Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:3326
2026-06-03
Civiel recht
C/08/347415 / HA ZA 26-149
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vordering nakoming koopovereenkomst camper. Betaling van geldsom. BIk en beslagkosten.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.370 tekens)
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/347415 / HA ZA 26-149
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser]
advocaat: mr. J.I. Veldhuis-Lampe,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De beoordeling
2.1
[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
2.2
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 1.560,90 worden toegewezen.
2.3
[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 551,77 voor kosten deurwaardersexploten, € 341,00 voor griffierecht en € 1.290,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 1.290,00), totaal € 2.182,77.
2.4
[eiser] maakt aanspraak op de wettelijke rente over haar vordering. De gevorderde wettelijke rente is echter niet toewijsbaar vanaf de door [eiser] gevorderde datum.
2.4.1
[eiser] vordert de wettelijke rente over haar vordering van € 51.500,00 vanaf 28 februari 2026. Die datum is echter de laatste dag waarop [gedaagde] volgens [eiser] volgens de overeenkomst nog kan betalen en is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als fatale termijn in de zin van art. 6:83 sub a van het burgerlijk wetboek. De wettelijke rente is dus per 28 februari 2026 nog niet verschuldigd, omdat [gedaagde] op die datum nog niet in verzuim was wat betreft de overeengekomen betaling. De rechtbank zal de wettelijke rente over het bedrag van € 51.500,00 daarom toewijzen vanaf 1 maart 2026.
2.4.2
Om die reden is de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 februari 2026 tot en met 19 maart 2026 berekend op € 112,88 niet toewijsbaar.
2.5
De vordering komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
De proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
1.414,00
- salaris advocaat
€
1.290,00
(1 punt × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.046,02
3De beslissing
De rechtbank
3.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 51.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 1 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
3.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.560,90 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.182,77,
3.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.046,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/347415 / HA ZA 26-149
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser]
advocaat: mr. J.I. Veldhuis-Lampe,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De beoordeling
2.1
[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
2.2
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 1.560,90 worden toegewezen.
2.3
[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 551,77 voor kosten deurwaardersexploten, € 341,00 voor griffierecht en € 1.290,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 1.290,00), totaal € 2.182,77.
2.4
[eiser] maakt aanspraak op de wettelijke rente over haar vordering. De gevorderde wettelijke rente is echter niet toewijsbaar vanaf de door [eiser] gevorderde datum.
2.4.1
[eiser] vordert de wettelijke rente over haar vordering van € 51.500,00 vanaf 28 februari 2026. Die datum is echter de laatste dag waarop [gedaagde] volgens [eiser] volgens de overeenkomst nog kan betalen en is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als fatale termijn in de zin van art. 6:83 sub a van het burgerlijk wetboek. De wettelijke rente is dus per 28 februari 2026 nog niet verschuldigd, omdat [gedaagde] op die datum nog niet in verzuim was wat betreft de overeengekomen betaling. De rechtbank zal de wettelijke rente over het bedrag van € 51.500,00 daarom toewijzen vanaf 1 maart 2026.
2.4.2
Om die reden is de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 februari 2026 tot en met 19 maart 2026 berekend op € 112,88 niet toewijsbaar.
2.5
De vordering komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
De proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
1.414,00
- salaris advocaat
€
1.290,00
(1 punt × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.046,02
3De beslissing
De rechtbank
3.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 51.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 1 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
3.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.560,90 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.182,77,
3.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.046,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.