Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:4416
2026-03-17
Civiel recht
11906089 \ CV EXPL 25-1779
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Overeenkomst ontbonden na betalingsachterstand. Vordering gedeeltelijk toegewezen. Geen grond voor verwerkingsfees na ontbinding. Schuld moet worden terugbetaald. Reconventie afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.176 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11906089 \ CV EXPL 25-1779
Vonnis van 17 maart 2026
in de zaak van
MOLLIE B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: AGIN Timmermans,
tegen
1 [partij A1] , ook handelend onder de naam Handelsonderneming [bedrijf] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. [partij A2] ,
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van vennoot van [partij A1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,3. [partij A3] ,
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van vennoot van [partij A1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij B] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
Mollie heeft [partij A1] en [partij A2] op 19 september 2025 en [partij A3] op 29 september gedagvaard voor de kantonrechter. [partij B] heeft op vrijdag 17 oktober 2025 schriftelijk op de dagvaarding gereageerd en tegelijkertijd een eis in reconventie (tegeneis) ingesteld. Op deze tegeneis heeft Mollie schriftelijk gereageerd.
1.2.
De kantonrechter heeft een mondelinge behandeling bepaald en die heeft op 12 februari 2026 plaatsgevonden. Voor Mollie waren aanwezig [naam 1] en [naam 2], bijgestaan door [naam 3]. Daarnaast was [partij A2] aanwezig, voor zichzelf en voor [partij A1] . [partij A3] is niet verschenen. De aanwezige partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. De kantonrechter heeft de mondelinge behandeling gesloten en bepaald dat hij vonnis zal wijzen.
2 De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1
Mollie is een collecting payment service provider. Zij exploiteert een online
betaalplatform en biedt daarbij verschillende betaalmethodes aan voor ondernemers, waaronder via betaaldienstverlener Klarna. [partij A1] is een vennootschap onder firma die zich bezighoudt met het leveren van brandhout. [partij A1] heeft als vennoten [partij A2] en [partij A3] . [partij A1] en Mollie hadden met elkaar afgesproken dat Mollie voor [partij A1] tegen betaling het betalingsverkeer van [partij A1] zou regelen. Op enig moment zijn door Mollie aan [partij A1] zogenoemde ‘chargebacks’ vanuit Klarna doorbelast, waar [partij A1] via Mollie bij was aangesloten. Die chargebacks zijn samen met verwerkingskosten door Mollie voor zover mogelijk verrekend met de balans van [partij A1] bij Mollie. Daardoor is die balans negatief geworden.
2.2
Mollie vordert in deze zaak dat [partij B] hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling aan haar van een geldbedrag ter hoogte van die negatieve balans, namelijk een bedrag van € 3.014,61, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. [partij B] heeft een tegeneis ingesteld omdat hij vindt dat Mollie aan hem nog geld is verschuldigd vanwege betalingen die Mollie heeft ontvangen en nog aan [partij A1] zou moeten uitbetalen, transacties die Mollie onterecht zou hebben geannuleerd, kosten die Mollie onterecht in rekening heeft gebracht en opgelopen schade. De tegeneis bedraagt in totaal € 23.579,59. Mollie en [partij B] zijn het met elkaars vorderingen niet eens.
Wat beslist de kantonrechter?
2.3
De kantonrechter zal de vordering van Mollie grotendeels toewijzen, namelijk voor een bedrag van € 2.864,61. De tegeneis van [partij A1] wordt afgewezen. [partij A1] zal worden veroordeeld in de proceskosten van deze zaak. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
De eis van Mollie (eis in conventie)
Vordering tot nakoming
2.4
Tussen Mollie en [partij A1] bestond een overeenkomst die inhield dat [partij A1] tegen betaling gebruik mocht maken van het door Mollie geëxploiteerde betalingsplatform. Onderdeel van die overeenkomst was de door Mollie gehanteerde User Agreement (UA). Dit zijn algemene voorwaarden. Het staat niet ter discussie dat deze UA op de overeenkomst van toepassing zijn. In die UA staat onder andere dat wanneer [partij A1] kosten verschuldigd is aan Mollie, Mollie die kosten mag verrekenen met de balans van [partij A1] bij Mollie. Ook staat daarin dat wanneer Mollie haar vordering niet kan verrekken met de balans, [partij A1] op eerste verzoek van Mollie het volledige bedrag aan kosten moet betalen.
2.5
Wat Mollie in deze zaak vraagt/bedoelt te vragen is om een veroordeling van [partij B] in de kosten die zij op grond van de UA bij [partij A1] in rekening heeft gebracht ter hoogte van € 3.014,61 vanwege de door haar gemaakte kosten omdat zij die kosten niet kan verrekenen met de balans van [partij A1] , nu het saldo op de balans niet voldoende is. De vordering van Mollie is daarmee een vordering tot nakoming.
[partij A1] moet, wanneer verrekening door Mollie niet mogelijk is, de kosten van Mollie rechtstreeks aan Mollie betalen
2.6
Nu is gebleken dat Mollie bij dagvaarding [partij A1] heeft verzocht om de kosten van Mollie ter hoogte van € 3.014,61 te betalen en zij dit heeft verzocht omdat het saldo op de balans (zo goed als) op nul stond en dus nauwelijks verrekening kon plaatsvinden, moet [partij A1] aan dat verzoek voldoen. [partij A1] is het alleen niet eens met de hoogte van het bedrag, voor zover het gaat om de chargebacks (€ 2.772,13) en de daarmee verband houdende verwerkingsfees (€ 300,00). Daarom is de te beantwoorden vraag of die kosten terecht door Mollie in rekening zijn gebracht.
Mollie mocht het totaal aan chargebacks van € 2.772,13 in rekening brengen
2.7
Mollie mocht kosten in de vorm van chargebacks bij [partij A1] in rekening brengen en verrekenen met de balans. Uit het door Mollie verstrekt jaaroverzicht samen met een overzicht van door haar verwerkte chargebacks blijkt dat zij een bedrag van € 2.772,13 aan kosten heeft gemaakt door het uitbetalen van chargebacks aan klanten van [partij A1] (via Klarna) in de periode van 11 oktober 2024 t/m 18 december 2024. Die kosten moet [partij A1] dan ook betalen.
Mollie mocht € 150,00 aan verwerkingsfees in rekening brengen vanwege chargebacks
2.8
Uit het jaaroverzicht blijkt dat de balans van [partij A1] mede negatief is geworden door een bedrag van € 300,00 aan kosten vanwege twaalf verwerkingsfees die door Mollie in rekening zijn gebracht. Deze verwerkingsfees zijn bijkomende kosten vanwege de door Mollie verwerkte chargebacks, waarbij Mollie per chargeback een bedrag (fee) van € 25,00 rekende. Mollie mocht een aantal van die verwerkingsfees bij [partij A1] in rekening brengen en verrekenen. Dit waren de zes verwerkingsfees tot 8 november 2024, in totaal voor een bedrag van € 150,00. Die kosten moet [partij B] dan ook betalen.
2.9
De overige zes in rekening gebrachte verwerkingsfees vanaf 8 november 2024 mocht Mollie niet in rekening brengen. Daarover als volgt.
Een deel van de verwerkingsfees (€ 150,00) is onterecht in rekening gebracht bij [partij A1]
2.10
Door [partij A1] is gesteld en door Mollie is niet weersproken dat Mollie op 8 november 2024 een bericht naar [partij A1] heeft gestuurd waarin Mollie heeft geschreven dat zij op grond van artikel 8.8 UA haar diensten niet langer aanbiedt en dat zij de account van [partij A1] vanaf 8 november 2024 beëindigt. In de aanhef en tekst van artikel 8.8 UA staat, voor zover relevant voor deze zaak, als volgt:
“Artikel 8.8 Duur, einde en overdracht van deze Overeenkomst
Mollie kan deze Overeenkomst met onmiddellijke ingang (schriftelijk) beëindigen zonder voorafgaande kennisgeving in het geval het Bedrijf:
(…)
Chargebacks (zoals genoemd in Artikel 5.4) kunnen nog geruime tijd na een Transactie ontstaan. Ondanks beëindiging van deze Overeenkomst op grond van dit Artikel 8.8 om welke reden dan ook, erkent u dat Mollie altijd gerechtigd zal zijn om alle Chargebacks die zich voordoen en die betrekking hebben op Transacties die zijn gedaan voor beëindiging van deze Overeenkomst op u te verhalen. Dit betekent dat Mollie, zelfs na beëindiging van deze Overeenkomst, naar eigen goeddunken van u kan eisen dat u een toereikende Balans in stand houdt totdat het risico dat Chargebacks zich voordoen is komen te vervallen.”
2.11
[partij A1] heeft vanwege de inhoud van het bericht van Mollie van 8 november 2024 begrepen en gerechtvaardigd erop mogen vertrouwen dat Mollie de overeenkomst per die datum heeft willen opzeggen. De overeenkomst is dan ook per die datum opgezegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Mollie nog gezegd dat haar bericht van 8 november 2024 niet was bedoeld als een opzegging van de overeenkomst, maar alleen als een kennisgeving dat de account van [partij A1] vanaf die datum zou worden geblokkeerd en dat deblokkering van de account weer mogelijk was als de negatieve balans zou worden aangevuld. Dat zij dit zo zou hebben bedoeld, zou blijken uit een bericht van latere datum dat naar [partij A1] is verzonden. Daargelaten dat Mollie dit bericht niet heeft overgelegd zodat een onderbouwing van die stelling ontbreekt, wordt de uitleg van Mollie niet gevolgd. Artikel 8.8 UA gaat namelijk expliciet over opzegging van de overeenkomst en niet over opzegging van de account. Een andere uitleg van de bedoeling van het bericht van 8 november 2024 is dan ook niet begrijpelijk. Zelfs als later door Mollie een ander bericht is gestuurd waaruit [partij A1] had kunnen begrijpen dat het niet de bedoeling was de overeenkomst daadwerkelijk te beëindigen, verandert dit niet de situatie dat Mollie toen al de overeenkomst had opgezegd en deze daarmee was beëindigd.
2.12
Nu de overeenkomst per 8 november 2024 is beëindigd, had Mollie vanaf die datum alleen nog chargebacks bij [partij A1] in rekening mogen brengen en daarvoor van [partij A1] mogen eisen dat zij een positieve balans in stand zou houden. Anders dan wat betreft eventuele chargebacks is voor het in rekening brengen van de verwerkingsfee na opzegging van de overeenkomst geen grond gebleken. Dat betekent dat de zes verwerkingsfees van in totaal € 150,00 over de periode van 8 november 2024 t/m 18 december 2024 door Mollie niet in rekening mochten worden gebracht en worden verrekend. Voor dat deel is de vordering van Mollie dan ook niet toewijsbaar.
2.13
De conclusie is dat de vordering van Mollie toewijsbaar voor een bedrag van € 2.864,61 (= € 3.014,61 - € 150,00). Dit bedrag moet [partij A1] aan Mollie betalen.
Buitengerechtelijke kosten
2.14
Mollie stelt dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en vordert volgens het forfaitaire incassotarief vergoeding van die kosten, ter hoogte van € 426,61.
2.15
Om de buitengerechtelijke kosten te kunnen toewijzen, moet eerst sprake zijn van verzuim. Daarvoor is in dit geval nodig dat buitengerechtelijk door Mollie aan [partij A1] een verzoek is gedaan om de hoofdvordering in deze zaak te betalen, waarna de vordering door [partij A1] niet meteen is betaald.
2.16
Dat Mollie dat verzoek heeft gedaan voordat zij [partij A1] heeft gedagvaard is niet gebleken. Wel heeft Mollie meerdere sommaties overgelegd waarin bedragen worden genoemd die deels gelijk zijn aan de vordering van Mollie in deze zaak, maar voor zover in die sommaties een reden wordt gegeven voor de vordering, is die reden een “openstaande verzekeringspremie”. Dat is niet waar de vordering van Mollie in deze zaak over gaat. Nu niet blijkt dat [partij A1] door Mollie voorafgaand aan de dagvaarding, dus buitengerechtelijk, is verzocht om de hoofdvordering te betalen, staat niet vast dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Daarom wordt de gevorderde vergoeding van die kosten afgewezen.
Wettelijke handelsrente
2.17
Omdat de hoofdvordering betrekking heeft op een overeenkomst om baat tussen [partij A1] en Mollie die strekt tot de verplichting iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen [partij A1] en Mollie in de uitoefening van hun beroep of bedrijf, is de wettelijke handelsrente verschuldigd als te laat wordt betaald. De ingangsdatum vanaf wanneer de handelsrente is verschuldigd, is de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling tot en met de dag waarop [partij A1] de verschuldigde geldsom heeft voldaan.
2.18
Omdat blijkt dat Mollie voor het eerst bij dagvaarding van 19 september 2025 [partij A1] heeft verzocht om de kosten van Mollie te betalen en toen door [partij A1] meteen hadden moeten worden betaald, zal de wettelijke handelsrente worden toegewezen over de toegewezen hoofdsom vanaf 20 september 2025, de dag na de dag dat [partij A1] is gedagvaard.
Proceskosten
2.19
[partij A1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Mollie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
123,73
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.270,23
Hoofdelijkheid
2.20
Als vennoten van de vennootschap onder firma [partij A1] zijn [partij A2] en [partij A3] hoofdelijk verbonden tot betaling van de verbintenissen van [partij A1] . Nu [partij A1] een bedrag van € 2.864,61, vermeerderd met de proceskosten van € 1.270,23 en de handelsrente aan Mollie moet betalen, zijn [partij A2] en [partij A3] samen met [partij A1] hoofdelijk verbonden tot betaling van dit bedrag.
2.21
Dat betekent dat [partij A1] , [partij A2] en [partij A3] ieder voor zich kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen, waarbij als de één (een deel) betaalt, de ander dat (deel van het) bedrag niet meer hoeft te betalen.
De eis van [partij B] (eis in reconventie)
[partij B] vordert betaling van Mollie ter hoogte van € 23.579,59
2.22
[partij B] heeft als tegeneis in deze zaak betaling gevorderd van een bedrag van € 23.579,59 met als reden dat Mollie zich aan de overeenkomst tussen hen moet houden en dat niet heeft gedaan. De kantonrechter begrijpt uit de toelichting bij de tegeneis dat dit bedrag moet worden opgesplitst in twee delen. Allereerst gaat het om een vordering tot nakoming, namelijk uitbetaling/terugbetaling door Mollie van een bedrag van € 11.079,59. Mollie heeft namelijk volgens [partij B] onterecht bij [partij A1] verwerkingskosten voor chargebacks in rekening gebracht en verrekend (€ 511,17), onterecht kosten in rekening gebracht na beëindiging van de overeenkomst (€ 368,43), onterecht transacties met klanten geannuleerd (€ 2.772,13) en nagelaten betalingen van klanten aan [partij A1] uit te betalen (€ 7.049,43). Ten tweede gaat het om een vordering tot schadevergoeding van € 12.500,00 vanwege het moeten inhuren van extra personeel, verliezen van leveranciers, het moeten afsluiten van leningen, reputatieschade, extra moeten werken, emotionele schade en noodzakelijke beëindiging van het bedrijf. Mollie is het niet eens met de vordering.
De gevorderde (uit/terug)betaling van € 23.579,59 wordt afgewezen
2.23
De vordering van [partij B] wordt afgewezen. Het staat niet ter discussie dat tussen Mollie en [partij A1] is afgesproken dat Mollie de bij haar binnengekomen betalingen van klanten van [partij A1] aan [partij A1] moest doorbetalen en dat Mollie alleen onder voorwaarden chargebacks vermeerderd met verwerkingsfees mocht verrekenen met de balans van [partij A1] . Het is alleen niet vast komen te staan dat Mollie zich niet aan die afspraken heeft gehouden dan wel dat [partij A1] nog een bedrag van Mollie tegoed heeft. [partij B] heeft namelijk zijn verhaal niet voldoende toegelicht en onderbouwd. Hij heeft wel besproken waarom hij het niet eens is met de werkwijze van Mollie en bedragen genoemd, maar niet concreet benoemd waaruit blijkt dat hij nog een bedrag van Mollie tegoed heeft en waarom de werkwijze van Mollie strijdig is met de gemaakte afspraken en hoe dit tot schade heeft geleidt. Ook heeft [partij B] zijn verhaal verder niet (met documenten) onderbouwd. De kantonrechter had [partij B] over zijn vordering willen bevragen, maar dit was niet mogelijk. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat [partij A2] inhoudelijk (vrijwel) niets kon zeggen over de inhoud van de zaak en [partij A3] is zonder bericht niet op de mondelinge behandeling verschenen. Kortom, door [partij B] is onvoldoende gesteld en onderbouwd. Daarom kan de vordering niet worden toegewezen.
Proceskosten
2.24
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Mollie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
288,50
(1 punt × factor 0,5 × € 577,00)
Totaal
€
288,50
Hoofdelijkheid
2.25
De veroordeling van [partij B] tot het betalen van de proceskosten van € 288,50 wordt hoofdelijk uitgesproken.
3De beslissing
De kantonrechter
in conventie
3.1
veroordeelt [partij B] hoofdelijk om aan Mollie te betalen een bedrag van € 2.864,61, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.2
veroordeelt [partij B] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.270,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
3.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
3.5
wijst de vordering van [partij B] af,
3.6
veroordeelt [partij B] hoofdelijk in de proceskosten van € 288,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
3.7
veroordeelt [partij B] hoofdelijk tot betaling van de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Neumann en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
Artikel 5.4.1 UA.
Artikel 3:296 BW.
Artikel 5.4 jo. 5.4.1 UA
Artikel 5.4 UA.
Artikel 3:33 jo. artikel 3:35 BW.
Artikel 8.8 UA.
Artikel 6:96 lid 2 sub c BW.
Artikel 6:74 lid 1 en 2 jo. 6:81 jo. 6:83 aanhef en sub b BW.
Artikel 6:119a BW.
Artikel 18 van het Wetboek van Koophandel.
Artikel 5.5 en 5.6 UA.
Zie r.o. 2.20. en 2.21.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11906089 \ CV EXPL 25-1779
Vonnis van 17 maart 2026
in de zaak van
MOLLIE B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: AGIN Timmermans,
tegen
1 [partij A1] , ook handelend onder de naam Handelsonderneming [bedrijf] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. [partij A2] ,
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van vennoot van [partij A1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,3. [partij A3] ,
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van vennoot van [partij A1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij B] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
Mollie heeft [partij A1] en [partij A2] op 19 september 2025 en [partij A3] op 29 september gedagvaard voor de kantonrechter. [partij B] heeft op vrijdag 17 oktober 2025 schriftelijk op de dagvaarding gereageerd en tegelijkertijd een eis in reconventie (tegeneis) ingesteld. Op deze tegeneis heeft Mollie schriftelijk gereageerd.
1.2.
De kantonrechter heeft een mondelinge behandeling bepaald en die heeft op 12 februari 2026 plaatsgevonden. Voor Mollie waren aanwezig [naam 1] en [naam 2], bijgestaan door [naam 3]. Daarnaast was [partij A2] aanwezig, voor zichzelf en voor [partij A1] . [partij A3] is niet verschenen. De aanwezige partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. De kantonrechter heeft de mondelinge behandeling gesloten en bepaald dat hij vonnis zal wijzen.
2 De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1
Mollie is een collecting payment service provider. Zij exploiteert een online
betaalplatform en biedt daarbij verschillende betaalmethodes aan voor ondernemers, waaronder via betaaldienstverlener Klarna. [partij A1] is een vennootschap onder firma die zich bezighoudt met het leveren van brandhout. [partij A1] heeft als vennoten [partij A2] en [partij A3] . [partij A1] en Mollie hadden met elkaar afgesproken dat Mollie voor [partij A1] tegen betaling het betalingsverkeer van [partij A1] zou regelen. Op enig moment zijn door Mollie aan [partij A1] zogenoemde ‘chargebacks’ vanuit Klarna doorbelast, waar [partij A1] via Mollie bij was aangesloten. Die chargebacks zijn samen met verwerkingskosten door Mollie voor zover mogelijk verrekend met de balans van [partij A1] bij Mollie. Daardoor is die balans negatief geworden.
2.2
Mollie vordert in deze zaak dat [partij B] hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling aan haar van een geldbedrag ter hoogte van die negatieve balans, namelijk een bedrag van € 3.014,61, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. [partij B] heeft een tegeneis ingesteld omdat hij vindt dat Mollie aan hem nog geld is verschuldigd vanwege betalingen die Mollie heeft ontvangen en nog aan [partij A1] zou moeten uitbetalen, transacties die Mollie onterecht zou hebben geannuleerd, kosten die Mollie onterecht in rekening heeft gebracht en opgelopen schade. De tegeneis bedraagt in totaal € 23.579,59. Mollie en [partij B] zijn het met elkaars vorderingen niet eens.
Wat beslist de kantonrechter?
2.3
De kantonrechter zal de vordering van Mollie grotendeels toewijzen, namelijk voor een bedrag van € 2.864,61. De tegeneis van [partij A1] wordt afgewezen. [partij A1] zal worden veroordeeld in de proceskosten van deze zaak. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
De eis van Mollie (eis in conventie)
Vordering tot nakoming
2.4
Tussen Mollie en [partij A1] bestond een overeenkomst die inhield dat [partij A1] tegen betaling gebruik mocht maken van het door Mollie geëxploiteerde betalingsplatform. Onderdeel van die overeenkomst was de door Mollie gehanteerde User Agreement (UA). Dit zijn algemene voorwaarden. Het staat niet ter discussie dat deze UA op de overeenkomst van toepassing zijn. In die UA staat onder andere dat wanneer [partij A1] kosten verschuldigd is aan Mollie, Mollie die kosten mag verrekenen met de balans van [partij A1] bij Mollie. Ook staat daarin dat wanneer Mollie haar vordering niet kan verrekken met de balans, [partij A1] op eerste verzoek van Mollie het volledige bedrag aan kosten moet betalen.
2.5
Wat Mollie in deze zaak vraagt/bedoelt te vragen is om een veroordeling van [partij B] in de kosten die zij op grond van de UA bij [partij A1] in rekening heeft gebracht ter hoogte van € 3.014,61 vanwege de door haar gemaakte kosten omdat zij die kosten niet kan verrekenen met de balans van [partij A1] , nu het saldo op de balans niet voldoende is. De vordering van Mollie is daarmee een vordering tot nakoming.
[partij A1] moet, wanneer verrekening door Mollie niet mogelijk is, de kosten van Mollie rechtstreeks aan Mollie betalen
2.6
Nu is gebleken dat Mollie bij dagvaarding [partij A1] heeft verzocht om de kosten van Mollie ter hoogte van € 3.014,61 te betalen en zij dit heeft verzocht omdat het saldo op de balans (zo goed als) op nul stond en dus nauwelijks verrekening kon plaatsvinden, moet [partij A1] aan dat verzoek voldoen. [partij A1] is het alleen niet eens met de hoogte van het bedrag, voor zover het gaat om de chargebacks (€ 2.772,13) en de daarmee verband houdende verwerkingsfees (€ 300,00). Daarom is de te beantwoorden vraag of die kosten terecht door Mollie in rekening zijn gebracht.
Mollie mocht het totaal aan chargebacks van € 2.772,13 in rekening brengen
2.7
Mollie mocht kosten in de vorm van chargebacks bij [partij A1] in rekening brengen en verrekenen met de balans. Uit het door Mollie verstrekt jaaroverzicht samen met een overzicht van door haar verwerkte chargebacks blijkt dat zij een bedrag van € 2.772,13 aan kosten heeft gemaakt door het uitbetalen van chargebacks aan klanten van [partij A1] (via Klarna) in de periode van 11 oktober 2024 t/m 18 december 2024. Die kosten moet [partij A1] dan ook betalen.
Mollie mocht € 150,00 aan verwerkingsfees in rekening brengen vanwege chargebacks
2.8
Uit het jaaroverzicht blijkt dat de balans van [partij A1] mede negatief is geworden door een bedrag van € 300,00 aan kosten vanwege twaalf verwerkingsfees die door Mollie in rekening zijn gebracht. Deze verwerkingsfees zijn bijkomende kosten vanwege de door Mollie verwerkte chargebacks, waarbij Mollie per chargeback een bedrag (fee) van € 25,00 rekende. Mollie mocht een aantal van die verwerkingsfees bij [partij A1] in rekening brengen en verrekenen. Dit waren de zes verwerkingsfees tot 8 november 2024, in totaal voor een bedrag van € 150,00. Die kosten moet [partij B] dan ook betalen.
2.9
De overige zes in rekening gebrachte verwerkingsfees vanaf 8 november 2024 mocht Mollie niet in rekening brengen. Daarover als volgt.
Een deel van de verwerkingsfees (€ 150,00) is onterecht in rekening gebracht bij [partij A1]
2.10
Door [partij A1] is gesteld en door Mollie is niet weersproken dat Mollie op 8 november 2024 een bericht naar [partij A1] heeft gestuurd waarin Mollie heeft geschreven dat zij op grond van artikel 8.8 UA haar diensten niet langer aanbiedt en dat zij de account van [partij A1] vanaf 8 november 2024 beëindigt. In de aanhef en tekst van artikel 8.8 UA staat, voor zover relevant voor deze zaak, als volgt:
“Artikel 8.8 Duur, einde en overdracht van deze Overeenkomst
Mollie kan deze Overeenkomst met onmiddellijke ingang (schriftelijk) beëindigen zonder voorafgaande kennisgeving in het geval het Bedrijf:
(…)
Chargebacks (zoals genoemd in Artikel 5.4) kunnen nog geruime tijd na een Transactie ontstaan. Ondanks beëindiging van deze Overeenkomst op grond van dit Artikel 8.8 om welke reden dan ook, erkent u dat Mollie altijd gerechtigd zal zijn om alle Chargebacks die zich voordoen en die betrekking hebben op Transacties die zijn gedaan voor beëindiging van deze Overeenkomst op u te verhalen. Dit betekent dat Mollie, zelfs na beëindiging van deze Overeenkomst, naar eigen goeddunken van u kan eisen dat u een toereikende Balans in stand houdt totdat het risico dat Chargebacks zich voordoen is komen te vervallen.”
2.11
[partij A1] heeft vanwege de inhoud van het bericht van Mollie van 8 november 2024 begrepen en gerechtvaardigd erop mogen vertrouwen dat Mollie de overeenkomst per die datum heeft willen opzeggen. De overeenkomst is dan ook per die datum opgezegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Mollie nog gezegd dat haar bericht van 8 november 2024 niet was bedoeld als een opzegging van de overeenkomst, maar alleen als een kennisgeving dat de account van [partij A1] vanaf die datum zou worden geblokkeerd en dat deblokkering van de account weer mogelijk was als de negatieve balans zou worden aangevuld. Dat zij dit zo zou hebben bedoeld, zou blijken uit een bericht van latere datum dat naar [partij A1] is verzonden. Daargelaten dat Mollie dit bericht niet heeft overgelegd zodat een onderbouwing van die stelling ontbreekt, wordt de uitleg van Mollie niet gevolgd. Artikel 8.8 UA gaat namelijk expliciet over opzegging van de overeenkomst en niet over opzegging van de account. Een andere uitleg van de bedoeling van het bericht van 8 november 2024 is dan ook niet begrijpelijk. Zelfs als later door Mollie een ander bericht is gestuurd waaruit [partij A1] had kunnen begrijpen dat het niet de bedoeling was de overeenkomst daadwerkelijk te beëindigen, verandert dit niet de situatie dat Mollie toen al de overeenkomst had opgezegd en deze daarmee was beëindigd.
2.12
Nu de overeenkomst per 8 november 2024 is beëindigd, had Mollie vanaf die datum alleen nog chargebacks bij [partij A1] in rekening mogen brengen en daarvoor van [partij A1] mogen eisen dat zij een positieve balans in stand zou houden. Anders dan wat betreft eventuele chargebacks is voor het in rekening brengen van de verwerkingsfee na opzegging van de overeenkomst geen grond gebleken. Dat betekent dat de zes verwerkingsfees van in totaal € 150,00 over de periode van 8 november 2024 t/m 18 december 2024 door Mollie niet in rekening mochten worden gebracht en worden verrekend. Voor dat deel is de vordering van Mollie dan ook niet toewijsbaar.
2.13
De conclusie is dat de vordering van Mollie toewijsbaar voor een bedrag van € 2.864,61 (= € 3.014,61 - € 150,00). Dit bedrag moet [partij A1] aan Mollie betalen.
Buitengerechtelijke kosten
2.14
Mollie stelt dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en vordert volgens het forfaitaire incassotarief vergoeding van die kosten, ter hoogte van € 426,61.
2.15
Om de buitengerechtelijke kosten te kunnen toewijzen, moet eerst sprake zijn van verzuim. Daarvoor is in dit geval nodig dat buitengerechtelijk door Mollie aan [partij A1] een verzoek is gedaan om de hoofdvordering in deze zaak te betalen, waarna de vordering door [partij A1] niet meteen is betaald.
2.16
Dat Mollie dat verzoek heeft gedaan voordat zij [partij A1] heeft gedagvaard is niet gebleken. Wel heeft Mollie meerdere sommaties overgelegd waarin bedragen worden genoemd die deels gelijk zijn aan de vordering van Mollie in deze zaak, maar voor zover in die sommaties een reden wordt gegeven voor de vordering, is die reden een “openstaande verzekeringspremie”. Dat is niet waar de vordering van Mollie in deze zaak over gaat. Nu niet blijkt dat [partij A1] door Mollie voorafgaand aan de dagvaarding, dus buitengerechtelijk, is verzocht om de hoofdvordering te betalen, staat niet vast dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Daarom wordt de gevorderde vergoeding van die kosten afgewezen.
Wettelijke handelsrente
2.17
Omdat de hoofdvordering betrekking heeft op een overeenkomst om baat tussen [partij A1] en Mollie die strekt tot de verplichting iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen [partij A1] en Mollie in de uitoefening van hun beroep of bedrijf, is de wettelijke handelsrente verschuldigd als te laat wordt betaald. De ingangsdatum vanaf wanneer de handelsrente is verschuldigd, is de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling tot en met de dag waarop [partij A1] de verschuldigde geldsom heeft voldaan.
2.18
Omdat blijkt dat Mollie voor het eerst bij dagvaarding van 19 september 2025 [partij A1] heeft verzocht om de kosten van Mollie te betalen en toen door [partij A1] meteen hadden moeten worden betaald, zal de wettelijke handelsrente worden toegewezen over de toegewezen hoofdsom vanaf 20 september 2025, de dag na de dag dat [partij A1] is gedagvaard.
Proceskosten
2.19
[partij A1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Mollie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
123,73
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.270,23
Hoofdelijkheid
2.20
Als vennoten van de vennootschap onder firma [partij A1] zijn [partij A2] en [partij A3] hoofdelijk verbonden tot betaling van de verbintenissen van [partij A1] . Nu [partij A1] een bedrag van € 2.864,61, vermeerderd met de proceskosten van € 1.270,23 en de handelsrente aan Mollie moet betalen, zijn [partij A2] en [partij A3] samen met [partij A1] hoofdelijk verbonden tot betaling van dit bedrag.
2.21
Dat betekent dat [partij A1] , [partij A2] en [partij A3] ieder voor zich kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen, waarbij als de één (een deel) betaalt, de ander dat (deel van het) bedrag niet meer hoeft te betalen.
De eis van [partij B] (eis in reconventie)
[partij B] vordert betaling van Mollie ter hoogte van € 23.579,59
2.22
[partij B] heeft als tegeneis in deze zaak betaling gevorderd van een bedrag van € 23.579,59 met als reden dat Mollie zich aan de overeenkomst tussen hen moet houden en dat niet heeft gedaan. De kantonrechter begrijpt uit de toelichting bij de tegeneis dat dit bedrag moet worden opgesplitst in twee delen. Allereerst gaat het om een vordering tot nakoming, namelijk uitbetaling/terugbetaling door Mollie van een bedrag van € 11.079,59. Mollie heeft namelijk volgens [partij B] onterecht bij [partij A1] verwerkingskosten voor chargebacks in rekening gebracht en verrekend (€ 511,17), onterecht kosten in rekening gebracht na beëindiging van de overeenkomst (€ 368,43), onterecht transacties met klanten geannuleerd (€ 2.772,13) en nagelaten betalingen van klanten aan [partij A1] uit te betalen (€ 7.049,43). Ten tweede gaat het om een vordering tot schadevergoeding van € 12.500,00 vanwege het moeten inhuren van extra personeel, verliezen van leveranciers, het moeten afsluiten van leningen, reputatieschade, extra moeten werken, emotionele schade en noodzakelijke beëindiging van het bedrijf. Mollie is het niet eens met de vordering.
De gevorderde (uit/terug)betaling van € 23.579,59 wordt afgewezen
2.23
De vordering van [partij B] wordt afgewezen. Het staat niet ter discussie dat tussen Mollie en [partij A1] is afgesproken dat Mollie de bij haar binnengekomen betalingen van klanten van [partij A1] aan [partij A1] moest doorbetalen en dat Mollie alleen onder voorwaarden chargebacks vermeerderd met verwerkingsfees mocht verrekenen met de balans van [partij A1] . Het is alleen niet vast komen te staan dat Mollie zich niet aan die afspraken heeft gehouden dan wel dat [partij A1] nog een bedrag van Mollie tegoed heeft. [partij B] heeft namelijk zijn verhaal niet voldoende toegelicht en onderbouwd. Hij heeft wel besproken waarom hij het niet eens is met de werkwijze van Mollie en bedragen genoemd, maar niet concreet benoemd waaruit blijkt dat hij nog een bedrag van Mollie tegoed heeft en waarom de werkwijze van Mollie strijdig is met de gemaakte afspraken en hoe dit tot schade heeft geleidt. Ook heeft [partij B] zijn verhaal verder niet (met documenten) onderbouwd. De kantonrechter had [partij B] over zijn vordering willen bevragen, maar dit was niet mogelijk. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat [partij A2] inhoudelijk (vrijwel) niets kon zeggen over de inhoud van de zaak en [partij A3] is zonder bericht niet op de mondelinge behandeling verschenen. Kortom, door [partij B] is onvoldoende gesteld en onderbouwd. Daarom kan de vordering niet worden toegewezen.
Proceskosten
2.24
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Mollie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
288,50
(1 punt × factor 0,5 × € 577,00)
Totaal
€
288,50
Hoofdelijkheid
2.25
De veroordeling van [partij B] tot het betalen van de proceskosten van € 288,50 wordt hoofdelijk uitgesproken.
3De beslissing
De kantonrechter
in conventie
3.1
veroordeelt [partij B] hoofdelijk om aan Mollie te betalen een bedrag van € 2.864,61, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.2
veroordeelt [partij B] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.270,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
3.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
3.5
wijst de vordering van [partij B] af,
3.6
veroordeelt [partij B] hoofdelijk in de proceskosten van € 288,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
3.7
veroordeelt [partij B] hoofdelijk tot betaling van de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Neumann en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
Artikel 5.4.1 UA.
Artikel 3:296 BW.
Artikel 5.4 jo. 5.4.1 UA
Artikel 5.4 UA.
Artikel 3:33 jo. artikel 3:35 BW.
Artikel 8.8 UA.
Artikel 6:96 lid 2 sub c BW.
Artikel 6:74 lid 1 en 2 jo. 6:81 jo. 6:83 aanhef en sub b BW.
Artikel 6:119a BW.
Artikel 18 van het Wetboek van Koophandel.
Artikel 5.5 en 5.6 UA.
Zie r.o. 2.20. en 2.21.