Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:3753

2026-07-02 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ak_25_2626 verzet
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-07-02
Publicatiedatum
2026-07-02
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ak_25_2626 verzet
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of in de uitspraak van 15 januari 2026 terecht is geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.175 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Zittingsplaats Almelo


Bestuursrecht


zaaknummer: ZWO 25/2626 V



uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van




[opposant]
, uit [woonplaats], opposant
(gemachtigde: mr. R. Kaya),



tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 januari 2026 in het geding tussen



opposant



en




het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (hierna: het college)
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).




Inleiding


1.1.
Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 15 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.



1.2.
De rechtbank heeft het verzet op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposant en de gemachtigden van het college.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of in de uitspraak van 15 januari 2026 terecht is geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Het beroep van opposant




4.1.
Het beroep van opposant gaat over de afwijzing van zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand.


4.2.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 24 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 augustus 2025 op het bezwaar van opposant is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



De uitspraak van 15 januari 2026



5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat opposant de gronden van het beroep niet heeft vermeld en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld.


Het verzet


6. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank er in haar uitspraak ten onrechte vanuit is gegaan dat hij in zijn beroepschrift van 8 oktober 2025 geen beroepsgronden heeft vermeld. Subsidiair is opposant van mening dat zijn verzoek om uitstel voor het indienen van de gronden ten onrechte is afgewezen.



Beoordeling van het verzet



7. De eerste verzetsgrond slaagt. De rechtbank licht dit hierna toe.



7.1.
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.



7.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat in het algemeen geen hoge eisen worden gesteld aan de motivering van een bezwaar- of beroepschrift. Dit brengt mee dat in de regel ook bij een in het beroepschrift gegeven summiere motivering van het beroep zal kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Dit neemt echter niet weg dat het beroepschrift, hoe summier ook verwoord, een concrete beroepsgrond dient te bevatten. Een belanghebbende kan er dus niet mee volstaan mee te delen dat hij het niet eens is met een bepaald besluit, maar hij dient tevens aan te geven op welk punt of welke punten en waarom hij het niet met dat besluit eens is.



7.3.
Uit de rechtspraak blijkt dat een belanghebbende kan volstaan met een verwijzing naar de in de bezwaarfase ingediende gronden, als met het besluit op bezwaar de motivering van het primaire besluit niet is gewijzigd. In dit geval doet deze situatie zich niet voor. Met het besluit van 24 april 2025 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen, omdat opposant te laat bijzondere bijstand heeft aangevraagd. Met het bestreden besluit heeft het college aan die motivering toegevoegd dat wat in bezwaar is aangevoerd niet leidt tot de conclusie dat er bijzondere omstandigheden zijn die de overschrijding van de aanvraagtermijn rechtvaardigen. Toch ziet de rechtbank aanleiding te oordelen dat het beroepschrift (voldoende) gronden bevat. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.



7.4.
In het beroepschrift van 8 oktober 2025 stelt opposant dat het college in het bestreden besluit de bezwaren onvoldoende heeft afgewogen. Opposant verzoekt om al hetgeen hij in bezwaar als gronden heeft aangevoerd integraal als herhaald en ingelast te beschouwen. In zijn bezwaarschrift heeft opposant omstandigheden genoemd die ertoe hebben geleid dat hij de aanvraag te laat heeft ingediend en heeft hij verzocht de aanvraag ondanks de termijnoverschrijding toch te honoreren.



7.5.
De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende duidelijkheid bestaat over wat partijen verdeeld houdt. Het gaat namelijk om de vraag of de in het bezwaarschrift genoemde omstandigheden voldoende zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat er in de uitspraak van 15 januari 2026 ten onrechte van uitgegaan is dat opposant in zijn beroepschrift geen gronden heeft vermeld.




Conclusie en gevolgen


8.1.

Uit de beoordeling van deze verzetsgrond volgt dat de rechtbank in de uitspraak van
15 januari 2026 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het beroepschrift geen gronden bevat. De rechtbank heeft de zaak ten onrechte zonder zitting afgedaan. Het is niet nodig om de andere verzetsgrond te bespreken. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 15 januari 2026 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.




8.2.
De rechtbank veroordeelt het college in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).






Beslissing


De rechtbank

- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt het college in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 934,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. Ernens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op














De griffier is verhinderd te ondertekenen.


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.





Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.


Algemene wet bestuursrecht.


Zie onder meer de Centrale Raad van Beroep (CRvB) 22 augustus 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD3946, CRvB 15 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8123 en CRvB 31 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2056.