Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:2037

2026-04-14 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ak_25_3377
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-04-14
Publicatiedatum
2026-04-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ak_25_3377
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over eisers beroep tegen de terugvordering van zijn WAO-uitkering over de periode van 21 april 2022 tot en met 30 juni 2022 en een boete die aan hem is opgelegd. Het gaat om een totaalbedrag van € 3.571,58. Het UWV heeft hiertoe besloten nadat een hennepplantage in eisers woning was aangetroffen. Eiser is het om verschillende redenen niet eens met het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de WAO-uitkering terecht heeft teruggevorderd en ook terecht een boete van € 756,69 heeft opgelegd.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.254 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: ZWO 25/3377


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser], uit [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. S.I. Schinkel,


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),
gemachtigde: [gemachtigde].





Samenvatting


Deze uitspraak gaat over eisers beroep tegen de terugvordering van zijn WAO-uitkering over de periode van 21 april 2022 tot en met 30 juni 2022 en een boete die aan hem is opgelegd. Het gaat om een totaalbedrag van € 3.571,58. Het UWV heeft hiertoe besloten nadat een hennepplantage in eisers woning was aangetroffen. Eiser is het om verschillende redenen niet eens met het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de WAO-uitkering terecht heeft teruggevorderd en ook terecht een boete van € 756,69 heeft opgelegd. Daarom is eisers beroep ongegrond.




Inleiding


1. Eiser ontvangt sinds 2002 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Op 8 september 2022 heeft de politie een hennepkwekerij in zijn woning aangetroffen. Vervolgens is een strafrechtelijk onderzoek gestart en heeft eiser op diezelfde dag een verklaring bij de politie afgelegd. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt. Ook het UWV heeft onderzoek verricht. Daarvoor zijn registratiesystemen geraadpleegd en is eiser op 8 maart 2023 door een medewerker van het UWV gehoord. De onderzoeks-resultaten staan in de rapporten van 4 januari 2023 en 31 maart 2023.



1.1.
Op 18 april 2023 vond de zitting bij de politierechter plaats. Met een mondeling vonnis heeft de politierechter eiser veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en voor diefstal van stroom in de periode van 21 april 2022 tot en met 30 juni 2022. Eiser is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Met een mondeling vonnis is de ontnemingsvordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen.



1.2.
Met het eerste besluit van 9 juni 2023 heeft het UWV in totaal € 3.571,58 van eiser teruggevorderd over de periode van 21 april 2022 tot en met 30 juni 2022. Met het tweede besluit van 9 juni 2023 is een boete van € 756,69 aan eiser opgelegd.



1.3.
Eiser heeft tegen deze twee besluiten bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 31 oktober 2025 heeft het UWV de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Vervolgens heeft eiser beroep ingesteld tegen dat besluit.



1.4.
Eiser heeft op 19 december 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend. Het UWV heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.



1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.




Standpunten van het UWV


2. Volgens het UWV had eiser over de periode van 21 april 2022 tot en met 30 juni 2022 geen (volledig) recht op zijn WAO-uitkering, omdat hij niet heeft gemeld dat hij in die periode inkomsten heeft gehad uit de hennepplantage. De schatting van deze inkomsten is gebaseerd op een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 18.885,10 op basis van één eerdere oogst. Omdat eiser zich niet aan de informatieplicht heeft gehouden, is ook een boete aan hem opgelegd.




Standpunten van eiser


3. Eiser betwist niet dat de hennepplantage in zijn woning van hem was, maar stelt dat het UWV niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk inkomsten heeft genoten. Hiertoe voert hij aan dat hij niet heeft kunnen oogsten, omdat de hennepplantage twee weken voor de eerste oogst werd ontdekt. Ook heeft hij bij de politie en het UWV consistent verklaard dat er een kalklaag en stof op de apparatuur zat, omdat hij die apparatuur tweedehands heeft gekocht. Deze verklaring is volgens eiser niet weerlegd, terwijl deze verklaring wel wordt ondersteund door het strafrechtelijke oordeel waarin expliciet is vastgesteld dat er geen eerdere oogst aannemelijk is geworden. Dit ziet bovendien op hetzelfde feitencomplex. Waarom het UWV wel vasthoudt aan één eerdere oogst en uitgaat van een kweekperiode van 21 april 2022 tot en met 30 juni 2022, is volgens eiser dan ook niet duidelijk.



3.1.
Ook stelt eiser dat het UWV de bewijslastverdeling miskent en zich ten onrechte heeft gebaseerd op een schatting van de inkomsten op basis van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit het BOOM-rapport van 10 oktober 2022. Een dergelijk rapport is een hulpmiddel en geen dwingend bewijs.



3.2.
Daarnaast stelt eiser dat een wettelijke grondslag voor de boeteoplegging ontbreekt, omdat geen sprake is van inkomsten. Daar komt bij dat hij geen opzet heeft gehad om inkomsten te verzwijgen en het UWV ook heeft erkend dat hij verminderd verwijtbaar is.



3.3.

Verder stelt eiser dat het bestreden besluit onevenredig is, omdat de gevolgen zeer ingrijpend zijn. Hij moet zijn uitkering over enkele maanden terugbetalen en ook een boete betalen, terwijl vaststaat dat hij geen inkomsten heeft gehad.

Beoordeling door de rechtbank




4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht de WAO-uitkering van eiser heeft teruggevorderd en een boete aan hem heeft opgelegd. De rechtbank licht dit als volgt toe.




Herziening en terugvordering




4.1.

Het geschil gaat over een herzienings- en terugvorderingsbesluit over de periode van
21 april 2022 tot en met 30 juni 2022 en een terugvorderingsbedrag van € 3.571,58. Een dergelijk besluit is een belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden is voldaan op het UWV, waarbij het aan het UWV is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te verzamelen.




4.2.
Daarbij geldt dat het feit dat in de woning van eiser een hennepkwekerij is aangetroffen de vooronderstelling rechtvaardigt dat eiser (mede)eigenaar van de kwekerij is geweest, daarin werkzaamheden heeft verricht en dat de opbrengst daarvan ook hem ten goede is gekomen. Het is vervolgens aan eiser om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij de hennepkwekerij niet heeft geëxploiteerd en ook in het geheel geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen. Als eiser deze gegevens niet heeft verstrekt, is het UWV bevoegd om de inkomsten schattenderwijs vast te stellen. De gevolgen van het ontbreken van gegevens over het inkomen van eiser vallen geheel binnen zijn risicosfeer. Verder is het zo dat inkomsten uit een hennepkwekerij worden toegerekend aan de maanden waarin de werkzaamheden zijn verricht.



4.3.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV aan zijn bewijslast heeft voldaan. De onderzoeksbevindingen uit de rapporten van 4 januari 2023 en 31 maart 2023 geven voldoende wettelijke grondslag voor de herziening en terugvordering. Eiser is er niet in geslaagd om met gegevens aan te tonen dat hij geen inkomsten heeft gehad uit de door hem geëxploiteerde hennepkwekerij. Zijn verklaring dat er geen oogst heeft plaatsgevonden, omdat de hennepkwekerij twee weken voor de eerste oogst werd ontdekt, is daarvoor onvoldoende. Deze kale stelling is niet onderbouwd met verifieerbare informatie en wordt bovendien weersproken door de observaties die in de hennepplantage zijn gedaan. Dat de aangetroffen apparatuur er gebruikt uitzag omdat deze tweedehands zou zijn aangeschaft, is door eiser op geen enkele wijze onderbouwd met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens. Daarom slagen die beroepsgronden niet.



Mondelinge vonnis politierechter




4.4.

De rechtbank is van oordeel dat het UWV heeft mogen uitgaan van het bedrag van
€ 18.885,10 op basis van het BOOM-rapport van 10 oktober 2022. In de eerste plaats omdat uit het mondelinge vonnis over de ten laste gelegde feiten blijkt dat eiser wel is veroordeeld voor de exploitatie van de hennepplantage. Het ging daarbij over dezelfde feiten en ook over de periode van 21 april 2022 tot en met 30 juni 2022. Daarnaast blijkt uit het mondelinge vonnis over de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel weliswaar dat deze vordering is afgewezen, maar hieruit blijkt niet waarom die vordering is afgewezen. De reden van de afwijzing is wel van belang. Eisers stelling dat uit de afwijzing moet worden afgeleid dat de politierechter heeft geoordeeld dat eiser geen inkomsten heeft genoten, kan niet worden gevolgd. Een ontnemingsvordering kan immers om verschillende redenen worden afgewezen. Zo kan een politierechter bij de beslissing over een ontnemings-vordering de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde meewegen. Aan de afwijzing van de ontnemingsvordering door de politierechter kan dus niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wil zien. Eisers beroepsgronden dat het mondeling vonnis wel gaat over hetzelfde feitencomplex en dat het BOOM-rapport slechts een hulpmiddel is, miskennen dat het op zijn weg lag om aannemelijk te maken hij geen inkomsten heeft gehad. Daarom slagen ook die beroepsgronden niet.




Boete


5. De rechtbank is van oordeel dat terecht een boete van € 756,69 aan eiser is opgelegd, omdat hij de informatieverplichting op grond van artikel 80 van de WAO heeft overtreden en het UWV rekening heeft gehouden met zijn omstandigheden. Op grond van artikel 29a, eerste lid van de WAO was het UWV verplicht om een boete op te leggen. Daarbij heeft het UWV vastgesteld dat eiser verminderd verwijtbaar is vanwege psychische beperkingen. Daardoor is de hoogte van de boete vastgesteld op 25% in plaats van 50% van het benadelingsbedrag. De rechtbank acht deze boete dan ook passend en geboden. Er zijn geen dringende redenen aannemelijk geworden op grond waarvan het UWV van de boete had moeten afzien.



Evenredigheidsbeginsel


6. Eiser stelt dat de terugvordering en de boete onevenredig zijn. Volgens eiser zijn de gevolgen zeer ingrijpend, omdat hij zijn WAO-uitkering over enkele maanden moet terugbetalen en een boete moet betalen. Deze beroepsgrond slaagt niet, omdat de gevolgen van het besluit voor eiser niet nader zijn onderbouwd. Daarnaast is het doel van het evenredigheidsbeginsel niet om het volledig tegengaan van nadelige gevolgen van een besluit, maar het voorkomen van onnodig zware gevolgen in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het is de rechtbank niet gebleken dat daarvan sprake is.




Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Daarom krijgt hij het betaalde griffierecht niet terug een ook geen vergoeding van zijn reis- en proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.


Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2025:745


Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2024:1656


Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2025:1166


Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2021:133


Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2025:483