Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:4613

2026-07-28 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ZWO 26/1099
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-07-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ZWO 26/1099
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Participatiewet; bijzondere bijstand aangevraagd; wettelijke verhuiskostenvergoeding. Beroep ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.216 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Zittingsplaats Almelo



Bestuursrecht



zaaknummer: ZWO 26/1099


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser, hierna: [eiser]


en




het college van burgemeester en wethouders van Hengelo, verweerder, hierna: het college
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).



Samenvatting


Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiser] om bijzondere bijstand door het college. [eiser] heeft deze aanvraag ingediend voor een wettelijke verhuiskostenvergoeding van € 6.156,-. Hij is het niet eens met de afwijzing van deze aanvraag en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [eiser] geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


1. [eiser] heeft een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 november 2025 afgewezen.



1.1.
Met het bestreden besluit van 17 maart 2026 op het bezwaar van [eiser] is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.2.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigden van het college.








Beoordeling door de rechtbank



Aanleiding




2. [eiser] is op 20 februari 2024 – noodgedwongen vanwege een onveilige situatie – verhuisd van [plaats 1] naar [plaats 2].



2.1.
Op 28 februari 2024 heeft [eiser] een aanvraag om bijzondere bijstand bij het college ingediend. Deze aanvraag heeft betrekking op de kosten van een nieuwe bank en de gedeeltelijke stoffering van de nieuwe woning. De aanvraag heeft daarnaast betrekking op de kosten van dubbele huur over de periode 20 februari 2024 tot 15 maart 2024. Het college heeft hierop bij besluit van 20 maart 2024 € 1.000,- aan bijzondere bijstand toegekend voor een gebruiksgoed en inrichtingskosten. Deze bijstand is als lening verstrekt. Het college heeft verder – om niet – bijzondere bijstand tot een bedrag van € 499,57 aan [eiser] toegekend voor dubbele huur. [eiser] heeft het als lening verstrekte bedrag al terugbetaald.



2.2.
Op 10 oktober 2025 heeft [eiser] een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand ingediend bij het college. Hij heeft hierbij verzocht om een bedrag van € 6.156,- voor een wettelijke verhuiskostenvergoeding. In het aanvraagformulier heeft [eiser] toegelicht dat deze wettelijke verhuiskostenvergoeding volgens de norm van 2023 € 7.156,- bedraagt en dat hier € 1.000,- van afgetrokken wordt, omdat hij dat bedrag langs een andere weg zou moeten ontvangen.



2.3.
Het college heeft op de aanvraag van [eiser] beslist met de besluitvorming, zoals beschreven onder Procesverloop.



Standpunten van partijen



3. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat deze te laat is ingediend. De kosten zijn opgekomen op het moment van de verhuizing en die verhuizing heeft ruim een jaar eerder plaatsgevonden. Volgens het college zijn er geen bijzondere omstandigheden om alsnog met terugwerkende kracht bijstand toe te kennen. Daarnaast heeft het college zich op het standpunt gesteld dat kosten met betrekking tot geleden of toegebrachte schade niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan behoren op grond van artikel 14 van de PW.

4. Naar de mening van [eiser] heeft hij wel recht op de wettelijke verhuiskostenvergoeding in de vorm van bijzondere bijstand. De woningbouwvereniging wil het niet betalen en de dader die de oorzaak is van de kosten hoeft ook niet het hele bedrag te betalen. [eiser] kan nergens anders zijn kosten verhalen.



Overwegingen



5. Bijzondere bijstand wordt in beginsel verleend met ingang van de dag waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Voor kosten die zijn ontstaan vóór de datum waarop de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Van bijzondere omstandigheden is sprake als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een aanvraag om bijstand heeft ingediend, bijvoorbeeld als door toedoen van het college iets is misgegaan bij de melding of de aanvraag. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de PW en vaste rechtspraak.

6. Hoewel het voor de rechtbank duidelijk is dat [eiser] veel leed is aangedaan, vormen deze omstandigheden niet de bijzondere omstandigheden die verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen, zoals bedoeld in de rechtspraak. [eiser] is in februari 2024 verhuisd en heeft eerder bijzondere bijstand ontvangen voor kosten die samenhangen met deze verhuizing. Indien hij voor meer kosten, die samenhingen met de verhuizing in februari 2024, bijzondere bijstand had willen aanvragen, had hij dat in die procedure kunnen en moeten doen. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat niet mogelijk was. Voor zover [eiser] eerst de strafzaak – die samenhangt met zijn noodgedwongen verhuizing – wilde afwachten, is dat geen bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in de rechtspraak.



6.1.
Op de zitting heeft [eiser] naar voren gebracht dat hij de wettelijke verhuiskostenvergoeding ook wenst omdat hij kosten heeft moeten maken, bijvoorbeeld ten gevolge van een inbraak. Verschillende zaken – zoals onder andere een stofzuiger en televisie – heeft hij opnieuw moeten aanschaffen omdat ze waren gestolen uit zijn vorige woning. Zoals het college echter terecht heeft gesteld, worden kosten met betrekking tot geleden of toegebrachte schade niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Dat staat in artikel 14 van de PW. Ook om deze reden kan voor de door [eiser] gevraagde kosten geen bijstand worden verleend.



6.2.
Het college kan aan een persoon die op grond van artikel 14 van de PW geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid, van de PW. Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. In dit geval is niet aannemelijk geworden dat zich, ten tijde van de aanvraag of de besluitvorming, een acute noodsituatie voordeed. Zoals [eiser] op de zitting heeft aangegeven, heeft hij geen financiële problemen.


7. De rechtbank overweegt ten slotte dat het invoelbaar is dat [eiser] zoekt naar genoegdoening voor al het leed dat hem is aangedaan. Dat kan echter niet via bijzondere bijstand voor een wettelijke verhuiskostenvergoeding.





Conclusie en gevolgen


8. Het beroep is ongegrond. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug.





Beslissing



De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op















griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 november 2025 van de Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2025:1699.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.