Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:4653
2026-07-30
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ZWO 26/2005
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om een voorlopige voorziening. Herhaalde last onder dwangsom. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen. Het belang van het college om handhavend op te kunnen treden weegt zwaarder. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is daarom geen reden. Wel verlengt de voorzieningenrechter de begunstigingstermijn tot twee weken na de datum van verzending van de uitspraak.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2025:327 Raad van State 29-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.932 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/2005
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
PSB Holding II B.V., uit Amsterdam,
hierna: PSB
en
het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college van 11 juni 2026 om een last onder dwangsom aan PSB op te leggen. PSB is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Zij verzoekt daarbij om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van PSB.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van PSB geen redelijke kans van slagen. Het belang van het college weegt daarnaast zwaarder dan het belang van PSB. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is daarom geen reden. Wel zal de voorzieningenrechter de begunstigingstermijn verlengen tot twee weken na de datum van verzending van de uitspraak. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
3. Bij besluit van 27 januari 2022 heeft het college aan PSB een last onder dwangsom opgelegd, gericht op het verwijderen en verwijderd houden van een botenhuis, een deel van een schutting, en een vlonder op perceel [adres] . Indien PSB niet binnen de begunstigingstermijn het botenhuis zou verwijderen, verbeurt PSB een dwangsom van € 2.000,- per week, met een maximum van € 20.000,-. Met de beslissing op het bezwaar van PSB heeft het college de opgelegde last voor het onderdeel vlonder ingetrokken.
4. Bij uitspraak van 29 januari 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het tegen dit besluit ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en het besluit, voor zover dat zag op het gedeelte over de schutting, vernietigd. De opgelegde last onder dwangsom voor het onderdeel botenhuis heeft de Afdeling in stand gelaten. Daarbij heeft de Afdeling bij voorlopige voorziening de begunstigingstermijn om aan de last te voldoen verlengd tot drie maanden na haar uitspraak.
5. PSB heeft het botenhuis niet verwijderd en daarmee niet voldaan aan de opgelegde last onder dwangsom van 27 januari 2022. PSB heeft daarmee de volledige dwangsom van € 20.000,- verbeurd. Het bezwaar van PSB tegen het op 2 februari 2026 genomen invorderingsbesluit heeft het college op 23 juni 2026 ongegrond verklaard.
6. Met het bestreden besluit van 11 juni 2026 heeft het college een tweede last onder dwangsom opgelegd, gericht op het verwijderen en verwijderd houden van het botenhuis. Doet PSB dit niet dan verbeurt zij een dwangsom van € 15.000,- voor iedere maand na 1 augustus 2026, met een maximum van € 45.000,-. PSB heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: PSB, verschenen bij [naam] en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
8. De voorzieningenrechter bekijkt of het nodig is om het besluit van het college te schorsen in afwachting van de beslissing op het bezwaar. De voorzieningenrechter geeft daarvoor een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het besluit en daarmee de kans van slagen van het bezwaarschrift, en zij weegt de belangen van PSB en van het college bij een schorsing van het besluit. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van PSB bij het schorsen daarvan. De beoordeling door de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt zij verder uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Spoedeisend belang
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat PSB spoedeisend belang heeft bij een beoordeling door de voorzieningenrechter. Het college heeft dit ook niet betwist.
De beoordeling
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
11. PSB stelt zich in bezwaar op het standpunt dat de last onder dwangsom onrechtmatig is opgelegd, omdat uit vaststellingen van het college zelf volgt dat het huidige botenhuis van 22 m2 volgens een verleende omgevingsvergunning uit 1973 is opgericht. Er is daarom geen sprake van een overtreding. Verder betoogt PSB dat, mocht er al sprake zijn van een overtreding, er concreet zicht op legalisering is, nu PSB een aanvraag heeft ingediend voor het binnenplans afwijken van het Omgevingsplan en de aanvraag aan de voorwaarden van het omgevingsplan kan voldoen. Tot slot stelt PSB zich op het standpunt dat de opgelegde dwangsom van maximaal € 45.000,- onevenredig hoog is.
12. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van PSB geen redelijke kans van slagen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
13. Met hetgeen PSB heeft aangevoerd heeft zij niet aannemelijk kunnen maken dat er voor het huidige botenhuis ter grootte van 22 m2 een geldige omgevingsvergunning is verleend. De vergunning uit 1973 kan niet de basis van het huidige botenhuis zijn, nu het huidige botenhuis volgens de stelling van het college nieuw is gebouwd in 2012. Het college heeft die stelling onderbouwd met luchtfoto’s, waaruit volgt dat de positionering van het botenhuis is gewijzigd ten opzichte van het eerder aanwezige botenhuis. Omdat het volgens het omgevingsplan niet is toegestaan zonder omgevingsvergunning een botenhuis op te richten, is er naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een overtreding waar het college op heeft kunnen handhaven.
14. In hetgeen PSB verder heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunt om aan te nemen dat er sprake zou zijn van concreet zicht op legalisering. De aanvraag waarnaar PSB verwijst is immers door het college buiten behandeling gelaten omdat niet de gevraagde documenten zijn overgelegd, nog daargelaten dat het college als bevoegd gezag heeft uitgesproken dat de aanvraag voor het overige niet voldoet aan de voorwaarden van het omgevingsplan voor het oprichten van een botenhuis en daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het is de voorzieningenrechter verder niet gebleken dat PSB een vergunbare aanvraag heeft ingediend.
15. Ook in hetgeen PSB aanvoert ten aanzien van de hoogte van de dwangsom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te concluderen dat de opgelegde dwangsom onevenredig hoog zou zijn. Het college heeft in de opgelegde last onder dwangsom onderbouwd dat er sprake is van een tweede last onder dwangsom, nadat de eerste last onder dwangsom ter hoogte van € 20.000,- onvoldoende financiële prikkel is gebleken om de overtreding te beëindigen. Een (maximale) dwangsom van € 45.000,- bij een herhaalde last onder dwangsom is daarom niet onevenredig hoog.
De belangenafweging
16. De voorzieningenrechter weegt de belangen van PSB en het college af bij het al dan niet toewijzen van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening totdat op het bezwaar is beslist. Het belang van PSB is erin gelegen om geen dwangsom te verbeuren totdat er op haar bezwaar is beslist, zodat er een volledige heroverweging van het besluit kan plaatsvinden. Het belang van het college is erin gelegen om de overtreding te beëindigen.
17. De belangen van het college wegen in dit geval zwaarder. Hiervoor vindt de voorzieningenrechter het van belang dat de overtreding al in 2018 is geconstateerd en een eerste last onder dwangsom opgelegd in 2022 niet heeft geleid tot beëindiging van de overtreding, ondanks dat de Afdeling in 2025 reeds heeft geoordeeld dat die last terecht is opgelegd. PSB heeft gelet op het verloop van het handhavingstraject voldoende tijd gehad de overtreding te beëindigen.
18. Omdat de begunstigingstermijn afloopt op 1 augustus 2026, twee dagen na het doen van deze uitspraak en het feitelijk nagenoeg onmogelijk zal zijn voor PSB om voor die tijd alsnog te voldoen aan de last, zal de voorzieningenrechter uit coulance de begunstigingstermijn verlengen tot twee weken na datum van verzending van deze uitspraak.
Conclusie en gevolgen
19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af omdat er geen reden is om aan te nemen dat het besluit van 11 juni 2026 geen stand zal houden in bezwaar. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is daarom geen reden. Om PSB alsnog in de gelegenheid te stellen om aan de opgelegde last te voldoen, zal de voorzieningenrechter bepalen dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
20. Omdat de verlenging van de begunstigingstermijn uit coulance plaatsvindt en niet het gevolg is van een gebrek in het bestreden besluit is er geen aanleiding om het college op te dragen het door PSB betaalde griffierecht te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling is daarom evenmin reden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verlengt de begunstigingstermijn van de opgelegde last onder dwangsom van 11 juni 2026 tot twee weken na de datum van verzending van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan PSB Holding II B.V. moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie ECLI:NL:RVS:2025:327.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/2005
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
PSB Holding II B.V., uit Amsterdam,
hierna: PSB
en
het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college van 11 juni 2026 om een last onder dwangsom aan PSB op te leggen. PSB is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Zij verzoekt daarbij om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van PSB.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van PSB geen redelijke kans van slagen. Het belang van het college weegt daarnaast zwaarder dan het belang van PSB. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is daarom geen reden. Wel zal de voorzieningenrechter de begunstigingstermijn verlengen tot twee weken na de datum van verzending van de uitspraak. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
3. Bij besluit van 27 januari 2022 heeft het college aan PSB een last onder dwangsom opgelegd, gericht op het verwijderen en verwijderd houden van een botenhuis, een deel van een schutting, en een vlonder op perceel [adres] . Indien PSB niet binnen de begunstigingstermijn het botenhuis zou verwijderen, verbeurt PSB een dwangsom van € 2.000,- per week, met een maximum van € 20.000,-. Met de beslissing op het bezwaar van PSB heeft het college de opgelegde last voor het onderdeel vlonder ingetrokken.
4. Bij uitspraak van 29 januari 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het tegen dit besluit ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en het besluit, voor zover dat zag op het gedeelte over de schutting, vernietigd. De opgelegde last onder dwangsom voor het onderdeel botenhuis heeft de Afdeling in stand gelaten. Daarbij heeft de Afdeling bij voorlopige voorziening de begunstigingstermijn om aan de last te voldoen verlengd tot drie maanden na haar uitspraak.
5. PSB heeft het botenhuis niet verwijderd en daarmee niet voldaan aan de opgelegde last onder dwangsom van 27 januari 2022. PSB heeft daarmee de volledige dwangsom van € 20.000,- verbeurd. Het bezwaar van PSB tegen het op 2 februari 2026 genomen invorderingsbesluit heeft het college op 23 juni 2026 ongegrond verklaard.
6. Met het bestreden besluit van 11 juni 2026 heeft het college een tweede last onder dwangsom opgelegd, gericht op het verwijderen en verwijderd houden van het botenhuis. Doet PSB dit niet dan verbeurt zij een dwangsom van € 15.000,- voor iedere maand na 1 augustus 2026, met een maximum van € 45.000,-. PSB heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: PSB, verschenen bij [naam] en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
8. De voorzieningenrechter bekijkt of het nodig is om het besluit van het college te schorsen in afwachting van de beslissing op het bezwaar. De voorzieningenrechter geeft daarvoor een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het besluit en daarmee de kans van slagen van het bezwaarschrift, en zij weegt de belangen van PSB en van het college bij een schorsing van het besluit. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van PSB bij het schorsen daarvan. De beoordeling door de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt zij verder uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Spoedeisend belang
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat PSB spoedeisend belang heeft bij een beoordeling door de voorzieningenrechter. Het college heeft dit ook niet betwist.
De beoordeling
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
11. PSB stelt zich in bezwaar op het standpunt dat de last onder dwangsom onrechtmatig is opgelegd, omdat uit vaststellingen van het college zelf volgt dat het huidige botenhuis van 22 m2 volgens een verleende omgevingsvergunning uit 1973 is opgericht. Er is daarom geen sprake van een overtreding. Verder betoogt PSB dat, mocht er al sprake zijn van een overtreding, er concreet zicht op legalisering is, nu PSB een aanvraag heeft ingediend voor het binnenplans afwijken van het Omgevingsplan en de aanvraag aan de voorwaarden van het omgevingsplan kan voldoen. Tot slot stelt PSB zich op het standpunt dat de opgelegde dwangsom van maximaal € 45.000,- onevenredig hoog is.
12. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van PSB geen redelijke kans van slagen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
13. Met hetgeen PSB heeft aangevoerd heeft zij niet aannemelijk kunnen maken dat er voor het huidige botenhuis ter grootte van 22 m2 een geldige omgevingsvergunning is verleend. De vergunning uit 1973 kan niet de basis van het huidige botenhuis zijn, nu het huidige botenhuis volgens de stelling van het college nieuw is gebouwd in 2012. Het college heeft die stelling onderbouwd met luchtfoto’s, waaruit volgt dat de positionering van het botenhuis is gewijzigd ten opzichte van het eerder aanwezige botenhuis. Omdat het volgens het omgevingsplan niet is toegestaan zonder omgevingsvergunning een botenhuis op te richten, is er naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een overtreding waar het college op heeft kunnen handhaven.
14. In hetgeen PSB verder heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunt om aan te nemen dat er sprake zou zijn van concreet zicht op legalisering. De aanvraag waarnaar PSB verwijst is immers door het college buiten behandeling gelaten omdat niet de gevraagde documenten zijn overgelegd, nog daargelaten dat het college als bevoegd gezag heeft uitgesproken dat de aanvraag voor het overige niet voldoet aan de voorwaarden van het omgevingsplan voor het oprichten van een botenhuis en daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het is de voorzieningenrechter verder niet gebleken dat PSB een vergunbare aanvraag heeft ingediend.
15. Ook in hetgeen PSB aanvoert ten aanzien van de hoogte van de dwangsom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te concluderen dat de opgelegde dwangsom onevenredig hoog zou zijn. Het college heeft in de opgelegde last onder dwangsom onderbouwd dat er sprake is van een tweede last onder dwangsom, nadat de eerste last onder dwangsom ter hoogte van € 20.000,- onvoldoende financiële prikkel is gebleken om de overtreding te beëindigen. Een (maximale) dwangsom van € 45.000,- bij een herhaalde last onder dwangsom is daarom niet onevenredig hoog.
De belangenafweging
16. De voorzieningenrechter weegt de belangen van PSB en het college af bij het al dan niet toewijzen van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening totdat op het bezwaar is beslist. Het belang van PSB is erin gelegen om geen dwangsom te verbeuren totdat er op haar bezwaar is beslist, zodat er een volledige heroverweging van het besluit kan plaatsvinden. Het belang van het college is erin gelegen om de overtreding te beëindigen.
17. De belangen van het college wegen in dit geval zwaarder. Hiervoor vindt de voorzieningenrechter het van belang dat de overtreding al in 2018 is geconstateerd en een eerste last onder dwangsom opgelegd in 2022 niet heeft geleid tot beëindiging van de overtreding, ondanks dat de Afdeling in 2025 reeds heeft geoordeeld dat die last terecht is opgelegd. PSB heeft gelet op het verloop van het handhavingstraject voldoende tijd gehad de overtreding te beëindigen.
18. Omdat de begunstigingstermijn afloopt op 1 augustus 2026, twee dagen na het doen van deze uitspraak en het feitelijk nagenoeg onmogelijk zal zijn voor PSB om voor die tijd alsnog te voldoen aan de last, zal de voorzieningenrechter uit coulance de begunstigingstermijn verlengen tot twee weken na datum van verzending van deze uitspraak.
Conclusie en gevolgen
19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af omdat er geen reden is om aan te nemen dat het besluit van 11 juni 2026 geen stand zal houden in bezwaar. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is daarom geen reden. Om PSB alsnog in de gelegenheid te stellen om aan de opgelegde last te voldoen, zal de voorzieningenrechter bepalen dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
20. Omdat de verlenging van de begunstigingstermijn uit coulance plaatsvindt en niet het gevolg is van een gebrek in het bestreden besluit is er geen aanleiding om het college op te dragen het door PSB betaalde griffierecht te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling is daarom evenmin reden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verlengt de begunstigingstermijn van de opgelegde last onder dwangsom van 11 juni 2026 tot twee weken na de datum van verzending van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan PSB Holding II B.V. moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie ECLI:NL:RVS:2025:327.