Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:3947
2026-07-09
Strafrecht
84.160460.22 (P)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank spreekt verdachte vrij van heling. Gelet op de vrijspraak van de medeverdachte van verduistering, kan niet worden vastgesteld dat de goederen zoals opgenomen in de tenlastelegging van verdachte van enig misdrijf afkomstig zijn.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.732 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.160460.22 (P)
Datum vonnis: 9 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] B.V.,
gevestigd aan de [vestigingsplaats].
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de gemachtigde raadsvrouw mr. J. Klomp, advocaat in Enschede, namens verdachte naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 januari 2016 tot en met heden tezamen en in vereniging met een of meer anderen zich schuldig heeft gemaakt aan heling van 769 bundels hout.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met
heden te [plaats] en/of (elders) in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)personen, althans alleen
769 bundels hout (betrekking hebbende op de voorraadlocatie ‘[locatie]’ van
[bedrijf 1] B.V.), althans een (grote) hoeveelheid hout,
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,
terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het
voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden,
dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen).
3. De bewijsmotivering
3.1
Inleiding en aanleiding onderzoek
[verdachte] BV is op 14 oktober 2015 opgericht met [bedrijf 2] B.V. als bestuurder. Medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna ook [medeverdachte 1]) is bestuurder van [bedrijf 2] B.V.
Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna [medeverdachte 2]) waren met elkaar gehuwd.
[bedrijf 1] B.V. (hierna [bedrijf 1]) is op 22 december 1975 [bedrijf 1] opgericht. Vanaf 30 maart 2009 was [bedrijf 3] B.V. de bestuurder van [bedrijf 1]. Verdachte is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 3] B.V.
[bedrijf 1] is op 7 november 2019 failliet verklaard. In het faillissement van [bedrijf 1] werd mr. A.C. Blankestijn als curator aangesteld.
[bedrijf 1] hield zich bezig met de in- en verkoop van (hard)hout aan bedrijven.
[verdachte] houdt zich bezig met het online verhandelen van (hard)hout en bouwmaterialen aan particulieren.
De aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is gelegen in de aangifte van faillissementsfraude op 19 februari 2020 door de curator in het faillissement van [bedrijf 1] en in de aangifte van de ING Bank N.V. (hierna ING) op 30 juli 2021 tegen [medeverdachte 2]. Onder de naam Addingham is door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het laste gelegde feit heeft gepleegd.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken, primair omdat geen sprake is geweest van verduistering van de bundels hout door [bedrijf 1] en dus geen sprake is van de situatie dat het hout uit misdrijf afkomstig was. Subsidiair is aangevoerd dat geen sprake is van enige wetenschap van verdachte dat het hout uit misdrijf afkomstig was dan wel dat verdachte dit redelijkerwijs moest vermoeden.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Uit de aangifte van faillissementsfraude door de curator volgt het vermoeden van verduistering in dienstbetrekking door verdachte van 769 bundels hout. De aangifte benoemt dat de door de curator ingeschakelde forensisch accountant heeft geconstateerd dat op 1 oktober 2019 onder meer 769 bundels hout (die geregistreerd stonden op voorraadlocatie '[locatie]') verwijderd zijn uit de digitale voorraadadministratie van [bedrijf 1]. Uit nader onderzoek bleek dat deze bundels hout zijn ingekocht in de periode 2016 tot en met 2019. Deze voorraad hout is fysiek niet aangetroffen door de curator. Het vermoeden rees dat [verdachte] dit hout heeft ontvangen van [bedrijf 1], zonder ervoor te betalen. [verdachte] zou vermoedelijk dit hout via haar eigen webshop hebben verkocht, hetgeen als heling aan [verdachte] is ten laste gelegd, en aan welk strafbaar feit [medeverdachte 1] feitelijke leiding zou hebben gegeven.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat in de periode van 2016 tot en met 2019 769 bundels hout zijn ingekocht door [bedrijf 1]. Ook kan worden vastgesteld dat deze bundels hout op 1 oktober 2019 (digitaal) zijn verwijderd uit de voorraadadministratie en dat de verwijdering is verricht vanaf het gebruikersaccount van [medeverdachte 2] en dat [medeverdachte 2] aan zijn extern systeembeheerder hiertoe opdracht had gegeven. Ten aanzien van de fysieke goederenstroom ontbreekt evenwel ieder spoor. De rechtbank kan daarmee niet vaststellen waar en wanneer deze 769 bundels hout feitelijk zijn geleverd binnen het ruime tenlastegelegde tijdsbestek van drie jaren en wie wanneer de beschikkingsmacht hierover had. Nu dit niet duidelijk is, kan niet worden vastgesteld dat [bedrijf 1] of verdachte [medeverdachte 2] de ingekochte bundels daadwerkelijk ‘onder zich had’ in de zin van artikel 322 in samenhang met artikel 321 Sr. De rechtbank heeft [medeverdachte 2] om die reden vrijgesproken van verduistering in dienstbetrekking.
Dit impliceert, gelet op het onderlinge verband en samenhang met de tenlastelegging van [verdachte], dat niet kan worden vastgesteld dat de 769 bundels, althans een (grote) hoeveelheid hout door [medeverdachte 2] door verduistering in dienstbetrekking was verkregen. Uit het dossier kan ook overigens niet het bewijs worden geput dat dit hout, dat [verdachte] daadwerkelijk zou hebben verkregen dan wel aanwezig zou hebben gehad, anderszins van een voorafgaand misdrijf afkomstig was. Reeds hierom spreekt de rechtbank [verdachte] van dit feit vrij.
4De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. H. Manuel en mr. F.M.A. ‘t Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD / Belastingdienst met dossiernummer 6068201 (onderzoeksnaam Addingham).
Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [verdachte] van 8 oktober 2020, pagina 1527 (DOC-042).
Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 2] B.V. van 31 mei 2022, pagina 1575 (DOC-052).
Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 1]. van 8 oktober 2020, pagina 1313 (DOC-005).
Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 3] B.V.. van 8 oktober 2020, pagina’s 1691-1692 (DOC-056).
Een geschrift, zijnde het vonnis faillietverklaring van de rechtbank van Overijssel van 7 november 2019, pagina’s 1697-1698 (DOC-057).
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.160460.22 (P)
Datum vonnis: 9 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] B.V.,
gevestigd aan de [vestigingsplaats].
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de gemachtigde raadsvrouw mr. J. Klomp, advocaat in Enschede, namens verdachte naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 januari 2016 tot en met heden tezamen en in vereniging met een of meer anderen zich schuldig heeft gemaakt aan heling van 769 bundels hout.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met
heden te [plaats] en/of (elders) in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)personen, althans alleen
769 bundels hout (betrekking hebbende op de voorraadlocatie ‘[locatie]’ van
[bedrijf 1] B.V.), althans een (grote) hoeveelheid hout,
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,
terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het
voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden,
dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen).
3. De bewijsmotivering
3.1
Inleiding en aanleiding onderzoek
[verdachte] BV is op 14 oktober 2015 opgericht met [bedrijf 2] B.V. als bestuurder. Medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna ook [medeverdachte 1]) is bestuurder van [bedrijf 2] B.V.
Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna [medeverdachte 2]) waren met elkaar gehuwd.
[bedrijf 1] B.V. (hierna [bedrijf 1]) is op 22 december 1975 [bedrijf 1] opgericht. Vanaf 30 maart 2009 was [bedrijf 3] B.V. de bestuurder van [bedrijf 1]. Verdachte is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 3] B.V.
[bedrijf 1] is op 7 november 2019 failliet verklaard. In het faillissement van [bedrijf 1] werd mr. A.C. Blankestijn als curator aangesteld.
[bedrijf 1] hield zich bezig met de in- en verkoop van (hard)hout aan bedrijven.
[verdachte] houdt zich bezig met het online verhandelen van (hard)hout en bouwmaterialen aan particulieren.
De aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is gelegen in de aangifte van faillissementsfraude op 19 februari 2020 door de curator in het faillissement van [bedrijf 1] en in de aangifte van de ING Bank N.V. (hierna ING) op 30 juli 2021 tegen [medeverdachte 2]. Onder de naam Addingham is door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het laste gelegde feit heeft gepleegd.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken, primair omdat geen sprake is geweest van verduistering van de bundels hout door [bedrijf 1] en dus geen sprake is van de situatie dat het hout uit misdrijf afkomstig was. Subsidiair is aangevoerd dat geen sprake is van enige wetenschap van verdachte dat het hout uit misdrijf afkomstig was dan wel dat verdachte dit redelijkerwijs moest vermoeden.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Uit de aangifte van faillissementsfraude door de curator volgt het vermoeden van verduistering in dienstbetrekking door verdachte van 769 bundels hout. De aangifte benoemt dat de door de curator ingeschakelde forensisch accountant heeft geconstateerd dat op 1 oktober 2019 onder meer 769 bundels hout (die geregistreerd stonden op voorraadlocatie '[locatie]') verwijderd zijn uit de digitale voorraadadministratie van [bedrijf 1]. Uit nader onderzoek bleek dat deze bundels hout zijn ingekocht in de periode 2016 tot en met 2019. Deze voorraad hout is fysiek niet aangetroffen door de curator. Het vermoeden rees dat [verdachte] dit hout heeft ontvangen van [bedrijf 1], zonder ervoor te betalen. [verdachte] zou vermoedelijk dit hout via haar eigen webshop hebben verkocht, hetgeen als heling aan [verdachte] is ten laste gelegd, en aan welk strafbaar feit [medeverdachte 1] feitelijke leiding zou hebben gegeven.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat in de periode van 2016 tot en met 2019 769 bundels hout zijn ingekocht door [bedrijf 1]. Ook kan worden vastgesteld dat deze bundels hout op 1 oktober 2019 (digitaal) zijn verwijderd uit de voorraadadministratie en dat de verwijdering is verricht vanaf het gebruikersaccount van [medeverdachte 2] en dat [medeverdachte 2] aan zijn extern systeembeheerder hiertoe opdracht had gegeven. Ten aanzien van de fysieke goederenstroom ontbreekt evenwel ieder spoor. De rechtbank kan daarmee niet vaststellen waar en wanneer deze 769 bundels hout feitelijk zijn geleverd binnen het ruime tenlastegelegde tijdsbestek van drie jaren en wie wanneer de beschikkingsmacht hierover had. Nu dit niet duidelijk is, kan niet worden vastgesteld dat [bedrijf 1] of verdachte [medeverdachte 2] de ingekochte bundels daadwerkelijk ‘onder zich had’ in de zin van artikel 322 in samenhang met artikel 321 Sr. De rechtbank heeft [medeverdachte 2] om die reden vrijgesproken van verduistering in dienstbetrekking.
Dit impliceert, gelet op het onderlinge verband en samenhang met de tenlastelegging van [verdachte], dat niet kan worden vastgesteld dat de 769 bundels, althans een (grote) hoeveelheid hout door [medeverdachte 2] door verduistering in dienstbetrekking was verkregen. Uit het dossier kan ook overigens niet het bewijs worden geput dat dit hout, dat [verdachte] daadwerkelijk zou hebben verkregen dan wel aanwezig zou hebben gehad, anderszins van een voorafgaand misdrijf afkomstig was. Reeds hierom spreekt de rechtbank [verdachte] van dit feit vrij.
4De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. H. Manuel en mr. F.M.A. ‘t Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD / Belastingdienst met dossiernummer 6068201 (onderzoeksnaam Addingham).
Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [verdachte] van 8 oktober 2020, pagina 1527 (DOC-042).
Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 2] B.V. van 31 mei 2022, pagina 1575 (DOC-052).
Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 1]. van 8 oktober 2020, pagina 1313 (DOC-005).
Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 3] B.V.. van 8 oktober 2020, pagina’s 1691-1692 (DOC-056).
Een geschrift, zijnde het vonnis faillietverklaring van de rechtbank van Overijssel van 7 november 2019, pagina’s 1697-1698 (DOC-057).