Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:4032

2026-06-30 Civiel recht 12056294 \ CV EXPL 26-142
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-06-30
Publicatiedatum
2026-07-11
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12056294 \ CV EXPL 26-142
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eindvonnis in consumentenzaak over defecte boot.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.219 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Zwolle



Zaaknummer: 12056294 \ CV EXPL 26-142




Vonnis van 30 juni 2026




in de zaak van




P.W.R. MOTOREN B.V.,
te Zwartsluis,
eisende partij,
hierna te noemen: PWR,
gemachtigde: mr. W. Plessius, Stichting Metaalunie Diensten,



tegen





[gedaagde]
,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 1 juni 2026.



1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.






2Waar gaat deze zaak over?


2.1
PWR vordert, kort samengevat, betaling van een bedrag van € 2.282,08 voor werkzaamheden die aan de motorboot van [gedaagde] zijn verricht PWR heeft in mei 2025 een nieuwe brandstofpomp besteld en werkzaamheden uitgevoerd om de boot van [gedaagde] zo spoedig mogelijk weer varend te krijgen. Volgens PWR heeft [gedaagde] de factuur voor de reparatie ten onrechte onbetaald gelaten, zodat naast de hoofdsom ook wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten worden gevorderd.



2.2

[gedaagde] voert verweer tegen de vordering. Hij voert aan dat hij zijn boot sinds 2012 in onderhoud heeft bij PWR en dat PWR steeds een ruime mate van vrijheid heeft gehad bij de uitvoering van de werkzaamheden. In oktober 2024 heeft de boot een servicebeurt ondergaan bij PWR, waarna [gedaagde] de boot heeft opgehaald, heeft laten wassen en poetsen en vervolgens in de overdekte winterstalling heeft geplaatst. In april 2025 heeft hij de boot weer te water gelaten, waarna deze na ongeveer twee minuten varen stilviel. Een monteur van PWR is ter plaatse gekomen en constateerde dat er water in de brandstoftank zat, waardoor de brandstofpomp defect is geraakt. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat PWR dit probleem al tijdens de servicebeurt in oktober 2024 had moeten ontdekken en vermoedt dat deze servicebeurt niet deugdelijk is uitgevoerd. Daarnaast voert hij aan dat PWR onvoldoende heeft kunnen uitleggen hoe het probleem heeft kunnen ontstaan.



2.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.






3De beoordeling


3.1
Tussen partijen staat niet ter discussie dat PWR de werkzaamheden die in de factuur zijn gespecificeerd heeft uitgevoerd. Evenmin is in geschil dat deze werkzaamheden zijn verricht in opdracht van [gedaagde], in het kader van de reparatie van zijn defecte motorboot. Uitgangspunt is daarom dat [gedaagde] voor deze werkzaamheden moet betalen, tenzij het door hem gevoerde verweer tegen die betalingsverplichting doel treft.



3.2
Het verweer van [gedaagde] komt er in de kern op neer dat PWR is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen bij de servicebeurt in oktober 2024, doordat toen niet is opgemerkt dat er water in de brandstoftank aanwezig was. [gedaagde] benadrukt dat hij niet technisch onderlegd is en altijd volledig vertrouwde op PWR.



3.3
PWR heeft gemotiveerd betwist dat de servicebeurt in oktober onjuist is uitgevoerd. Volgens PWR beschikt het bedrijf over goed opgeleide monteurs die alle stappen van de servicebeurt zorgvuldig en volledig uitvoeren.



3.4
De kantonrechter overweegt dat, nog los van de vraag of een tekortkoming bij de servicebeurt in 2024 reden is om een factuur voor andere werkzaamheden in 2025 niet te betalen, het aan [gedaagde] is om zijn stelling dat PWR toerekenbaar tekort is geschoten, voldoende concreet te onderbouwen. Hij zal feiten en omstandigheden moeten stellen waaruit kan volgen dat de servicebeurt niet deugdelijk is uitgevoerd en dat het gebrek reeds toen aanwezig was en redelijkerwijs had moeten worden ontdekt. [gedaagde] heeft dit niet gedaan. Hij heeft geen feiten gesteld en geen concrete of technische onderbouwing gegeven (bijvoorbeeld in de vorm van het overleggen van een rapportage) waaruit volgt dat bij de servicebeurt in oktober 2024 sprake was van een tekortkoming of onzorgvuldigheid van PWR.



3.5
Dat in april 2025 water in de brandstoftank is aangetroffen en de brandstofpomp is uitgevallen, is op zichzelf onvoldoende om daaruit af te leiden dat PWR reeds in oktober 2024 een fout heeft gemaakt. Ook niet nu [gedaagde] heeft aangevoerd dat de boot in de winterstalling heeft gestaan tussen de servicebeurt en het ontstaan van de storing. Uit niets blijkt immers dat het water ten tijde van de servicebeurt al aanwezig was. Daarbij heeft PWR gesteld dat het water ook bij het poetsen of het te water laten in de tank kan zijn gekomen. Dit past ook bij de verklaring van [gedaagde] ter terechtzitting dat inmiddels is gebleken dat het water via de beluchting van de boot in de tank heeft kunnen komen.



3.6
Het verweer van [gedaagde] dat PWR niet voldoende heeft kunnen verklaren hoe het probleem precies heeft kunnen ontstaan, leidt niet tot een ander oordeel, nu dit op zichzelf niets zegt over een mogelijke tekortkoming bij eerder onderhoud.



3.7
Gezien het voorgaande slaagt [gedaagde] niet in zijn verweer en is [gedaagde] dus verplicht om de factuur van PWR te betalen. De kantonrechter zal de vordering dan ook toewijzen.




Buitengerechtelijke incassokosten





3.8
PWR vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. PWR heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 342,30 worden toegewezen.




Proceskosten





3.9

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van PWR worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


120,78







- griffierecht


€


529,00







- salaris gemachtigde


€


506,00


(2 punten × € 253,00)




- nakosten


€


126,50







Totaal


€


1.282,28














4De beslissing


De kantonrechter



4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan PWR te betalen een bedrag van € 2.282,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van 2 september 2025, tot de dag van volledige betaling,



4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan PWR te betalen een bedrag van € 342,30 aan buitengerechtelijke kosten,



4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.282,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op
30 juni 2026. (jb)