder 3.7. De voorzieningenrechter gaat er daarom voorlopig van uit dat de termijn is verlengd tot uiterlijk 31 maart 2024. Niet aannemelijk is geworden dat partijen daarna nog een verdere verlenging zijn overeengekomen. Het enkele feit dat de vrouw na die datum is blijven meewerken aan gesprekken met de notaris, is daarvoor onvoldoende. Dat geldt temeer nu die bereidheid ook niet heeft geleid tot overeenstemming van partijen over onder andere de voorwaarden waaronder de woning alsnog aan de man zou moeten worden overgedragen.
5.11
Vast staat dat de man de woning niet binnen de afgesproken termijn heeft overgenomen. Volgens de man komt dit doordat de financiële eindafrekening tussen partijen nog niet kon worden opgesteld. De voorzieningenrechter gaat aan dit verweer voorbij. Niet aannemelijk is geworden dat tussen de overname van de woning en de overige financiële posten een zodanige samenhang bestond dat het ontbreken van overeenstemming over die posten aan de overname in de weg stond. Evenmin is gebleken dat de man heeft geprobeerd de overname van de woning los van de overige financiële afwikkeling te realiseren. Ook heeft de man onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hij zich voortvarend heeft ingespannen om de overname binnen de afgesproken termijn (dus voor 1 april 2024) te regelen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling bovendien verklaard dat hij geen financiering kon verkrijgen zolang de overbedelingsvordering van de vrouw niet was geregeld en dat blijkt ook uit het bericht van de SNS Bank waarin staat dat de man een aanvullend bedrag van € 62.217,00 nodig had om de vrouw uit te kopen (r.o. 3.11). De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat niet het ontbreken van de financiële eindafrekening, maar het ontbreken van voldoende financiering aan de overname in de weg stond.
5.12
De man beroept zich tot slot op de redelijkheid en billijkheid. Hij stelt dat hij de woning nog steeds kan en wil overnemen tegen de in het convenant gehanteerde waarde van € 375.000,00. De voorzieningenrechter begrijpt zijn standpunt aldus dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als de vrouw hem, ondanks het verstrijken van de overeengekomen termijn, niet alsnog in de gelegenheid stelt de woning over te nemen.
Dit verweer slaagt niet. De termijn waarbinnen de man de woning tegen de in het convenant gehanteerde waarde kon overnemen, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verstreken. De vrouw kan daarom verlangen dat de woning tegen een marktconforme prijs aan een derde wordt verkocht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de marktwaarde aanzienlijk hoger is dan de convenantswaarde. De vrouw is bereid haar aandeel alsnog aan de man over te dragen, maar alleen op basis van de marktwaarde. De man heeft verklaard dat hij een overname tegen die waarde niet kan financieren. Onder deze omstandigheden is de weigering van de vrouw om mee te werken aan een overname tegen een bedrag dat lager is dan de marktwaarde naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Dit zou mogelijk anders zijn als de vrouw de tijdige overname had verhinderd en er sprake zou zijn geweest van schuldeisersverzuim, maar dat is niet gesteld of gebleken.
5.13
De conclusie is dat de termijn waarbinnen de man de woning mocht overnemen, is verstreken. Voor het bestaan van een afspraak waarbij die termijn verder is verlengd dan tot en met 31 maart 2024, bestaan voorshands onvoldoende aanknopingspunten. Daarmee is de in het convenant bedoelde situatie ingetreden waarin de woning aan een derde moet worden verkocht.
Er bestaat een gewichtige reden om de vrouw te machtigen om de woning te gelde te maken; een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel
5.14
De door partijen in het convenant gemaakte afspraak over verkoop van de woning aan een derde en de financiële noodsituatie aan de zijde van de vrouw leveren naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een gewichtige reden op als bedoeld in artikel 3:174 lid 1 BW. De vordering om de vrouw te machtigen om de woning te gelde te maken is daarmee in beginsel toewijsbaar.
5.15
Een afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel. De vrouw heeft een zwaarwegend belang bij een spoedige beëindiging van haar financiële verbondenheid aan de woning. Daartegenover staan het belang van de man bij het behoud van zijn woning en de plaats van waaruit hij zijn onderneming uitoefent, en het belang van zijn moeder, die een deel van de woning bewoont. Verkoop van de woning is voor hen ingrijpend. De man wist echter op grond van het convenant dat de woning aan een derde zou worden verkocht als hij deze niet binnen de overeengekomen termijn kon overnemen. Sinds het verstrijken van die termijn heeft hij bovendien geruime tijd rekening kunnen houden met een verkoop. Het belang van de vrouw weegt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onder deze omstandigheden zwaarder.
5.16
Gelet op het voorgaande heeft de vordering van de vrouw in een bodemprocedure naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zodanige kans van slagen dat toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.
Het primair onder I gevorderde zal worden toegewezen
5.17
De voorzieningenrechter zal het primair onder I gevorderde toewijzen. Daarbij is van belang dat de woning bestaat uit twee wooneenheden met de huisnummers [nummer 1] en [nummer 2] , die deel uitmaken van één kadastraal perceel. De vrouw heeft gesteld dat partijen met de in artikel 3.9 van het convenant gebruikte aanduiding van de woning steeds het volledige perceel en alle daarop aanwezige opstallen hebben bedoeld. De man heeft dit niet weersproken. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering daarom aldus dat deze betrekking heeft op het volledige perceel, kadastraal bekend als gemeente [kadastrale aanduidingen] , groot twintig are en elf centiare, inclusief beide wooneenheden. De vrouw zal worden gemachtigd dit volledige perceel te gelde te maken.
Ook het primair onder II tot en met V en onder VIII gevorderde zal worden toegewezen
5.18
De man heeft tegen het primair onder II tot en met V en VIII gevorderde geen afzonderlijk verweer gevoerd. Deze vorderingen zullen als voldoende onderbouwd worden toegewezen.
Het primair onder VI en VII gevorderde zal worden afgewezen
5.19
De vrouw vordert onder VI dat de voorzieningenrechter zal bepalen dat de hypothecaire geldlening bij de eigendomsoverdracht wordt afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning. Zij heeft bij deze vordering geen afzonderlijk belang. Voor levering van de woning vrij van hypotheek zal het daarop gevestigde hypotheekrecht moeten worden geroyeerd. De daarvoor noodzakelijke aflossing wordt betrokken bij de gebruikelijke notariële afwikkeling van de verkoop en levering. Een afzonderlijke beslissing daarover is daarom niet nodig. De vordering zal worden afgewezen.
5.20
De vrouw vordert onder VII te bepalen dat aan de hypothecaire geldlening verbonden levensverzekeringspolissen worden afgekocht en worden verrekend met een eventuele negatieve netto-opbrengst. Deze vordering zal eveneens worden afgewezen. Niet is gesteld of gebleken dat dergelijke levensverzekeringspolissen bestaan. Daarnaast bestaan geen concrete aanwijzingen dat de verkoop zal leiden tot een negatieve netto-opbrengst. De vrouw heeft daarom ook bij deze vordering onvoldoende belang.
De gevorderde dwangsom zal worden gematigd
5.21
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de aan de onder III en IV opgenomen verplichtingen te verbinden dwangsom te matigen. Een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man niet aan de veroordeling voldoet, vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende prikkel tot nakoming. Het gezamenlijke maximum zal worden bepaald op € 50.000,00.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd
5.22
Partijen hebben over en weer verzocht om vergoeding van de proceskosten. Gelet op hun voormalige echtelijke relatie zullen de proceskosten echter worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van dit uitgangspunt afgeweken. De door partijen aangevoerde omstandigheden geven daarvoor geen grond.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1
machtigt de vrouw tot het te gelde maken van de onroerende zaak, zijnde het woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, staande en gelegen aan de [adres] [nummer 1] en [nummer 2] te [adres] , kadastraal bekend als de gemeente [kadastrale aanduidingen] , met alles wat daartoe nodig en noodzakelijk is, waaronder het voor gemeenschappelijke rekening (laten) verrichten van onderhoudswerkzaamheden die volgens de makelaar redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de verkoop, het inschakelen van de makelaar en het verzorgen van het notarieel transport van de woning aan de koper;
6.2
bepaalt dat [bedrijf 3] B.V. te [vestigingsplaats] als bemiddelaar bij de verkoop optreedt en deze makelaar de vraag- en laatprijs bindend vaststelt;
6.3
bepaalt dat de man binnen één week na een verzoek van de makelaar zijn medewerking dient te verlenen aan een bezichtiging door de makelaar en de potentiële kopers toegang tot de woning te verlenen;
6.4
bepaalt dat de man niet aanwezig mag zijn bij de bezichtigingen van de woning;
6.5
bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake de verkoop en levering te dragen;
6.6
bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen;
6.7
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan het onder 6.3 en/of 6.4 bepaalde voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
6.8
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.9
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.10
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.