Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:3333

2026-06-09 Civiel recht 11790949 \ CV EXPL 25-2100
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-06-09
Publicatiedatum
2026-06-15
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11790949 \ CV EXPL 25-2100
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eiser vordert betaling van een factuur van € 1.270,50 welke eiser aan gedaagde heeft verstuurd in verband met een dienstverlening aan het voertuig van gedaagde. Gedaagde voert gemotiveerd verweer tegen de vordering. Hij stelt dat hij reeds een bedrag van € 945,- van de factuur heeft voldaan. De kantonrechter veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen een bedrag van € 325,50.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.717 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Zwolle



Zaaknummer: 11790949 \ CV EXPL 25-2100




Vonnis van 9 juni 2026




in de zaak van





[eiser] H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: Precise and Wise Juristen,



tegen





[gedaagde] H.O.D.N. [bedrijf 2],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 8 april 2026.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2Het geschil


2.1.

[eiser] vordert - samengevat – betaling van een factuur welke [eiser] aan [gedaagde] heeft verstuurd in verband met een dienstverlening aan het voertuig van [gedaagde]. De werkzaamheden betroffen onder andere het polijsten en interieurreiniging van de auto. Voor deze werkzaamheden is op 21 maart 2025 een factuur uitgebracht met een totaalbedrag van € 1.270,50.



2.2.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer tegen de vordering. Hij stelt dat hij reeds een bedrag van € 945,- van de factuur heeft voldaan. Ten aanzien van het resterende openstaande bedrag heeft [gedaagde] expliciet aangegeven dit niet te zullen betalen. Daaraan legt hij ten grondslag dat er tijdens of als gevolg van de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden schade is ontstaan aan zijn auto. Volgens [gedaagde] dient deze schade aan [eiser] te worden toegerekend en rechtvaardigt dit dat hij de betaling van het restantbedrag opschort, dan wel weigert.



2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





3De beoordeling


3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat tussen hen op of omstreeks 22 maart 2025 een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [eiser] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht aan het voertuig van [gedaagde] met kenteken [kenteken]. Uit de stellingen van partijen volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden overeenstemming is bereikt over zowel de aard van de werkzaamheden als de daarvoor verschuldigde vergoeding. De werkzaamheden bestonden uit een uitgebreide behandeling van het voertuig, waaronder het aanbrengen van een keramische coating, interieurreiniging, een polijstbehandeling en het coaten van de velgen en ramen. Tevens staat vast dat gedurende de uitvoering aanvullende werkzaamheden zijn besproken en dat [gedaagde] ook met het meerwerk akkoord is gegaan.



3.2.
De kantonrechter stelt vast dat aldus sprake is van een overeenkomst die door aanbod en aanvaarding tot stand is gekomen als bedoeld in artikel 6:217 BW. Op grond van deze overeenkomst rustte op [eiser] de verplichting de overeengekomen werkzaamheden naar behoren uit te voeren en op [gedaagde] de verplichting de daarvoor overeengekomen prijs te voldoen. Dat [eiser] de werkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd en dat [gedaagde] het voertuig na afloop heeft laten ophalen, is eveneens niet in geschil. Evenmin is in geschil dat [eiser] ter zake van de verrichte werkzaamheden een factuur van € 1.270,50 inclusief btw aan [gedaagde] heeft verzonden.


3.3.

[gedaagde] beroept zich op schade aan het voertuig de tijdens de werkzaamheden door [eiser] zijn ontstaan. De kantonrechter stelt voorop dat het aan [gedaagde] is om voldoende te onderbouwen dat deze schade door [eiser] is veroorzaakt en dat hij daarom bevoegd was betaling van een deel van de factuur op te schorten of te verrekenen.


3.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] die stelling onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft gemotiveerd aangevoerd dat voorafgaand aan de werkzaamheden reeds deukjes zichtbaar waren nadat het voertuig was gewassen en dat hiervan foto’s zijn gemaakt en aan [gedaagde] zijn toegezonden. [gedaagde] heeft erkend dat [eiser] hem tijdens de werkzaamheden telefonisch heeft benaderd over aanwezige deuken en dat hij toen heeft aangegeven dat [eiser] met de werkzaamheden kon doorgaan.


3.5.
Daar komt bij dat de auto op 22 maart 2025 is opgehaald door de broer van [gedaagde] zonder dat op dat moment klachten zijn geuit over schade. Dat [gedaagde] de deukjes pas later heeft opgemerkt, maakt niet dat daarmee vaststaat dat de schade door [eiser] is veroorzaakt.


3.6.
Het door [eiser] gedane aanbod om de deukjes kosteloos te laten herstellen moet worden gezien als een coulancevoorstel en niet als een erkenning van aansprakelijkheid. Dat aanbod heeft bovendien niet geleid tot een concrete overeenkomst tot herstel, omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een datum en verdere uitvoering.


3.7.
De door [gedaagde] genoemde offerte van een schadehersteller vormt zonder nadere onderbouwing evenmin bewijs dat [eiser] aansprakelijk is voor de gestelde schade.


3.8.
Nu onvoldoende is komen vast te staan dat [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, kan niet worden geoordeeld dat [gedaagde] bevoegd was om een gedeelte van de factuur onbetaald te laten. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [gedaagde] zijn stelling dat de deukjes tijdens de werkzaamheden door toedoen van [eiser] zijn ontstaan onvoldoende met gegevens heeft onderbouwd. De enkele verwijzing naar een offerte van een schadehersteller en de eigen overtuiging van [gedaagde] dat de schade tijdens de werkzaamheden moet zijn ontstaan, is daarvoor onvoldoende. Daar staat tegenover dat [eiser] gemotiveerd heeft betwist dat de schade door hem is veroorzaakt en heeft toegelicht dat tijdens de werkzaamheden al melding is gemaakt van de aanwezige deukjes.



3.9.
Daarnaast acht de kantonrechter van belang dat [gedaagde], ondanks zijn klachten over de vermeende schade, het voertuig heeft laten ophalen en vervolgens een aanzienlijk deel van de factuur heeft voldaan. Hiermee heeft [gedaagde] impliciet erkend dat de overeengekomen werkzaamheden in beginsel zijn uitgevoerd en dat daarvoor betalingsverplichtingen bestaan. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld zich te beroepen op opschorting of verrekening, slaagt dat beroep reeds daarom niet dat een voldoende vaststaande tegenvordering ontbreekt. Van een rechtsgeldige grond om betaling van het restant van de factuur achterwege te laten is dan ook niet gebleken.



3.10.
Gelet hierop is [gedaagde] gehouden de uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichting alsnog na te komen. De vordering van [eiser] tot betaling van het openstaande bedrag van € 325,50 zal dan ook worden toegewezen.



Buitengerechtelijke incassokosten





3.11.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 48,83 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.



De proceskosten





3.12.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


123,73







- griffierecht


€


90,00







- salaris gemachtigde


€


174,00


(2 punten × € 87,00)




- nakosten


€


43,50







Totaal


€


431,23









4. De beslissing



De kantonrechter




4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 325,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,



4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 48,83 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,



4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 431,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026. (jb)