Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:4676

2026-07-31 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ak_26_1044
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-07-31
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ak_26_1044
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het college heeft de kosten van bezwaar ten onrechte niet vergoed. Beroep gegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.570 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Zittingsplaats Almelo



Bestuursrecht



zaaknummer: ZWO 26/1044


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres, hierna: [eiseres]
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),


en




het college van burgemeester en wethouders van Almelo, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: [gemachtigde 2]).



Samenvatting


Deze uitspraak gaat over het niet vergoeden van de door [eiseres] gemaakte bezwaarkosten. [eiseres] is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit een beslissing op bezwaar betreft en dat het college de bezwaarkosten ten onrechte niet heeft vergoed. Er is namelijk sprake van het herroepen van het primaire besluit door aan het college te wijten onrechtmatigheid. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


1. [eiseres] heeft in een e-mail van 1 oktober 2025 verzocht om vrijstelling van de arbeidsverplichtingen voor de duur van een jaar op grond van de Participatiewet (PW).



1.1.
In een besluit van 4 december 2025 heeft het college op deze aanvraag beslist en besloten om [eiseres] met ingang van 1 oktober 2025 tot 1 april 2026 te ontheffen van de sollicitatieverplichting uit artikel 9, eerste lid, sub a, van de PW.



1.2.
In het bestreden besluit van 18 maart 2026 heeft het college [eiseres] per 1 april 2026 vrijstelling verleend van de arbeidsverplichtingen, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub a, b en c, van de PW tot uiterlijk 6 mei 2027.



1.3.

[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eiseres] (via een videoverbinding) en de gemachtigde van het college.





Beoordeling door de rechtbank



Inleiding




2. [eiseres] heeft het college verzocht haar voor de duur van een jaar vrij te stellen van de arbeidsverplichtingen.



2.1.
Bij besluit van 4 december 2025 heeft het college [eiseres] voor de duur van een half jaar vrijgesteld van alleen de sollicitatieverplichting, onder de voorwaarde dat zij taallessen gaat volgen.



2.2.
Na het maken van bezwaar door [eiseres] heeft het college bij het bestreden besluit van 18 maart 2026 de aan haar verleende vrijstelling verbreed en verlengd. De vrijstelling van verplichtingen is verbreed door [eiseres] vrij te stellen van alle arbeidsverplichtingen, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub a, b en c, van de PW. De vrijstelling is verlengd, omdat de vrijstelling niet afloopt op 1 april 2026, maar pas op 6 mei 2027. Het college heeft het verzoek om in aanmerking te komen voor een proceskostenvergoeding afgewezen.



2.3.
Het beroep van [eiseres] richt zich uitsluitend tegen de afwijzing van de proceskostenvergoeding in het bestreden besluit.



2.4.
Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat er geen grond is om de in bezwaar gemaakte kosten aan [eiseres] te vergoeden. Ook is het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit geen beslissing op bezwaar, maar een aanvullend primair besluit is.



Overwegingen



3. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het bestreden besluit van 18 maart 2026 een beslissing op bezwaar. Er is sprake van besluitvorming na een heroverweging op grond van het bezwaarschrift en in het bestreden besluit is expliciet overwogen dat volledig tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van [eiseres]. Ook is ingegaan op het verzoek om een proceskostenvergoeding. Deze elementen wijzen erop dat een beslissing op het bezwaar van [eiseres] is genomen. Niet valt in te zien waarom het bestreden besluit desondanks als een primair besluit aangemerkt zou moeten worden.

4. Over het niet toekennen van de bezwaarkosten overweegt de rechtbank als volgt.



4.1.

Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar
redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.




4.2.
Met het herroepen van het besluit, als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, wordt volgens vaste rechtspraak bedoeld dat de rechtsgevolgen zijn gewijzigd. Door [eiseres] in het besluit van 4 december 2025 voor een half jaar vrij te stellen van de sollicitatieverplichting, terwijl de aanvraag was om haar een jaar vrij te stellen, heeft het college in het primaire besluit impliciet een gedeelte van de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit heeft het college de aan [eiseres] verleende vrijstelling van verplichtingen niet alleen verbreed, maar ook verlengd. Het gedeelte van de aanvraag dat in het primaire besluit was afgewezen, is nu toegekend. Hiermee zijn de rechtsgevolgen van het besluit van 4 december 2025 gewijzigd en is dus sprake van het herroepen van dat besluit.



4.3.
Bij een inhoudelijk onjuist primair besluit is de aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid in beginsel gegeven. Uitzonderingen hierop kunnen bijvoorbeeld zijn dat de betrokkene in eerste instantie onjuiste informatie heeft gegeven of dat de regelgeving is gewijzigd in de periode tussen het primaire besluit en de beslissing op bezwaar. Van zo'n uitzondering is hier geen sprake. Het gewijzigde inzicht over de duur en de omvang van de vrijstelling van de verplichtingen, zoals beschreven in artikel 9 van de PW, berust hier op het onvoldoende bezien van alle bij [eiseres] aan de orde zijnde feiten en omstandigheden. Aan het college moet worden toegegeven dat [eiseres] het college vóór het primaire besluit nog niet onder de aandacht had gebracht dat zij recht had op een ontheffing vanwege de leeftijd van haar jongste kind. De wijziging van het primaire besluit is echter niet alleen hierdoor veroorzaakt. In het bestreden besluit is ter onderbouwing van de verbreding en verlenging van de vrijstelling ook gewezen op de psychische belastbaarheid van [eiseres], waarop zij vóór het primaire besluit al een – met stukken onderbouwd – beroep had gedaan. Het had op de weg van het college gelegen om het psychisch belastbaarheidsonderzoek dat pas hangende bezwaar is uitgevoerd, al voor het nemen van het primaire besluit uit te laten voeren. De herroeping is daarmee het gevolg van een onrechtmatigheid die aan het college te wijten is. Het college heeft het verzoek om proceskostenvergoeding dan ook ten onrechte afgewezen.

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is afgewezen. De rechtbank zal, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 7:15 van de Awb, het college veroordelen in de kosten die [eiseres] in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden begroot op € 666,- voor het indienen van het bezwaarschrift (1 punt, wegingsfactor 1).

6. De rechtbank ziet ook aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van [eiseres]. Deze worden begroot op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en met wegingsfactor 0,5). De wegingsfactor 0,5 wordt gehanteerd, omdat het beroep uitsluitend betrekking heeft op de vergoeding van proceskosten.

7. [eiseres] krijgt ook het betaalde griffierecht terug.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 maart 2026, voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is afgewezen;
- veroordeelt het college tot vergoeding van de door [eiseres] in bezwaar gemaakte kosten van € 666,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit van 18 maart 2026;
- veroordeelt het college in de proceskosten van [eiseres] in beroep tot een bedrag van € 934,-;
- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 54,- aan [eiseres] vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op














griffier


rechter









Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:








Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraak van 16 april 2019 van de Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2019:1374.