Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:3981

2026-07-09 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht AK_24_3455
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-07-09
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
AK_24_3455
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en dat een deugdelijke motivering ontbreekt. Eiser krijgt daarom (deels) gelijk. Het college is naar het oordeel van de rechtbank wel terecht tot de conclusie gekomen dat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom het recht op bijstand van eiser over de gehele periode november 2022 tot 28 november 2023 is ingetrokken. Het college had aan de hand van de totale inkomsten van eiser en zijn ex-partner kunnen en moeten bezien of in deze periode een (aanvullend) recht op bijstand bestond. Omdat de rechtbank zoveel mogelijk moet proberen om tot een uiteindelijke oplossing te komen van het geschil (finale geschilbeslechting) doet de rechtbank nog geen einduitspraak, maar een tussenuitspraak.

Citeert (21)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (67.052 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: ZWO 24/3455 T


tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen



[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna te noemen: [eiser]),
gemachtigde: mr. E. Schriemer,


en




het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, het college,
gemachtigde: [gemachtigde].




Samenvatting


1. Deze tussenuitspraak gaat over de intrekking, herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering, de individuele inkomenstoeslag en energietoeslag die [eiser] ontving. [eiser] is het hier niet mee eens en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of [eiser] gelijk krijgt of niet.



1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en dat een deugdelijke motivering ontbreekt. [eiser] krijgt daarom (deels) gelijk. Het college is naar het oordeel van de rechtbank wel terecht tot de conclusie gekomen dat [eiser] zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom het recht op bijstand van [eiser] over de gehele periode november 2022 tot 28 november 2023 is ingetrokken. Het college had aan de hand van de totale inkomsten van [eiser] en zijn ex-partner [naam 1] (hierna te noemen: [naam 1]) kunnen en moeten bezien of in deze periode een (aanvullend) recht op bijstand bestond. Omdat de rechtbank zoveel mogelijk moet proberen om tot een uiteindelijke oplossing te komen van het geschil (finale geschilbeslechting) doet de rechtbank nog geen einduitspraak, maar een tussenuitspraak. Met deze tussenuitspraak stelt de rechtbank het college in de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De standpunten van partijen zijn weergegeven onder 4 en 5. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.



1.3.

De verdragsbepalingen en de wettelijke regels die voor de beoordeling van het beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop




2. In het besluit van 8 december 2023 (primaire besluit I) heeft het college het recht op bijstand van [eiser] ingetrokken per 28 november 2023.




2.1.

In het besluit van 29 februari 2024 (primaire besluit II) heeft het college het recht op bijstand van [eiser] en [naam 1] over de periode van 1 februari 2018 tot en met
7 december 2021 over te onderscheiden maanden herzien en ingetrokken. Het college heeft van hen een bedrag van in totaal € 42.293,39 teruggevorderd.




2.2.

In het besluit van 29 februari 2024 (primaire besluit III) heeft het college het recht op bijstand van [eiser] over de periode van 1 november 2015 tot en met
31 januari 2018 over te onderscheiden maanden herzien en ingetrokken. Daarnaast heeft het college het recht op bijstand en de energietoeslag die [eiser] over de periode 8 december 2021 tot en met 31 maart 2022 ontving, en het recht op bijstand, de individuele inkomenstoeslag en de energietoeslag die [eiser] over de periode 1 april 2022 tot 28 november 2023 ontving, ingetrokken. Het college heeft van [eiser] een bedrag van in totaal € 40.416,02 teruggevorderd. Het college heeft er voorts op gewezen dat [eiser] en [naam 1] voor de vordering van € 29.288,60 over de periode van 1 april 2022 tot 28 november 2023 hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het terugbetalen van dit bedrag.




2.3.

[eiser] heeft tegen voornoemde primaire besluiten bezwaar gemaakt.



2.4.
In het bestreden besluit van 12 september 2024 heeft het college het bezwaar gericht tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar gericht tegen de primaire besluiten II en III heeft het college ongegrond verklaard.



2.5.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.6.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.




Totstandkoming van het bestreden besluit


3. [eiser] ontving sinds 9 februari 2010 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Per 1 februari 2018 ontving [eiser] een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. Met ingang van 8 december 2021 ontving [eiser] weer een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande.



3.1.
Het college heeft op 15 november 2022 via het project Joint Social Fraud, een samenwerkingsverband van de gemeente, het Openbaar Ministerie en de politie Oost-Nederland, een melding ontvangen over [eiser] vanwege het vermoeden dat sprake is van zwart werken en inkomsten en vanwege het vermoeden dat sprake is van samenwonen. De Sociale Recherche IJssel-Vechtstreek (sociale recherche) heeft een onderzoek ingesteld. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in het rapport van 29 december 2023.



3.2.
Vervolgens is de besluitvorming gevolgd zoals hiervoor in de inleiding uiteen is gezet.




Het standpunt van het college



De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar gericht tegen het primaire besluit I




4. Volgens het college is het bezwaar van [eiser] gericht tegen het aangetekend verzonden primaire besluit I niet-ontvankelijk. [eiser] heeft op
14 maart 2024 bezwaar gemaakt en dat is te laat. Uit wat [eiser] heeft aangevoerd, volgt niet dat de termijnoverschrijding aan hem niet kan worden toegerekend. Ook is niet gebleken dat het bezwaarschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Volgens het college is dan ook geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.




De herziening, intrekking en terugvordering over de periode 1 februari 2018 tot en met


7 december 2021




4.1.
Het college heeft het recht op bijstand van [eiser] en [naam 1] over de periode van 1 februari 2018 tot en met 7 december 2021 over te onderscheiden maanden herzien en ingetrokken, omdat [eiser] en [naam 1] de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Zo hebben zij geen melding gemaakt van:


het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden door [eiser] bij [bedrijf] en de van [bedrijf] ontvangen gelden (1 augustus 2021 tot en met 7 december 2021);


het gokken, de gokinkomsten/stortingen en de van derden ontvangen gelden om het gokken te bekostigen (1 februari 2018 tot en met 30 november 2021);


het ontvangen van neveninkomsten die het college heeft aangemerkt als verzwegen inkomsten. [eiser] betaalde de huur van twee woningen, waarvan het totaal hoger was dan de bijstandsuitkering die hij maandelijks ontving (6 oktober 2021 tot en met 30 november 2021);


e inkomsten uit een hennepkwekerij, waarbij het college het totale wederrechtelijke verkregen voordeel heeft vastgesteld op € 44.748,15 (22 november 2021 tot en met 30 november 2021).




Volgens het college had het [eiser] en [naam 1] redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij deze activiteiten hadden moeten melden, omdat deze onmiskenbaar van belang zijn voor hun recht op bijstand. Het college heeft over voornoemde periode van [eiser] en [naam 1] een bedrag van in totaal € 42.293,39 teruggevorderd. Er zijn volgens het college geen dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering moet worden afgezien.





De herziening, intrekking en terugvordering over de periode van 1 november 2015 tot en met 31 januari 2018, 8 december 2021 tot en met 31 maart 2022 en 1 april 2022 tot

28 november 2023





4.2.
Het college heeft voorts:


het recht op bijstand van [eiser] over de periode van 1 november 2015 tot 31 januari 2018 over te onderscheiden maanden herzien en ingetrokken;


het recht op bijstand en energietoeslag van [eiser] over de periode van 8 december 2021 tot en met 31 maart 2022 ingetrokken;


het recht op bijstand, energietoeslag en individuele inkomenstoeslag van [eiser] over de periode van 1 april 2022 tot 28 november 2023 ingetrokken.




Het college heeft aan zijn conclusie dat [eiser] in de perioden I tot en met III de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden dezelfde omstandigheden ten grondslag gelegd als aan de herziening en intrekking van het recht op bijstand van [eiser] en [naam 1] over de periode 1 februari 2018 tot en met 7 december 2021. Die omstandigheden staan hiervoor in rechtsoverweging 4.1 genoemd onder a) tot en met d). Daarnaast heeft [eiser] volgens het college in strijd met de inlichtingenverplichting niet gemeld dat hij in periode III, 1 april 2022 tot 28 november 2023, een gezamenlijke huishouding voerde met [naam 1]. Van [eiser] wordt een bedrag van in totaal € 40.416,02 teruggevorderd.





Het standpunt van [eiser]



De niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar gericht tegen het primaire besluit I




5. [eiser] stelt dat het college het bezwaar gericht tegen het primaire besluit I ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens [eiser] is de termijnoverschrijding verschoonbaar.




De herziening, intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering




5.1.

[eiser] stelt verder dat het college ten onrechte meent dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. In dit verband voert [eiser] – samengevat weergegeven – het volgende aan.



5.2.
Volgens [eiser] heeft het college ten onrechte aangenomen dat hij op geld waardeerbare arbeid bij [bedrijf] heeft verricht. Dat hij een keer de sportschool van zijn broer heeft geopend en aanwezig was bij een warming up, is op zijn hoogst aan te merken als een vriendendienst. Ook is nimmer geconstateerd dat [eiser] daadwerkelijk les geeft. Gezien de duur en frequentie van de activiteiten kan volgens [eiser] geen sprake zijn van op geld waardeerbare arbeid. [eiser] ontving weliswaar op zijn rekening bijschrijvingen die afkomstig waren van de kickboksschool, maar dit waren leningen van zijn broer aan hem.





5.3.

[eiser] meent voorts dat van inkomsten uit een hennepkwekerij dan wel van op geld waardeerbare arbeid geen sprake is. [eiser] was niet de eigenaar van de hennepkwekerij en niet is gebleken dat hij geoogst heeft en inkomsten heeft genoten. [eiser] wijst erop dat in de strafrechtelijke procedure reeds is uitgegaan van een wederrechtelijk verkregen voordeel en dat wordt al van hem teruggevorderd. Die terugvordering overstijgt bovendien het bedrag dat het college van hem terugvordert. Per saldo is dus geen sprake geweest van inkomsten dan wel van op geld waardeerbare arbeid.



5.4.
Verder heeft het college volgens [eiser] ten onrechte gesteld dat hij stortingen heeft ontvangen die voort zouden komen uit inkomsten. Het college heeft dit niet concreet gemaakt en ook heeft het college niet inzichtelijk gemaakt welk deel van deze gestelde inkomsten boven de bijstandsnorm per maand komt en welk deel vermogen zou zijn en welk deel middelen.



5.5.

[eiser] stelt verder dat hij geen inkomsten heeft genoten uit gokken. Zijn opbrengsten waren lager dan de inleg. Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn de inleggelden weliswaar inkomsten, maar zijn die in geval van [eiser] per saldo nul.



5.6.

Het college heeft volgens [eiser] voorts ten onrechte aangenomen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen hem en [naam 1] op het adres [adres 1]. In de eerste plaats stelt [eiser] dat de stelselmatige observaties, heimelijke waarnemingen en camerabeelden een inbreuk vormen op zijn privéleven en in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM. Ook het zonder medeweten van [eiser] opvragen van bankafschriften is een onaanvaardbare inbreuk op zijn privéleven. Het gaat hier om onrechtmatig verkregen bewijs. Ook de verklaringen van buren mogen om diezelfde reden niet dienen als bewijs.


[eiser] stelt verder dat de bevindingen op grond waarvan het college concludeert dat sprake is van een gezamenlijke huishouding op het adres [adres 1] – gebaseerd op verklaringen van buren, observaties, verbruik van gas, water en licht en het huisbezoek – ontoereikend zijn om die conclusie te rechtvaardigen. Zo zijn de verklaringen van buren onvoldoende concreet en niet eenduidig. Op antwoorden is niet doorgevraagd en onvoldoende inzichtelijk is op welke perioden de antwoorden van de getuigen zien. Van betekenis daarbij is, zo stelt [eiser], dat [naam 1] zijn auto ook gebruikt. Verder zien de waarnemingen en observaties niet op de gehele periode in geding. Volgens [eiser] kan evenmin op grond van de observaties gesteld worden dat hij zijn hoofdverblijf had aan de [adres 1]. Bovendien, zo vervolgt [eiser], is sprake van een weerlegbaar rechtsvermoeden. Uit de gegevens blijkt niet van een gezamenlijke huishouding. Daarvoor is onvoldoende dat [naam 1] wel eens bij [eiser] komt en daarnaast geeft het college zelf al aan dat [naam 1] bij haar vader woont. Voor zover aangenomen moet worden dat sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding, dan moet het college uitgaan van recht op bijstand naar de norm voor gehuwdenen hooguit het verschil van [eiser] terugvorderen.







Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank zal eerst ingaan op de beroepsgrond van [eiser] dat het college zijn bezwaar gericht tegen het primaire besluit I ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op het betoog dat de door het college gebruikte onderzoeksmethoden in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM. Daarna zal de rechtbank ingaan op wat [eiser] heeft aangevoerd tegen de onderzoeks-bevindingen die het college ten grondslag heeft gelegd aan de conclusie dat sprake is van schending van de inlichtingenverplichting en daarmee aan de herziening, intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering, de energietoeslag en de individuele inkomenstoeslag.



De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar gericht tegen het primaire besluit I



7. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend, als het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als een bezwaarschrift niet binnen de termijn van zes weken wordt ingediend, wordt het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard en niet in behandeling genomen. Dit is alleen anders als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In dat geval is sprake van een goede reden waarom het bezwaarschrift niet op tijd is ingediend en is de termijnoverschrijding verschoonbaar.


7.1.
Niet in geschil is dat [eiser] na afloop van de bezwaartermijn - te weten op 14 maart 2024 - bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit I. Wel in geschil is of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Op de zitting heeft [eiser] naar voren gebracht dat hij geen afhaalbewijs heeft gezien dan wel dat hij het afhaalbewijs heeft gemist.



7.2.
Voor zover [eiser] hiermee beoogt te stellen dat het primaire besluit I niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, overweegt de rechtbank als volgt. Als iemand stelt dat het stuk niet is uitgereikt of geen afhaalbericht (op het juiste adres) is ontvangen, dan ligt het op zijn weg om het aan de gegevens van het postvervoerbedrijf ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat belanghebbende feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is ontvangen of aangeboden. Als diegene erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende is aangeboden.





7.3.
Uit verzendinformatie van Cycloon, het postvervoerbedrijf waar het college gebruik van maakt, blijkt dat het aangetekend verzonden besluit op 13 december 2023 en 14 december 2023 is aangeboden op het adres [adres 2], maar dat de bezorging niet is gelukt. De brief kon vervolgens tot 2 januari 2024 worden afgehaald op een afhaalpunt, maar dat is niet gebeurd. Het stuk is door het college retour ontvangen. Op de zitting heeft het college bevestigd dat de gebruikelijke handelwijze van Cycloon in een situatie als deze - dus wanneer een aangetekende brief naar een afhaalpunt is gebracht - is dat een fysiek afhaalbericht bij de ontvanger wordt achtergelaten. Dit alles rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat het stuk op regelmatige wijze op het adres van [eiser] is aangeboden en dat daar een afhaalbericht is achtergelaten. [eiser] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de aanbieding van het stuk redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Dit betekent dat de gevolgen van het niet afhalen van de aangetekende brief voor rekening van eiser komen.



7.4.
De rechtbank acht verder geen bijzondere omstandigheden aanwezig die maken dat de termijnoverschrijding niet aan [eiser] kan worden toegerekend. De door [eiser] ter zitting gestelde omstandigheid dat hij nog heeft gebeld met het college, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel omdat hij dit pas voor het eerst ter zitting heeft gesteld en deze stelling op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd. Het college heeft het bezwaar van [eiser] gericht tegen het besluit van 8 december 2023 terecht niet-ontvankelijk verklaard.



Artikel 8 van het EVRM en de diverse onderzoeksmethoden




8. De rechtbank zal eerst ingaan op het betoog van [eiser] dat – kort gezegd – de stelselmatige observaties, heimelijke waarnemingen en camerabeelden alsmede het opvragen van bankafschriften in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM en dat het college de onderzoeksbevindingen die daaruit naar voren zijn gekomen daarom niet aan de besluitvorming ten grondslag had mogen leggen. De rechtbank doet dit, omdat het eventuele slagen van deze beroepsgrond de meest verstrekkende gevolgen kan hebben voor deze zaak.




8.1.
Uit de gedingstukken blijkt dat na overleg met de officier van justitie op 30 maart 2023 is besloten het onderzoek strafrechtelijk voort te zetten in verband met de combinatie van illegale samenwoning, hennepteelt en het vermoeden dat het benadelingsbedrag meer dan € 50.000,00 bedraagt. In het kader van dit strafrechtelijke onderzoek zijn de bank- en creditcardgegevens van [eiser] opgevraagd (artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering (Sv)). Ook de stelselmatige (camera)observaties bij de adressen [adres 1] en [adres 2] vonden plaats in het kader van het strafrechtelijke onderzoek (artikel 126g Sv). Het gaat hier dus niet om het gebruik van opsporingsmethoden in het kader van een bestuursrechtelijk onderzoek, maar in het kader van een strafrechtelijk onderzoek.


8.2.
Aangezien de onderzoeksmethoden zijn gebruikt nadat daarvoor door de officier van justitie toestemming is verleend op grond van eerdergenoemde artikelen van het Sv, berust de inbreuk die is gemaakt op het recht op respect voor het privéleven van [eiser] op een voldoende duidelijke en voorzienbare en met waarborgen omklede wettelijke grondslag. In de rechtspraak wordt overigens niet snel aangenomen dat door derden verkregen bewijs nietdoor een bestuursorgaan mag worden gebruikt. Dit mag alleen niet als sprake is van bewijs dat is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in deze zaak aan dit criterium is voldaan. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college de bevindingen van het strafrechtelijke onderzoek mocht betrekken bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering.



8.3.

In de periode van 9 februari 2023 tot en met 3 april 2023 hebben op de adressen [adres 2] en de [adres 1] waarnemingen plaatsgevonden in het kader van het bestuursrechtelijk (voor)onderzoek. Het gaat om elf waarnemingen op de [adres 2] en zestien waarnemingen op of rondom de [adres 1]. De waarnemingen vormen als onderdeel van een onderzoek naar het recht op bijstand, een inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van [eiser], zoals beschermd op grond van
artikel 8 van het EVRM. Het is vaste rechtspraak dat een bijstandsverlenende instantie bij de uitvoering van een onderzoek naar het recht op bijstand van een betrokkene waarnemingen mag verrichten. Het is daarbij wel van belang dat dit in de gegeven situatie en gelet op de bekende feiten en omstandigheden noodzakelijk is en dat deze waarnemingen niet een min of meer compleet beeld geven van een bepaald aspect van het persoonlijk leven van de betrokkene.



De waarnemingen die in dit geval zijn gedaan, geven naar het oordeel van de rechtbank niet een dergelijk min of meer compleet beeld. Het gaat om een beperkt aantal waarnemingen op twee locaties in een tijdsbestek van ruim zeven weken. De waarnemingen zelf waren veelal momentopnames en er is alleen waargenomen wat iedereen vanaf de openbare weg kon waarnemen. Van stelselmatige waarnemingen was geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat de aard en inzet van de waarnemingen een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van [eiser] vormden en dat voldaan is aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De algemene onderzoeksbevoegdheid van artikel 53a van de Participatiewet (PW) biedt hiervoor een toereikende wettelijke grondslag in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het gebruik van deze onderzoeksbevoegdheid in het geval van eiser niet geleid tot een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn privéleven.



Dit geldt ook voor het ondersteunende gebruik van de fotocamera bij vijf waarnemingen. Hierbij is van belang dat met de foto’s slechts de door de handhavingsspecialist aangetroffen situatie is vastgelegd. Daarvan kon ook gedetailleerd schriftelijk verslag worden gelegd. De foto’s bieden niet méér zicht op de privé-omgeving van [eiser] dan de handhavingsspecialist met eigen ogen kon waarnemen en in het waarnemingenjournaal heeft vastgelegd. Voorts voldoet de inbreuk aan de eisen van subsidiariteit. Hiertoe is van belang dat de waarnemingen zijn gedaan naar aanleiding van een melding over mogelijk niet gemelde inkomsten/zwart werken en samenwoning en daarom een gerechtvaardigd doel dienden, namelijk het tegengaan van misbruik van sociale uitkeringen. Na het administratieve onderzoek bestond voor het college geen andere mogelijkheid om objectief vast te stellen of de bijstand rechtmatig werd verleend dan (ook) waarnemingen te verrichten.




8.4.
De verwijzing van [eiser] naar de uitspraken van de CRvB van 10 december 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:2370) en 11 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3205) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, omdat in de zaken die hebben geleid tot deze uitspraken, sprake was van een situatie waarin onbekend is gebleven met welk doel de handhavingsmedewerker in kwestie de inbreuk op het privéleven van de betrokkene heeft gemaakt (ECLI:NL:CRVB:2024:2370) dan wel van een situatie waarin bankafschriften op grond van de artikelen 5:16, 5:17 en 5:20 van de Awb waren opgevraagd, wat gegeven de specifieke omstandigheden in die zaak in strijd met het subsidiariteitsbeginsel is geacht (ECLI:NL:CRVB:2018:3205).



8.5.
Dit alles betekent dat het college de onderzoeksbevindingen die voort zijn gekomen uit de verschillende onderzoeksmethoden, aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen.



De schending van de inlichtingenverplichting




9. De totale te beoordelen periode loopt van 1 november 2015 tot 28 november 2023.
Omwille van de leesbaarheid van de uitspraak, is niet nogmaals uiteengezet wat het college aan de te onderscheiden perioden ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank verwijst daarvoor naar rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2 van deze uitspraak.




9.1.
Het college heeft aan het standpunt dat [eiser] de inlichtingenverplichting heeft geschonden en op grond waarvan zijn recht op bijstand, energietoeslag en individuele inkomensntoeslag in de te onderscheiden perioden is herzien en ingetrokken, kort gezegd het volgende ten grondslag gelegd:


het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden bij [bedrijf] en de van [bedrijf] ontvangen gelden;


het gokken, de gokinkomsten/stortingen en de van derden ontvangen gelden om het gokken te bekostigen;


het ontvangen van neveninkomsten gerelateerd aan de huur van twee woningen door [eiser];


e inkomsten uit een hennepkwekerij;


het voeren van een gezamenlijke huishouding met [naam 1].





9.2.
Intrekking en herziening van bijstand zijn voor de betrokkene belastende besluiten. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht, [eiser] gedurende de gehele te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld dan wel dat hij in die periode geen of minder recht op bijstand heeft.




a) De op geld waardeerbare werkzaamheden en ontvangen gelden.




9.3.

Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden kan voor het recht op bijstand van belang zijn. Dit hangt niet af van de bedoeling waarmee die werkzaamheden worden verricht. Het maakt ook niet uit of uit die werkzaamheden inkomsten worden genoten. Voor het recht op bijstand moet namelijk niet alleen rekening worden gehouden met het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook met het inkomen waarover de betrokkene redelijkerwijs kan beschikken. Dit volgt uit artikel
31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW. Het gaat om werkzaamheden waar gewoonlijk een beloning tegenover staat of waarvoor de betrokkene redelijkerwijs een beloning kan bedingen. Dit is vaste rechtspraak.




9.4.
Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, is het inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW als zij door de betrokkene kunnen worden gebruikt voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Ook dit is vaste rechtspraak.



9.5.

De onderzoeksbevindingen bieden naar het oordeel van de rechtbank een toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat de activiteiten die [eiser] voor [bedrijf] verrichtte in de periode van 1 augustus 2021 tot
28 november 2023 op geld waardeerbaar waren. Van belang zijn met name de verklaringen van [eiser] zelf, maar ook wat zijn vader, broer en [naam 1] hebben verklaard. [eiser] opende één á twee keer in de week de sportschool en bleef dan totdat zijn broer, de eigenaar van de sportschool, aanwezig was. [eiser] had een eigen sleutel van de sportschool en fungeerde als gastheer. Ook verzorgde hij sportlessen en warming-ups en assisteerde hij bij trainingen. Dat gebeurde twee á drie keer in de week, maar soms ook vier keer per week. Daarnaast presenteert [eiser] zich op de website van de sportschool en op sociale media als trainer bij [bedrijf]. De werkzaamheden van [eiser] voor [bedrijf] overstijgen het karakter van een incidentele vriendendienst, zoals hij naar voren heeft gebracht. Gelet op de aard, de omvang, de duur en het terugkerende karakter van de werkzaamheden, zijn deze op geld waardeerbaar.



Van de werkzaamheden bij [bedrijf] had [eiser] melding moeten maken bij het college. Hij heeft dat niet gedaan. [eiser] heeft daarnaast met regelmaat bedragen gestort gekregen op zijn bankrekening, afkomstig van [bedrijf]. Ook dit heeft eiser niet gemeld. De stelling van [eiser] dat het hier ging om van zijn broer geleende bedragen, leidt niet tot een ander oordeel. Een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Bovendien worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan een betrokkene als inkomen aangemerkt als hij daarover vrij kan beschikken en maakt de vorm van die betalingen geen verschil. Dit volgt uit vaste rechtspraak. Niet is gebleken dat [eiser] niet vrijelijk over de bedragen kon beschikken. Dit alles betekent dat [eiser] de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het gaat hier om gegevens waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.



b) Het gokken, de gokinkomsten en de ontvangen gelden.




9.6.
Niet in geschil is dat [eiser] in de periode waar het hier om gaat geen melding heeft gemaakt van zijn (online) gokactiviteiten. Dit had hij wel moeten doen, omdat het gaat om feiten die van belang zijn voor het recht op bijstand. Gokken is immers een activiteit waarmee inkomsten worden verkregen die iemand voor het bekostigen van zijn levensonderhoud kan gebruiken. [eiser] heeft dan ook de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De PW verplicht het college bij schending van de inlichtingenverplichting over te gaan tot herziening dan wel intrekking en terugvordering van de bijstand als dit heeft geleid tot een te hoog verleend bedrag aan bijstand. [eiser] heeft in dit verband aangevoerd dat de algehele opbrengst lager was dan wat hij heeft ingelegd. Hij heeft uit het gokken dus geen voordeel genoten, zo stelt hij.



9.7.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Volgens vaste rechtspraak is het bij online gokactiviteiten voor de vaststelling van het recht op bijstand van belang welke inkomsten er zijn uit het gokken. De ontvangen inkomsten zijn immers van invloed op het recht op bijstand omdat de bijstandsgerechtigde de inkomsten uit gokken vrij kan besteden voor zijn levensonderhoud. Dat, zoals [eiser] in feite betoogt, bij de vaststelling van de inkomsten uit gokken rekening moet worden gehouden met de inlegkosten, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Volgens rechtspraak van de CRvB is bij de vaststelling van het in het kader van de PW in aanmerking te nemen inkomen geen plaats voor verrekening van verwervingskosten. De inleg is bij gokken met verwervingskosten gelijk te stellen. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat een betrokkene zou kunnen beschikken over een inkomen boven de bijstandsnorm, te weten de inkomsten uit zijn gokactiviteiten én de verleende bijstand. Om die reden kunnen de inlegkosten bij gokactiviteiten niet in mindering worden gebracht op de ontvangen bedragen.



9.8.
Het college heeft de inkomsten van [eiser] uit de online gokactiviteiten in de te beoordelen periode vastgesteld aan de hand van de afschriften van zijn bankrekening en creditcard, waarop betalingen/inzetten zijn te zien naar gokplatforms, bijschrijvingen en uitbetalingen van gokwinsten. Bij gokken in een fysiek casino, wat [eiser] ook heeft gedaan, wordt er op grond van vaste rechtspraak van uitgegaan dat, behoudens tegenbewijs, de winst gelijk is aan de inleg. Bij verzwegen gokactiviteiten in een gokinstelling kan de betrokkene aan de hand van pinopnames in een gokinstelling de omvang van de door hem verrichte gokactiviteiten en de daarmee verkregen bedragen aannemelijk maken. In geval van [eiser] ontbreekt die informatie, zodat het college de omvang van de inkomsten van het gokken in het casino niet heeft kunnen vaststellen.



9.9.
Vaststaat verder dat [eiser] kasstortingen en bedragen van derden heeft ontvangen in de periode dat hij ook een bijstandsuitkering ontving. [eiser] heeft het college hierover in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet geïnformeerd. Dat betwist hij ook niet. Zoals overwogen in 9.4, worden kasstortingen en bijschrijvingen door derden op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen. Als deze een terugkerend of periodiek karakter hebben, aangewend kunnen worden voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, zoals in het geval van [eiser], is voorts sprake van inkomsten die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Het ligt dan op de weg van [eiser] om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen. Daar is [eiser] niet in geslaagd. De bedragen werden bijgeschreven op de bankrekening van [eiser] en het college heeft deze stortingen en bijschrijvingen dan ook terecht aangemerkt als middelen en inkomsten.


c) De verzwegen en oncontroleerbare inkomsten gerelateerd aan de huur van twee woningen.




9.10.
De rechtbank is van oordeel dat het college met zijn bevindingen aannemelijk heeft gemaakt dat bij [eiser] in de te beoordelen periode van 6 oktober 2021 tot en met 14 oktober 2022 sprake is geweest van verzwegen inkomsten. Het college heeft in dit verband terecht verwezen naar wat [eiser] ten overstaan van een politieambtenaar heeft verklaard. [eiser] heeft naast de algemene kosten van bestaan, de huur betaald van twee woningen. Hij betaalde naast de huur voor de woning op het adres waar hij stond ingeschreven ([adres 2]), feitelijk ook de huur voor de woning aan de [adres 3]. Hij betaalde de huur voor zijn broer. De huur van beide woningen bedroeg in totaal € 1.470,00 per maand, een bedrag dat ruim € 270,00 hoger is dan de bijstandsuitkering die [eiser] ontving. Dit rechtvaardigt het vermoeden van een andere inkomstenbron naast de bijstandsuitkering die hij ontving. Het voorgaande betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiser] de inlichtingenverplichting heeft geschonden door onvoldoende duidelijkheid te geven over de middelen waarmee hij de huur van beide woningen heeft betaald. Gezien deze onduidelijkheid stelt het college zich terecht op het standpunt dat het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Het college was dan ook gehouden het recht op bijstand van [eiser] over deze periode in te trekken.


d) De inkomsten uit een hennepkwekerij.




9.11.


[eiser] heeft in het politieverhoor van 1 september 2022 verklaard dat hij de eigenaar is van de hennepkwekerij die is aangetroffen op het adres [adres 3]. Hij was betrokken bij de inrichting van de hennepkwekerij en hij verzorgde de hennepplanten. Tijdens het gehoor van 28 november 2023 heeft [eiser] ten overstaan van de sociaal rechercheur verklaard bij de verklaring te blijven die hij bij de politie heeft afgelegd. Uit het politieonderzoek blijkt dat de ontnemingsperiode voor de hennepkwekerijen ligt tussen 22 november 2021 en 17 januari 2022, 19 februari 2022 en
17 april 2022 en 30 april 2022 en 21 juni 2022. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend op € 44.748,15. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat [eiser] gedurende de te beoordelen perioden een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd. Het is vaste rechtspraak dat bij de exploitatie van een hennepkwekerij ervan moet worden uitgegaan dat in de kwekerij op geld waardeerbare werkzaamheden worden verricht, gericht op het in bedrijf houden van de hennepkwekerij, waarmee inkomsten zijn of zouden kunnen worden verworven. [eiser] heeft erkend dat hij de eigenaar was van de hennepkwekerij die op het adres [adres 3] is aangetroffen. Dat rechtvaardigt de vooronderstelling dat hij in die hoedanigheid op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en dat de opbrengst hem ten goede is gekomen. [eiser] is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij in het geheel geen inkomsten uit of in verband met de hennepkwekerij heeft ontvangen. Het inrichten en exploiteren van een hennepkwekerij op een wijze als hier aan de orde, zijn dus onmiskenbaar op geld waardeerbare activiteiten, waarvan [eiser] melding had moeten maken aan het college. Door dit na te laten heeft [eiser] de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.




9.12.
De stelling van [eiser] dat uit de hennepteelt per saldo geen inkomsten zijn genoten, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden is een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Voor de verlening van bijstand is namelijk niet alleen het inkomen waarover de belanghebbende daadwerkelijk beschikt van belang, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Daarom bestaat in dit geval een inlichtingenverplichting, ook als, zoals [eiser] stelt, geen inkomsten zouden zijn verkregen.


e) Het voeren van een gezamenlijke huishouding met [naam 1].




9.13.

[eiser] heeft aangevoerd dat – kort gezegd – geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. Hij had zijn hoofdverblijf niet op het adres [adres 1], maar op het adres [adres 2]. De onderzoeksbevindingen van het college kunnen volgens [eiser] de conclusie dat sprake was van een gezamenlijke huishouding niet dragen.



9.14.
Van een gezamenlijke huishouding is sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.



9.15.
Vaststaat dat uit het huwelijk van [eiser] en [naam 1] kinderen zijn geboren. Voor de beantwoording van de vraag of [eiser] en [naam 1] een gezamenlijke huishouding voerden, is dan, anders dan onder 9.14 is vermeld, slechts bepalend of zij in de te beoordelen periode, in dit geval van 1 april 2022 tot 28 november 2023, hun hoofdverblijf in dezelfde woning op het adres [adres 1] hadden.



9.16.

Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet aan de hand van concrete feiten en omstandigheden worden vastgesteld. Als aannemelijk is dat betrokkenen op hetzelfde adres hun hoofdverblijf
hadden, maakt het niet uit of zij stonden ingeschreven op verschillende adressen.




9.17.
Vaststaat dat [naam 1] met de kinderen woonde in de woning op het adres [adres 1]. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat [eiser] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf eveneens had op het adres [adres 1] en dat sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding met [naam 1].


Het college heeft de conclusie dat [eiser] zijn hoofdverblijf op het adres [adres 1] had onder meer gebaseerd op getuigenverklaringen van vijf buurtbewoners van het adres [adres 1]. Deze verklaringen zijn voldoende gespecificeerd, gedetailleerd en overtuigend. De buurtbewoners hebben [eiser] en [naam 1] herkend van de foto’s die zijn getoond. Zo heeft een buurtbewoner op de vraag wie er op het adres [adres 1] wonen, geantwoord dat [naam 2] en [naam 3] en hun twee kinderen op dit adres wonen. De betreffende buurtbewoner woont sinds april 2022 in de [adres 1] en weet niet beter dan dat zij daar wonen. De gezinssamenstelling is sinds april 2022 niet veranderd. De buurtbewoner heeft verder verklaard dat hij [eiser] zowel dagelijks als een paar keer per week ziet. Een andere buurtbewoner heeft op de vraag wie er op het adres [adres 1] wonen, geantwoord dat [naam 2] en [naam 3] met hun twee kinderen op het adres wonen. De buurtbewoner heeft ook de namen van de kinderen genoemd. De buurtbewoner woont sinds maart 2001 in de [adres 1] en heeft verklaard dat de gezinssamenstelling sinds 2016 is zoals die nu is. De buurtbewoner heeft verklaard dat [eiser] wisselend aanwezig is op het adres [adres 1]. Weer een andere buurtbewoner heeft bij het zien van een foto van [eiser] en [naam 1] verklaard dat dit de buurman en buurvrouw van [adres 1] zijn. Op dit adres woont een gezin met twee kinderen en de gezinssamenstelling is sinds februari 2018 onveranderd . Een andere buurtbewoner heeft verklaard dat op het adres [adres 1] een gezin woont, bestaande uit een man, een vrouw en twee kinderen en dat de gezinssamenstelling sinds 2016 onveranderd is. Deze buurtbewoner heeft verder verklaard dat hij [eiser] constant op het adres [adres 1] ziet. Een andere buurtbewoner heeft desgevraagd verklaard dat een man, een vrouw en twee kinderen op het adres [adres 1] wonen. De gezinssamenstelling is sinds december 2014 onveranderd. De buurtbewoner heeft verklaard dat [eiser] altijd dan wel heel vaak aanwezig is en dat hij dat weet, omdat [eiser] altijd de kinderen naar school brengt en ook weer van school haalt.



De sociaal rechercheurs hebben daarnaast een huisbezoek aan de [adres 2] afgelegd, in aanwezigheid van [eiser]. Onder meer is vastgesteld dat in de woning geen post of administratie op naam van [eiser] aanwezig was. De aangetroffen documenten, bankpassen, tankpassen en het rijbewijs stonden op naam van andere personen. [eiser] kon desgevraagd geen aantoonbaar persoonlijk bezit tonen. Op de vraag waar [eiser] zijn apneuapparaat heeft liggen, antwoordde hij dat het apparaat op het adres [adres 1] ligt. Ook is buurtonderzoek verricht en hebben buren van de [adres 2], die zicht hadden op de woning, (anoniem) een verklaring afgelegd. Zij hebben onder meer verklaard dat op het adres de [adres 2] meerdere personen komen. [eiser] werd herkend van een foto en verklaard is dat hij sinds twee jaar niet meer gezien is in de woning. Een buurtbewoner gaf aan [eiser] niet te herkennen van de foto. Verder is uit waarnemingen en observaties bij zowel de [adres 1] als bij de [adres 2] naar voren gekomen dat (de auto van) [eiser] vrijwel alleen is waargenomen in (de buurt van) de [adres 1]. De omstandigheid dat, zoals [eiser] heeft aangevoerd, [naam 1] (ook) gebruik maakt van de auto, is geen aanleiding om hier geen betekenis aan te verbinden.
Het college heeft het standpunt dat [eiser] zijn hoofdverblijf had op het adres [adres 1] voorts mede kunnen baseren op de verklaring van [naam 1] dat [eiser] sinds de zomer van 2022 voornamelijk bij haar verblijft, omdat het slecht met haar ging en hij een goede vader is voor de kinderen. Verder heeft het college terecht van betekenis geacht dat de politie heeft vastgesteld dat [eiser] op 3 november 2022 om 2:00 uur ’s nachts uit de woning aan de [adres 1] kwam en tevens op een later op 28 november 2023 door de politie op het adres [adres 1] is aangehouden.




9.18.
Uit wat hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiser] in de periode vanaf 1 april 2022 tot 28 november 2023 zijn hoofdverblijf had op het adres [adres 1], zodat sprake was van een gezamenlijke huishouding. [eiser] heeft hiervan geen melding gemaakt bij het college, zodat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu sprake was van een gezamenlijke huishouding, had [eiser] in voornoemde periode geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.



De gevolgen van de schending van de inlichtingenverplichting




10. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, als hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.




10.1.
Als na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening.



Vaststellen van het recht op bijstand





10.2.
Het college heeft het recht op bijstand van [eiser] over de gehele te beoordelen periode van 1 november 2015 tot 28 november 2023 over te onderscheiden maanden herzien en ingetrokken. [eiser] heeft in dit verband aangevoerd dat het college met betrekking tot de periode waarin het college een gezamenlijke huishouding heeft aangenomen, de periode van april 2022 tot 28 november 2023, ten onrechte is overgegaan tot intrekking van de volledige bijstand. Niet is beoordeeld of een resterend recht op bijstand naar de norm voor gehuwden bestond op grond waarvan het recht op bijstand in deze periode kon worden herzien in plaats van ingetrokken.



10.3.
Deze beroepsgrond slaagt en daarvoor acht de rechtbank het volgende van belang.



10.4.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, heeft het college terecht geconcludeerd dat [eiser] in de periode van 1 augustus 2021 tot 28 november 2023 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf]. Het college heeft onder meer aan de hand van de verklaringen van [eiser] de omvang van de op geld waardeerbare activiteiten voor [bedrijf] en de inkomsten die daarmee zijn of konden worden verworven, schattenderwijs vastgesteld. Het college is daarbij voor de periode van 1 augustus 2021 tot 28 november 2023 uitgegaan van gemiddeld 48 uur per maand tegen een halfjaarlijks geïndexeerd bruto minimumuurloon. Tegen deze door het college gehanteerde systematiek en de berekening zijn op zichzelf geen gronden aangevoerd.



10.5.

De hiervoor genoemde periode van 1 augustus 2021 tot 28 november 2023 beslaat tevens de periode waarin [eiser] een gezamenlijke huishouding voerde met [naam 1], namelijk de periode van 1 april 2022 tot 28 november 2023. Het college heeft de inkomsten van [eiser] uit zijn werkzaamheden voor [bedrijf] gedurende de periode van 1 april 2022 tot 28 november 2023 als volgt geschat. Over de periode april tot en met juni 2022 € 530,88 per maand, over de periode juli tot en met december 2022
€ 540,48 per maand, over de periode januari 2023 tot en met juni 2023 € 595,20 per maand en over de periode juli 2023 tot en met november 2023 € 613,92 per maand. Het college heeft daarnaast over de periode 1 april 2022 tot 28 november 2023 in een afzonderlijk overzicht alle inkomsten van zowel [eiser] als [naam 1] per maand in kaart gebracht. In dit overzicht zijn de geschatte inkomsten van [eiser] uit zijn werkzaamheden voor [bedrijf] echter niet opgenomen.




10.6.

Zoals de rechtbank eerder in deze uitspraak heeft overwogen, heeft het college terecht gesteld dat [eiser] in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting de omstandigheden als genoemd in rechtsoverweging 9.1 onder a) tot en met d) niet heeft gemeld. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting heeft het college het recht op bijstand, de energietoeslag en de individuele inkomenstoeslag van [eiser] over de te onderscheiden perioden herzien of ingetrokken en vanaf
6 oktober 2021 tot 28 november 2023 ingetrokken. Deze laatstgenoemde periode betreft deels de periode waarin [eiser] een hennepkwekerij exploiteerde alsook de periode van 6 oktober 2021 tot oktober 2022 waarin sprake is geweest van verzwegen en oncontroleerbare inkomsten, gerelateerd aan de huur van twee woningen, als gevolg waarvan het college terecht heeft gesteld dat het recht op bijstand van [eiser] niet is vast te stellen.




10.7.
Voor de periode van november 2022 tot 28 november 2023 geldt echter het volgende. Het college heeft het recht op bijstand van [eiser] over de gehele periode van november 2022 tot 28 november 2023 ingetrokken, terwijl de geschatte inkomsten van [eiser] uit zijn werkzaamheden voor [bedrijf], opgeteld bij zijn overige inkomsten én de inkomsten van [naam 1] zoals weergegeven in het inkomstenoverzicht, niet iedere maand de bijstandsnorm voor gehuwden lijken te overstijgen. Als voorbeeld noemt de rechtbank de maand november 2022, waarin sprake is van geschatte inkomsten uit werkzaamheden voor [bedrijf] van € 540,48 en overige inkomsten van € 392,17, dus een totaal aan inkomsten van € 932,65. In zoverre lijkt het erop dat in voornoemde periode voor enkele maanden kan worden vastgesteld dat recht op (aanvullende) bijstand bestond. Het college had in dat geval voor de betreffende maanden moeten beoordelen hoe de bijstand in verband met de inkomsten van [eiser] en die van [naam 1] moest worden herzien. Het college heeft dit niet gedaan. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.



10.8.
Tegen de herziening en intrekking van de bijstand over de periode die buiten de periode valt waarin het college een gezamenlijke huishouding heeft aangenomen, heeft [eiser] geen andere gronden aangevoerd dan dat geen sprake zou zijn geweest van een schending van de inlichtingenverplichting. Daar is de rechtbank vanaf 9.1 op ingegaan.



De terugvordering





10.9.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Uit 10.7 volgt dat de intrekking over een aantal maanden in de periode november 2022 tot 28 november 2023 mogelijk niet in stand blijft, namelijk die maanden waarin de totale inkomsten de bijstandsnorm voor gehuwden niet overstegen. Daarom blijft ook de terugvordering over die maanden mogelijk niet in stand. Van een terugvordering kan immers pas sprake zijn als het recht op bijstand is herzien of ingetrokken. Of, en zo ja hoeveel, bijstand van [eiser] over de betreffende periode moet worden teruggevorderd, zal het college nog nader moeten onderzoeken en motiveren. Ook op dit punt kleeft er daarom een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek aan het bestreden besluit. De intrekking en herziening over de overige maanden van de gehele periode in geding blijven wel in stand. Over die maanden heeft het college voldoende onderzocht en gemotiveerd dat [eiser] ten onrechte dan wel te veel bijstand heeft ontvangen.




Conclusie en gevolgen


11. Zoals hiervoor is overwogen, is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, voor zover het de intrekking over de gehele periode van november 2022 tot 28 november 2023 en de terugvordering in zijn geheel betreft, omdat de terugvordering ondeelbaar is. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.



11.1.
De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het college beoordelen of voor [eiser] een recht op (aanvullende) bijstand bestond in de periode van november 2022 tot 28 november 2023. Het college zal, afhankelijk van de uitkomst van deze beoordeling, ook een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.



11.2.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om verdere vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank [eiser] in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.


11.3.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.



11.4.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.




Beslissing


De rechtbank:



draagt het college op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;


stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;


houdt iedere verdere beslissing aan.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, voorzitter, en mr. E. Hoekstra en
mr. A.I. Stockmann-Dutkusu, leden, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op














griffier


voorzitter









Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:






















Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke verdragsbepalingen en wettelijke regels.





(Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden




Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.



Algemene wet bestuursrecht




Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.



Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.



Artikel 6:8

1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
(…).


Artikel 6:9

1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.


Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet- ontvankelijk-verklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.



Artikel 7:12

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.


Artikel 8:51a

1. De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.
2. De bestuursrechter bepaalt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan het gebrek kan herstellen. Hij kan deze termijn verlengen.


Artikel 8:51b

1. Het bestuursorgaan deelt de bestuursrechter zo spoedig mogelijk mede of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten herstellen.
2. Indien het bestuursorgaan overgaat tot herstel van het gebrek, deelt het de bestuursrechter zo spoedig mogelijk schriftelijk mede op welke wijze het gebrek is hersteld.
3. Partijen kunnen binnen vier weken na verzending van de mededeling bedoeld in het tweede lid, schriftelijk hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren brengen. De bestuursrechter kan deze termijn verlengen.


Artikel 8:80a

1. Als de bestuursrechter artikel 8:51a toepast, doet hij een tussenuitspraak.
2. De tussenuitspraak vermeldt zoveel mogelijk op welke wijze het gebrek kan worden hersteld.
3. De artikelen 8:72, vierde lid, tweede volzin, aanhef en onder a, 8:77, 8:78, 8:79 en 8:119 zijn van overeenkomstige toepassing.



Participatiewet




Artikel 3
(…)

2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
(…)
3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
(…)
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
(…)


Artikel 17

1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
(…)


Artikel 31

1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
(…)


Artikel 54
(…)

3. Het dagelijks bestuur herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het dagelijks bestuur een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
(…)


Artikel 58

1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
(…)




(Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).


Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.


Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.


Artikel 6:11 van de Awb.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3987.


Zoals bedoeld in de uitspraken van 30 januari 2024 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven: ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1636.


Zie de uitspraak van de CRvB van 18 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:350.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450.


Zie de uitspraak van de CRvB van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138…


Zie de uitspraak van de CRvB van 18 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:748.


ECLI:NL:CRVB:2024:2320.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 30 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1789.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2334.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 27 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1852.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2064.


Zie in dit verband artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW.


Pagina 35 en 36, rapport van 29 december 2023 van Sociale Recherche.


Pagina 100 en 101, rapport van 29 december 2023 van de Sociale Recherche.


Pagina 35 en 36, rapport van 29 december 2023 van de Sociale Recherche.


zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.