Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:3726
2026-07-02
Strafrecht
08.250826.25, 08.065737.26 en 08.062593.26 (P)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 58-jarige man voor poging tot doodslag op zijn ex-vrouw, voor mishandeling van zijn ex-vrouw en voor bedreiging van gemeenschappelijke vrienden. De man krijgt een gevangenisstraf van 10 jaar opgelegd en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. De man stak zijn ex-vrouw in haar woning meerdere keren met een keukenmes en hij mishandelde haar vervolgens waar zij zwaar lichamelijk letsel aan overhield. Er was volgens de rechtbank sprake van onvoltooide femicide. De man moet zijn ex-vrouw een schadevergoeding betalen van € 47.230,36 en het slachtoffer van de bedreiging een schadevergoeding van € 2.435,--.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:1051 Hoge Raad 03-07-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (48.415 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummers: 08.250826.25, 08.065737.26 en 08.062593.26 (P)
Datum vonnis: 2 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats] ,
nu verblijvende in de P.I. [locatie] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 12 maart 2026 en 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. M.J. Jansma, advocaat in Kampen, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door [slachtoffer 1] (hierna [slachtoffer 1] ) en de door [slachtoffer 2] (hierna [slachtoffer 2] ) voorgedragen slachtofferverklaringen en van wat namens benadeelde partij [slachtoffer 1] door mr. V.P. Chandi is aangevoerd en van wat namens benadeelde partij [slachtoffer 2] door mr. Van den Brink is aangevoerd.
2De tenlastelegging
Voor de leesbaarheid van dit vonnis nummert de rechtbank de feiten als volgt:
het feit van de zaak met parketnummer 08.250826.25 als feit 1;
het feit van de zaak met parketnummer 08.065737.26 als feit 2;
het feit van de zaak met parketnummer 08.062593.26 als feit 3.
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 7 mei 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1 primair: heeft geprobeerd, al dan niet met voorbedachte raad, om zijn ex-partner [slachtoffer 1] te doden door haar met een mes te steken, subsidiair: haar zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, al dan niet met voorbedachte raad, door haar meermalen met een mes te steken, op 23 september 2025 in [plaats 2] ;
feit 2: zijn ex-partner [slachtoffer 1] heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel als gevolg op 23 september 2025 in [plaats 2] ;
feit 3:
[slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en/of familie [slachtoffer 3] door middel van een dreigbrief heeft bedreigd op 24 september 2025 in [plaats 1] .
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1:
hij op of omstreeks 23 september 2025 te [plaats 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, voornoemde [slachtoffer 1] met een mes meermalen in het bovenlichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 23 september 2025 te [plaats 2] , aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] voornoemd meermalen met een mes in het bovenlichaam te steken en/of te snijden;
feit 2:
hij op of omstreeks 23 september 2025 te [plaats 2] [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door:- met kracht tegen de deur te trappen en/of te beuken en/of te slaan, althans met kracht de deur open te duwen, terwijl die [slachtoffer 1] met de arm en/of schouder en/of lichaam tegen de deur gedrukt stond en/of- door die [slachtoffer 1] aan de haren en/of het shirt naar achteren te trekken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen,terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had, te weten een schouderluxatie van de rechterschouder en/of een scheur in de pees van de m. supraspinatus (spier op schouderkap);
feit 3:
hij in of omstreeks de periode van 24 september 2025 tot en met 26 september 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland, [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] , althans de familie [slachtoffer 3] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting,
door die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] , althans de familie [slachtoffer 3] , in een brief, althans schriftelijk de woorden toe te voegen:
"Hier is je ergste nachtmerrie!
Wij hebben geen vijanden
HA HA HA!
Mijn wraak zal zoet en heftig zijn
Brand is niet fijn hè
Wat ik in gedachten heb zal nog meer impact hebben
Wordt tijd om over te gaan naar zwaardere middelen
Jullie zijn nergens meer veilig!
[slachtoffer 3] niet bij zijn PGB klantjes
[slachtoffer 2] niet bij [naam] en of
Bij de huizen die bezocht worden
Zoon die in de Zwolse binnenstad woont
Of de jongste die studeert aan de Windeseheim
Ook een mooi doelwit
Keuze genoeg
Heb jullie al enkele keren gevolgd
En ik heb geduld.
Had jullie al toe kunnen slaan tijdens jullie vakantie
maar dat is te makkelijk
Het hoeft niet morgen of volgende maand.
Kan ook over enkele jaren
Ooit zijn jullie niet op jullie hoede
En die kans zal ik benutten
Groeten,
Je nachtmerrie",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
3De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder 1 ten laste gelegde, poging tot moord, niet kan worden bewezen, omdat er onvoldoende bewijs is dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Poging tot doodslag kan volgens de officier van justitie wel wettig en overtuigend worden bewezen. De officier van justitie stelt zich verder op het standpunt dat het onder 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit vrijspraak van de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de poging tot doodslag. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, met uitzondering van het onderdeel zwaar lichamelijk letsel en hij refereert zich ook ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en van wat ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte was 26 jaar getrouwd met [slachtoffer 1] . Zij hebben samen twee kinderen en woonden in [plaats 2] . In januari 2025 zijn verdachte en [slachtoffer 1] officieel gescheiden. [slachtoffer 1] heeft toen haar intrek genomen in een andere woning in [plaats 2] .
In september 2025 ontstond er tussen hen een discussie over de betaling van zorgkosten. Verdachte reed op 23 september 2025 naar de woning van [slachtoffer 1] in [plaats 2] . Hij kwam daar rond 20.30 uur aan. Verdachte belde aan bij haar woning en toen [slachtoffer 1] de deur opende, liep hij gelijk bij haar naar binnen. Verdachte was boos en begon over zorgkosten die hij had gemaakt en waarvan hij vond dat [slachtoffer 1] daaraan moest bijdragen. [slachtoffer 1] wilde het gesprek niet verder voeren en zei dat het haar beter leek dat verdachte zou vertrekken. [slachtoffer 1] liep met verdachte richting de voordeur. Verdachte maakte aanstalten om naar buiten te lopen en schold [slachtoffer 1] uit. [slachtoffer 1] opende de voordeur. Verdachte bleef bij de drempel staan. Verdachte draaide zich naar [slachtoffer 1] om en pakte uit zijn jas een keukenmes. Dit keukenmes had hij van huis meegenomen. Verdachte stak [slachtoffer 1] direct met zijn mes. Hij stak haar tenminste acht keer in haar bovenlichaam. Hij stak haar in haar borst, in haar flank en in haar armen. Verdachte zei daarbij “Ik vermoord je, ik maak je hartstikke dood". [slachtoffer 1] schreeuwde hard om hulp. Ze wilde verdachte uit haar woning hebben en drukte de tussendeur dicht, maar verdachte duwde deze hard open. [slachtoffer 1] viel daardoor en haar schouder schoot uit de kom. Daarna wilde [slachtoffer 1] naar buiten vluchten, maar verdachte trok haar aan haar shirt naar achteren, waardoor haar shirt kapot scheurde en zij opnieuw viel. Verdachte liep vervolgens de woonkamer in, terwijl [slachtoffer 1] gewond op de vloer lag. De buren waren op het geschreeuw afgekomen en schoten [slachtoffer 1] te hulp. [slachtoffer 1] werd naar het ziekenhuis overgebracht en heeft de steekverwondingen overleefd. In het ziekenhuis bleek [slachtoffer 1] onder andere perforerende verwondingen van de borstkas te hebben, een klaplong, een ontsteking van het hartzakje, een bloeding van de milt, bloed in de buikholte en gebroken ribben. Daarnaast was haar schouder uit de kom en is een pees in de schouderkap afgescheurd.
Op 24 september 2025 omstreeks 17:45 uur ontving [slachtoffer 3] per post een dreigbrief op zijn adres in [plaats 1] . De brief was gericht aan de familie [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] waren gemeenschappelijke vrienden van [slachtoffer 1] en verdachte. Verdachte heeft in maart 2026 bekend dat hij de afzender is van de brief. Verdachte schreef de brief op dezelfde dag als het steekincident in een boze bui, omdat hij vond dat [slachtoffer 2] een negatieve invloed had op zijn voormalige huwelijk en de scheiding.
3.3.2.
Feit 1, poging tot moord dan wel poging tot doodslag op [slachtoffer 1]
Overwegingen van de rechtbank
Geen voorbedachte raad
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad. Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap kon geven. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat sprake was van een vooropgezet plan van verdachte om [slachtoffer 1] te doden.
Weliswaar bestaan er aanwijzingen voor het bestaan van zo’n plan. Zo heeft verdachte vanuit zijn woning een mes meegenomen en heeft hij tijdens de autorit naar de woning van [slachtoffer 1] de gelegenheid gehad om hierover na te denken. Hij heeft het mes vervolgens meegenomen naar de woning van [slachtoffer 1] . Daarnaast zei verdachte tijdens het steken “Ik vermoord je, ik maak je hartstikke dood". De rechtbank ziet echter ook omstandigheden waarin aanwijzingen kunnen worden gevonden dat verdachte handelde in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte heeft het mes niet direct gebruikt. Er heeft eerst een gesprek tussen verdachte en [slachtoffer 1] plaatsgevonden. Daarna maakte verdachte aanstalten om de woning te verlaten, hij liep naar de voordeur. Verdachte schold [slachtoffer 1] uit en toen [slachtoffer 1] daarop zei dat hij weg moest gaan, sloegen, zo verklaart hij, alle stoppen bij hem door. Op dat moment pakte hij zijn mes en stak hij haar daar direct een aantal keer mee.
Deze contra-indicaties zijn van zodanig gewicht dat naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden uitgesloten dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dit betekent dat verdachte zal worden vrijgesproken van poging tot moord.
Opzet
Verdachte heeft [slachtoffer 1] in een razernij acht keer met een keukenmes in haar bovenlichaam gestoken. Hij zei daarbij “Ik vermoord je, ik maak je hartstikke dood". Verdachte stond tijdens het steken op korte afstand van [slachtoffer 1] en het lemmet van het mes bedroeg bijna twintig centimeter. Hij raakte [slachtoffer 1] onder andere in haar borst en in haar flank. Bij een perforatie van de flank en de borst kunnen zowel organen in de borstkas als in de buik beschadigd raken met mogelijk levensgevaarlijk letsel ten gevolg. Deze gedraging van verdachte is zozeer gericht geweest op het dodelijk verwonden van [slachtoffer 1] , dat dit naar het oordeel van de rechtbank vol opzet op de dood oplevert. Het steken van [slachtoffer 1] op de wijze waarop de verdachte dat gedaan heeft, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood, dat het niet anders kan dan dat verdachte op dat moment [slachtoffer 1] heeft willen doden.
De rechtbank acht poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv):
het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 3 oktober 2025, pagina’s 122 tot en met 130;
het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 maart 2026, inhoudende de verklaring van verdachte;
een forensisch medische letselrapportage opgemaakt door forensisch arts Duijst, van 20 februari 2026, pagina’s 164 tot en met 186;
een rapport veiligstellen van vezelsporen van het mes van 31 oktober 2025, pagina 191.
3.3.3.
Feit 2, mishandeling [slachtoffer 1]
Verdachte heeft [slachtoffer 1] na het steken mishandeld door met kracht de deur open te duwen, terwijl [slachtoffer 1] met haar lichaam tegen de deur gedrukt stond, en door haar aan het shirt te trekken. Hierdoor is [slachtoffer 1] twee keer gevallen. Haar rechterschouder is uit de kom geraakt en er is een pees in de schouderkap afgescheurd.
De Hoge Raad benoemt in het overzichtsarrest van 3 juli 2018 drie algemene gezichtspunten die van belang zijn voor de waardering van zwaar lichamelijk letsel: de aard van het letsel, eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en uitzicht op (volledig) herstel. Voor het schouderletsel dat verdachte heeft veroorzaakt, was een operatie noodzakelijk. [slachtoffer 1] is in januari 2026 geopereerd. De genezingsduur is door de forensisch arts geschat op enkele maanden en het letsel geeft vrijwel zeker bewegingsbeperkingen van de schouder. [slachtoffer 1] heeft nog steeds klachten en inmiddels is een frozen shoulder ontwikkeld. Ze volgt revalidatiebehandelingen bij een fysiotherapeut. De rechtbank stelt vast dat het letsel tot permanente klachten en fysieke beperkingen heeft geleid. De rechtbank is van oordeel dat daarmee, gelet op de aard van het letsel, de noodzaak van operatief medisch ingrijpen en het uitblijven van volledig herstel, sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv:
het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 3 oktober 2025, pagina’s 122 tot en met 130;
het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 maart 2026, inhoudende de verklaring van verdachte;
een forensisch medische letselrapportage opgemaakt door forensisch arts Duijst, van 20 februari 2026, pagina’s 164 tot en met 186.
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feiten 1 en 2 sprake is van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De verschillende bewezen verklaarde gedragingen, die elkaar in de tijd opvolgen, hangen (ook met betrekking tot het 'wilsbesluit') zo nauw met elkaar samen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. De strekking van de desbetreffende strafbepalingen loopt slechts enigszins uiteen. Er is sprake geweest van één geweldsuitbarsting waarbinnen de bewezenverklaarde feiten, poging tot doodslag en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, hebben plaatsgevonden.
3.3.4.
Feit 3, bedreiging [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv:
het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] van 25 september 2025, pagina’s 345 tot en met 347;
het proces-verbaal van bevindingen dreigbrief fam. [slachtoffer 3] , pagina’s 352 tot en met 353;
het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 maart 2026, inhoudende de verklaring van verdachte.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1
hij op 23 september 2025 te [plaats 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, voornoemde [slachtoffer 1] met een mes meermalen in het bovenlichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
hij op 23 september 2025 te [plaats 2] , [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door:- met kracht de deur open te duwen, terwijl [slachtoffer 1] met haar lichaam tegen de deur gedrukt stond en- door [slachtoffer 1] aan het shirt naar achteren te trekken, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] ten val is gekomen,terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had, te weten een schouderluxatie van de rechterschouder en een scheur in de pees van de m. supraspinatus (spier op schouderkap);
feit 3
hij in de periode van 24 september 2025 tot en met 26 september 2025 te [plaats 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting,
door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , in een brief, de woorden toe te voegen:
"Hier is je ergste nachtmerrie!
Wij hebben geen vijanden
HA HA HA!
Mijn wraak zal zoet en heftig zijn
Brand is niet fijn hè
Wat ik in gedachten heb zal nog meer impact hebben
Wordt tijd om over te gaan naar zwaardere middelen
Jullie zijn nergens meer veilig!
[slachtoffer 3] niet bij zijn PGB klantjes
[slachtoffer 2] niet bij [naam] en of
Bij de huizen die bezocht worden
Zoon die in de Zwolse binnenstad woont
Of de jongste die studeert aan de Windeseheim
Ook een mooi doelwit
Keuze genoeg
Heb jullie al enkele keren gevolgd
En ik heb geduld.
Had jullie al toe kunnen slaan tijdens jullie vakantie
maar dat is te makkelijk
Het hoeft niet morgen of volgende maand.
Kan ook over enkele jaren
Ooit zijn jullie niet op jullie hoede
En die kans zal ik benutten
Groeten,
Je nachtmerrie".
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 tot en met 3 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 287, 300 en 285 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
De voortgezette handeling van:
feit 1
het misdrijf: poging tot doodslag;
en
feit 2
het misdrijf: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
feit 3
het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met brandstichting.
5De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van negen jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie vordert ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte op te leggen. Tot slot vordert de officier van justitie als vrijheidsbeperkende maatregelen de oplegging van een contactverbod met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en een locatieverbod voor de gemeenten [plaats 2] en [plaats 1] , voor de duur van vijf jaren, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis van twee weken wordt toegepast. De maatregelen dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt een gevangenisstraf op te leggen van 48 maanden of een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 16 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaren. De raadsman verzoekt geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, omdat dit niet door de gedragsonderzoekers is geadviseerd.
6.3
.3 De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van de strafbare feiten
Verdachte heeft zijn ex-partner en moeder van zijn kinderen [slachtoffer 1] in een razernij meerdere keren gestoken met een keukenmes. Daarna heeft hij [slachtoffer 1] mishandeld, waaraan zij zwaar lichamelijk letsel heeft overgehouden. Verdachte heeft excessief geweld gebruikt en hij viel [slachtoffer 1] aan in haar eigen woning, omdat zij hem de deur wees na een voor verdachte onwelgevallig gesprek. Verdachte kon de scheiding met [slachtoffer 1] niet verkroppen en accepteren en hij kon geen afscheid nemen van hun gezamenlijke leven. Hij heeft het leven van [slachtoffer 1] ernstig in gevaar gebracht, zijn aanval had evengoed fataal voor [slachtoffer 1] kunnen aflopen. [slachtoffer 1] heeft door deze geweldsuitbarsting ernstige verwondingen opgelopen, waar zij nog altijd klachten van heeft. Naast deze fysieke verwondingen, heeft verdachte ook veel psychisch leed veroorzaakt. Uit de door [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring volgt dat zij doodsbang is voor verdachte. [slachtoffer 1] begrijpt niet hoe verdachte na 26 jaar huwelijk, tot zoiets in staat is geweest. De daad van verdachte voelt voor [slachtoffer 1] als een straf, omdat ze na een lange tijd eindelijk voor zichzelf koos en van verdachte scheidde. [slachtoffer 1] is arbeidsongeschikt geraakt en is in het dagelijks leven nog erg bang. Het handelen van verdachte heeft een grote impact op het leven van [slachtoffer 1] en op het leven van hun kinderen en andere familieleden en vrienden. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan.
Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan de bedreiging van gemeenschappelijke vrienden van hem en [slachtoffer 1] . Verdachte heeft hen, op dezelfde dag van de geweldsuitbarsting naar [slachtoffer 1] , een dreigbrief gestuurd met niet mis te verstane woorden. Hij was boos op met name [slachtoffer 2] , omdat hij haar verweet dat zij een negatieve invloed had op [slachtoffer 1] tijdens hun huwelijksproblemen. Hij refereerde in de brief aan branden die daadwerkelijk bij de familie hebben plaatsgevonden en hij schuwde niet om de kinderen van de ontvangers als doelwitten te benoemen. De rechtbank vindt de inhoud van deze brief angstaanjagend. Pas in maart 2026, ruim vijf maanden later, heeft verdachte bekend dat hij de afzender van de brief was. Al die tijd zat de familie in onzekerheid over de afzender en wat er te gebeuren stond. Uit de door [slachtoffer 2] voorgedragen slachtofferverklaring volgt dat de brief hen diep heeft geraakt en veel impact heeft op hun leven. Ze voelen zich onveilig in hun eigen omgeving, zijn voortdurend op hun hoede en voelen zich beperkt in hun vrijheid.
Verdachte heeft ter zitting spijt betuigt aan [slachtoffer 1] , zijn kinderen en aan de familie [slachtoffer 3] . Hij is zich ervan bewust dat hij hen door zijn handelen veel verdriet heeft aangedaan. Zijn spijt komt de rechtbank oprecht over.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 28 april 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit, zodat dit niet van invloed is op de op te leggen straf.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van psychiater
N. van de Weg van 27 januari 2026 en de Pro Justitia rapportage van psycholoog
W.R. Swaak van 21 januari 2026 en hun aanvullende rapporten van 18 mei 2026. De deskundigen stellen vast dat er bij verdachte sprake is van een depressieve stoornis, kleptomanie, een gokverslaving en kwetsbaarheden in de persoonlijkheid. De depressieve klachten en de emotie- en impulsregulatieproblemen zijn van zodanige invloed geweest op het ten laste gelegde, dat verdachte verminderd in staat was om een goede afweging te kunnen maken. De deskundigen adviseren om de feiten in een licht verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over.
Zowel de psychiater als de psycholoog schatten de kans op herhaling van gewelddadig gedrag in als matig. Daarbij is meegewogen dat er sprake is geweest van meerdere delicten, gericht tegen meerdere personen en van enige gewelddadige opvattingen. Verdachte is geneigd zijn eigen belang voorop te stellen en heeft een beperkt empathisch vermogen.
De onderzoekers zien vanwege de aard van de psychische problematiek van verdachte en het matige recidiverisico geen indicatie voor een intensieve of klinische behandeling. Voor een terbeschikkingstelling (al dan niet onder voorwaarden) wordt geen aanleiding gezien, ondanks de ernst van het ten laste gelegde. De onderzoekers adviseren een ambulante behandeling aan verdachte op te leggen in het kader van bijzondere voorwaarden of in het kader van voorwaardelijke invrijheidsstelling. Verdachte is gemotiveerd voor de behandelingen en hij bleek in het verleden trouw in het nakomen van behandelafspraken.
Gevangenisstraf
Doodslag is naar zijn aard een misdrijf dat in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt. In deze zaak gaat het niet om een voltooide doodslag, maar om een poging tot doodslag. Het maximum van de hoofdstraf wordt bij poging met een derde verminderd. Het strafmaximum voor doodslag is per 1 juli 2023 verhoogd van 15 naar 25 jaar. In de Memorie van Toelichting van deze wetswijziging is te lezen dat een van de redenen om het strafmaximum te verhogen is geweest om zo het verschil tussen de straffen voor doodslag en moord te verkleinen, en dat dit ook is gelegen in de veranderde maatschappelijke opvatting over de strafwaardigheid van levensdelicten.
Verdachte heeft zich naast dit ernstige misdrijf ook schuldig gemaakt aan mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge - door de rechtbank aangemerkt als voortgezette handeling met de poging tot doodslag - en aan een ernstige bedreiging.
De rechtbank merkt enkele omstandigheden als strafverzwarend aan.
Verdachte heeft excessief geweld gebruikt tegen zijn ex-partner. Hij had eerder al uit frustratie waterschade in haar woning veroorzaakt tijdens haar nachtdienst. Hij kon de scheiding en het feit dat hij verder moest met zijn leven zonder haar, niet accepteren. Verdachte was obsessief met [slachtoffer 1] bezig. Zelfs de vriendin van [slachtoffer 1] heeft het moeten ontgelden, zij en haar gezin zijn ernstig bedreigd door verdachte. Dit alles maakt dat volgens de rechtbank sprake is geweest van onvoltooide femicide. Terecht is er in de samenleving steeds meer aandacht voor deze vorm van geweld. De noodzaak om een krachtig signaal af te geven aan zowel de maatschappij als aan andere potentiële daders, maakt dat de rechtbank het motief waarmee verdachte zijn ex-partner heeft neergestoken en heeft mishandeld als strafverzwarend zal meewegen. [slachtoffer 1] heeft net als iedere vrouw, net als ieder mens, het recht om zelfstandig beslissingen te nemen over haar eigen leven. Niemand heeft het recht om een ander daarop af te rekenen.
Strafverzwarende omstandigheden zijn daarnaast dat het geweld in haar eigen woning plaatsvond, de plek waar zij zich veilig moet voelen, dat verdachte het mes had meegenomen van huis, dat er sprake was van vol opzet en dat hij haar tegenhield toen zij na het steken wilde vluchten. Ook de mate van het toegepaste geweld, de ernst van het letsel en de gevolgen die [slachtoffer 1] daar vandaag nog van ondervindt, wegen strafverzwarend mee.
Tegelijkertijd moet in deze zaak worden meegewogen dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht, wat inhoudt dat verdachte minder dan de ‘normale’ medemens strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor wat hij heeft gedaan.
Bij een voltooide doodslag, zou de rechtbank, alle hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden in aanmerking genomen, voor de bewezenverklaarde feiten uitkomen op een gevangenisstraf in de bandbreedte van 15 tot 20 jaren. De rechtbank komt tot een lagere straf, omdat het een poging tot doodslag betreft en omdat de rechtbank de feiten licht verminderd aan verdachte toerekent.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Deze straf is hoger dan door de officier van justitie is gevorderd.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr
De rechtbank zal zoals gevorderd door de officier van justitie een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen. Er is voldaan aan de formele eisen die de wet stelt aan het opleggen van deze maatregel. De rechtbank acht het opleggen van deze maatregel namelijk aangewezen ter bescherming van de veiligheid van anderen en verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.
De rechtbank zal geen vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte opleggen in de vorm van een contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr. De maximale termijn van deze maatregelen betreft vijf jaar en aangezien de rechtbank een gevangenisstraf van 10 jaren oplegt, zal deze maatregel geen effect sorteren.
Op dit moment zijn er geen aanwijzingen dat verdachte ongewenst contact met de slachtoffers zoekt. Het opleggen van een contact- en locatieverbod is op een later moment mogelijk in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling en/of in het kader van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr.
7De schade van benadeelden
7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen
Vordering [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van in totaal € 47.230,36, bestaande uit vergoeding van materiële schade en van immateriële schade.
De gevorderde materiële schadevergoeding van in totaal € 9.730,36 bestaat uit de volgende posten:
- Medische kosten € 2.699,59;
- Ziekenhuisopname € 722,--;
- Reis- en parkeerkosten € 65,70;
- Huishoudelijke hulp € 3.500,50;
- Verlies zelfredzaamheid € 1.400,--;
- Overige materiële schade € 1.342,57;
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 37.500,-- gevorderd.
Vordering [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van in totaal € 2.435,--, bestaande uit vergoeding van materiële schade en van immateriële schade.
De gevorderde materiële schadevergoeding van € 1.935,-- bestaat uit kosten voor behandelingen bij de psycholoog. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 500,-- gevorderd.
De benadeelde partijen vorderen het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen toegewezen kunnen worden, inclusief wettelijke rente.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de gevorderde materiële schadevergoeding door [slachtoffer 1] niet betwist. De raadsman verzoekt het bedrag aan immateriële schade te verminderen tot € 10.000,--. De raadsman vordert [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering ten aanzien van het materiële deel en hij verzoekt de vordering ten aanzien van de immateriële schade te verminderen tot € 350,--.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Beoordeling van de vordering van [slachtoffer 1]
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en namens verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade van € 9.730,36 daarom volledig toe.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat [slachtoffer 1] ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de door verdachte gepleegde strafbare feiten, waaronder meerdere steekwonden in de borstkas, een miltbloeding, borstkasbloeding, ribfracturen en een peesscheur in de schouder met als gevolg schouder uit de kom. Zij ondervindt hier nog steeds klachten van. Daarnaast is er ook sprake van mentale klachten waarvoor [slachtoffer 1] is doorverwezen naar een psycholoog. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij bedragen uit de Rotterdamse schaal voor onder meer letsel aan de milt, middelzwaar schouderletsel en PTSS. De rechtbank is van oordeel dat vanwege de meervoudigheid van de lichamelijke letsels, de blijvende gevolgen van de letsels en mentale impact, de gevorderde vergoeding van € 37.500,-- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toe.
Het totaalbedrag dat verdachte ter vergoeding van de schade van [slachtoffer 1] dient te betalen bedraagt € 47.230,36.
Beoordeling van de vordering van [slachtoffer 2]
De vordering tot vergoeding van materiële schade is namens verdachte betwist. De rechtbank acht de vordering tot vergoeding van materiële schade, te weten kosten voor behandeling bij de psycholoog, voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder 3 bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade van € 1.935,-- daarom volledig toe.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer 2] door het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast. De rechtbank heeft al eerder overwogen dat zij de bedreiging angstaanjagend acht. Er wordt in de brief aan branden gerefereerd die daadwerkelijk bij de familie hebben plaatsgevonden, verdachte heeft de kinderen van de benadeelde als doelwitten aangemerkt en hij heeft pas in maart 2026 bekend dat hij de afzender van de brief was, terwijl de brief al op 23 september 2025 door hem verstuurd was. [slachtoffer 2] heeft ook voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt en deze gevolgen zijn niet namens verdachte betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 500,-- billijk is.
Het totaalbedrag dat verdachte ter vergoeding van de schade van [slachtoffer 2] dient te betalen bedraagt € 2.435,--.
Wettelijke rente en proceskosten
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente in het geval van [slachtoffer 1] toe vanaf 23 september 2025 en in het geval van [slachtoffer 2] vanaf 24 september 2025.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoedingen worden toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet is gebleken dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feiten is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld ten aanzien van [slachtoffer 1] met 215 dagen gijzeling en ten aanzien van [slachtoffer 2] 24 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichtingen niet op.
8De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de artikelen 36f, 38z, 45, 56, 285, 287, 300 Sr.
9De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
de voortgezette handeling van:
feit 1, het misdrijf: poging tot doodslag en
feit 2, het misdrijf: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
feit 3, het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met brandstichting;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr;
schadevergoedingen
feiten 1 en 2
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] volledig toe tot een bedrag van € 47.230,36 (zevenenveertigduizend tweehonderddertig euro en zesendertig eurocent), bestaande uit materiële schadevergoeding en immateriële schadevergoeding;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2025;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten 1 en 2 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 47.230,36 (zevenenveertigduizend tweehonderddertig euro en zesendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 215 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
feit 3
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] volledig toe tot een bedrag van € 2.435,-- (tweeduizend vierhonderdvijfendertig euro), bestaande uit materiële schadevergoeding en immateriële schadevergoeding;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 3 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.435,-- (tweeduizend vierhonderdvijfendertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 24 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
Buiten staat
Mr. Meijer is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer ON1R025067, onderzoeksnaam Koper. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
ECLI:NL:HR:2018:1051, NJ 2020/200
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummers: 08.250826.25, 08.065737.26 en 08.062593.26 (P)
Datum vonnis: 2 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats] ,
nu verblijvende in de P.I. [locatie] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 12 maart 2026 en 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. M.J. Jansma, advocaat in Kampen, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door [slachtoffer 1] (hierna [slachtoffer 1] ) en de door [slachtoffer 2] (hierna [slachtoffer 2] ) voorgedragen slachtofferverklaringen en van wat namens benadeelde partij [slachtoffer 1] door mr. V.P. Chandi is aangevoerd en van wat namens benadeelde partij [slachtoffer 2] door mr. Van den Brink is aangevoerd.
2De tenlastelegging
Voor de leesbaarheid van dit vonnis nummert de rechtbank de feiten als volgt:
het feit van de zaak met parketnummer 08.250826.25 als feit 1;
het feit van de zaak met parketnummer 08.065737.26 als feit 2;
het feit van de zaak met parketnummer 08.062593.26 als feit 3.
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 7 mei 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1 primair: heeft geprobeerd, al dan niet met voorbedachte raad, om zijn ex-partner [slachtoffer 1] te doden door haar met een mes te steken, subsidiair: haar zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, al dan niet met voorbedachte raad, door haar meermalen met een mes te steken, op 23 september 2025 in [plaats 2] ;
feit 2: zijn ex-partner [slachtoffer 1] heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel als gevolg op 23 september 2025 in [plaats 2] ;
feit 3:
[slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en/of familie [slachtoffer 3] door middel van een dreigbrief heeft bedreigd op 24 september 2025 in [plaats 1] .
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1:
hij op of omstreeks 23 september 2025 te [plaats 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, voornoemde [slachtoffer 1] met een mes meermalen in het bovenlichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 23 september 2025 te [plaats 2] , aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] voornoemd meermalen met een mes in het bovenlichaam te steken en/of te snijden;
feit 2:
hij op of omstreeks 23 september 2025 te [plaats 2] [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door:- met kracht tegen de deur te trappen en/of te beuken en/of te slaan, althans met kracht de deur open te duwen, terwijl die [slachtoffer 1] met de arm en/of schouder en/of lichaam tegen de deur gedrukt stond en/of- door die [slachtoffer 1] aan de haren en/of het shirt naar achteren te trekken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen,terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had, te weten een schouderluxatie van de rechterschouder en/of een scheur in de pees van de m. supraspinatus (spier op schouderkap);
feit 3:
hij in of omstreeks de periode van 24 september 2025 tot en met 26 september 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland, [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] , althans de familie [slachtoffer 3] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting,
door die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] , althans de familie [slachtoffer 3] , in een brief, althans schriftelijk de woorden toe te voegen:
"Hier is je ergste nachtmerrie!
Wij hebben geen vijanden
HA HA HA!
Mijn wraak zal zoet en heftig zijn
Brand is niet fijn hè
Wat ik in gedachten heb zal nog meer impact hebben
Wordt tijd om over te gaan naar zwaardere middelen
Jullie zijn nergens meer veilig!
[slachtoffer 3] niet bij zijn PGB klantjes
[slachtoffer 2] niet bij [naam] en of
Bij de huizen die bezocht worden
Zoon die in de Zwolse binnenstad woont
Of de jongste die studeert aan de Windeseheim
Ook een mooi doelwit
Keuze genoeg
Heb jullie al enkele keren gevolgd
En ik heb geduld.
Had jullie al toe kunnen slaan tijdens jullie vakantie
maar dat is te makkelijk
Het hoeft niet morgen of volgende maand.
Kan ook over enkele jaren
Ooit zijn jullie niet op jullie hoede
En die kans zal ik benutten
Groeten,
Je nachtmerrie",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
3De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder 1 ten laste gelegde, poging tot moord, niet kan worden bewezen, omdat er onvoldoende bewijs is dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Poging tot doodslag kan volgens de officier van justitie wel wettig en overtuigend worden bewezen. De officier van justitie stelt zich verder op het standpunt dat het onder 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit vrijspraak van de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de poging tot doodslag. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, met uitzondering van het onderdeel zwaar lichamelijk letsel en hij refereert zich ook ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en van wat ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte was 26 jaar getrouwd met [slachtoffer 1] . Zij hebben samen twee kinderen en woonden in [plaats 2] . In januari 2025 zijn verdachte en [slachtoffer 1] officieel gescheiden. [slachtoffer 1] heeft toen haar intrek genomen in een andere woning in [plaats 2] .
In september 2025 ontstond er tussen hen een discussie over de betaling van zorgkosten. Verdachte reed op 23 september 2025 naar de woning van [slachtoffer 1] in [plaats 2] . Hij kwam daar rond 20.30 uur aan. Verdachte belde aan bij haar woning en toen [slachtoffer 1] de deur opende, liep hij gelijk bij haar naar binnen. Verdachte was boos en begon over zorgkosten die hij had gemaakt en waarvan hij vond dat [slachtoffer 1] daaraan moest bijdragen. [slachtoffer 1] wilde het gesprek niet verder voeren en zei dat het haar beter leek dat verdachte zou vertrekken. [slachtoffer 1] liep met verdachte richting de voordeur. Verdachte maakte aanstalten om naar buiten te lopen en schold [slachtoffer 1] uit. [slachtoffer 1] opende de voordeur. Verdachte bleef bij de drempel staan. Verdachte draaide zich naar [slachtoffer 1] om en pakte uit zijn jas een keukenmes. Dit keukenmes had hij van huis meegenomen. Verdachte stak [slachtoffer 1] direct met zijn mes. Hij stak haar tenminste acht keer in haar bovenlichaam. Hij stak haar in haar borst, in haar flank en in haar armen. Verdachte zei daarbij “Ik vermoord je, ik maak je hartstikke dood". [slachtoffer 1] schreeuwde hard om hulp. Ze wilde verdachte uit haar woning hebben en drukte de tussendeur dicht, maar verdachte duwde deze hard open. [slachtoffer 1] viel daardoor en haar schouder schoot uit de kom. Daarna wilde [slachtoffer 1] naar buiten vluchten, maar verdachte trok haar aan haar shirt naar achteren, waardoor haar shirt kapot scheurde en zij opnieuw viel. Verdachte liep vervolgens de woonkamer in, terwijl [slachtoffer 1] gewond op de vloer lag. De buren waren op het geschreeuw afgekomen en schoten [slachtoffer 1] te hulp. [slachtoffer 1] werd naar het ziekenhuis overgebracht en heeft de steekverwondingen overleefd. In het ziekenhuis bleek [slachtoffer 1] onder andere perforerende verwondingen van de borstkas te hebben, een klaplong, een ontsteking van het hartzakje, een bloeding van de milt, bloed in de buikholte en gebroken ribben. Daarnaast was haar schouder uit de kom en is een pees in de schouderkap afgescheurd.
Op 24 september 2025 omstreeks 17:45 uur ontving [slachtoffer 3] per post een dreigbrief op zijn adres in [plaats 1] . De brief was gericht aan de familie [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] waren gemeenschappelijke vrienden van [slachtoffer 1] en verdachte. Verdachte heeft in maart 2026 bekend dat hij de afzender is van de brief. Verdachte schreef de brief op dezelfde dag als het steekincident in een boze bui, omdat hij vond dat [slachtoffer 2] een negatieve invloed had op zijn voormalige huwelijk en de scheiding.
3.3.2.
Feit 1, poging tot moord dan wel poging tot doodslag op [slachtoffer 1]
Overwegingen van de rechtbank
Geen voorbedachte raad
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad. Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap kon geven. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat sprake was van een vooropgezet plan van verdachte om [slachtoffer 1] te doden.
Weliswaar bestaan er aanwijzingen voor het bestaan van zo’n plan. Zo heeft verdachte vanuit zijn woning een mes meegenomen en heeft hij tijdens de autorit naar de woning van [slachtoffer 1] de gelegenheid gehad om hierover na te denken. Hij heeft het mes vervolgens meegenomen naar de woning van [slachtoffer 1] . Daarnaast zei verdachte tijdens het steken “Ik vermoord je, ik maak je hartstikke dood". De rechtbank ziet echter ook omstandigheden waarin aanwijzingen kunnen worden gevonden dat verdachte handelde in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte heeft het mes niet direct gebruikt. Er heeft eerst een gesprek tussen verdachte en [slachtoffer 1] plaatsgevonden. Daarna maakte verdachte aanstalten om de woning te verlaten, hij liep naar de voordeur. Verdachte schold [slachtoffer 1] uit en toen [slachtoffer 1] daarop zei dat hij weg moest gaan, sloegen, zo verklaart hij, alle stoppen bij hem door. Op dat moment pakte hij zijn mes en stak hij haar daar direct een aantal keer mee.
Deze contra-indicaties zijn van zodanig gewicht dat naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden uitgesloten dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dit betekent dat verdachte zal worden vrijgesproken van poging tot moord.
Opzet
Verdachte heeft [slachtoffer 1] in een razernij acht keer met een keukenmes in haar bovenlichaam gestoken. Hij zei daarbij “Ik vermoord je, ik maak je hartstikke dood". Verdachte stond tijdens het steken op korte afstand van [slachtoffer 1] en het lemmet van het mes bedroeg bijna twintig centimeter. Hij raakte [slachtoffer 1] onder andere in haar borst en in haar flank. Bij een perforatie van de flank en de borst kunnen zowel organen in de borstkas als in de buik beschadigd raken met mogelijk levensgevaarlijk letsel ten gevolg. Deze gedraging van verdachte is zozeer gericht geweest op het dodelijk verwonden van [slachtoffer 1] , dat dit naar het oordeel van de rechtbank vol opzet op de dood oplevert. Het steken van [slachtoffer 1] op de wijze waarop de verdachte dat gedaan heeft, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood, dat het niet anders kan dan dat verdachte op dat moment [slachtoffer 1] heeft willen doden.
De rechtbank acht poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv):
het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 3 oktober 2025, pagina’s 122 tot en met 130;
het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 maart 2026, inhoudende de verklaring van verdachte;
een forensisch medische letselrapportage opgemaakt door forensisch arts Duijst, van 20 februari 2026, pagina’s 164 tot en met 186;
een rapport veiligstellen van vezelsporen van het mes van 31 oktober 2025, pagina 191.
3.3.3.
Feit 2, mishandeling [slachtoffer 1]
Verdachte heeft [slachtoffer 1] na het steken mishandeld door met kracht de deur open te duwen, terwijl [slachtoffer 1] met haar lichaam tegen de deur gedrukt stond, en door haar aan het shirt te trekken. Hierdoor is [slachtoffer 1] twee keer gevallen. Haar rechterschouder is uit de kom geraakt en er is een pees in de schouderkap afgescheurd.
De Hoge Raad benoemt in het overzichtsarrest van 3 juli 2018 drie algemene gezichtspunten die van belang zijn voor de waardering van zwaar lichamelijk letsel: de aard van het letsel, eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en uitzicht op (volledig) herstel. Voor het schouderletsel dat verdachte heeft veroorzaakt, was een operatie noodzakelijk. [slachtoffer 1] is in januari 2026 geopereerd. De genezingsduur is door de forensisch arts geschat op enkele maanden en het letsel geeft vrijwel zeker bewegingsbeperkingen van de schouder. [slachtoffer 1] heeft nog steeds klachten en inmiddels is een frozen shoulder ontwikkeld. Ze volgt revalidatiebehandelingen bij een fysiotherapeut. De rechtbank stelt vast dat het letsel tot permanente klachten en fysieke beperkingen heeft geleid. De rechtbank is van oordeel dat daarmee, gelet op de aard van het letsel, de noodzaak van operatief medisch ingrijpen en het uitblijven van volledig herstel, sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv:
het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 3 oktober 2025, pagina’s 122 tot en met 130;
het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 maart 2026, inhoudende de verklaring van verdachte;
een forensisch medische letselrapportage opgemaakt door forensisch arts Duijst, van 20 februari 2026, pagina’s 164 tot en met 186.
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feiten 1 en 2 sprake is van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De verschillende bewezen verklaarde gedragingen, die elkaar in de tijd opvolgen, hangen (ook met betrekking tot het 'wilsbesluit') zo nauw met elkaar samen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. De strekking van de desbetreffende strafbepalingen loopt slechts enigszins uiteen. Er is sprake geweest van één geweldsuitbarsting waarbinnen de bewezenverklaarde feiten, poging tot doodslag en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, hebben plaatsgevonden.
3.3.4.
Feit 3, bedreiging [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv:
het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] van 25 september 2025, pagina’s 345 tot en met 347;
het proces-verbaal van bevindingen dreigbrief fam. [slachtoffer 3] , pagina’s 352 tot en met 353;
het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 maart 2026, inhoudende de verklaring van verdachte.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1
hij op 23 september 2025 te [plaats 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, voornoemde [slachtoffer 1] met een mes meermalen in het bovenlichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
hij op 23 september 2025 te [plaats 2] , [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door:- met kracht de deur open te duwen, terwijl [slachtoffer 1] met haar lichaam tegen de deur gedrukt stond en- door [slachtoffer 1] aan het shirt naar achteren te trekken, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] ten val is gekomen,terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had, te weten een schouderluxatie van de rechterschouder en een scheur in de pees van de m. supraspinatus (spier op schouderkap);
feit 3
hij in de periode van 24 september 2025 tot en met 26 september 2025 te [plaats 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting,
door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , in een brief, de woorden toe te voegen:
"Hier is je ergste nachtmerrie!
Wij hebben geen vijanden
HA HA HA!
Mijn wraak zal zoet en heftig zijn
Brand is niet fijn hè
Wat ik in gedachten heb zal nog meer impact hebben
Wordt tijd om over te gaan naar zwaardere middelen
Jullie zijn nergens meer veilig!
[slachtoffer 3] niet bij zijn PGB klantjes
[slachtoffer 2] niet bij [naam] en of
Bij de huizen die bezocht worden
Zoon die in de Zwolse binnenstad woont
Of de jongste die studeert aan de Windeseheim
Ook een mooi doelwit
Keuze genoeg
Heb jullie al enkele keren gevolgd
En ik heb geduld.
Had jullie al toe kunnen slaan tijdens jullie vakantie
maar dat is te makkelijk
Het hoeft niet morgen of volgende maand.
Kan ook over enkele jaren
Ooit zijn jullie niet op jullie hoede
En die kans zal ik benutten
Groeten,
Je nachtmerrie".
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 tot en met 3 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 287, 300 en 285 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
De voortgezette handeling van:
feit 1
het misdrijf: poging tot doodslag;
en
feit 2
het misdrijf: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
feit 3
het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met brandstichting.
5De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van negen jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie vordert ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte op te leggen. Tot slot vordert de officier van justitie als vrijheidsbeperkende maatregelen de oplegging van een contactverbod met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en een locatieverbod voor de gemeenten [plaats 2] en [plaats 1] , voor de duur van vijf jaren, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis van twee weken wordt toegepast. De maatregelen dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt een gevangenisstraf op te leggen van 48 maanden of een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 16 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaren. De raadsman verzoekt geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, omdat dit niet door de gedragsonderzoekers is geadviseerd.
6.3
.3 De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van de strafbare feiten
Verdachte heeft zijn ex-partner en moeder van zijn kinderen [slachtoffer 1] in een razernij meerdere keren gestoken met een keukenmes. Daarna heeft hij [slachtoffer 1] mishandeld, waaraan zij zwaar lichamelijk letsel heeft overgehouden. Verdachte heeft excessief geweld gebruikt en hij viel [slachtoffer 1] aan in haar eigen woning, omdat zij hem de deur wees na een voor verdachte onwelgevallig gesprek. Verdachte kon de scheiding met [slachtoffer 1] niet verkroppen en accepteren en hij kon geen afscheid nemen van hun gezamenlijke leven. Hij heeft het leven van [slachtoffer 1] ernstig in gevaar gebracht, zijn aanval had evengoed fataal voor [slachtoffer 1] kunnen aflopen. [slachtoffer 1] heeft door deze geweldsuitbarsting ernstige verwondingen opgelopen, waar zij nog altijd klachten van heeft. Naast deze fysieke verwondingen, heeft verdachte ook veel psychisch leed veroorzaakt. Uit de door [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring volgt dat zij doodsbang is voor verdachte. [slachtoffer 1] begrijpt niet hoe verdachte na 26 jaar huwelijk, tot zoiets in staat is geweest. De daad van verdachte voelt voor [slachtoffer 1] als een straf, omdat ze na een lange tijd eindelijk voor zichzelf koos en van verdachte scheidde. [slachtoffer 1] is arbeidsongeschikt geraakt en is in het dagelijks leven nog erg bang. Het handelen van verdachte heeft een grote impact op het leven van [slachtoffer 1] en op het leven van hun kinderen en andere familieleden en vrienden. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan.
Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan de bedreiging van gemeenschappelijke vrienden van hem en [slachtoffer 1] . Verdachte heeft hen, op dezelfde dag van de geweldsuitbarsting naar [slachtoffer 1] , een dreigbrief gestuurd met niet mis te verstane woorden. Hij was boos op met name [slachtoffer 2] , omdat hij haar verweet dat zij een negatieve invloed had op [slachtoffer 1] tijdens hun huwelijksproblemen. Hij refereerde in de brief aan branden die daadwerkelijk bij de familie hebben plaatsgevonden en hij schuwde niet om de kinderen van de ontvangers als doelwitten te benoemen. De rechtbank vindt de inhoud van deze brief angstaanjagend. Pas in maart 2026, ruim vijf maanden later, heeft verdachte bekend dat hij de afzender van de brief was. Al die tijd zat de familie in onzekerheid over de afzender en wat er te gebeuren stond. Uit de door [slachtoffer 2] voorgedragen slachtofferverklaring volgt dat de brief hen diep heeft geraakt en veel impact heeft op hun leven. Ze voelen zich onveilig in hun eigen omgeving, zijn voortdurend op hun hoede en voelen zich beperkt in hun vrijheid.
Verdachte heeft ter zitting spijt betuigt aan [slachtoffer 1] , zijn kinderen en aan de familie [slachtoffer 3] . Hij is zich ervan bewust dat hij hen door zijn handelen veel verdriet heeft aangedaan. Zijn spijt komt de rechtbank oprecht over.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 28 april 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit, zodat dit niet van invloed is op de op te leggen straf.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van psychiater
N. van de Weg van 27 januari 2026 en de Pro Justitia rapportage van psycholoog
W.R. Swaak van 21 januari 2026 en hun aanvullende rapporten van 18 mei 2026. De deskundigen stellen vast dat er bij verdachte sprake is van een depressieve stoornis, kleptomanie, een gokverslaving en kwetsbaarheden in de persoonlijkheid. De depressieve klachten en de emotie- en impulsregulatieproblemen zijn van zodanige invloed geweest op het ten laste gelegde, dat verdachte verminderd in staat was om een goede afweging te kunnen maken. De deskundigen adviseren om de feiten in een licht verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over.
Zowel de psychiater als de psycholoog schatten de kans op herhaling van gewelddadig gedrag in als matig. Daarbij is meegewogen dat er sprake is geweest van meerdere delicten, gericht tegen meerdere personen en van enige gewelddadige opvattingen. Verdachte is geneigd zijn eigen belang voorop te stellen en heeft een beperkt empathisch vermogen.
De onderzoekers zien vanwege de aard van de psychische problematiek van verdachte en het matige recidiverisico geen indicatie voor een intensieve of klinische behandeling. Voor een terbeschikkingstelling (al dan niet onder voorwaarden) wordt geen aanleiding gezien, ondanks de ernst van het ten laste gelegde. De onderzoekers adviseren een ambulante behandeling aan verdachte op te leggen in het kader van bijzondere voorwaarden of in het kader van voorwaardelijke invrijheidsstelling. Verdachte is gemotiveerd voor de behandelingen en hij bleek in het verleden trouw in het nakomen van behandelafspraken.
Gevangenisstraf
Doodslag is naar zijn aard een misdrijf dat in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt. In deze zaak gaat het niet om een voltooide doodslag, maar om een poging tot doodslag. Het maximum van de hoofdstraf wordt bij poging met een derde verminderd. Het strafmaximum voor doodslag is per 1 juli 2023 verhoogd van 15 naar 25 jaar. In de Memorie van Toelichting van deze wetswijziging is te lezen dat een van de redenen om het strafmaximum te verhogen is geweest om zo het verschil tussen de straffen voor doodslag en moord te verkleinen, en dat dit ook is gelegen in de veranderde maatschappelijke opvatting over de strafwaardigheid van levensdelicten.
Verdachte heeft zich naast dit ernstige misdrijf ook schuldig gemaakt aan mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge - door de rechtbank aangemerkt als voortgezette handeling met de poging tot doodslag - en aan een ernstige bedreiging.
De rechtbank merkt enkele omstandigheden als strafverzwarend aan.
Verdachte heeft excessief geweld gebruikt tegen zijn ex-partner. Hij had eerder al uit frustratie waterschade in haar woning veroorzaakt tijdens haar nachtdienst. Hij kon de scheiding en het feit dat hij verder moest met zijn leven zonder haar, niet accepteren. Verdachte was obsessief met [slachtoffer 1] bezig. Zelfs de vriendin van [slachtoffer 1] heeft het moeten ontgelden, zij en haar gezin zijn ernstig bedreigd door verdachte. Dit alles maakt dat volgens de rechtbank sprake is geweest van onvoltooide femicide. Terecht is er in de samenleving steeds meer aandacht voor deze vorm van geweld. De noodzaak om een krachtig signaal af te geven aan zowel de maatschappij als aan andere potentiële daders, maakt dat de rechtbank het motief waarmee verdachte zijn ex-partner heeft neergestoken en heeft mishandeld als strafverzwarend zal meewegen. [slachtoffer 1] heeft net als iedere vrouw, net als ieder mens, het recht om zelfstandig beslissingen te nemen over haar eigen leven. Niemand heeft het recht om een ander daarop af te rekenen.
Strafverzwarende omstandigheden zijn daarnaast dat het geweld in haar eigen woning plaatsvond, de plek waar zij zich veilig moet voelen, dat verdachte het mes had meegenomen van huis, dat er sprake was van vol opzet en dat hij haar tegenhield toen zij na het steken wilde vluchten. Ook de mate van het toegepaste geweld, de ernst van het letsel en de gevolgen die [slachtoffer 1] daar vandaag nog van ondervindt, wegen strafverzwarend mee.
Tegelijkertijd moet in deze zaak worden meegewogen dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht, wat inhoudt dat verdachte minder dan de ‘normale’ medemens strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor wat hij heeft gedaan.
Bij een voltooide doodslag, zou de rechtbank, alle hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden in aanmerking genomen, voor de bewezenverklaarde feiten uitkomen op een gevangenisstraf in de bandbreedte van 15 tot 20 jaren. De rechtbank komt tot een lagere straf, omdat het een poging tot doodslag betreft en omdat de rechtbank de feiten licht verminderd aan verdachte toerekent.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Deze straf is hoger dan door de officier van justitie is gevorderd.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr
De rechtbank zal zoals gevorderd door de officier van justitie een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen. Er is voldaan aan de formele eisen die de wet stelt aan het opleggen van deze maatregel. De rechtbank acht het opleggen van deze maatregel namelijk aangewezen ter bescherming van de veiligheid van anderen en verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.
De rechtbank zal geen vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte opleggen in de vorm van een contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr. De maximale termijn van deze maatregelen betreft vijf jaar en aangezien de rechtbank een gevangenisstraf van 10 jaren oplegt, zal deze maatregel geen effect sorteren.
Op dit moment zijn er geen aanwijzingen dat verdachte ongewenst contact met de slachtoffers zoekt. Het opleggen van een contact- en locatieverbod is op een later moment mogelijk in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling en/of in het kader van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr.
7De schade van benadeelden
7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen
Vordering [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van in totaal € 47.230,36, bestaande uit vergoeding van materiële schade en van immateriële schade.
De gevorderde materiële schadevergoeding van in totaal € 9.730,36 bestaat uit de volgende posten:
- Medische kosten € 2.699,59;
- Ziekenhuisopname € 722,--;
- Reis- en parkeerkosten € 65,70;
- Huishoudelijke hulp € 3.500,50;
- Verlies zelfredzaamheid € 1.400,--;
- Overige materiële schade € 1.342,57;
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 37.500,-- gevorderd.
Vordering [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van in totaal € 2.435,--, bestaande uit vergoeding van materiële schade en van immateriële schade.
De gevorderde materiële schadevergoeding van € 1.935,-- bestaat uit kosten voor behandelingen bij de psycholoog. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 500,-- gevorderd.
De benadeelde partijen vorderen het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen toegewezen kunnen worden, inclusief wettelijke rente.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de gevorderde materiële schadevergoeding door [slachtoffer 1] niet betwist. De raadsman verzoekt het bedrag aan immateriële schade te verminderen tot € 10.000,--. De raadsman vordert [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering ten aanzien van het materiële deel en hij verzoekt de vordering ten aanzien van de immateriële schade te verminderen tot € 350,--.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Beoordeling van de vordering van [slachtoffer 1]
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en namens verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade van € 9.730,36 daarom volledig toe.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat [slachtoffer 1] ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de door verdachte gepleegde strafbare feiten, waaronder meerdere steekwonden in de borstkas, een miltbloeding, borstkasbloeding, ribfracturen en een peesscheur in de schouder met als gevolg schouder uit de kom. Zij ondervindt hier nog steeds klachten van. Daarnaast is er ook sprake van mentale klachten waarvoor [slachtoffer 1] is doorverwezen naar een psycholoog. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij bedragen uit de Rotterdamse schaal voor onder meer letsel aan de milt, middelzwaar schouderletsel en PTSS. De rechtbank is van oordeel dat vanwege de meervoudigheid van de lichamelijke letsels, de blijvende gevolgen van de letsels en mentale impact, de gevorderde vergoeding van € 37.500,-- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toe.
Het totaalbedrag dat verdachte ter vergoeding van de schade van [slachtoffer 1] dient te betalen bedraagt € 47.230,36.
Beoordeling van de vordering van [slachtoffer 2]
De vordering tot vergoeding van materiële schade is namens verdachte betwist. De rechtbank acht de vordering tot vergoeding van materiële schade, te weten kosten voor behandeling bij de psycholoog, voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder 3 bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade van € 1.935,-- daarom volledig toe.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer 2] door het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast. De rechtbank heeft al eerder overwogen dat zij de bedreiging angstaanjagend acht. Er wordt in de brief aan branden gerefereerd die daadwerkelijk bij de familie hebben plaatsgevonden, verdachte heeft de kinderen van de benadeelde als doelwitten aangemerkt en hij heeft pas in maart 2026 bekend dat hij de afzender van de brief was, terwijl de brief al op 23 september 2025 door hem verstuurd was. [slachtoffer 2] heeft ook voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt en deze gevolgen zijn niet namens verdachte betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 500,-- billijk is.
Het totaalbedrag dat verdachte ter vergoeding van de schade van [slachtoffer 2] dient te betalen bedraagt € 2.435,--.
Wettelijke rente en proceskosten
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente in het geval van [slachtoffer 1] toe vanaf 23 september 2025 en in het geval van [slachtoffer 2] vanaf 24 september 2025.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoedingen worden toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet is gebleken dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feiten is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld ten aanzien van [slachtoffer 1] met 215 dagen gijzeling en ten aanzien van [slachtoffer 2] 24 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichtingen niet op.
8De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de artikelen 36f, 38z, 45, 56, 285, 287, 300 Sr.
9De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
de voortgezette handeling van:
feit 1, het misdrijf: poging tot doodslag en
feit 2, het misdrijf: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
feit 3, het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met brandstichting;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr;
schadevergoedingen
feiten 1 en 2
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] volledig toe tot een bedrag van € 47.230,36 (zevenenveertigduizend tweehonderddertig euro en zesendertig eurocent), bestaande uit materiële schadevergoeding en immateriële schadevergoeding;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2025;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten 1 en 2 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 47.230,36 (zevenenveertigduizend tweehonderddertig euro en zesendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 215 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
feit 3
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] volledig toe tot een bedrag van € 2.435,-- (tweeduizend vierhonderdvijfendertig euro), bestaande uit materiële schadevergoeding en immateriële schadevergoeding;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 3 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.435,-- (tweeduizend vierhonderdvijfendertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 24 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
Buiten staat
Mr. Meijer is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer ON1R025067, onderzoeksnaam Koper. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
ECLI:NL:HR:2018:1051, NJ 2020/200