Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:4576
2026-07-14
Civiel recht
12092737 \ CV EXPL 26-167
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
consumentenkoop meubels. overeenkomst terecht ontbonden om te late levering?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.668 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12092737 \ CV EXPL 26-167
Vonnis van 14 juli 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
h.o.d.n. [bedrijf 1]
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Smit en Legebeke,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 30 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
Op 12 december 2024 heeft [gedaagde] bij [eiseres] een aantal fauteuils en armstoelen gekocht voor een koopprijs van € 8.100,00. Er is een koopovereenkomst opgemaakt en op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [eiseres] van toepassing (de Algemene Voorwaarden van de Centrale Branchevereniging Wonen).
2.2
Onderaan de door [gedaagde] getekende koopovereenkomst staat vermeld:
[afbeelding]
2.3
Vast staat dat de levertijd van 10 weken niet is gehaald en dat [gedaagde] de koopovereenkomst bij e-mail van 1 oktober 2025 buitengerechtelijk heeft ontbonden.
3Het geschil
3.1
[eiseres] vordert - samengevat - [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 9.364,23 met rente, zijnde de koopprijs van € 8.100,00, vermeerderd met rente (€ 484,23) en buitengerechtelijke kosten (€ 780,00). Volgens [eiseres] heeft zij met betrekking tot de levering van de meubels gehandeld overeenkomstig de overeenkomst en de algemene voorwaarden en is het aan [gedaagde] te wijten dat geen tijdige levering heeft plaatsgevonden. Vaste levertijden zoals [gedaagde] stelt, worden nooit afgesproken binnen [eiseres] want [eiseres] is afhankelijk van haar leveranciers. De buitengerechtelijke ontbinding van [gedaagde] is niet terecht. [eiseres] houdt [gedaagde] aan de overeenkomst en wil dat de koopprijs wordt betaald.
3.2
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] . Volgens [gedaagde] heeft hij met de verkoopster destijds een vaste levertermijn afgesproken, tot half dan wel eind februari 2025, en die termijn is niet gehaald. Ook wanneer wordt uitgegaan van een vermoedelijke levertijd, zou [eiseres] de meubels ook niet op tijd hebben kunnen leveren. De algemene voorwaarden bepalen dat, als een verwachte levertijd niet wordt gehaald, de ondernemer nog een extra termijn krijgt van maximaal een maand. Ook die termijn kon [eiseres] niet halen. [gedaagde] kreeg een bericht van de [bedrijf 2] van [eiseres] dat de goederen binnen waren en het verzoek om een afleverafspraak in te plannen. Die levering kon niet eerder dan in week 13, de eerste mogelijkheid was 24 maart 2025 en dat is buiten de termijn van 10 weken plus maximaal een maand. [gedaagde] stelt daarom de overeenkomst op goede gronden te hebben ontbonden, overeenkomstig artikel 6 lid 3 van de algemene voorwaarden.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig voor de beoordeling, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1
[gedaagde] heeft de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden op grond van artikel 6 lid 3 van de algemene voorwaarden, omdat [eiseres] de meubels niet tijdig heeft kunnen leveren. Artikel 6 van de algemene voorwaarden gaat over de levertijd. In het artikel staat onder meer:
1. De levertijd is de afgesproken tijd waarbinnen het werk moet zijn verricht of de producten moeten zijn geleverd. De levertijd is vast tenzij in de overeenkomst een vermoedelijke levertijd staat. Als geen levertijd is afgesproken, dan geldt bij een consumentenkoop een vaste levertijd van 30 dagen.
2. Als de vermoedelijke levertijd niet wordt gehaald, krijgt de ondernemer een extra termijn om alsnog te leveren. De extra termijn is maximaal een maand maar nooit langer dan de oorspronkelijke levertijd. Eventuele prijsverhoging binnen deze termijn mogen niet worden doorberekend.
3. Bij overschrijding van de extra termijn of de vast afgesproken levertijd mag de afnemer de overeenkomst zonder ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst ontbinden en/of schadevergoeding vragen.
4.2
Volgens [gedaagde] is allereerst sprake van overschrijding van de vast afgesproken levertijd van 10 weken. Voor het geval geen vast afgesproken levertijd is overeengekomen maar een vermoedelijke levertijd geldt dat ook deze termijn, na verlenging met maximaal een maand, niet door [eiseres] kon worden gehaald, aldus [gedaagde] .
Vast afgesproken levertijd?
[gedaagde] heeft gemotiveerd gesteld dat hij het met de verkoopster voorafgaand aan de koop uitdrukkelijk heeft gehad over de levertijd. De levering zou in eerste instantie pas volgend jaar mogelijk zijn en daar was [gedaagde] het niet mee eens. Hij gaf daarop aan ergens anders te willen kijken. De verkoopster liep even weg en na overleg tussen de verkoopster en de leverancier is [gedaagde] verteld dat de levertijd naar voren kon worden gehaald en de meubels half februari 2025 geleverd zouden kunnen worden. Daarom heeft hij de koopovereenkomst getekend. Dat overleg heeft plaatsgevonden over de levertijd is op zich niet weersproken door [eiseres] en strookt met de opmerkingen van de verkoopster op de factuur ‘perse eind februari leveren’ en daar onder ‘fabr. 10 weken’. Tien weken vanaf 12 december 2024 is 20 februari 2025.
4.4
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat is gesproken over de levertijd en dat een levering ‘perse eind februari 2025’ is afgesproken. Een levering perse eind februari 2025 kwalificeert als een vaste levertijd als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de algemene voorwaarden. [gedaagde] kon de overeenkomst daarom na eind februari 2025 al buitengerechtelijk ontbinden als bedoeld in artikel 6 lid 3 van de algemene voorwaarden. Dat in de koopovereenkomst ook (deels voorgedrukt) staat ‘Verwachte levertijd: ca 10 weken’, doet daar niet aan af. Onder de gegeven omstandigheden gaat de uitdrukkelijk gemaakte afspraak voor en mocht [gedaagde] verwachten een vaste levertijd te hebben afgesproken, ook al is dat binnen [eiseres] geen gebruik.
Verwachte levertijd
Ook in het geval [eiseres] zou worden gevolgd in haar stelling dat geen vaste maar een verwachte levertijd zou zijn afgesproken, mocht [gedaagde] de overeenkomst ontbinden op grond van artikel 6 lid 3 van de algemene voorwaarden. Tien weken na 12 december 2024 is 20 februari 2025. De termijn wordt maximaal met een maand verlengd, dus tot 20 maart 2025. [eiseres] heeft niet onderbouwd gesteld dat de meubels tijdig geleverd hadden kunnen worden. [gedaagde] heeft dat gemotiveerd betwist. Volgens [gedaagde] kreeg hij op 13 maart 2025 bericht van de externe transporteur van [eiseres] om een leverafspraak in te plannen, en dat de eerste mogelijkheid van de transporteur 24 maart 2025 was. Volgens [eiseres] had er mogelijk wel tijdig geleverd kunnen worden (vóór 20 maart 2025) als [gedaagde] aan de bel zou hebben getrokken, omdat [eiseres] en de externe transporteur in [plaats] korte lijntjes hebben, maar dat is niet zeker en kan in elk geval niet in het nadeel van [gedaagde] werken. Temeer niet nu [gedaagde] stelt dat hij 14 maart 2025 heeft gebeld met [eiseres] en hij maar niet werd teruggebeld. Ook een levering op 24 maart 2025 is buiten de termijn, waarbij de kantonrechter opmerkt dat het gaat om de levering aan [gedaagde] , niet om de levering van de leverancier aan de externe transporteur van [eiseres] (zoals [eiseres] ter zitting leek te betogen). [gedaagde] kon in het rooster van de externe transporteur geen dag aanvinken eerder dan 24 maart 2025 en daarmee zou er te laat worden geleverd aan [gedaagde] . Aldus heeft [eiseres] onvoldoende gesteld dat er tijdig geleverd kon worden, althans dat de niet tijdige levering aan [gedaagde] te wijten is. [gedaagde] mocht de overeenkomst daarom ook ontbinden in het geval sprake was van een overeengekomen verwachte levertijd. De ontbinding bevrijdt de partijen van de daardoor getroffen verbintenissen (art. 6:271 van het Burgerlijk Wetboek). [gedaagde] heeft dus geen betalingsverplichtingen jegens [eiseres] meer. De vorderingen van [eiseres] worden daarom afgewezen.
4.6
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen.
[gedaagde] heeft zelf, zonder gemachtigde, geprocedeerd. Op grond van artikel 238 lid 1 Rv. komen in dat geval voor vergoeding in aanmerking noodzakelijke reis-, verblijf- en verletkosten. De kantonrechter stelt deze kosten overeenkomstig de landelijke aanbeveling LOVCK van 6 februari 2023 ambtshalve en forfaitair vast op € 100,00 (2 x € 50,00) in verband met het bijwonen van de rolzitting van 17 februari 2026 en de mondelinge behandeling op 30 juni 2026.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 100,00 aan reis- verblijf- en verletkosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
verklaart dit vonnis wat de proceskosten betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op
14 juli 2026.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12092737 \ CV EXPL 26-167
Vonnis van 14 juli 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
h.o.d.n. [bedrijf 1]
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Smit en Legebeke,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 30 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
Op 12 december 2024 heeft [gedaagde] bij [eiseres] een aantal fauteuils en armstoelen gekocht voor een koopprijs van € 8.100,00. Er is een koopovereenkomst opgemaakt en op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [eiseres] van toepassing (de Algemene Voorwaarden van de Centrale Branchevereniging Wonen).
2.2
Onderaan de door [gedaagde] getekende koopovereenkomst staat vermeld:
[afbeelding]
2.3
Vast staat dat de levertijd van 10 weken niet is gehaald en dat [gedaagde] de koopovereenkomst bij e-mail van 1 oktober 2025 buitengerechtelijk heeft ontbonden.
3Het geschil
3.1
[eiseres] vordert - samengevat - [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 9.364,23 met rente, zijnde de koopprijs van € 8.100,00, vermeerderd met rente (€ 484,23) en buitengerechtelijke kosten (€ 780,00). Volgens [eiseres] heeft zij met betrekking tot de levering van de meubels gehandeld overeenkomstig de overeenkomst en de algemene voorwaarden en is het aan [gedaagde] te wijten dat geen tijdige levering heeft plaatsgevonden. Vaste levertijden zoals [gedaagde] stelt, worden nooit afgesproken binnen [eiseres] want [eiseres] is afhankelijk van haar leveranciers. De buitengerechtelijke ontbinding van [gedaagde] is niet terecht. [eiseres] houdt [gedaagde] aan de overeenkomst en wil dat de koopprijs wordt betaald.
3.2
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] . Volgens [gedaagde] heeft hij met de verkoopster destijds een vaste levertermijn afgesproken, tot half dan wel eind februari 2025, en die termijn is niet gehaald. Ook wanneer wordt uitgegaan van een vermoedelijke levertijd, zou [eiseres] de meubels ook niet op tijd hebben kunnen leveren. De algemene voorwaarden bepalen dat, als een verwachte levertijd niet wordt gehaald, de ondernemer nog een extra termijn krijgt van maximaal een maand. Ook die termijn kon [eiseres] niet halen. [gedaagde] kreeg een bericht van de [bedrijf 2] van [eiseres] dat de goederen binnen waren en het verzoek om een afleverafspraak in te plannen. Die levering kon niet eerder dan in week 13, de eerste mogelijkheid was 24 maart 2025 en dat is buiten de termijn van 10 weken plus maximaal een maand. [gedaagde] stelt daarom de overeenkomst op goede gronden te hebben ontbonden, overeenkomstig artikel 6 lid 3 van de algemene voorwaarden.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig voor de beoordeling, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1
[gedaagde] heeft de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden op grond van artikel 6 lid 3 van de algemene voorwaarden, omdat [eiseres] de meubels niet tijdig heeft kunnen leveren. Artikel 6 van de algemene voorwaarden gaat over de levertijd. In het artikel staat onder meer:
1. De levertijd is de afgesproken tijd waarbinnen het werk moet zijn verricht of de producten moeten zijn geleverd. De levertijd is vast tenzij in de overeenkomst een vermoedelijke levertijd staat. Als geen levertijd is afgesproken, dan geldt bij een consumentenkoop een vaste levertijd van 30 dagen.
2. Als de vermoedelijke levertijd niet wordt gehaald, krijgt de ondernemer een extra termijn om alsnog te leveren. De extra termijn is maximaal een maand maar nooit langer dan de oorspronkelijke levertijd. Eventuele prijsverhoging binnen deze termijn mogen niet worden doorberekend.
3. Bij overschrijding van de extra termijn of de vast afgesproken levertijd mag de afnemer de overeenkomst zonder ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst ontbinden en/of schadevergoeding vragen.
4.2
Volgens [gedaagde] is allereerst sprake van overschrijding van de vast afgesproken levertijd van 10 weken. Voor het geval geen vast afgesproken levertijd is overeengekomen maar een vermoedelijke levertijd geldt dat ook deze termijn, na verlenging met maximaal een maand, niet door [eiseres] kon worden gehaald, aldus [gedaagde] .
Vast afgesproken levertijd?
[gedaagde] heeft gemotiveerd gesteld dat hij het met de verkoopster voorafgaand aan de koop uitdrukkelijk heeft gehad over de levertijd. De levering zou in eerste instantie pas volgend jaar mogelijk zijn en daar was [gedaagde] het niet mee eens. Hij gaf daarop aan ergens anders te willen kijken. De verkoopster liep even weg en na overleg tussen de verkoopster en de leverancier is [gedaagde] verteld dat de levertijd naar voren kon worden gehaald en de meubels half februari 2025 geleverd zouden kunnen worden. Daarom heeft hij de koopovereenkomst getekend. Dat overleg heeft plaatsgevonden over de levertijd is op zich niet weersproken door [eiseres] en strookt met de opmerkingen van de verkoopster op de factuur ‘perse eind februari leveren’ en daar onder ‘fabr. 10 weken’. Tien weken vanaf 12 december 2024 is 20 februari 2025.
4.4
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat is gesproken over de levertijd en dat een levering ‘perse eind februari 2025’ is afgesproken. Een levering perse eind februari 2025 kwalificeert als een vaste levertijd als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de algemene voorwaarden. [gedaagde] kon de overeenkomst daarom na eind februari 2025 al buitengerechtelijk ontbinden als bedoeld in artikel 6 lid 3 van de algemene voorwaarden. Dat in de koopovereenkomst ook (deels voorgedrukt) staat ‘Verwachte levertijd: ca 10 weken’, doet daar niet aan af. Onder de gegeven omstandigheden gaat de uitdrukkelijk gemaakte afspraak voor en mocht [gedaagde] verwachten een vaste levertijd te hebben afgesproken, ook al is dat binnen [eiseres] geen gebruik.
Verwachte levertijd
Ook in het geval [eiseres] zou worden gevolgd in haar stelling dat geen vaste maar een verwachte levertijd zou zijn afgesproken, mocht [gedaagde] de overeenkomst ontbinden op grond van artikel 6 lid 3 van de algemene voorwaarden. Tien weken na 12 december 2024 is 20 februari 2025. De termijn wordt maximaal met een maand verlengd, dus tot 20 maart 2025. [eiseres] heeft niet onderbouwd gesteld dat de meubels tijdig geleverd hadden kunnen worden. [gedaagde] heeft dat gemotiveerd betwist. Volgens [gedaagde] kreeg hij op 13 maart 2025 bericht van de externe transporteur van [eiseres] om een leverafspraak in te plannen, en dat de eerste mogelijkheid van de transporteur 24 maart 2025 was. Volgens [eiseres] had er mogelijk wel tijdig geleverd kunnen worden (vóór 20 maart 2025) als [gedaagde] aan de bel zou hebben getrokken, omdat [eiseres] en de externe transporteur in [plaats] korte lijntjes hebben, maar dat is niet zeker en kan in elk geval niet in het nadeel van [gedaagde] werken. Temeer niet nu [gedaagde] stelt dat hij 14 maart 2025 heeft gebeld met [eiseres] en hij maar niet werd teruggebeld. Ook een levering op 24 maart 2025 is buiten de termijn, waarbij de kantonrechter opmerkt dat het gaat om de levering aan [gedaagde] , niet om de levering van de leverancier aan de externe transporteur van [eiseres] (zoals [eiseres] ter zitting leek te betogen). [gedaagde] kon in het rooster van de externe transporteur geen dag aanvinken eerder dan 24 maart 2025 en daarmee zou er te laat worden geleverd aan [gedaagde] . Aldus heeft [eiseres] onvoldoende gesteld dat er tijdig geleverd kon worden, althans dat de niet tijdige levering aan [gedaagde] te wijten is. [gedaagde] mocht de overeenkomst daarom ook ontbinden in het geval sprake was van een overeengekomen verwachte levertijd. De ontbinding bevrijdt de partijen van de daardoor getroffen verbintenissen (art. 6:271 van het Burgerlijk Wetboek). [gedaagde] heeft dus geen betalingsverplichtingen jegens [eiseres] meer. De vorderingen van [eiseres] worden daarom afgewezen.
4.6
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen.
[gedaagde] heeft zelf, zonder gemachtigde, geprocedeerd. Op grond van artikel 238 lid 1 Rv. komen in dat geval voor vergoeding in aanmerking noodzakelijke reis-, verblijf- en verletkosten. De kantonrechter stelt deze kosten overeenkomstig de landelijke aanbeveling LOVCK van 6 februari 2023 ambtshalve en forfaitair vast op € 100,00 (2 x € 50,00) in verband met het bijwonen van de rolzitting van 17 februari 2026 en de mondelinge behandeling op 30 juni 2026.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 100,00 aan reis- verblijf- en verletkosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
verklaart dit vonnis wat de proceskosten betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op
14 juli 2026.